III. NAMEN ONZER VOOROUDERS IN DEZE OORDEN.
Reading edition
»Vijf-en-twintig eeuwen terug, en
Nog lag Europa woest. De nevel der barbaarschheid
Hing zwaar, en dunde pas aan ’t zuiden voor de schaarschheid
Van enkle stralen lichts, het oosten uitgestroomd,
En boorende in die nacht, meer dan verwellekoomd;
Doch ’t Noorden, overzwermd door onbekende horden,
Die als het kruid der heide, ontloken en verdorden,
Ontstonden, streden en vergingen op een boôm,
Woest als hun aart, wild als hun tochten en den toom
Zoo min gewend als zij. . . . . . . . . . .
. . . . . . . . Noord-Neêrland half in zee
Bedolven, bood den zwervers oord noch steê
Dan eerst op Drenthes grond, waar donkre boschwaranden
De heuvelige hei belomren tot de stranden
Des Noorder oceaans.”
Hist. Landschappen van Hofdijk, blz. 34.
»Op denzelfden voet zoude ik u kunnen aantoonen van andere volken, dat zij van de Celten gesprooten zijn, doch deeze zijn de voornaamsten op welke wij betrekking hebben, en er blijft dus geen twijffel over, of de Nederlanden, die òf tot de Gallien òf tot Germanie behooren, zijn ook door dezelve bevolkt geworden.”
De aloude Staat en Geschiedenissen der Vereenigde Nederlanden. van E. M. Engelberts, dl. I. blz. 168.
Het is dikwijls voor velen een struikelblok geweest, als zij de namen hunner voorouders van een oord, laat staan van een stad of dorp, wilden bepalen. De volgende redenen zijn voornamelijk hiervoor aan te voeren en moeten in aanmerking worden genomen:
a. Van de vroegste bewoning onzes lands bestaan geene oorkonden.
b. Men heeft zich dikwijls niet behoorlijk rekenschap gevraagd, wanneer ons land, en strenger het oord hunner beschrijving, voor bewoning is geschikt geworden.
c. Daar waar al van vroege bewoning wordt gesproken, wordt menigwerf die plaats niet juist aangeduid.
d. Die dit in later tijden nog eenigzins gedaan hebben, waren vreemdelingen—meestal Romeinen.
e. Waar die dus inheemsche plaatsnamen noemden, waren die meestal gelatiniseerd, en hoewel soms eenige overeenkomst met de tegenwoordige hebbende, zijn zij dikwijls zeer onkenbaar geworden.
f. Vóor, ten tijde van, en nà der Romeinen verblijf in ons land, was het bevolkt door een aantal volksstammen, die elk hun eigen naam hadden, hetwelk natuurlijk de verwarring vermeerderde, als men de grenzen hunner bewoning moest aanduiden.
g. Hunne woonplaatsen waren daarenboven niet stationair: nu eens moesten zij die verlaten door overstroomingen, dan weder door het aandringen van nieuwe, of gepaster, andere volksstammen.
De aandachtige lezer zal dus met ons de overgroote moeijelijkheid inzien, iets degelijks te schrijven over de namen onzer voorouders in deze oorden.
Echter zullen wij een en ander aan dit land en dit oord toetsen.
a. Van de vroegste bewoning onzes lands bestaan geene oorkonden.
OUDSTE BEVOLKING.
De tijden zijn reeds lange heen gevloden, waarin, als men iets van de vroegste vaderlandsche geschiedenis wilde schrijven, men het eerst gewaagde van de Friezen en Batavieren. Immers reeds lang voor die volken hier woonden, hadden andere stammen dit land tot hunne woonstede verkozen.
Het ware ruwe en wilde volken, van welke geen oorkonden bestaan, en dit kan men ook niet verwachten van die woeste kohorten, die, hoewel vele deugden bezittende, die wij dikwijls missen, toch een natuurleven leidden;—volken, aan wie kunsten en wetenschappen bijna ten eenenmale onbekend waren, en, al hadden zij dus den lust gehad oorkonden of geschiedrollen te vervaardigen, dan immers stuitten zij op de werktuigen waarmede.
