← Table of contents
Nederlandsche Volkskunde

Breeë wiele.

Reading edition

(ʼt Zuiden van de Baronie van Breda).

B. Neeë, Arjaon! zou da toch mötte?

A. Jao, jao, da möt zeker; ik hoar zegge, das ze dʼn earste van dʼaander mand mee smalle raoje niemar meuge rije.

B. Nou, de mijn zulle dan toch nog nie veraanderd zen: dʼaambachte kunne ʼt ok aomal nie gedaon krijge. Hedde gij de jou al veraanderd?

A. Van mʼn éán kèr wel; die heʼk mee breeë wiele laote maoke, al vur ʼn jaor of twea, om vur de waaie te gebruike; mar mee dʼaandere möt ik er nog aon.

B. Vur de waaie geloaf ik das ze goed zen de breeë raoje, mar om vur dur ʼt zand te rije, jonge, davvur zen mʼer mee vernukt.

A. Da sa ʼk nie zegge: mee de breeë wiele zulde zoʼn groate gaote nie in ʼt spoor maoke, as mee de smalle, en ge kunt het spoor maoke, as mee de smalle, en ge kunt het spoor ok makkelik verlegge.

B. Jao, protte ge mar; mar smenke zegge, dagge mee de breeë bedeane vast zit, as ʼt nat is.

A. Neeë, man, ze zulle de wege dan zo nie kapot rije: de breeë wiele snijen er zo nie deur, en te zomer zal den weg zo schoan zen azne dörsvloer.

B. Nou, dan zulle ze toch mear mötte paniere as ze tegenworrig doen.

A. Neeë, jonge, davvur hoeve ze niks mear te paniere, want dʼn weg zal uit zen aaige goed blijve, omdat er dan gʼn gaote en kuile mar zulle gemakt worre.

B. Mar in dʼn baomus dan, as ʼt nat is, dan zulle ze toch wel blijve steke.

A. Da sa ʼk nog nie zegge. Ikke en Koop van Hentjes hebbe vleeën baomus den healen dag mis gereeë mee twea kère dur ʼn heal nat straotje, en ʼs aovus waor dʼn weg nog net zoo goed as ʼs maregus mar we haaie ʼt spoor dikkels verleet. En as ge da mar doet, dan zulde gʼn gaote rije, en dan zulde ʼt mee breeë raoje langer volhouë as mee smalle. As de meense der mar is aon gewoan zen, dan zulle ze gʼn smalle raoje mar verlange; mar nou zen ze der op tege, omdas zʼ aomaol der wiele mötte laote vermaoke, en da sen groate koste; mar as ze ʼn paor wiele vur niks krege, dan zouwe ze der nie tege pruttele.... Mar ik houwe vur ʼn goei ding, die breeë wiele.

B. Jao, gij prot goed; mar wa zulle de klène boerkes doen, die mee nun os rije? Die kunne, as ʼt nat is, toch ginnen weg.

A. Jao, jao, genog; mar ʼt is vur hullie èrig, omdas zʼ in de zak zulle mötte. Mar as ze der wiele mar is hebbe, dan zulle ze der wel over kontent zen.

B. ʼt Kan gebeure; mar ik mot het earst zien, vur ik ʼet geloaf.

Zoo komen wij ten slotte tot de Limburgsche dialekten. Het Frankisch in zijn geheel genomen is door de zoogenaamde tweede klankverschuiving in twee groote helften gesplitst: het Neder- en Opperfrankisch. De aandrang ging uit van het Opperduitsche bergland; langzaam plantte de golving zich voort, om weg te sterven tusschen den 50sten en 52sten breedtegraad. De grenslijn draagt den naam van Benrather linie, omdat zij benoorden het plaatsje Benrath over den Rijn gaat. In oostelijke richting doorsnijdt zij geheel Duitschland tot aan de Poolsche grens; westwaarts loopt zij bezuiden Neuss, Rheydt, Erkelenz, Heinsberg, en overschrijdt bij Geilenkirchen het Nederlandsche grondgebied. Dit verlaat zij weer tusschen Cottesen en Vaals, en valt dan omstreeks Malmedy samen met de scheidslijn tusschen het Germaansche en Romaansche taalgebied. Men mag dus beweren, dat het in Groot-Nederland gesproken Frankisch zoo goed als uitsluitend Nederfrankisch is.

Dit nu wordt verdeeld in Noordlimburgsch en Oostbrabantsch (Meyerijsch) eenerzijds, en Zuidlimburgsch anderzijds, en wel door de zoogenaamde Uerdinger linie, die benoorden Uerdingen den Rijn overschrijdt en den dam vormt, waartegen de laatste golvingen der tweede klankverschuiving breken: ik bedoel de verschuiving van k tot ch in de woordjes ik en ook. Benoorden en bewesten de linie, waar men dus ik en ook hoort, liggen, Herongen-Venloo, Blerik, Maasbree, Meijel, Leende, Borkel en Schaft; en in België: Lommel, Baelen, Tessenderloo, Sichem, Bekke voort, Thielt, Bautersem. Bezuiden en beoosten, waar men ich en auch zegt, liggen: Leuth-Tegelen, Baarloo, Helden-Panningen, Ospel, Nederweert, Maashees, Soerendonck en Budel; in België: Achel, Neerpelt, Exel, Hechtel, Beverloo, Beeringen, Diest, Roosbeek en Vertrijk. Bautersem en Vertrijk, westelijk en oostelijk eindpunt der lijn, liggen ongeveer een uur gaans ten westen van Thienen, het groote uitstralingspunt der Nederlandsche dialekten. Daar stuit de Uerdinger linie op de Waalsche grens of, nauwkeuriger gezegd, op een dier grensstrooken, die door het Romaansch op het Germaansch veroverd zijn; zie God. Kurth, La frontière linguistique en Belgique et dans le nord de la France (Bruxelles 1895—98) II, bl. 526; III, bl. 4 vlg.

