XXI
Reading edition
28 September.—Wij hebben Dehbid bereikt, tweeduizend-vierhonderd el boven de zee, het hoogste punt van den weg van Ispahan naar Shirâz. Het kleine, zeer armoedige dorpje bestaat uit eene oude, zeer vervallen citadel, enkele uit leem opgetrokken huizen en een station van de engelsche telegraaflijn: alles even ellendig.
De beide laatste etappen duurden zeer lang en waren buitengewoon vermoeiend: de met losse keien bedekte wegen waren zeer steil en dus zeer bezwaarlijk te bestijgen; de paarden struikelden en vielen telkens, en moesten dan weer van hunne vracht ontdaan worden om zich te kunnen oprichten. De armenische vrouwen zijn uitgeput van vermoeienis; de kinderen huilen den ganschen dag; de reiziger, die reeds krank was toen wij van Ispahan vertrokken, schijnt zijn einde nabij. Ook wij zelven maken zeker eene droevige figuur. Die nachtelijke tochten, zonder tusschenpoozen op elkander volgende, zijn moordend; ik heb mij nog nimmer zoo moede, zoo geheel af gevoeld als sedert de laatste twee dagen, en snak naar het oogenblik waarop wij te Persepolis zullen aankomen.
De tsjarvadar-bashi zou gaarne aan zijne karavaan een dag rust hebben gegund, alvorens den tocht over de bergen te ondernemen; maar hij heeft geen hooi meer voor zijne paarden: wij moeten ons dus wel op weg begeven. Het vertrek is bepaald op heden avond acht uur: wij mogen ons gelukkig rekenen, als wij vóór den volgenden morgen tien uur, Madereh Soleiman bereiken.
Omstreeks middernacht hield de geheele karavaan, op het geroep der tsjarvadars, eensklaps stil: de zieke is kort na ons vertrek uit Dehbid overleden, en het lijk moet nu voor zonsopgang ter aarde worden besteld. Er worden toortsen aangestoken; de tsjarvadars, met messen en stokken gewapend, delven een kuil in het midden van den weg; dan halen zij den doode, dien men van zijne Bladzijde 266beste kleederen heeft ontdaan, en leggen het bijna nog warme lijk in het pas gedolven graf, Het eenige onderscheid tusschen zulk eene begrafenis en die van een hond bestaat wel hierin, dat men de moeite genomen heeft om een derwisj—die altijd met een tijgervel over de schouderen verscheen —uit zijn slaap te wekken, en hem heeft verzocht om het hoofd van den doode in de richting van Mekka te leggen en onder zijne armen de krukken te plaatsen, waarmede hij zich moet oprichten, als de roepstem weerklinkt van den engel Azraël. De kuil wordt daarop weer gevuld en de grond gelijk gestampt; vervolgens werpt men eenige steenen op het graf, en alles is afgeloopen. De weinige nieuwsgierigen, die waren afgestegen, bestijgen hun paarden of ezels weder: de slapenden ontwaken een oogenblik op het geroep der tsjarvadars en de karavaan vervolgt haar marsch.
30 September.—Wij hebben gisteren een bij uitnemendheid vermoeienden dag gehad, en na veertien nachten achter elkander te paard te hebben doorgebracht, is het inderdaad een onwaardeerbaar genot, zich weder eens in eene goed gesloten kamer, op een op den vloer uitgespreid tapijt te mogen neervlijen. Heden morgen was alle vermoeienis en alle ontstemming voorbij; ik kon met lust den arbeid hervatten en de ruïnen gaan bezoeken. Reeds gisteren hebben wij een kleinen heuvel bestegen, waarop zich een groot, uit kalksteen opgetrokken terras verheft, dat bij de inwoners van het dorp Deh-No, waar wij ons thans bevinden, onder den naam van Takhteh Madereh Soleïman (troon van de moeder van Salomo) bekend is, en dat aanstonds aan de terrassen herinnert, waarop de koningen van Babel hunne paleizen plachten te bouwen. Het is echter duidelijk, dat op dezen kunstmatigen heuvel nooit een gebouw heeft gestaan, want het terras zelf is niet voltooid.—Op eenigen afstand van den Takhteh bevindt zich een klein gebouwtje, waarheen wij thans onze schreden richten.
Dit monument had de gedaante van een vierkanten toren. De muren waren opgetrokken van kalksteenen, die met ijzeren bouten onderling waren verbonden. Een trap, waarvan de sporen nog zichtbaar zijn, voerde naar de deur in het midden van den voorgevel. Op de vier hoeken bevonden zich uitspringende pilaren: eene soort van uitgetande kroonlijst sloot het monument van boven af. Ongetwijfeld hebben wij de ruïnen voor ons van een grafmonument, voor een koning of althans voor een aanzienlijk man opgericht.—Wij dalen af naar de vlakte: het onderzoek van een hoop steenen, waarboven eene zuil oprijst, zal ons misschien eenige inlichting verschaffen omtrent den ouderdom dezer gebouwen. Naderbij gekomen, zien wij dat de zuil van kalksteen is; hare hoogte bedraagt ruim elf, en haar doorsnede iets meer dan een el. De gladde schacht rust op een rond voetstuk van zwart bazalt; het kapiteel is verdwenen of licht misschien in gruis op den grond. In de onmiddellijke nabijheid ziet men nog, op regelmatige afstanden, eenige andere voetstukken van zwart bazalt: blijkbaar stonden daarop in vroeger tijd dergelijke zuilen als de eenige, die tot dusver gespaard bleef.
Niet ver van deze zuilen staan drie zware pilaren, eveneens van kalksteen vervaardigd. Zij zijn acht el hoog en bestaan uit drie steenblokken boven elkander, die aan eene zijde gedeeltelijk zijn uitgehold, zoodat zij eene nis vormen; aan het bovengedeelte ziet men eene inscriptie in spijkerschrift. Ongetwijfeld is dit de beroemde perzische, medische en assyrische tekst, die, naar de vertaling der geleerden, aldus luidt: “Ik, Cyrus, koning van het geslacht der Achemeniden.”—Zonder moeite herkent mijn echtgenoot den naam van den stichter der perzische monarchie en den titel Khshâyatrya, overeenkomende met het Sar der Semitische volken en met het grieksche basileus. Ongetwijfeld is de titel van Shâh, waarmede nog heden de beheerscher van Perzië wordt aangeduid, niet anders dan eene afkorting van dit woord.
Verder vinden wij nog eenige gebroken platen van zwart bazalt, aan de binnenzijde met beeldwerk versierd, benevens talrijke sporen van fondamenten, ten deele onder het puin begraven. Uit hetgeen nog gespaard bleef, mogen wij veilig besluiten dat wij hier de overblijfselen voor ons hebben van eene groote zuilenhal, die met een houten dak was gedekt, en vermoedelijk ter wederzijde geflankeerd door kleinere vertrekken, die met de portiek voor de zaal in gemeenschap stonden.
Niet ver van dit gebouw zie ik, meer oostwaarts, een groote steenen paal of stèle; wij gaan daarheen. Op de eene zijde zie ik, onder eene inscriptie in drie talen, een fraai beeld in basrelief, dat ongelukkig door den tijd heeft geleden en ten deele met mos is begroeid. Het is een man in de kracht des levens, met een zuiver europeesch gelaatstype; de schedel is kaal geschoren; de haren langs de slapen en aan het achterhoofd zijn in tressen gevlochten, die in den hals hangen; de baard is kort en gefriseerd. Hij draagt een lang overkleed, dat aan de zijde wordt toegeknoopt, zooals de Perzen nog heden des winters dragen: het zonderlinge hoofddeksel, waaraan men den egyptischen uraëus herkent, herinnert aan de kroon van sommige egyptische godheden: aan de schouders zijn groote vleugels bevestigd, als die der cherubim; in de hand houdt hij een beeld, waarvan de kroon mede met den uraëus prijkt.