Hoe duister de bevolking van eenige landen ook wezen moge, zoo houdt men toch Azië als het moederland, en brandpunt dat Europa bevolkte, en om dit te bewijzen, zullen wij voornamelijk Engelberts’ aangehaalden »Aloude staat” volgen.
De Celten—zoo worden de oudste volken van bijna geheel Europa en ook van ons land genaamd—de Celten waren Scythische volkeren.
Deze Scythiers waren weleer het grootste volk van den aardbol. Zooals wij reeds opgemerkt hebben, woonden zij in Azië en wel binnen en buiten het gebergte Imaus in het noordelijk gedeelte van laatstgenoemd werelddeel. Eene sterke vermenigvuldiging van hunnen stam was echter oorzaak, dat zij zich wijd en zijd verspreidden, en de Sarmaten en Celten ontsproten.
De Celten nu trokken door tot aan de Caspische zee, vestigden zich in Perzie, doch keerden zich voornamelijk naar de Zwarte zee, zonden volkplantingen naar Thracien, Macadonie en Griekenland, staken van daar over naar de eilanden der Middellandsche zee, naar Europa en Klein-Azie.
In het Noorden zullen de Celten door Moscovien insgelijks in Europa òf vrijwillig òf uit noodzakelijkheid gedrongen zijn en, door den oceaan gestuit, meer zuidwaarts zijn getrokken, totdat zij elkander eindelijk ontmoetten, en alzoo Europa met inwoners vervuld was.
En dit, geachte lezer, is de meest waarschijnlijke eerste bevolking van het werelddeel en het land dat wij bewonen.
Twijfelt men er nog aan, dat Europa door bewoners uit Noord-Azië is bevolkt geworden, zoo zie verder:
Dat Azië reeds vroeg bevolkt was vóór andere landen, weten wij uit de H. Schrift. Ook is het bekend, dat in Zuid-Azië reeds vroeg, zeer vroeg kunsten en wetenschappen op een hoogen trap van ontwikkeling waren, toen N.-Azië, laat staan andere volken, nog in diepe onwetendheid begraven lagen.
Was Europa dus uit Zuidelijk Azië gepopuleerd, dan hadden zij ook de kunsten en wetenschappen medegebragt die zij reeds hadden. De Celten nogtans waren wild en ruw, en hadden dus met de primitieve zuidelijke bewoners weinig gemeen.
De ontegenzeggelijke weelderigheid der Zuid-Aziers daarenboven maakte hen ook voor dusdanige verhuizing minder geschikt, te minder: daar hunne liefelijke landstreek met haren schoonen blaauwen hemel zoo een contrast aanbood met het onbebouwde en toen ter tijd meestal mistige Europa.
De Scytiers van Noordelijk Azië echter hadden daarvoor meerdere geschiktheid. De sobere levenswijze die zij leidden, maakten hen bestand tegen de vele ongemakken waarmede zij hier zouden te kampen hebben.
Nog zouden wij onder dit hoofdstuk kunnen schrijven over de Phoeniciers welke zich later waarschijnlijk in het Z.-W. Europa vestigden—over de Sarmaten en over hunne begrenzing met de Celten, welke laatsten ook, ter onderscheiding der eersten, Scyto-Celten genoemd werden—hoe er door die begrenzing en ondereenmenging weder een andere volksstam, die der Finnen, ontsproot—hoe de Sarmaten de grenzen van Europa en Azië in het Noorden besloegen, terwijl Zweden, Noorwegen, Denemarken, Duitschland, Groot-Brittannië, Spanje en een gedeelte van Italië en Sicilien, enz. door de Celten ingenomen werd; en hoe zij zich weder uit Europa onder den naam van Gallaten (Gallo Graecae) in Klein-Azië vestigden. Genoeg echter, dat bewezen is, dat Europa’s bewoners Celten waren.
b. Men moet zich eenigzins rekenschap vragen, wanneer ons land, en strenger het oord onzer beschrijving voor bewoning is geschikt geworden.
Welligt zijn er, die aanmerking maken, dat ons land niet is genoemd onder de landen die bekend zijn als door de Celten bewoond.
Met gerustheid kunnen wij zeggen: ons vaderland is door de Celten bewoond. De vraag is nu echter: waar en wanneer.
Te zeggen, dat geheel ons vaderland door hen bewoond is geweest, zou groote dwaasheid zijn. Men zal zich nog uit onze geologische schets kunnen herinneren, hoe traag de laagveenwording voortging; dáár dus waar die wording plaats greep—en zij deed zulks in een groot deel van onze provincien—was het onbewoonbaar. Laag-veenwording toch en moerassig drassige grond, zijn aan elkander verbonden, en de moerassig drassige grond was toen althans niet bewoonbaar.
Ook de geduchte vijandin—de Noordzee hebben wij als eene groote hindernis voor eene zeer vroege bewoning leeren kennen. Ook van haar kan de vriendelijke lezer zich herinneren, hoe zij hare schuimende golven over het zuchtende land wierp, dood en verderf met zich voerende. Het zag er dus in dit oord slecht voor zijne bewoning uit: dit zegt ons de geologie, en alzoo zal Oudewater en omtrek wel niet voor der Celten bewoning zijn geschikt geweest.
En welke zijn die achtergebleven oudheden, waardoor men eenigzins geslaagd is zich een oppervlakkig denkbeeld van hunne levenswijze te vormen?—Zaagt gij, geachte lezer, ooit in Drenthe die kolossale steengevaarten die men onder den naam van hunnebedden aanduidt? Welnu, die fluisteren u alsnog van dat geslacht ’twelk eenmaal uit Azies noorden tot ons kwam; daaronder rust de assche van hen die wij Celten noemen.
Zoo stonden de zaken, totdat deze bewoners lang nog vòòr de geboorte des Zaligmakers, door overstroomingen en door uit het Noorden aankomende volken verdrongen, bijna of geheel uit deze landen verdwenen en vervangen werden door nieuwe bewoners, die, hoewel reeds meer beschaafd dan hunne voorgangers, toch zeer eenvoudig daarheen leefden.
c. Daar, waar al van vroege, van Voor-Germaansche bevolking wordt gesproken, wordt menigwerf de plaats niet juist aangeduid.
d. Die dit dan in later tijd nog eenigzins gedaan hebben, waren vreemdelingen, meestal Romeinen.
e. En waar die dus plaatsnamen noemden, waren die meestal gelatiniseerd, en hoewel soms eenige overeenkomst met de tegenwoordige plaatsnamen hebbende, zijn zij dikwijls zeer onkenbaar geworden.
Op dit alles, geachte lezer, zullen wij, gelijk gebleken is, moeten letten om de namen der vroege bewoners van dit oord aan te duiden, om welke reden wij deze onderwerpen allen bij elkander getrokken hebben; wij zouden ook zeer moeijelijk elk afzonderlijk kunnen beschrijven, omdat wij ons nu in deze, dan weder in eene andere rubriek-aanduiding zullen bevinden.
Laat ons nu een en ander nog beknoptelijk nagaan.
Nog digter zou de sluijer, die over het bestaan der na-Celtische bewoners is gespreid, zijn, indien niet de heerschzuchtige Romeinen, omstreeks 50 jaren vóor des Zaligmakers geboorte, ook deze oorden waren komen bezoeken.
Eerst traden onze vaderen met hen in verdrag, doch later, toen de Romeinen dit niet naleefden, werden zij al meer tot een staat van slavernij gebragt. Onze voorouders nu, die hen zoo trouw gediend en zelfs tot de lijfwacht van Romes keizer behoord hadden, werden dit moede; de voormalige bondgenooten waren weldra vijanden, en nu deden zij hun dikwijls door groote nederlagen zien, dat zij met een dapper volk te doen hadden.
Door deze en meerdere omstandigheden werd ons land het voorwerp eener meer aandachtige beschouwing, en wij zeggen het Wagenaar na: ware de oorlog met de Romeinen niet voorgevallen, wij zouden weinig van ons land en het oord onzer beschrijving weten.
Julius Cæsar, Mela, Plinius en Tacitus, moeten wij het eerst als geschiedschrijvers dezer landen noemen.
