AARDGEESTEN, DWERGEN, enz.
Reading edition
Door de kaboutermannetjes is hetzelfde te verstaan.
»Dreutel,” zegt laatstgenoemde schrijver, »beteekent, gelijk keutel, de drek van schapen. Door het Christendom,” vervolgt hij, »is de naam in verachting geraakt, en, gelijk bij de Israeliten vreemde goden drekgoden heeten, tot benaming voor het laagste en verachtelijkste gebruikt.”
»De echte beteekenis,” zegt deze geleerde, »is echter nog niet geheel versleten; ik herinner mij een kinderliedje, beginnende:
Klein, klein dreuteltje, (kleutertje, dreumesje,)
Wat doe jij in mijn hof!”
En hier doen wij van den Bergh welligt geene ondienst als wij het vervolg daarvan ter nederschrijven, zooals de jeugd dit in Oudewater opdreunt:
»Jij plukt al mijn bloemetjes weg,
Jij maakt het al te grof.”
De kleine pijpjes die in de aarde gevonden worden, zegt men, zijn van aardmannetjes; veelal dan ook worden zij naar hen genoemd. Uit dit alles blijkt ook weder verachting en kinderspel van het vroegere heidendom.