Naar de meening van Marcel is dit beeld, versierd met de attributen van de goden der aan Iran grenzende landen, niet de beschermgod van Cyrus, maar het portret van den koning zelven.
Cyrus, beheerscher geworden van een reusachtig rijk, dat zich van Egypte tot de oevers van de Kaspische-zee uitstrekte, zou de behoefte gevoeld hebben, om, voor zijne eigene rekening en in zijn belang, de grieksche of egyptische traditie in eere te houden, volgens welke de koninklijke geslachten van de goden afstamden: met dat doel zou hij zich getooid hebben met de attributen ontleend aan het pantheon van alle volken, die het perzische rijk omvatte, ten einde op die wijze zijn gezag in zekeren zin te wijden en te bevestigen. Bladzijde 267
In het dorp teruggekeerd, vind ik den tsjarvadar-bashi in ons kamp. “Ik vertrek heden met de karavaan,” zegt hij tot ons; “ik zal u twee mannen achterlaten om voor de rijpaarden en den muilezel, die uwe dagelijksche bagage draagt, te zorgen. Hoewel het mij moeilijk valt, van mijne dieren te scheiden, maak ik mij toch niet ongerust over hen, want de door den gouverneur van Shirâz gezonden toefangtsjis, die u tot geleide moeten dienen, zijn er ook om toezicht te houden. Ik moet u echter ten dringendste aanraden, bij den tocht door de bergpassen van den Polvar, de soldaten niet achter te laten; om op de afschuwelijke wegen, die gij volgen moet, af te stijgen; om te zorgen dat gij de beesten niet vermoeit, en om ze zorgvuldig te dekken als gij aan de pleisterplaats zult gekomen zijn.
—Wij zullen voor uwe beesten zoo goed zorgen als voor ons zelven, dat beloof ik u plechtig; antwoordde ik. “Wat kunt gij meer verlangen?
—Kunnen wij de andere zijde van den berg niet bereiken, zonder door de passen van Maderèh Soleîman te trekken? vroeg mijn echtgenoot op zijne beurt.
—Neen, Çaheb; meent gij dan dat wanneer de tsjarvadars, al ware het ook ten koste van een langen omweg, dien weg konden vermijden, zij ieder jaar in die noodlottige passen bagage en muildieren zouden laten verloren gaan? Als het water laag is, volgen de karavanen de oevers van den Polvar en trekken zonder bezwaar door den pas; maar des winters moet men een weg volgen, die voor onheugelijke tijden in de loodrechte rotswanden is uitgehouwen.
—Als ge u oostwaarts wildet richten en naar Kirman gaan, zoudt ge ook dan nog de passen moeten doortrekken? Zoudt ge dan niet op zeker punt links kunnen afslaan?
—Neen, zeker niet. De woestijn ten oosten van Meshed Moergab is de dorste en meest waterlooze wildernis, die in geheel Perzië te vinden is, dat toch geen gebrek heeft aan wildernissen. Geene enkele karavaan zou zich in die woestijn durven wagen.
—Het is dus, volgens u, uitgemaakt, dat men niet van Kirman naar Madereh Soleîman kan gaan, dan over Darab en den Takhteh Dsjemsjid?
—Dat staat vast, Çaheb. Vraag het maar aan alle tsjarvadars; zij zullen u hetzelfde zeggen. Men behoeft daarvoor niet eens zestig jaren lang de karavanen te hebben begeleid.
—Waarom vraagt ge toch al die inlichtingen omtrent de wegen, die naar het oosten voeren, vroeg ik aan Marcel. Wij zijn immers niet voornemens, Kirman te bezoeken.
—Omdat wij hier in de nabijheid zijn van den weg, dien Alexander op zijn terugkeer uit Indië volgde, en dat het van het hoogste belang is te weten, dat de macedonische koning niet naar Persepolis is kunnen gaan, den weg nemende over Kirman, Madereh Soleîman en de passen van den Polvar, maar dat hij de karavanenwegen heeft moeten volgen en over Darab en de passen van Sarvistan naar Perzië is moeten trekken.”