Ofschoon deze nu dikwijls de bewoners dezer oorden regt laten wedervaren, waren het echter geen Germanen of Galliërs die dit geboekstaafd hebben, en als zoodanig heeft hun schrijven wel eens iets van vleijerij aan die natie tot welke zij behoorden.
Het meest maakten de oude schrijvers hun werk als zij den staat van ons land hebben willen aanduiden, van den loop der rivieren en inzonderheid van den Rijn.
Wat wij hiervan door hen weten, is zoo merkwaardig, dat ik niet kan nalaten, het hier neder te schrijven:
Julius Cæsar schreef ten tijde van den Gallischen oorlog, omstreeks 50 jaren voor Christus’ geboorte, van ons land ongeveer dan aldus:
»De Maas vloeit uit het gebergte Vogesus op de grenzen der Lingonen, en zich met een zeker gedeelte van den Rijn, dat de Waal genoemd wordt, vereenigd hebbende, vormen zij het eiland der Batavieren, en valt niet eerder dan 80,000 schreden van daar in zee. Doch de Rijn ontspringt uit het land der Leponten die de Alpen bewonen, loopt zeer snel door de landpalen der Nantuatiers, der Helvetiers, der Sequanen, der Mediomatricen, Tribocers, der Treviren. Wanneer hij dan aan de zee genaderd is, verspreidt hij zich in verscheidene takken, en maakt vele groote en kleine eilanden, voor het grootste gedeelte bewoond door woeste en barbaarsche natien, onder welke er gevonden worden waarvan men meent, dat zij van visschen en eijeren leven. Eindelijk vloeit hij door verscheidene monden in zee.”
De oude schrijver Pomponius Mela, een Spanjaard van geboorte, en die onder Tiberius Caligula en Claudius leefde, teekent het volgende aan:
»De Rhijn, uit de Alpen afdalende, vormt digt bij deze bergen twee meeren: het Veneter- en het Acronisch meer. Hierop langen tijd eenzaam en in eene zelfde kil bestendig voortvloeijende, wordt hij niet ver van de zee hier en daar verspreid, doch ter linkerzijde blijft hij dan ook eene rivier, en totdat hij uitvloeit de Rhijn—daar hij ter regterzijde eerst eng en aan zich zelve gelijk, nadat zijne oevers wijd en zijd van-een wijken, een groot meer uitmaakt, dat de landen heeft vervuld en Flevo genaamd wordt. Voorts een eiland van den zelfden naam omvattende, wordt hij wederom enger en ontlast zich in de gedaante van eene rivier in zee.”
Daarna schreef Plinius secundus:
»In den Rhijn zelf is het zeer schoon eiland der Batavieren en Caninefaten omtrent 100,000 schreden in de lengte en de andere landen der Friezen, Cauchen, Frisiabonen, Sturiers, Marsatiers, welke bij elkander liggen tusschen Helium en Flevum. Dus worden de monden genaamd, door welke de Rijn in zee vloeit, na zich ten noorden in meeren, ten westen in de rivier de Maas te hebben uitgestort. Door een anderen mond welke tusschen deze beide in is, behoudt hij eene kleine kil die naar zijnen naam genoemd wordt.”
Terwijl Tacitus, die onder Vespasianus leefde, eindelijk dit nog aanmerkt:
»Het eiland der Batavieren werd tot verzamelplaats gesteld om ’t gemakkelijk aanleggen, en was welgelegen om het heirleger en den krijg over te schepen. Want de Rhijn, vlietende met eene doorgaande kil, en kleine eilanden omvloeijende, splitst zich in het begin van het land der Bataven in twee stroomen, en behoudt zijn naam en snelheid van loop vandaar hij Germanie voorbij streeft, en totdat hij zich met den oceaan vermengt, langs den Gallischen oever breeder en zachter heen vloeit, alsdan met een anderen naam Waal genoemd wordt. Thans verandert hij dezen naam mede in den stroom van de Maas en komt door den geweldigen mond derzelve zich in denzelfden oceaan uitstorten.”
Zie daar, geachte lezer, die weinige dierbare regels, over den ouden staat van ons land geschreven. Hiernaar zijn de oude kaarten meestal zamengesteld, en hierdoor ontstonden dan ook, naar de verschillende gevoelens, zoo veel verschillende kaarten, en met bewonderenswaardig geduld en studie, heeft de schrandere Engelberts dàt weten overeen te brengen, waarin deze oude schrijvers, zoo het scheen, verschilden.
Behalve deze beschrijving bestaan er nog de zoogenaamde reiskaarten van Peutinger.
Hoe gelukkig, dat wij in het bezit zijn van dusdanige kaarten! hierop kunnen wij eenigzins ontwaren waar de Romeinen hunne togten hebben gehad, en welke plaatsen en plaatsnamen daar nog van overig zijn.
De volgende namen vinden wij opgeteekend in de twee heirwegen die van Lugdunum naar Noviomagum voerden.
De een liep langs den linker Rijn-oever aldus:
1) Van Lugdunum over het 2) Praetorium Agrippinae uit tot 3) Matelo, 4) Albamanis, 5) Niger Pullus, 6) Lauri, 7) Fletio, 8) Levæ fanum, 9) Carvo, 10) Castra Hercules, 11) Noviomagum.
Laat ons nu zien hoe deze plaatsnamen bij eenige verschillende schrijvers worden uitgelegd.
1. Lugdunum willen Bertius, een beroemd landbeschrijver, en S. van Leeuwen als het tegenwoordige Leiden aanduiden. Menso Alting houdt het echter voor Loegsduinen of Loosduinen.
2. Prætorium Agrippinæ is, volgens Bertius, Menso Alting en S. van Leeuwen, Roomburg.
3. Matelo wordt door Bertius gehouden voor Koudekerk; Van Leeuwen houdt het voor Rhijnsburg; Van Loon heeft nog eene andere meening.
4. Albaminis is Alphen bij Bertius en van Leeuwen.
5. Niger Pullus—Woerden, Bertius en van Leeuwen.
6. Lauri is Leerdam, naar Cluverius en van Leeuwen.
7. Fletio—Vleuten bij Utrecht, volgens Bertius en van Leeuwen. Alting plaatst het tegenover Vleuten.
8. Levae fanum voor Leeuwen, volgens Bertius en van Leeuwen. Alting nogtans houdt daarvoor Wijk bij Duurstede.
9. Garvo is volgens van Leeuwen, Grave; Bertius denkt aan Grave of Kille; Alting aan Rawijk.
10. Castra hercules houdt Alting voor Malburg; van Leeuwen voor Erkeles.
11. Naviomagum voor Nijmegen, bij alle ons bekende schrijvers.
De andere weg liep aan, tot en over de Maas aldus:
1) Lugdunum, 2) Forum hadriani, 3) Flenum, 4) Table, 5) Caspingium, 6) Grinnis, 7) Ad Duodecimum, 8) Noviomagum.
1. Lugdunum. Zie over de oude ligplaats hiervoren.
2. Forum hadriani is, volgens Bertius en Van Leeuwen, Voorburg.
3. Flenum, volgens Bertius: Delft.
4. Table zou, volgens Bertius en van Leeuwen, Alblas zijn.
5. Caspingium is Giessen naar Bertius; Giessenburg naar Van Leeuwen, en Asperen naar Alting.
6. Grinnis is Rhenen volgens Cluverius en van Leeuwen, doch Menso Alting houdt het voor Gorcum.
7. Ad Duodecimum, duizend passen boven Lewen volgens Alting; echter Wageningen bij van Leeuwen.
8. Noviomagum. Zie hiervoren.
Hoe nu, geachte lezer, wijs te worden uit zoo vele verschillende meeningen? Tot hier hebben wij u dan ook willen brengen om te bewijzen, dat, zooals in e gezegd werd, de plaatsnamen gelatiniseerd werden, en dat, al hebben zij dikwijls nu nog eenige overeenkomst met de tegenwoordige, zij echter zeer onkenbaar geworden zijn.
Hoe het zij, wij laten ons over de duisterheid der tabulae peutingerianae, zooals die ook genaamd werden, niet in gissingen. Wat ons echter daarvan bij alle schrijvers bleek, is, dat de heirbaan, die langs den linker Rijn-oever liep, ook in den omtrek van Oudewater lag.
Tusschen Montfoort en Oudewater, echter het digtst bij eerstgenoemde plaats, wijst men nog nu ten dage een stuk bouwland aan, dat de hooge Waard genoemd wordt.
Op bladz. 142 maakt Smids in zijne Schatkamer nog aldus van die plaats gewag: »Voorts heeft hier weleer eene Romeinsche sterkte gestaan, terwijl zulks hare hoogte aanwijst behalve de opgedolven munten, steenen en allerlei gebroken vaatwerk, in eene groote menigte nu en dan weggehaald. (Buchelius over Heda, bladz. 229.)
En telken jare nu als de koesterende lentezon den landman noopt zijne zaden aan den akker toe te vertrouwen, en hij de ploeg bot schaart op de scherven van Romeinsch huisraad, die ons als toeroepen: zoo verkeert weldra alle aardsche grootheid in ellendig puin,—hoe weinig denkt hij er dan aan, dat daar eenmaal de trotsche Romeinsche adelaren geplant waren op der Bataven grond.
Doch ook nu hebben wij de regelen van ons prospectus ontvouwd: dat de bevallige boorden des IJssels weleer door de Romeinen bewoond werden.
f. Vóór, ten tijde van, en ná der Romeinen verblijf in ons land was het bevolkt door een aantal volksstammen, die ook elk hun eigen stamnaam hadden, hetwelk natuurlijk de verwarring vermeerderde, als men de grenzen hunner bewoning moest aanduiden.
g. Hunne woonplaatsen waren daarenboven niet stationair: nu eens moesten zij die verlaten door overstroomingen, dan weder door het aandringen van nieuwe volksstammen.
Zeker, er waren in ons land een tal van stammen van verschillenden naam, ofschoon zij godsdienst, zeden en levenswijze met elkander gemeen hadden.
Was het, geachte lezer, reeds zoo moeijelijk, heirwegen op te sporen, die toch in den bodem zekere sporen hebben nagelaten, die men dikwijls zien en betasten kan,—hoeveel te moeijelijker moet het dan zijn de plaats aan te duiden van zoovele stammen, verschillend in naam; die niet altijd zekere sporen van bijzondere stammen hebben nagelaten, en wier woonplaats daarenboven niet stationair was, om de redenen in g hiervoren aangetoond.
Men kan dus ligt nagaan, dat wij ook voor de verschillende oorden waarin men deze stammen plaatst, een magt van schrijvers en schetskaarten zouden kunnen aanhalen, doch wij hopen, met de reiskaarten dit overbodig te hebben gemaakt. Slaan we dus meer bepaald ons oog op dit oord.
Dat hier heidenen gewoond hebben, is reeds uit onze Mythologische schets van Oudewater en omtrek op meer dan eene plaats ten duidelijkste gebleken. Ook behoeven wij dus hierom er niet bij stil te staan: hoe sedert het verblijf der Celten in ons land deze streek geschikt werd ter bewoning, en hoe er reeds toen ter tijde Oudewaarden bestonden, waarover wij naar de geologische schets zouden kunnen verwijzen. Genoeg, het was bewoond; de vraag is dus: door welken stam of welke stammen?
Achter Tacitus’ historie, vertaald door den drossaert P. C. Hooft, vindt men eene verklaring eeniger namen van VOLKEN en steden, die in de boeken van Tacitus worden gelezen, gesteld naar het gevoelen, de bewijzen en gissingen van P. Cluverius, P. Ferrarius, M. A. Baudrand en andere landbeschrijvers.
Zien wij nu eerst wat die van het eiland der Batavieren zeggen in hun tijd, nadat wij vroeger gezien hebben wat de oude schrijvers daarvan gezegd hebben.
»Batavia is het eiland der Batavieren, dat van den Rhijn en de zee werd omringd, te weten van den Rijn, daar zich die bij Schenkenschans in tweeën splitst, behoudende de eene tak zijn zelfden naam, terwijl de andere tak de Waal genoemd wordt, en die daarna ook de Merwe heet, en eindelijk bij Rotterdam de Maas genoemd wordt, totdat zij voorbij den Briel in zee loopt.
Oudewater, geachte lezer, wordt hieronder niet genoemd, doch indien wij nagaan, dat de plaatsen uit den omtrek worden aangeduid, en juist Oudewater, dat daar tusschen ligt, niet, dan aarzelen wij geen moment, Oudewater onder die andere steden in Holland te noemen en alzoo ook deze plaats te rangschikken als vroeger op het eiland der Batavieren gelegen hebbende.
Op bladz. 4 verbeteren zij dan ook dadelijk hunne onvolledigheid, en door dit na te schrijven zijn dan ook onze voorouders in deze oorden volgens hen genoemd.
»De Caninefaten,” lezen wij daar, »was een volk, dat een gedeelte van het eiland der Batavieren bewoonde, te weten aan den oever des Rijns van Batovodurum of Wijk Duurstede tot Lugdunum of Leiden, begrijpende ’t gewest daar nu Culenborg, IJsselstein, Montfoort, Oudewater, Woerden en Gouda ligt.
Mogten die geleerden dwalen, wij nemen het niet op ons, hoewel ook wij niet zonder grond meenen, dat de Caninefaten eertijds mede op de plek woonden van het tegenwoordige Oudewater.
»Gelijk de magtige baren des Oceaans de krachtige duinen aan den oever allengs naderen, en met immer toenemend geweld eindelijk deze zonderlinge zeereuzen, die de oceaan zelf heeft geschapen, weder vermeesteren en, gelijk Saturnus zijne kinderen, verslinden: zoo ook bruisten de woeste volksstammen uit het noorden, het oosten en het zuiden, vooral in de vierde eeuw, aan op der Batavieren grond, en namen de volksstammen der Batauers, Caninefaten en vele anderen als het ware in hun magtigen schoot op, en deden hen eindelijk geheel verdwijnen van het wijd uitgestrekt schouwtooneel, waarop de volken hunne rollen wisselen onder oneindige verandering in magt en vernedering, onder weligen voorspoed en diepen val.
Slechts hier en daar vinden wij onder Julianus de afvallige nog eenige gezinnen die wijzen kunnen op hunne voorvaderlijke afkomst, en hoewel zij, die den krijgsmansstand kozen, onder de Romeinsche veldteekenen nog altijd hun ouden roem als lijfwachten behielden, en zelfs Constantinus in het nieuwgebouwd Constantinopolis beschermden, moesten degenen, die vlijtig hunne akkers beploegden, weldra onderdoen voor deze woeste indringers.
Vooral drie groote volkstakken, even als de vroegere van Germaanschen oorsprong, en in zeden en gebruiken weinig van elkander verschillende, treffen wij in de vierde eeuw onzer jaartelling aan, als bezitters van het roemruchte eiland der Batavieren—waaronder, zooals wij nu weten, ook de plaats van het tegenwoordig Oudewater behoorde. Slaan wij het oog naar het zuiden, dan zien wij de moedige Franken naderen en zich uitbreiden van Gallie over Belgien tot aan de boorden des Rijns. Van het oosten dagen de Saxen op, ontplooijen hunne benden over Gelderland en Overijssel, en stuiten ter linkerzijde tegen de fiere en moedige Friezen, die als hechte rotsen in den woelenden tijdstroom nog daar staan voor ons oog en de eerbiedwekkende telgen zijn van den krachtigen Scandinavischen eik (volgens de aloude stamsage) door ’t volkshoofd Frizo geplant aan de barre kusten der Noordergolven.
Zoo stond het, mijne lezers, met het volk en dus ook met de namen onzer voorouders in deze oorden, die wij van nu aan tot op een zekeren tijd niet meer onder een bijzonderen naam kunnen aanduiden.
De verschillende namen, die zij gehad hebben bij verschillende innemingen der plaats, en indeelingen des lands, gaan wij voorbij; alleenlijk herinneren wij nu, dat Oudewater thans is, een deel van het dierbare Nederland en gelegen in Zuid-Holland. Onze naam is dus ook nu Nederlanders, Zuid-Hollanders en Oudewaterschen.