Note 1 — III. NAMEN ONZER VOOROUDERS IN DEZE OORDEN.
Reading edition
Hofdijk, onze teregt zoo hooggevierde historicus, hakt den knoop door, als hij zegt: »Eenige eeuwen voor de geboorte van Christus, toen de westelijke streken van Nederland nog moerassige riet- en boschgronden waren, doorsneden van vele wateren en meeren, werd alleen slechts een gering deel van het hooger oostelijk land, het woudvolle landschap dat wij Drenthe noemen, bewoond. Ruwe volksstammen, met den algemeenen naam van Celten of Voor-Germanen bestempeld, leefden daar grootendeels van de jacht op de wouddieren: wilde ossen, rendieren, elanden, beeren, everzwijnen en anderen, die er in menigte gevonden werden. Van de Nederlandsche Celten is echter niets bekend, en alleen door het ijverig opsporen en onderzoeken der achtergebleven oudheden uit hun tijdvak is men eenigzins geslaagd, zich een oppervlakkig denkbeeld van hunne levenswijze te vormen.”1