Een juister indeeling zal, naar ik hoop, de vrucht wezen van ons uitgebreid, maar helaas door de tijdsomstandigheden bemoeilijkt, onderzoek der Zuidoostelijke dialekten. Ook hier groote differentiatie, evenals in het Brabantsch, maar die benoorden Venloo daarenboven op een ethnische reden stoelt. Daar immers, de lezer herinnere het zich, is een Saksisch menggebied, maar waar de Saksische bouwtrant vrij wel als uitgestorven kan worden beschouwd (I, bl. 37, 38). Wij hebben hier te doen met een dier zeldzame gevallen, waarin de taal taaier en duurzamer bleek te zijn dan de hoevenbouw. Want benoorden de linie vinden wij een dialekt, door Te Winkel Saksisch-Frankisch genoemd, en dat uiteenvalt in het taaleigen van Venraai, van de Landen van Cuyk en Nijmegen, de Lijmers (Eltenberg en omstreken), de Duffel en de Over-Betuwe. Hier hoort men b.v. ald (aald) en kiend, en doorgaans bleeëk, deeël, steeën, dooëd, pooët (of bleiëk, doeëd enz.). Van het aangrenzende Brabantsch (Meierijsch) onderscheiden zich deze dialekten door het niet-diphthongeeren van î en û, dus: mien, riek, wief, zoor (zoer), hoes. In dit dialektgebied vertoont een bepaalde landstrook, die de plaatsen Venloo, Blerik, Maasbree, Velden, Grubtenvorst, Lom en Arcen omvat, grootere overeenkomst met het Zuidlimburgsch; zie hierover mijn artikel in het Tijdschrift voor Nederl. Taal en Letterk. XXVI, bl. 81 vlg.

De geheele streek bezuiden de Uerdinger linie noemt men het Mich-kwartier, een benaming, die uit België schijnt afkomstig te zijn; en wel omdat daar de oude akkusatieven mich en dich zijn bewaard gebleven. Ook hoort men hier ich en meestal auch (ook). Te Winkel spreekt van Ripuarisch Frankisch. Toch vindt men ook hier tal van verschillen; met name het dialekt van Belgisch Limburg vormt voor het meerendeel een zekere eenheid, die wel eens Westlimburgsch genoemd wordt; deze benaming kan echter tot verwarring aanleiding geven. Verder is de Oudgermaansche sk, die in het Friesch haar oorspronkelijken klank behield, in bijna geheel het Mich-kwartier gepalataliseerd tot sj, dus Friesch: skaap, Hollandsch: schaap, Roermondsch: sjoap. Deze palataliseering vindt men ook op de Veluwe en in Eemland, wat weer op gemeenschappelijken ondergrond wijst. Maar daarenboven is bezuiden de Uerdinger linie de stemlooze spirant s in de klankverbindingen sp, st, sl, sm, sn en sw tot sj geworden beoosten een lijn, die van af het dorp Panningen in zuid-westelijke richting geheel Limburg doorsnijdt. Eerst volgt zij den linker Maasoever, gaat bij Wessem de rivier over en vervolgt nu haar weg op den rechter Maasoever, tot zij tusschen Maastricht en Breust de Belgische grens en het Romaansche taalgebied bereikt. Deze linie noemde ik de Panninger linie. Het ruimere gebied der palataliseering van sk tot sj wordt begrensd door de Panninger zijlinie. Zie hierover mijn artikels in het Tijdschrift voor Nederl. Taal- en Letterk. XXI, bl. 249; XXVI, bl. 81; Limburgsʼs Jaarboek XIII, bl. 229; Leuvensche Bijdragen 1908. Laat ik nog vermelden de dialektstudies van J. Houben. Het Dialect der stad Maastricht (Maastricht 1905); L. Grootaers, Het Dialect van Tongeren (Lier 1910); en voor de studie van het Noordlimburgsch: H. Bruijel, Het Dialect van Elten-Bergh (Utrecht 1901).

Laat ik ten slotte nog even wijzen op de grootere eenheid van Zuid-Limburg. Zij wordt gekenschetst door de hoeve van het Frankisch-Romeinsche type, maar ook door het doorgaans ontbreken van de afzonderlijke hoeven, geïsoleerd liggende te midden der afzonderlijk landerijen (I, bl. 42, 24). Van een nauwere dialektische eenheid bezuiden Sittard diene als specimen het gerundium op -têre: loupentêre, lachentêre enz., dat men te Maastricht, Sittard, Heerlen, Tongeren, Hasselt, kortom over geheel het zuidelijkste gebied verspreid vindt. Over het gebruik te Hasselt zie Gittée, in het Nederl. Museum 1888, z. bl. 306. Het verschijnsel is nog steeds raadselachtig in wezen en herkomst, en dient nader te worden onderzocht. Zie verder de isethnenkaart.

Venloosch.

(Fragment uit “De Sage uit het Ven”, Limburgschʼs Jaarboek VIII, bl. 63, eenigszins gewijzigd).

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings