De Volkskunst. (continued 3)
Reading edition
Het melodische lied is dus uiteraard welluidend en eenvoudig. Teeder als een zucht en toch weelderig van rythme en bloeiend van klank. En nu bereikt het zangerige juist in de volkskunst een hoogtepunt, daar erlangt de eenheid van rythme en mimiek bij spel, bij arbeid en dans zulk een volmaaktheid, dat zij de hoogste norm schijnt te naderen.
“Het volkslied een uiting der volksziel”: een uitspraak als deze dient natuurlijk niet verstaan te worden in den geest der vroegere romantiek, alsof wij met een niet te benaderen, anoniemen, scheppenden volksgenius te doen hadden. Niet het kollektieve volk, neen, de man-uit-het-volk is de auteur. Maar juist òmdat hij uit-het-volk is, omdat hij het volk begrijpt en het volk hem, omdat hij deel heeft aan den aard van het volk, dat werkelijk dichter is in zijn gebruiken, zijn beelden en uitdrukkingen en niet het minst in zijn stemmings- en gevoelsuitingen,—juist dáarom is hij in staat een volksgedicht te scheppen.
Volgens Otto Böckel, Psychologie der Volksdichtung (Leipzig 1906) is de roep de kern van het volkslied. Alles wat de mensch aan lief en leed ondervindt, wat hem schokt en schrijnt, hem verheugt of prikkelt of afschrikt, ontlokt hem gezangvormige klanken. Deze klanken nu zijn vatbaar voor ontwikkeling. Zij kunnen groeien in omvang en melodie; veelal wordt hun klankgehalte versterkt door het stafrijm. De vreugderoep is de bevoorrechte gevoelsuitdrukking in den bloeitijd des levens, is verklanking van liefde en lust; men denke slechts aan refreinen als:
Hei ʼt was in de Mei, Mei, Mei, Hei ʼt was in de Mei.
De smartroep handhaaft zich voornamelijk bij de lijkklacht. Maar het arbeidslied bovenal wijst op de ontwikkeling van de volkslyriek uit de gevoelstonen. Hier immers voegt zich bij de klanken een voor de poëzie onmisbaar bestanddeel: het rythme. Gevoelsuitingen en muziek gingen aanvankelijk steeds gepaard; het rythme kwam van elders. En nu is het de groote verdienste van Karl Bücher, er ons op gewezen te hebben, hoe deze onmisbare faktor zich ontwikkelde uit den rythmischen vorm, dien het volk aan een inspannenden arbeid ter afwisseling gaf. Het rythme gewerd de volkspoëzie dus vooral uit het arbeidslied, waartoe het danslied in hoofdzaak moet worden teruggebracht. Hoe ouder de arbeidsgezangen zijn, des te enger schijnen zij met de arbeidsverrichting samen te hangen.
Zoo is dan het volkslied een dichtzang, die organisch uit het volk in zijn gevoelen en verrichten is gegroeid; het is onmiddellijk ontsprongen aan het gevoel der natuurvolken en, van de kultuurvolken, in zooverre hun gewaarwordingen en uitingen behooren tot het domein der onderkultuur. In en door het zingen plant het zich voort. De dichter is meest onbekend, omdat op den bodem der onderkultuur, der naïeve volkskunst, dichterlijke individualiteit kwalijk gedijt. Het lied is alles, op den zanger wordt weinig acht geslagen. Het lied wordt beschouwd als gemeengoed, omdat het uiting geeft aan de gevoelswereld, welke aan alle volksgenooten gemeenzaam is. Ging het ook niet aldus met de grootsche scheppingen der Middeleeuwsche bouwkunst? Gelijk het volk deze als zijn eigendom beschouwde, door er voortdurend aan te wijzigen en aan bij te bouwen naar willekeur, zoo heeft ook het volkslied nimmer een authentieken vorm, is het als ʼt ware steeds in vlottenden toestand, staat het aan allerlei veranderingen, verkortingen en toevoegsels bloot. De aanhef van het lied openbaart echter meestal zijn afkomst.
Het volkslied deelt dus het lot van het sprookje; en evenals van sprookjes-motieven, zoo mag men ook van liederen-motieven spreken. Trouwens volkslied en sprookje bestaan elkander in den bloede door hun gemeenschappelijk sterk-algemeen karakter, óok dan, wanneer zij niet geheel samenvloeien, zooals in het sprookjeslied. Bijzonderheden worden verwaarloosd, tijd en plaats zelden vermeld. Veelal wordt de hoorder in eens midden in de handeling verplaatst. Ook moraliseert het volkslied evenmin als het sprookje.
Toch verraden de motieven doorgaans hun herkomst, en wel niet alleen de sociale groep, waarin zij geboren werden, maar ook den landaard en het klimaat van hun geboortegrond. In laaglanden als de onze is een Hoogduitsche Juchzer ondenkbaar. Weidevelden geven iets eentonigs en zwaarmoedigs. Maar de zee schenkt opgewektheid en kleurigheid van toon. “Friesland zingt niet”: die uitspraak is overdreven, maar geenszins van waarheid ontbloot. De innigheid van het Saksische halle-huis vergoedt veel van het trage en monotone in taaleigen en landschap. In het land der Franken, met den Keltischen ondergrond, voelt het volkslied zich het behaaglijkst.
Wat is nu het verschil tusschen volkslied en kunstlied? Laat ik vooreerst opmerken, dat ik de benaming “kunstlied”, wanneer zij moet dienen, een tegenstelling te vormen met volkslied, niet aanvaard. Is het volkslied dan géen kunst? Tegenover het volkslied staat niet het kunstlied, maar het kultuurlied, evenals tegenover de volkstaal staat de kultuurtaal: “kultuur” heeft hier natuurlijk de waarde van “bovenkultuur”. Welnu, een wezenlijk verschil zie ik tusschen beide niet. Kan het anders? Er bestaat immers geen wezenlijk, maar slechts een gradueel onderscheid tusschen onder- en bovenkultuur. Het kultuurlied geeft slechts veredelde, of somwijlen zoogenaamd veredelde volkskunst. De vorm is meer verfijnd, de auteur is zich ook bewust, een kunstprodukt te scheppen. Verder is hij meestal bekend en zorgt voor de rechten van zijn vaderschap. Maar hij kan putten uit de volksschatkamers, en zóo kan het volkslied vaak tot kultuurlied worden, om straks wellicht weer in den volksmond tot volkslied te worden vervormd: maar dán zal het de afgesleten vorm zijn! Steeds dient de kultuurdichter echter met het volk voeling te houden; en laat ik het woord van Poelhekke hier bij voegen, dat de verfijnde kunst der hooger ontwikkelden, van de meerderen in de techniek, “nooit de bron waaruit zij is ontsproten mag vergeten, op gevaar af aan bloedarmoede te gaan lijden”: Woordkunst, bl. 122; vgl. De Beiaard I, 1, bl. 43 vlg. Verder: Karl Bücher, Arbeit und Rhythmus. Abhandl. der Philolog.-histor. Classe der königl. Sächsischen Gesellschaft der Wissenschaften (Leipzig 1896) XVII, V, vooral hoofdstuk 4, bl. 74: Der Ursprung der Poesie und Musik; Otto Schell, Das Volkslied (Leipzig 1908); Otto Bremer, Zum Versbau der Schnaderhüpfel, in het Festschrift Karl Weinhold gewidmet (Strassburg 1896); Gustav Meyer, Essays und Studien I, bl. 289–408: Zur Kenntniss des Volksliedes; Schrijnen, Essays en Studien bl. 258 vlg.: Litausche Volkszangen; Dr. N. Geerts, Oorsprong en wezen van het volkslied, in de Handelingen van het zevende Nederl. Filologenkongres, bl. 109 vlg.
Het Nederlandsche volkslied heeft lang gewacht op de waardeering, die het toekwam. Ik bedoel hier niet de historische waardeering, die het profane en geestelijke lied ruimschoots gewerd door den voortreffelijken arbeid van Kalff, Moll, Acquoy, De Vooys, Knuttel en anderen. Maar eerst in 1907 was Groot-Nederland in het bezit van een verzameling van volksliederen, die de vergelijking b.v. met de Duitsche soortgelijke werken van Böhme en Erk kon doorstaan: ik bedoel de drie deelen van Flor. van Duyseʼs Oude Nederlandsche Volksliederen (Den Haag 1900–1907). Ook kunnen wij niet ontkennen, dat het Hoffmann von Fallersleben is, dus een Duitscher, die hier te lande de belangstelling in onze eigen vaderlandsche liederen heeft gaande gemaakt. Sedert dien kunnen wij wijzen op de gedeeltelijke verzamelingen van Snellaert, J. F. Willems, De Cousemaker, Carton, Lootens en Feys, Jan Bols, Van Vloten, J. en L. Alberdingk Thijm en Blyau en Tasseel. Oud en nieuw, volkslied en kultuurlied, oude, bewerkte en nieuwe melodieën vindt men vergaderd in Coersʼ Liederboek van Groot-Nederland. Zie vooral Dr. F. Scheurleur, Nederlandsche Liedboeken (ʼs Gravenhage 1912).
Behoudens haar vergelijkende waarde zijn al deze verzamelingen voor de volkskunde slechts van belang, in zooverre zij liederen zeer onlangs uit den volksmond opteekenden. Want, ik kan het niet vaak genoeg herhalen, de volkskunde is de kennis en het wetenschappelijk onderzoek van het heden, is de ethnologie der thans levende kultuurvolken. Ik geef dus van elk der verschillende soorten volksliederen slechts die stalen, waarvan ik ofwel persoonlijk kennis nam, of van wier voortleven ik mij anderszins kon vergewissen. Sommige liederen berusten, wat den tekst betreft, op schriftelijke overlevering, welke uitsluitend ten doel heeft, het geheugen ter hulp te komen. Eenige families houden er zelfs lijvige geschreven liederboeken op na. In dit geval is de schriftelijke traditie gelijkwaardig met de mondelinge.
Een enkel woord ook over de muziek van het volkslied. Zij berust voor een groot deel op de volksmuziek der Middeleeuwen, die zelf gesproten is uit de Oudchristelijke Latijnsche kerkmuziek. Wanneer wij nu weten, dat deze kerkmuziek in hoofdzaak niets anders is dan gekerstende Grieksche en Grieksch-Romeinsche muziek, zooals door Fr. A. Gevaert en A. Möhler uitvoerig is aangetoond, dan komen wij tot het verrassende resultaat, dat in de brokstukken van het hedendaagsche volkslied de muziek der heidensche klassieke oudheid nog voortleeft.
Inderdaad doorloopt het volkslied der Middeleeuwen de Aeolische, Dorische, Iastische en Hypolydische toonladders, door het Roomsche Antiphonarium aan de oude muziek ontleend. En wanneer het ons heden voorkomt, of een volkslied sterk op een kerkelijke hymne of eenig ander Gregoriaansch kerkgezang lijkt, dan is dit geen verbeelding, maar werkelijkheid; en de overeenstemming berust niet op toeval, maar op genetischen samenhang. Zoo is de melodie van het bekende lied van Halewijn, dat nog op vele plaatsen en met vele varianten in den volksmond leeft, niets anders, dan die van het Credo uit de Missa in duplicibus; en die van de Koninginne van Elf Jaren berust op het Veni Creator. Voor verdere beschouwingen verwijs ik naar Fl. van Duyse, Het oude Nederlandsche Lied I, Inleiding, bl. XVI vlg., en vooral naar zijn uitvoerige verhandelingen: Het eenstemmig Fransch en Nederlandsch wereldlijke Lied in de Belgische gewesten (Brussel 1896) en De Melodie van het Nederlandsche Lied in hare Rhythmische vormen (Brussel 1902).
Allereerst dus, met het oog op de geboorte van het volkslied in het algemeen, volge hier het arbeidslied. De melodie hiervan is zonder twijfel oorspronkelijker en zelfstandiger dan die der verhalende, erotische, geestelijke e.a. liederen, daar zij het nauwst met den inhoud samenhangt.
Niet alleen in Nederland, maar van den Brennerpas tot aan de Noordzee klinken hei-liedjes in den trant van ons
Hoog op een! een, twee, een, twee, drie! hoog op vier! vijf, een meer! hoog op zes! fiks op, enz.
Gegroeid in melodie en in vorm klinkt het lied:
Haal op je hei! Hij is gewassen Al in de klei, Al in den grond Daar staat hij prompt, Zóo staat hij beter, enz.
Overeenkomstig de sociale groepeering van het volk zal het arbeidslied zich verder moeten splitsen in dorschlied, smidslied, visscherslied enz., en vooral aan die bedrijven dienen te beantwoorden, waarin rythmische beweging het werk begeleidt. Men denke ook aan het liedje, dat bij het snijden der meifluitjes gezongen wordt, terwijl de jongens rythmisch met het hecht van het mes op de wilgenbast kloppen (I, bl. 191).
Een Zeeuwsch karnliedje luidt aldus:
Kêrne, kêrne beuter, Drie pond in een scheutel, Drie pond in een kannetje, ʼt Is van moeder Jannetje.
Uit Friesland:
Tsiis, tsiis, tsjerne! Bûter komt fer reamme [room], It gearret sa wol, it gearret sa wol, Mei eltse stiet in amerfol.
Spinlied uit Ochten:
1.
Spin, spin, mʼn lieve dochter, Dan krijgde gij een hoed! Ja, ja, mijne moeder, Die staat mij zoo goed.
Refrein:
ʼk Kan lappen en spinnen, Een zweer aan den vinger Doet mij er zoo zeer.
2.
Spin, spin, mʼn lieve dochter, Dan krijgde gij een jak! Ja, ja, mijne moeder, Dat staat mij zoo knap.
Refrein:
ʼk Kan lappen, enz.
(Driem. Bladen III, bl. 42).
Uit Zeeland:
Draaie, draaie wieltje, Morgen komt Machieltje, Als Machieltje nièt en komt, Dan komt Jacob Janssen, Die zal je leeren dansen, Hier een stoel en daar een stoel, Op ieder stoel een kussen.
Ten slotte een strofe van een Vlaamsch spinliedje, dat het midden houdt tusschen arbeidslied en sprookjeslied:
Al onder den weg van Maldegem, Malle-Malle-Malle-Malle-Maldegem, Al onder den weg van Maldegem, Daar zat een wijf dat spon. Dat wijf dat zat en spon, Gielegon, Al op een houten wieleken, Wiele-wiele-wiele-wiele-wieleken, Al op een houten wieleken, Daar was geen draaiing aan! (bis).
Oogstlied uit Woubrechteghem (Oost-Vl.):
Het laatste voer is op de baan, Dat in den boer zijn schuur moet gaan, De luie boeren alleen hebben nog staan.
Ik vermeldde dit liedje reeds I, bl. 281, en daarvóor het rhythmische Noordhollandsche oogstlied, dat inzet met de regels:
De wumpel, de strumpel, de kanne met bier, Die hebben we hier op ons plezier!
Ook enkele dorschliedjes gaf ik reeds op bl. 284. In zijn geheel luidt het Friesche liedje als volgt:
It klitst, it klatst ʼt Giet juwn toa gest, Op tzies in brea Mey ʼt heale gea.
As wij houndert krye Wy zilt neat zwye, Dan jouwt dy frouw Uws spek in strouw Goe bjear dar by Is aeck uws fly.
Dr. H. Blink vertaalt deze stroofjes:
Het klitst en klatst Het gaat van avond te gast Op kaas en brood Met het heele dorp.
Als wij honderd [zakken] krijgen, Wij zullen het niet verzwijgen Dan bakt de vrouw Voor ons spekpannekoeken En goed bier daarbij Dat voegt ons wel.
Op wisselmaat berust verder het vlasslijterslied, het visscherslied, het maaierslied, het smidslied, het touwslagerslied, het kuiperslied, het molenaarslied. Op maatbeweging gaat ook het soldatenlied terug, daar dit toch hoofdzakelijk een marschlied is. Ook het jagerslied is in den grond een marschlied. Sterk-rhythmisch is verder het schippers- en roeilied, en ook het matrozenlied, dat men hoort in de havensteden; dit ontstond bij het anker lichten of bij het hijschen der zeilen. Zie ook Dr. De Vooys, Volkskunde XXIV, bl. 154 vlg.
Ten slotte nog een weversliedje, ons door de Graafschapsbode van 16 Maart 1907 medegedeeld [vgl. Driem. Bladen VII, bl. 627]:
“Hungel de bungel de boeze, Achter onzen hoeze Daor steet ʼnen grooten nöttenboom, Daor zat ʼnen wêver op ʼnen toog, He wos nich, watte etten zol, Zoere, zoere kernemelk Met gerstebrood, Sloat den luien wêver dood! Loat em nog en betjen lêven, Dan zal e wal better wêven; Zet em op ʼt spiendvat, Sloat em met de panne veur ʼt gat, Hè, boer, wat plêrt dat”.
Het hoog-poëtische liefdeleven klinkt bijzonder zuiver door in het bruiloftslied. Oorspronkelijk omvat dit lied zoowel de klacht bij het verlaten van het ouderlijk huis, als het jolige vreugdelied bij het overschrijden van den drempel der nieuwe woning. Maar men vindt het nog slechts in bloei bij volken met hoogst eenvoudige en sobere levenswijze, zoo b.v. bij de Lithauërs. In de Nederlandsche gewesten is het vrijwel uitgestorven. Het lieve stroofje van Cremer in Bruur Joapik:
Hier ʼen reuske, en doar ʼen flikske, Weer ʼen tekske en weer ʼen strikske; Bluumpkes moar Bij mekoar Rood en gruun veur ʼt jonge paar
zal wel een kultuurdichtje in den volkstoon zijn. Laat ik echter wijzen op het Bathmensch bruiloftslied, dat wij vinden in de Driem. Bladen II, bl. 60, 61:
Algemeen Bathmensch Bruiloftslied.
Willen wij er eens ommegaan, En zien of ik ze niet vinden kan? Ja, hier heb ik ze gevonden, Ja, met haar bruin haar. ʼt Is gevonden, ik zal haar kiezen,
Al voor een draai. Zij is mager al om te geven. En geef niet over in dezen stond, Of geef haar een zoentje voor haren mond, Al zoo nat, Al zoo glad. Onder mijne voeten, Uitverloren, Uitverkoren, Waar zal ik het zoeken? Onder deze lesse besse, Mooie meisjes samen! Mooi meisje met je blauwe rok, Mag ik eens met u ganen? Neen, neen, dat ziet zoo niet! Ja, ja, dat ziet zoo wel! Keer u eens om en ik meen je wel! Keer je nog eens omme, Nog eens weder omme! Ik heb den heelen dag geloopen, Mijn geld is door de keel gekropen (geloopen) O, en zie zoo, En bij ons gaat alles zoo! En allo!
Met het bruiloftslied hangt ten nauwste het danslied samen, en de schakel vormt het bruiloftsdanslied, oorspronkelijk wel op de deel uitgevoerd. Zoo b.v.:
Ik heb mijn geld Op hoopen gesteld, Gestapeld op elkander. Ik heb mijn liefje trouw beloofd, Een trouw van diamanten.
Ziedaar, schoone jonkheer, Daar heb-je mijn hand van eer. Ziedaar, schoone jonkvrouw, Daar heb-je mijn hand van trouw, En daarop zoen ik jou.
Het oude danslied vindt men vooral nog terug in het kinderlied. Wij zagen herhaaldelijk, hoe een oud gebruik overal elders werd uitgeschakeld, om in onzen tijd bij de kinderen terecht te komen; zoo b.v. het Paasch- en St. Maartensvuur, de ommegang met de Pinksterbloem en de Luilak, het kaarsje-dansen met Driekoningen, het raadselopgeven, het pandverbeuren enz. Dezen weg zijn vooral vele reidansen gegaan. Hier en daar, op bruiloften en boerenkermissen, wisten zij zich nog op het platteland staande te houden, maar zij verdwijnen meer en meer. En evenzoo ging het met allerlei drinkliedjes en pandspelletjes. “Reien als het ,Patertje langs den kantʼ ,de Zevensprongʼ en ,Haal open de poortʼ geven ons te zien, hoe onze voorouders dansten, voordat de uit den vreemde ingevoerde draaiende wals en polka de oude slepende reidansen verdrongen”: Boekenoogen, Onze Rijmen, bl. 16.
Bij deze reidansen schrijden de kinderen langzaam hand aan hand voort op de maat van het gezang, terwijl zij nu eens een kring vormen en dan weer een ketting, die zich onder een poort van armen voortbeweegt. Wij hebben hier een rest van den Oudgermaanschen dans. Het “Patertje langs den kant,” waarvan ik de eerste strofe met de melodie laat volgen, was echter geen bruiloftsdanslied, maar een Meidanslied; vgl. I. bl. 190.


Daar ging een pa-ter-tje langs den kant, Hei, ʼtwas in de Mei, hij vat-te zijn zoe-te-lief bij de hand, Hei, ʼt was in de Mei zoo blij, Hei, ʼtwas in de Mei!
Nog een enkel woord over de waarde van het kinderlied. Het vertoont de resten van nog zoovele andere oude volksgebruiken. In een rommelpotliedje, waarvan ik I, bl. 165 melding maakte, wordt gesproken van “een stroobant”, welks beteekenis mij niet helder leek. Intusschen geloof ik, dat wij hier een aanduiding mogen zien van het oude gebruik, stroo onder het lijk in de kist te leggen, wat vooral kan blijken uit de vergelijking met de volgende regels uit een XVe eeuwsch handschrift:
Ende een wilghen kiste ende een stroen bant, Hiermede word ik sent int ander lant.
In den kindermond wordt de “strooband” in Drente wel eens tot “strop”, waarbij dan gevoegd wordt de houtsoort van de kist; het resultaat luidt: “mit ʼn eiken strop an.” Zulke veranderingen in den kindermond zijn zeer veelvuldig en, hoe verbijsterend somtijds ook, steeds psychologisch uiterst leerzaam. Zie hierover b.v. Dr. J. Bergsma, Drentsche Volksalman. 1902, bl. 50 vlg.
Natuurlijk vinden wij ook heel wat survivals van oude geloofsvoorstellingen, die ik in het Eerste Deel besproken heb. Toch moet men in dit opzicht voorzichtig zijn. Wanneer bij het neerdwarrelen der sneeuwvlokken de kinderen te Assche jubelen:

See-se-ken schudt zijn bed-de-ken uit, en laat de pluim-kes vlie-gen!
vgl. te Brugge: “O.L. Heertje schudt zijn beddeken uit en al de pluimtjes vliegen deruit”, terwijl dit elders de Engeltjes of, zooals in Noord-Brabant, Maria doet,—dan kan men wel zeggen, dat dit liedje eigenlijk op de Germaansche Godin Holda betrekking heeft, en onmogelijk is dit ook niet. Maar het kan óok zijn, dat wij hier eenvoudig met een animistische opvatting (in ruimeren zin) te doen hebben, die eertijds tot een faze van de Holda-mythe aanleiding gaf. Men moet terdege onderscheid maken tusschen hoogere en lagere mythologie.—Ook is de meening, dat Engeland=Engelland het zielenrijk zijn zou, tegenwoordig vrij wel verouderd.
Wanneer ik nu nog gewezen heb op de oude en dialektische taalvormen, die zich in menig kinderliedje gered hebben, dan hoop ik den lezer althans eenigermate van het groote belang van het kinderlied te hebben overtuigd.
Het kinderdanslied komt meestal voor bij het touwtjespringen, het rondedansen en het reidansen. Bij het touwtjespringen is het rhythme natuurlijk weer hoofdzaak: en hierin ligt de verklaring van het feit, dat den volwassenen wel eens raadselachtig voorkomt, hoe n.l. de kinderen uren en uren, en weer dag aan dag met dezelfde springspelletjes kunnen bezig blijven. De oplossing ligt in het meeslepende, in de onbedwingbare lust van het rhythme. Twee meisjes draaien het touw met gewonen tragen slag en zingen daarbij, terwijl een derde in de koord danst:

Ik heb een jas-ken ge-kocht, Naar de naai-ster ge-bracht. Zoo ge-zeid, zoo ge-daan, Om naar huis toe te gaan, In, spin, springt bij den boer maar in, Uit, spruit, springt bij den boer maar uit.
Bij de woorden “in, spin” krijgt de touwtjesspringster een mededanseres naast zich, en bij de woorden “uit, spruit” loopt de eerste weg. En zoo gaat het steeds door, met evenveel ijver en opgewektheid.—In Friesland hoort men:
Ik heb een jasje gekocht, Naar de lommert gebrocht,
en de finale luidt daar:
Van inspin, Spring er dan maar in, Van uitspruit, Spring er dan maar uit.
Dit spel biedt wel eenige verscheidenheid, en veel is ook over gelaten aan de willekeur der draaisters. Maar oneindig meer afwisseling vertoont toch het rondedansen, waarbij de kinderen nu eens gewoon luchtig op- en neerspringen op het maatgeluid van hun lied, dan weer plotseling neerhurken, dan andermaal het dansen begeleiden met handgeklap en allerlei nabootsende gebaren. Een der meest bekende kinderliedjes, dat als danslied en wiegelied tevens dienst doet, is het bekende “Klein, klein kleutertje”, in Vlaanderen ook: “Klein, klein Marieken”.
Te Herdersen leeft deze variant:

Klein, klein Jee-se-ken, He-je gij zul-ke kou? Komt in mijn her-te-ken wo-nen En maakt u daar een schouw.
We zullen een vierke stoken; We zullen een pappeken koken; En brengt uw liefste moederken mee, Dan zullen we zijn tevree.
Maar een der merkwaardigste dansliedjes is wel het reuzenlied. De kinderen scheppen er ontzaglijk veel genot in, vooral in België, waar de reuzen nog bestaan en dansen uitvoeren, als te Brussel, Geerardtsbergen, Hasselt, Antwerpen en Wetteren. Merkwaardig is het, dat de melodie vrij wel overeenkomstig is met die van den kerkelijken hymnus Creator alme siderum.
“Het Reuzenlied” zegt Maurits Sabbe, “herinnert ons de schilderachtige volksoptochten met de reuzenfamilies, het ros Beiaard en allerlei allegorische voorstellingen, die vroeger in bijna al onze Vlaamsche steden en stedekens geliefkoosde nummers voor het kermisprogramma waren en thans nog slechts in enkele steden van tijd tot tijd de feestelijkheden opluisteren”.

Moe-der, zet de pap op ʼt vier, de pap op ʼt vier, De reus is hier, Keert u eens om, reus-ken, reus-ken, Keert u eens om, Reu-ze-gom.
Moeder, stopt algauw het vat, algauw het vat, De reus is zat, Keert u eens om, reusken, reusken, Keert u eens om, Reuzegom.
In heel wat vlugger tempo bewegen zich de dansliedjes: “ʼkHeb een rood, rood spiegeltje gevonden”;—“Trijntje, Trijntje, Trijntje, je hebt er water bij gedaan”;—“In Holland staat een huis” e.a. Tot de nabootsende dansliedjes behoort dat van den Klepperman: “Elf uren slaat de klok”; bij de woorden “klip-klip-klip” en “klop-klop-klop” houden de danseressen een oogenblik stil en klappen driemaal in de handen of trappen driemaal met den voet.
Maar ik mag van deze dansliedjes geen afscheid nemen, zonder althans vermeld te hebben het merkwaardige:

Kleinʼ An-na zat op ma-jes-teit, ma-jes-teit ma-jes- teit, Kleinʼ An-na zat op ma-jes-teit ma-jes-teit.
Daar zat zij nu te weenen, Weenen, weenen, Daar zat zij nu te weenen, Weenen.
Dit wordt gezongen door kinderen, die in een kring rondloopen, terwijl in het midden een meisje zit neergehurkt, met het hoofd in de handen. Het spel is drama geworden en vertolkt een ballade. Want na het zingen van de tweede strofe, treedt een tweede meisje in den kring en nu vervolgt het koor:
Daar kwam haar lieve moeder aan, enz.
Deze vraagt:
Zeg kind toch, waarom weent gij zoo? enz.
Waarop het meisje antwoordt:
Omdat ik morgen sterven moet, enz.
Nu treedt een derde den kring binnen en het koor zingt:
Daar kwam de booze Fredrik aan, enz.
Op de maat slaat Frederik het meisje nu op den rug:
Die zal haar nu den dood aandoen, enz.
Ten slotte wordt Anna door Frederik en de moeder opgenomen en gejonast, en allen zingen:
Nu wordt zij in het kistje gelegd, enz.
Dit liedje is o.a. te Voorburg, Varsseveld, Nijmegen, Zeeland bekend en hoogst waarschijnlijk uit Duitschland afkomstig. Het woord “Majesteit” ontstond wellicht uit “Breitenstein”; zie Marie Ramondt, Volkskunde XXIII, bl. 237; Karl Wehrhahn, Kinderlied und Kinderspiel, bl. 110 vlg.
Bij het reidansen staan een of meer meisjes tegenover een heelen rei, terwijl beide partijen beurtelings naderen en weer achteruit gaan. Een der merkwaardigste is het liedje van Brunelle-gezelle, waarbij een meisje tegenover een heele reeks van speelgenootjes staat. Deze beginnen te zingen, terwijl zij elkaar bij de hand vasthouden en met rhythmische stappen tot elkaar naderen:

Van waar kom-de gij ge-dre-ven, Bru- nel-le ge-zelle? Van waar kom-de gij ge- dre-ven, Brun-ne-le-ken?
Vr. Ik kom van onder de aarde, Brunneleken mijn; Enz., enz.
En het lied vervolgt:
R. Wat heb-de daar weest halen? Br. Een mandeken met aarde. R. Aan wie zul-de da geven? Br. Aan mijn beste neve [nicht]. R. Wie is uw beste neve? Br. Ik zal het u gaan toonen
Daarop kiest zij een meisje uit en keert er mee op haar plaats terug. Dit dansliedje treft men vooral in Vlaanderen, maar met varianten ook wel in Limburg en Gelderland aan.
Zie verder vooral Van Duyse, Het Oude Nederl. Lied II, bl. 1237 vlg.; De Cock-Teirlinck, Kinderlust en Kinderspel II, Dansspelen; Van Ginneken, Handboek der Nederlandsche Taal, bl. 383–404; Van Vloten, Baker- en Kinderrijmen, bl. 93 vlg.; Waling Dijkstra, Uit Frieslands Volksleven I, bl. 247.
Maar behalve het danslied zijn er nog zoovele andere speelliedjes, van rhytmische speelbewegingen begeleid. Hiertoe behooren de rommelpotliedjes, waarover ik in het Eerste Deel, bl. 157 vlg. gesproken heb; de loopspelliedjes, met het diepzinnige spel van de Koningsdochter. Zie hier, hoe dit te Venloo gespeeld wordt. Een meisje ligt op de knieën. Alle meespelende kinderen houden den zoom van haar omgeslagen kleedje vast, behalve éen die tot het geknielde meisje vragen richt.
Vr. Wie zit er in den hoogen toren? A. De schoonste koningsdochter. Vr. Van wie zijn al die kindertjes? A. Van mij. Vr. Mag ik er een van nemen? A. Neen! Vr. Mag ik er een van stelen? A. Neen.
Dan vervolgt de vraagster:
ʼK Zal eens naar den diender gaan De diender zal u de kop afslaan.
Entrez, entrez, Laat ʼt meisje maar achter meê gaan.
Alle volgende meisjes herhalen nu op hare beurt hetzelfde totdat zij alle, elkaar bij het kleedje vasthoudend, achter de vraagster zijn geplaatst. Deze vraagt dan aan de koningsdochter:
Vr. Zal ik het lampje aansteken! A. Ja! Vr. Zal ik u uit den toren laten? A. Ja!
Waarop allen roepen:
Jenneke de tooverheks, Jenneke de tooverheks!—
Ook elders in Limburg, in de Zaanstreek, niet het minst in Vlaanderen is dit spel bekend; hier is het werkelijk een loopspel, want door het loopen wordt op de een of andere wijze uitgedrukt, dat de koningsdochter door haar minnaar wordt geschaakt. Mogelijk heeft dit spel een mythologischen, waarschijnlijk een historischen, in alle geval een belangrijken kultuurhistorischen achtergrond. Zie Van Vloten, Baker- en Kinderrijmen, bl. 115; Lootens en Feijs, Chants populaires, no. 160; De Cock-Teirlink, Kinderspel en Kinderlust I, bl. 160 vlg.
Een loopspel is ook het zakdoekje-leggen, waarbij te Maarssen gezongen wordt:
Zákdoekje léggen, Níemand zéggen, Kúkelukú, zoo róept de háan, Híj heeft twée paar schóentjes aan, Eén van zij en één van leer, Híer leg ík mijn zákdoekje néer.
Men vergelijke hiermee het jagen van den rooden hoan op de spinningen in zuidoostelijk Brabant, I, bl. 273.
Van de aftelliedjes, voor wier beteekenis en belang ik verwijs naar Kalff, Het lied in de Middeleeuwen, bl. 547, vermeld ik er hier twee, behoorende tot de meest gebruikelijke typen. Overvloedige varianten vindt men bij De Cock-Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VIII, bl. 231 vlg. en Van Vloten, Baker- en Kinderrijmen, bl. 153 vlg.
Type: Onder de groene boomen.
Den Haag:
Al onder de uileboomen Daar ligt een Engelsch schip; De Franschen zijn gekomen, Zij zijn zoo rijk als ik. Zij dragen hoeden met pluimen, En ook van perkament, Wie zou er niet om huilen, Al om zooʼn leelijken vent.
Type: Rommel, rommel in de pot.
Venloo:
Rȯmmel, rȯmmel in de pot, Woa is Piet, woa is Kloas? Kloas is in et stelke. Waat duit hê doa? Hé sniet de koe de kop aat. Riem, tiem, twintig, dertig enz.
Hoe eenvoudig, hoe ongekunsteld, en toch hoe zuiver rhythmisch en klanktooverend doen verder ook onze balspelliedjes, zoo ruim verspreid. Uit Zwolle werden mij deze twee typen meegedeeld:
1. Kaatsebal Ik heb u al, In éene hand, In tweeë hand, Van klapperdeklap Met voetjesgestap, Van rolledebol (-bom) Zoo draai ik me om.
2. Zwart Willemijntje Zat achter ʼt gordijntje; Wat deed ze daar? Zij kamde het haar, Zij poetste de tandjes, Zij waschte de handjes, Zij stak ze in de zij, Zij knielde er bij, Zij stond weer op, In éene galop.
Hoe keurig zijn hier de verschillende speelbewegingen uitgedrukt en in beeld gebracht!
Eindelijk de schommelliedjes, waar bij elke beklemtoonde lettergreep de hand naar voren of naar achteren gezwaaid wordt, bieden een bonte verscheidenheid. In vele wordt gewag gemaakt van Paschen en Pinksteren, van het bim-bommen der klokken, van Sint Katherijne, van varen over de zee, van haantje-kraantje en een eitje dat barst, van den knaap, die op school den meester half dood slaat. Dit laatste motief is niets anders dan een bewerking van eene in de Middeleeuwen zeer bekende overlevering omtrent Jezusʼ jeugd, welke verhaalt, hoe de kleine Jezus de hand van zijn meester deed verdorren, omdat hij die tegen hem op hief, om hem wegens het niet beantwoorden zijner vragen te straffen.
Maar deze liedjes stonden meer dan de andere aan vervorming bloot, omdat zij eigenlijk meer opgedreund dan gezongen werden. Zie De Cock-Teirlink, Kinderspel en Kinderlust III, bl. 87, IV, 167 vlg.; verder Boekenoogen, Onze Rijmen, bl. 11 vlg.; Waling Dijkstra, Uit Frieslands Volksleven I, bl. 247; Van Vloten, Baker- en Kinderrijmen, bl. 129 vlg.
De wiegeliedjes en knieliedjes besprak ik reeds in het Eerste Deel, bl. 219 vlg. Niet alleen rhythmisch zijn zij van belang, maar ook, omdat zij een bijzonder soort van kinderliedjes vertegenwoordigen, nl. in kindertoon gehouden volkspoëzie: in kindertoon, wat betreft tekst en melodie, zooals moge blijken uit het lieve eenvoudige

Roe! roe! kind-je, hoe ben je toch zoo stout! Heb je pijn in ʼt buik-je, of zijn je voet-jes koud! We zul-len een vuur-tje sto-ken, en een pap-je ko-ken; ʼt Wieg-je dat gaat zwik, zwak, voor den klei-nen dik-zak.
Het minnelied zingt van persoonlijke liefde, maar ook van de liefde in het algemeen. In ons oude Nederlandsche lied beslaat deze groep een groote plaatsruimte. Maar in het hedendaagsche lied zijn de minneliederen meestal met speelliederen samengevallen of anderszins vervormd.
Tot de liedjes die, ofschoon reeds oud, nog altijd in den smaak vallen, behoort o.a. “Ik ben er de groene straatjes”, waarvan onlangs nog gewag werd gemaakt in de Vragen en Mededeelingen 1910, bl. 151.
De aanvangsstrofe luidt:

Ik ben er de groe-ne straat-jes zoo dik-wijls ten ein-de ge-gaan! Daar moest ik mijn lief-je ver-la-ten, dat heb-ben mijn vrien-den ge-daan.
(Enkhuizen).
Tot de meest bekende liederen in Vlaanderen behoorde het Cecilia-lied, dat nog steeds, plaatselijk jammerlijk geparodieerd, voortleeft. Maar getuigt niet juist de parodie voor de groote populariteit? Ofschoon van vreemden oorsprong, heeft de melodie, volgens Van Duyse, onder den invloed van den Nederlandschen volkszang, hare eigen wendingen en een eigen voorkomen verkregen, en mag zij onder de fraaiste zangwijzen worden gerekend.


Ik zag Ce-ci-lia ko-men langs ee-nen wa-ter- kant, Ik zag Ce-ci-lia ko-men met bloe-me-kens in haar hand Zij zag naar ha-ren her-der, den her-der Flo-ri-aan, die ook zijn schaap-jes wei-de langs de zelf-de baan. Ce-ci-li-a ging zin-gen; haar hert docht haar ʼt ont-sprin-gen. Dit hoor-de ha-ren her-der; hij kwam bij haar ter-stond en kus-te zijn Ce-ci-li-a aan ha-ren roo-den mond.
Tot deze groep behooren ook de afscheidsliederen in den trant van:
Vaarwel, vaarwel, mijn zoetelief, Niet langer kan ik blijven enz.,
en de wachterliederen, wier allerberoemdste: “Het daget in den Oosten”, om den verhalenden vorm bij den aanvang der derde strofe echter ook tot de balladen kan gerekend worden.
Vooral in onze noordelijke provinciën krijgt het minnelied vaak een spottenden bijtoon. Zoo b.v. in Het meisje van Sardam:
Het meisje van Sardam Met hare bruine oogen Heeft menig jongen kwant Tot wedermin bewogen. Zij is geen stuursche maagd Gelijk zoo vele binnen, Hij die haar blosjes kent Moet haar op ʼt meest beminnen.
Dit type vormt een schakel tusschen het minnelied en het spotlied, waaraan nauw verwant het gezelschapslied. Het spotlied is echter somtijds ook, zooals wij boven zagen, de direkte parodie van het minnelied. Teekenend lijkt mij de verzuchting:
Ik wou wel om een gulden, Dat mijn haartje krulde. Ik wou wel om een daalder, Dat ik was wat schraalder Ik wou wel om een dukaton, Dat een vrijer naast mij ston(d).
Zie Boekenoogen, Onze Rijmen 69.—Nu nog een paar andere spotliedjes, die ik bij Van Ginneken, Handboek der Nederl. Taal I, bl. 359, 419 vind.
Bergen op Zoom:
Der wàs éens een vrouw Die kóeken bakken wóu En het méel dat wóu niet rijzen En de pán viél om En de kóeken wáren króm En de mán híet Jan van Gíjzen.
Bergen op Zoom:
De vlám sloeg in de lantêre De vónken slóegen der úit, De mêskes lústen zoo gêre ʼn Kop kóffie mét een beschúit.
Nijmegen en Oud-Gastel:
Klikspaan! boterspaan! Je durft niet door ʼt straatje te gaan. Het hondje zal je bijten, Het katje zal je krappen, Dat komt van al je klappen.
Menig spotlied biedt ons ook de waardevolle verzameling van Jan Bols: Honderd Oude Vlaamsche Liederen, bl. 155—214; zoo b.v. De Scheresliep; De Luiaard; Van Slordig Kaatje; De Kwade Man:
“Man en gij moet naar huis toe gaan: Uw vrouw die is ziek!”— “Is zij ziek, dan is zij ziek! En daarmee ben ik uit het verdriet! Naar huis en ga ik niet!” enz.
Het is vooral de toon van scherts en van jolijt, die het spotlied met het gezelschapslied verbindt. Naai- of kleermakerswinkel, spinnerij, potvertering,—dáar voelt het gezelschapslied zich thuis, al is het maar onder een vorm als: “Wie in Januari geboren is”. Een leuk potverteerdersliedje geeft de Groningsche Volksalman. 1897, bl. 92 vlg. Men lette op de kerkelijke melodie.

Hai-te boaln mit koa-le bot-tr smôekt ver-gif-tig lek-r As mooi wich-ter trau-wen wiln den trau-wen ze mitʼn bak-r.
En het lied vervolgt:
Bakkersvrauwm dei hebm ʼt nait goud, Dei moutn häör tid verbüln, Ik was laivr ʼn schoumôekrsvrauw En drôegn gladde müln. Schoumôekrsvrauwm, dei hebm ʼt nait goud, Dei moutn haör tîd vrpótsn, Ik was laivr ʼn weevrsvrauw En dröegn gladde linn. Weevrsvrauwm, dei hebm ʼt nait goud, Dei moutn haör tîd vrspouln, Ik was laivr ʼn speulmansvrauw En dansen väör fîouln. Speulmansvrauwm, dei hebm ʼt nait goud, Dei moutn häör tid vrdansn, Ik was laivr ʼn boernvrauw En eetn vette ganzn. Boernvrauwm, dei hebm ʼt nait goud, Dei moutn häör tîd vrleezn, Ik heb laivr ʼn schipprtje, Zooʼn schipprtje mout tr weezn. Dat schipprtje, dat wipprtje, Dat heb ik aal zoo laif, Veul laivr heb ʼk ain schippertje, As zoo ain boernslaif.
Een typisch gezelschapslied is ook het bekende lied Van pastoor zijn koe. In Nederland en Neder-Duitschland heeft het een verspreidingsgebied van belangrijke uitgestrektheid.
Liederen als deze romancen; oorspronkelijk gedanste droeve romancen of balladen met hun in het lyrische haast opgaande episch element; minneliederen in beschrijvenden vorm en nog zoovele andere vormen de omvangrijke groep van het verhalende lied.
Tot de oudste van deze soort behoort stellig het Halewijnlied; wellicht dagteekent het uit de XIVe eeuw en was de oorspronkelijke inhoud der sage een liefdesbetrekking tusschen watergeest en sterveling. In België wordt het rond Leuven nog gehoord, en in Volkskunde XVIII verscheen een variante uit Mater, bij Oudenaarde, die tot titel voert: “Van Halewijns rijk Hof”. Een andere variante vindt men in den Hasseltschen Banier van 1906, en, naar verluidt, wordt de ballade ook nog gezongen te Weert in Hollandsch Limburg.
Verder moet dit lied populair zijn geweest in ʼt Land van Aalst. “In mijn geboortedorp (Herdersem)”, schrijft De Cock, “werd het in mijn jeugd nog door menige vrouw opgedreund. Als 15- à 16-jarige knaap zong ik aldaar op het doksaal, en ik herinner mij opperbest dat, telkens als wanneer de pastoor, die een goed muziekkenner was en steeds den vereischten toon in acht nam, het

Cre-do in u-num Deu-m.
van de Missa in duplicibus aanhief, een ietwat oudere zanger alsdan zeide: “Hoort, de voois van Erodewijk”. Hierdoor werd dan bedoeld Halewijn, die elders ook als “de stoute Roland” bekend staat. Zie verder Van Duyse, Het Oude Nederl. Lied I, bl. 1 vlg.
Laat ik nu nog vermelden: De drie Koningsdochters, met zijn vele varianten; b.v,:
Daar waren drie dochterkens fijn (bis), Die wilden alle drie zalig zijn, enz.
of:
En daar vlogen drij vogelkens over den Rijn, En daar stierven drij dochterkens fijn, enz.
Dan het Jagerslied: Daar ging een jager uit jagen, Zoo ver al in het woud, enz.; De Hertog van Brunswijk; Genoveva van Brabant; Het Weesmeisje:
Aan den oever van een snellen vliet, Een treurig meisje zat; Zij weende tranen van verdriet En schreide haar oogjes nat.
of:
Zij weende en schreide van verdriet Op ʼt gras van tranen nat.
Ook ons lied van De drie Ruitertjes kan op hoogen ouderdom en ruime verspreiding bogen. Onze aanvangsstrofe luidt vrijwel aldus:
Toen ik op Neerlands bergen stond, Keek ik het zeegat in. Daar zag ik een scheepje zeilen, Daar zaten drie ruitertjes in, Een van de drie was naar mijn zin.
Het lied ontstond echter waarschijnlijk niet in “de landen bider see”, maar in het Opperduitsche bergland. Immers de oudste ons bekende tekst vangt aan met de regels:
Ic stont op hoghe berghen, Ic sach daer so diepen dal, enz.
Zie ook Driem. Bladen X, bl. 54; Volkskunde XXIII, bl. 15. Eindelijk laat ik hier den tekst volgen van de Twee Koningskinderen, zooals men dien thans nog hier te lande aantreft: van het diepst-tragische en wellicht meest nationale onzer oude volksliederen, al berustte het ook op de Fransche kultuurbewerking van een Grieksche sagenstof. Ik ontleen aan Driem. Bladen XI, bl. 46:
De twee Koningskinderen.
Het waren twee koningskindʼren, Die hadden malkander zoo lief, Zij konden bij malkander niet komen, Zij schreven malkander een brief.
ʼt Was des nachts twaalf uren, Het meisje lag in een droom,— Haar zoetelief was verdronken— Al in een waterstroom.
Het meisje sprak tegen haar moeder: “Wat doet mijn hoofdje mij zeer, Mag ik een klein half uurtje Gaan wandelen langs het meer?”
De moeder sprak tegen het meisje: “Alleen kunt gij niet gaan, Neem dan uw jongste broertje, Dan kunt gij wel henengaan.”
Het meisje sprak tegen haar moeder: “Mijn broertje is veel te klein, Die verjaagt mij al de vogeltjes, Die aan den meerkant zijn.”
De moeder ging naar de kerk, En het meisje ging haar gang, Zij wandelde, ja zij wandelde, Tot zij bij een visscher kwam.
Het meisje sprak tegen den visscher: “Wilt gij verdienen uw loon, Werp dan je net in het water En visch mij dien Koningszoon.”
Het eerste wat of hij vischte, Dat was een Koningszoon, Zij kuste zijn roode lippen, Zij kuste zijn rooden mond.
Zij nam hem op haar armen, En droeg hem aan den kant van de zee, Zij zegt: “Adieu, nu willen wij varen, En ʼk vaar altoos met je mee”.
(Leek en omstreken.)
In deze, en ook in andere balladen, trilt een sprookjes-motief na. Een aanzienlijke groep echter, die van het sprookjeslied, bevat enkel berijmde en getoonzette sprookjes, die dan juist door rhythme en melodie een zekere vastheid verkrijgen. Vertoont het lied van De kwade Stiefmoeder niet zoo echt den typischen sprookjesaard?
Er was een kwade stiefmoeder, zij verkocht haar kind, Voor negentien penningen en een gouden ring.
En dat mooie meisje teer, En dat mooie maagdetje!
De zeven knechten namen elk eenʼ roed, Zij sloegen Antonnettetje zijn lichaam in bloed.
Zij leiden Antonnettetje op eenen blok, Zij kapten Antonnettetje zijn hoofdje of.
Uw dochter Antonnettetje is wel bewaard, Want zij speelt er achter in den boomgaard.
De vader reed den boomgaard wel driemaal rond, Om te zien of hij Antonnettetje niet en vond.
Op dʼeerste lelie stond er geschreven, Als dat haar stiefmoeder haar hadde verkocht.
Op de tweede lelie stond er geschreven, Als dat de zeven knechten haar hadden geslegen.
Op de derde lelie stond er geschreven, Als dat de zeven knechten haar hadden vermoord.
De vader heeft de strate met messen doen beslaan, Om die zeven knechten er over te doen gaan.
En dat mooie meisje teer, En dat mooie maagdetje!
Zie Van Duyse, het Oude Nederl. Lied I, bl. 222; Lootens en Feys, Chants populaires flamands no. 43.—Ook het dierensprookje is rijk vertegenwoordigd; zoo b.v. De Koekoek in den Mei; Den Uil die op den Pereboom zat, zie Volkskunde IX, bl. 185 vlg; vooral ook het leuke Sterven van den Beer, Volkskunde XIII, bl. 237, vgl. De Navorscher V, bl. 88:
De beer die vond er hem zeer krank Van eene zware koorts (bis),
De zeug die vond heur in bedwang, Den dokter te ontbieden Met nog veel wijze lieden, En het beestjen die had er de koorts, koorts, koorts, En het beestjen die had er de koorts; enz.
De minste dichterlijke waarde heeft het historische lied, natuurlijk duisterder, naarmate het verder van het historische feit afstaat, dat het vermeldt of verheerlijkt. Het liedje:
Mijnheer van Son is een brave kapitein, Hij regeert er zijn volkje zoo groot als klein
heeft betrekking op een Amsterdamsch kapitein, n.l. Zeger van Son, die op 6 Sept. 1748 bij de parade ter eere van den stadhouder Willem IV behalve de gewone troepen ook eene “compagnie jongeheertjes” deed exerceeren. Hij regeerde dus werkelijk groot en klein. Zie hierover Boekenoogen, Onze Rijmen, 6 vlg., waar de aandacht gevestigd wordt op de historische kern van nog menig ander tot kinderrijm vervormd volksliedje; zoo b.v.:
De Bisschop van Munster Met honderdduizend man, Voor Groningen, voor Groningen eens kwam. De Bisschop van Munster, al weer van voren af an.
Vooral de Fransche tijd heeft op ons volk een diepen indruk gemaakt, waarvan wij de reflex vinden in het volkslied. Wie kent niet het kinderrijmpje:
Rataplan, rataplan, rataplan! Daar komen die drommelsche Franschen weer an, Ze hebben geen kousen en schoenen meer an, Rataplan, rataplan, rataplan!
Heel wat waardevoller in historisch, nationaal en artistiek opzicht is het pittige, jubelende volksliedje, dat dagteekent uit het jaar 1650:
Al is er ons Prinsje nog zoo klein en hoezee! bis
Alével zal hij stadhouder zijn; Vivat Oranje, hoezee! (bis).
In België leven insgelijks de herinneringen aan den Franschen tijd in het volkslied nog voort; ook aan de Spanjaarden en, althans tot voor kort nog, aan Jacob van Artevelde, en aan het beleg van Yperen in 1383; zie Van Duyse, het Oude Nederl. Lied II, bl. 1525–1825; Dr. J. van Vloten, Nederlandsche Geschiedzangen.
Tot welk een dorren, prozaïschen stijl het historische lied zinken kan, toont ons het volgende:
Napoleon, waar zijt gij gebleven, Napoleon, waar is uwe tijd, Eertijds was ge keizer van Genève, Daar ge nu op een eiland zijt (bis); enz.
Zie voor den volledige tekst de Graafschapsbode 16 Maart 1907; Driem. Bladen VII, bl. 62.
Maar nog dient gewezen op de groote rubriek van het feestlied, dat het geheele natuurlijke en kerkelijke jaar doorloopt, en van af Sint Maarten (11 November) tot Sint Maarten de feestgetijden met blijden jubel of droeve klage begeleidt. Ik heb deze liederen reeds besproken in het hoofdstuk over de Volksfeesten (I, bl. 99–209) en wensch dus nog slechts aan het volgende te herinneren. Al de zoogenaamde natuurliederen, winterliederen, zomerliederen, meiliederen enz. zijn feestliederen in den waren zin des woords en geven de stemming op het natuurfeest weer. Wel bewegen zich deze liederen somtijds in een bijzondere richting; zoo zijn b.v. de meiliederen dikwijls òf minneliederen òf geestelijke liederen ter eere van Maria (I, bl. 190).
Hiermee heb ik tevens mijn meening geuit omtrent den aard van het geestelijke lied, de laatste groep van het volkslied. De kerstliederen, nieuwjaarsliederen, Driekoningenliederen, passieliederen, paasch- en pinksterliederen enz., en voor een overgroot deel de Marialiederen en de liederen ter eere van andere heiligen, zijn feestliederen. En deze feestliederen, wier kader heel wat ruimheid bood—men denke aan de reeks geestelijke liederen, die de Vlucht naar Egypte behandelen, eigenlijk kerstliederen—waren of wel zuiver lyrisch, of episch-dramatisch. Men ziet het: een strenge afscheiding van het wereldlijke lied is niet door te zetten. Ook wat de melodieën betreft, schijnt er wisselwerking geweest te zijn; het geestelijk lied leende zijn wijzen en ontleende die ook weer op zijn beurt aan het wereldlijke. Trouwens hierin vond men niets stootends of oneerbiedigs, omdat in die dagen de tegenstelling van gewijd en profaan niet bestond, als tegenwoordig veelal het geval is. Hetzelfde geldt voor het kerkelijke lied, doorgaans feesthymne, maar toch ook volkslied, in zoover het daadwerkelijk uit het volk, of althans uit den volksgeest is voortgesproten. Imposante kerkelijke liederen als het Dies Irae en het Stabat Mater stoelen beslist op den volksgeest en behooren tot de schoonste loten van de Middeleeuwsche volkspoëzie.
Maar het geestelijk lied kan ook uiting geven aan het gevoel van een enkeling, kan uitzingen diens lof en dank, of vertolken diens hoop en berouw: en zoo ontstaan de roerende liederen der “Minnende ziel”, de “Zieleklachten” enz., die zich wellicht hebben ontwikkeld uit geestelijke verzuchtingen als deze:
Maria, Gods Moeder, reine Maagd, Al onze nood zij U geklaagd.
Deze individuëele liederen kunnen echter ook zijn van paraenetischen aard, en dus beschouwingen behelzen over de Vier Uitertersten e.d.
Zijn dramatisch element ontleent het geestelijk lied meestal aan het feit, dat het stoelt op de dramatische vertooningen in de kerken, met name tusschen Kerstmis en Driekoningen; zie hierover vooral de beschouwingen van Knuttel in zijn uitnemend werk over het Geestelijk Lied enz., bl. 88 vlg.; Kronenburg, Mariaʼs heerlijkheid V, bl. 434 vlg.
Hier volge een Kerstlied en een Driekoningenlied, schaarsche resten van vroegere weelde en overvloed.


Wilt uit u-wen slaap op-sprin-gen, En ver- blij-den ons al-len ge-lijk. Hier is ons een kin-de-ken ge- bo-ren Van Ma-ri—a, die uit-ver-ko-ren. Brengt de bood-schap in ʼt o-pen-baar Al met de-zen nieu-we-jaar.
Op ee-nen Drij-ko-nin-gen a-vond En op ee-nen Drij-ko-nin-gen dag, Dan von-den wij Ma- ri-a Mag-da-le-na Al op Heer Je-zusʼ graf. Sta-get op, Ma-ri-a Mag-da-le-na, Sta-get op van de bit-te-re dood, Uw zon-de-kens zijn al-le ver-ge-ven Al wa-ren zij nog zoo groot.
Een overoud passielied, in Hollandsch Limburg en in België bekend, begint met deze strofe:
Hier is ʼt begin van ʼt bitter lijden Van Onzen Heer Gebenedijde, Die ons van zonden heeft verlost, Dat heeft Zijn dierbaar bloed gekost.
Het oude paaschlied: “Christus is opghestanden, Al van der martelijen allen” enz. heeft menige verandering ondergaan. In het Spaansch leger vóor Haarlem (1573) werd het geparodieerd als:
Christus is opgestanden, te Haarlem is een buit voorhanden;
terwijl van het paaschvuur gezongen werd:
Christus is opgestanden, tʼ avond zullen wij vuren branden.
Als hedendaagschen vorm geven de Driem. Bladen XIII, bl. 51:
Christus is opgestanden Al van de Joden hun handen, Dus willen we allen vroolijk zijn, Christus zal onze Verlosser zijn, Halleluja!
Was Christus niet verrezen Alom met Zijn goddelijk Wezen Wij waren gebleven in grooten nood, Wij moesten allen sterven den eeuwigen dood, Halleluja! Christus voer ter hellen Om daarin vrede te stellen, Die in de duisternisse zeer lagen bezwaard, God heeft ze met Zijn eeuwige licht verklaard, Halleluja! enz.
Een afzonderlijke vermelding verdienen nog de bedevaartliedjes, die buiten het feestjaar staan en ten deele verhalend, ten deele lyrisch van aard zijn. Het refrein van een algemeen verspreid bedevaartsliedje luidt:
En zouden wij dan niet vroolijk zijn, De hemel is de onze, En was de hemel de onze niet, Dan waren wij zoo vroolijk niet, De hemel is de onze.
Ten slotte volge hier het Lied van den Boom, dat door sommigen als een danslied beschouwd wordt, omdat men het wel eens in een rondedans om een boom zingt.
Men vindt dit lied in Holland, Friesland, Limburg, Vlaanderen, echter met tallooze varianten, vooral aan het einde, waartoe de eigenaardige vorm en gang van het lied zonder twijfel aanleiding gaf. Ik geef hier de lezing van Heist-op-den-Berg, die ik voor de meest oorspronkelijke houd.
In mijnen hof daar staat eenen boom Zooʼn schoonen boom, Zooʼn liefelijken boom.
Refrein:
De boom staat in zijne eerde, Vol van weerde, En hij groeit zoo schoon!
Aan dezen boom daar komt er eenen tak, Zooʼn schoonen tak, Zooʼn liefelij ken tak. De tak komt van den boom.
Refr. De boom staat, enz.
Aan dezen tak daar komt er dan een blad, Zooʼn schoonen blad, Zooʼn liefelijken blad. Het blad komt van den tak, De tak komt van den boom.
Refr. De boom staat, enz.
En aan dat blad daar komt er dan een bloem. Zooʼn schoone bloem, Zooʼn liefelijke bloem. De bloem komt van het blad, Het blad komt van den tak, De tak komt van den boom.
Refr. De boom staat, enz.
En aan die bloem daar komt er eene vrucht. Zooʼn schoone vrucht, Zooʼn liefelijke vrucht. De vrucht komt van de bloem, Enz., enz.
Refr. De boom staat, enz.
Ik beschouw dit lied als een kerstlied. Waartoe hier met Van Duyse e.a. allerlei Germaansche boschvereering te hulp roepen, waartoe vooral met Pol de Mont (Nederlandsch Museum III, 2, bl. 217 vlg.) den wereldboom Ygdrasil uit de Noorsche mythologie er bij halen, wanneer de verklaring toch voor de hand ligt? En die is, dat wij hier met den boom van Jesse te doen hebben. Zelfs luidt te Deerlijk en elders het slot—dat ik echter niet voor oorspronkelijk houd—:
En op dien tak daar staat een nest, enz. En in dien nest daar lag een ei, enz. En in dat ei daar zat een kind, Een goddelijk kind, Een kind dat ons verlossen zal, Dat ons verlossen zal.
Werd Christus niet aangeduid als de spruit en de bloem uit den wortel van Jesse? En zingt Venantius Fortunatus niet in zijn kersthymne: “De wortel van Jesse heeft gebloeid en de spruit heeft vrucht gedragen?” Het was immers een lievelingsbeeld der geestelijke poëzie in de Middeleeuwen, Maria en Christus voor te stellen als de bloem en de vrucht uit den wortel van Jesse. En mocht iemand dit alles onvoldoende lijken, dan verwijs ik nog naar de veelvuldige ikonografische voorstellingen: een boom schiet op uit den slapenden Jesse, met reuzenbloemen aan de twijgen. Op en in die bloemen zitten rechts en links koningen en op den top troont Maria met het Jezuskind.
Op weinig uitzonderingen na wordt door het volk tegenwoordig weinig meer gedicht en gezongen. De zanglust, die vroeger levensbehoefte scheen, is verslapt. Hoe kan in dezen tijd het volk ook zingen? Nu de poëzie hoe langer hoe meer uit het volksleven terugwijkt, nu de ziellooze machine vervaardigt het eertijds bezielde werk, waarin de man-uit-het-volk een stuk van zijn ziel, zijn gemoedsleven, een stuk van zijn eigen-ik legde? Slechts daar, waar gemeenschappelijke handarbeid de menschen nog vereenigt, klinkt het rhytmische volkslied als eertijds: bij het maaien, het bezembinden, het stroovlechten, het tabaksbewerken, het steenhouwen, het kuipersbedrijf. Vooral echter, waar stille huiselijkheid en gezelligheid woont, hoort men des avonds bij het knappende haardvuur of op de bank vóor de woning of onder de dorpslinde nog het aloude gezang. Ook het volksfeest, voor zoover de moderne kultuur dit niet door en door verdorven heeft, de bruiloft en de kermisviering worden nog wel door het lied opgevroolijkt.
Daar zijn tijden geweest, waarin het karakter van het geheele volk zich weerspiegelde in het volkslied; en ons Nederlandsche volkslied kan de vergelijking doorstaan. Het kende niet de hartstochtelijkheid der Italiaansche, de waardigheid van de Spaansche, de sierlijke gratie van de Fransche liederen; maar in diepte van gevoel werd het nauwelijks geëvenaard. Natuurlijk kwamen ook hier de rasverschillen tot uiting, en kwam het b.v. door den beweeglijken, meer emotioneelen Keltisch-Frankischen geest beter tot zijn recht.
Maar nu....de bovenkultuur heeft de kunst grootendeels aan het volk ontnomen en voor een élite van begenadigde kunstenaars gemonopoliseerd. De middelklasse wordt meer en meer uitgeschakeld, en waar in onze landen de kultuur het hoogst stijgt, wordt de klove tusschen hoogere en lagere standen steeds dieper. Daar zingt het volk geen volkslied meer, maar bauwt in drenzige deunen de aan flarden gescheurde opera-melodieën na met schunnige variaties. En al mag nu de tegenwoordige toestand in wat te schrille kleur geteekend zijn in H. F. Wirthʼs dissertatie: Der Untergang des Niederländischen Volksliedes (Haag 1911), het in-droevige van den toestand kunnen wij ons niet ontveinzen.
Dankbaar zeer zeker zijn wij de hedendaagsche dichters in den volkstoon: Heve, Dautzenberg, René de Clerq, Rodenbach; dankbaar aan degenen, die werkten tot herleving, althans der waardeering van wereldlijk of geestelijk lied: Hofmann V. Fallersleben, Van Duyse, Bols, Kalff, Knuttel, Coers, Roes, en aan de vele andere wakkere voormannen, die door woord en aktie,—ik denk aan het volksorgel—den gezonden volkszang trachten te bevorderen. Maar toch vrees ik, dat deze kunstmatige poging op den duur den ondergang van het volkslied niet zal tegenhouden. Wij leven te ver van de natuur. Wereld en menschen zijn anders geworden, daarom moet het volkslied sterven. Als een schichtig ree van uit het struikgewas tuurt nog hier of daar een kind der volksmuze met zijn sprookjesoogen in een wonderlijk-vervormde kultuurwereld, vol rook, rumoer en onrust. Het volkslied vlucht voor de schrille stoomfluit, als de elven voor het gelui der klokken.
IV. Bouwkunst en dekoratieve kunst.
Terwijl de kultuurkunst vooral tot uiting komt in het bouwen van kerken, torens, raadhuizen enz., spreekt de intieme volkskunst het meest uit de woon- en bedrijfshuizen. De volksbouwkunst geeft een eigen kenmerk aan stad en land en volk: na eeuwen zelfs vertolkt zij ons den kunstzin van dat volk niet alleen, maar ook zijn geschiedenis, gebruiken, zeden en gewoonten, zijn welvaart, zijn geloof. Maar voorheen, meer dan thans, was de bouwkunst een stille opvoedende kracht, omdat duizenden handen en hoofden in haar dienst voortdurend werkzaam waren, op wie zij terugwerkende kracht kon uitoefenen. “Onder dien stillen drang worden de samenstellingen ongezochter, eenvoudiger, doelmatiger, degelijker, wordt alles typischer en expressiever, wordt de hand vaardiger en het oog gevoeliger en minder spoedig voldaan. Zóo inwerkend op tal van ambachten werkt de bouwkunst in en door dit alles terug op het gebied der kunstnijverheid en daardoor weder op het zoo uitgestrekte gebied der nijverheid”: C. H. Peters, Oud-Groninger kunst, in de Gron. Volksalman. 1896, bl. 128.
Ten tijde, dat de persoonlijkheid, en met haar de persoonlijke kunstuiting, meer tot haar recht kwam,—toen ook de kleine burger of handwerksman iets voor zijn woonstede voelde en die opsierde naar vermogen, sprak uit stad en stadswoning, uit de woon- en bedrijfshuizen inderdaad voor een groot deel het karakter hunner bewoners. Maar uit die periode van persoonlijke en zelfstandige kunst hebben slechts schaarsche overblijfsels ons bereikt. “Eerst met het laatst der XVe en het begin der XVIe eeuw begint onze erfenis, maar het is eene erfenis slechts van een gevel hier, een schouw daar, eene deur of zoldering elders; een nog uit- en inwendig intakt gebleven middeleeuwsch woonhuis bezitten wij nergens”, schrijft weer de Rijksarchitekt C. H. Peters in zijn voortreffelijk werk: De Nederlandsche Stedenbouw (Leiden 1910), II, bl. 380. En dit is niet te verwonderen. Ekonomische redenen hebben hiertoe geleid. Groeide een woonbuurt, een dorp, een marktplaats uit tot een stad, dan verdween mèt die ontwikkeling ook het landbouwbedrijf en de hoeve, om voor een koopmans- en bedrijfshuis de plaats vrij te laten. In de omwalde, bepoorte en omgrachte marktplaats was geen ruimte voor vrij liggende hoeven of een uitgestrekt erf, maar slechts voor kleine woningen met ziend dak. Met het klimmen van de welvaart verdichtten zich echter ook de houten huizen, drongen op in rij en gelid en zochten door verbouwen in de ruimte, wat zij beganegronds moesten missen. En zoo ontstond hetgeen ons oog in oude steden of stadsdeelen zoo aantrekt: die ongewild mooie huizenreeksen, alle eertijds in hout gebouwd, met hun sierlijke lijnen en met de welgevormde bochten, die ons vaak nog resten. Zoo ontstonden die verrassende straateffekten, ook na het verdwijnen der houten woonhuizen veelal nog bewaard, en zoo sterk kontrasteerend met den modernen slatuin-vorm. Van sierlijke Nederlandsche huizengroepen en straatgezichten leeft ook nog de herinnering in oude teekeningen uit de XVIe, XVIIe en XVIIIe eeuw, toen van dien houtbouw nog een gedeelte over was; zoo b.v. van de markt en het raadhuis te ʼs Hertogenbosch, de markt te Middelburg, straten uit Maastricht (b.v. de Tongersche straat ten jare 1669), Den Bosch, Amsterdam, Delft, Dordrecht, Alkmaar, Enkhuizen, Brussel, Gent, Brugge enz.
Met het verdwijnen van den houtbouw, tengevolge van branden, van stadskeuren en van andere, ekonomische redenen, werd deze zeer eigenaardige periode door den steenen huizenbouw opgevolgd. Maar ook het Middeleeuwsche steenenhuis verdween en werd vervangen door kostbaarder en rijker konstruktie.
Maar de eenvoud en soberte verdween en de gemeenschapszin werd losser. Tot de XVe eeuw voelde men zich éen met de burgers van zijn stad, was men met het wel en wee der stad op het nauwste verbonden, beschouwde men haar belangen, haar trots, haar fierheid als de zijne. En zoo verklaart men het feit, dat de burgers in dien tijd hoogst eenvoudig leefden en bouwden voor zichzelf, maar zoo ruim mogelijk bijdroegen tot het bouwen van een ruimer en sierlijker raadhuis of Godshuis hunner stad. Met de XVIe eeuw werd men behalve poorter ook lid van het gewest, waardoor de betrekking van poorter tot stad losser werd. “De Stadspoorten, vóórheen angstig gesloten, openen zich nu meer en spoediger ter opname van nieuwe elementen, van nieuwe bedrijven; met de grootte der Steden breidde zich ook het gemeenschapsbegrip uit; en toen met de Reformacie ook de ʼleer der goede werkenʼ en de zorg voor het hiernamaals zich minder naar buiten uitte, verminderde onder den invloed der welvaart langzamerhand ook de vroegere eenvoud”: C. M. Peters, t.a.p. bl. 392; vgl. Oud-Groningerland (ʼs Gravenhage 1912), bl. 150 vlg.; A. W. Weismann, Geschiedenis der Nederlandsche Bouwkunst (Amsterdam 1912); A. J. Kropholler, in De Beiaard I, 1, bl. 114 vlg.
Voortaan besteedde men dus meer aan de eigen woning, en de wooneenvoud maakte niet zelden plaats voor woonvertoon; en met de steeds wisselende stijlen verdwenen de overblijfselen van het vroegere woon- en bedrijfshuis, terwijl de verjongingskuur een steeds sneller stap aannam.
De aard van de woonbuurt, waaruit de stad zich ontwikkelde, bepaalt natuurlijk in aanzienlijke mate den aard en aanleg der stad en den bouwvorm van het woonhuis. De steden zijn immers niet gesticht in bepaalden vorm op last harer eerste bewoners, maar gegroeid uit het mettertijd omwalde, omgrachte en bepoorte dorp. Uit de visschersbuurt op een gunstig gedekte plaats in een rivierbocht, of rond een inham, of bij den mond van een riviertak ontwikkelde zich het visschersdorp en de visschersstad: Amsterdam, Dordrecht, Kampen, Rotterdam. Waar de rivier zich verbreed had tot zeearm of zeeboezem, die tot veilige ligplaats dienden, vormden zich de havensteden: Antwerpen, Blokzijl, Harderwijk, Stavoren, Vlissingen. En hoe belangrijk deze ligging voor de stadsvorming geacht werd, blijkt wel het duidelijkst uit den faktor der taal. Immers uit het Latijnsche portus “haven, stapelplaats” ontwikkelde zich het Middelnederlandsche woord poort “stad”, vanwaar de burger den naam van poorter droeg. Ook dáar vormde zich aldra een stad, waar een rivier ophield bevaarbaar te zijn: Leuven, Brussel, Yperen; en eveneens, waar twee rivieren samenvloeiden: Gent, Mechelen. Bij smalle rivieren werden de beide tegen elkaar gelegen oevers bezet: Gouda, Leiden, Utrecht. Uit kringdorpen ontwikkelden zich Bolsward, Dokkum, Leeuwarden met hun heuvelachtige op- en afloopende straten. Sterk verraden hun oorspronkelijken vorm: Middelburg, rond den burcht tegen de Noormannen, en Oldenzaal, rond de eerste Christenkerk, met hun straalsgewijze loopende straten. Het komdorp met zijn brink, dien men zoo mogelijk als marktruimte gebruikte, vinden wij terug in steden als Assen, Deventer, Groningen, Harderwijk, Steenwijk. Het streekdorp spreekt uit Amersfoort, Kuilenburg, Wageningen, Edam, Sittard, Vianen, Monnikendam. Het centrum van een dorp was ook vaak een kasteel, buiten welks omgrachting lijfeigenen, visschers, landbouwers en nijveren bescherming zochten; hieruit ontwikkelden zich de kasteelsteden met hun sprekend vast plan van aanleg: Gent, Brugge, Rijssel, Brussel, Haarlem, den Haag, Montfoort, Gorinchem, Sint-Maartensdijk.
Wat nu de ontwikkeling der afzonderlijke woningen betreft, diene het volgende. De hoeve ontwikkelde zich uit de hut (I, bl. 32), in woudstreken nagenoeg cirkelvormig en gebouwd uit twijgen, leem en stroo, in heidestreken uit dennenstammen met plaggenbekleeding, langs de kust uit palen in den kleigrond geheid. Deze hut in haar drie genoemde typen: leemenhut, plaggenhut en paalhut bestaat nòg. De leemenhut doet dienst als nood-, vlucht- en berghut; de plaggenhut als woning op de heide; de paalhut als visscherswoning, b.v. op Marken of te Volendam. Uit de hut ontstond mede de arbeiderswoning te platten lande.
Uit visscherswoning en hoeve ontwikkelde zich de privaatwoning in de steden: voor- en achterwand worden opgetrokken ter volle dakhoogte en het stolpdak verandert in een schilddak. Zoo is de binnenruimte grooter geworden, en in de beide opgaande eindwanden, gevels genoemd, plaats verkregen tot het maken van zooveel openingen, als het bedrijf maar vraagt. Want het bedrijfshuis en eveneens het koopmanshuis vorderen gebiedend meer ruimte en meer licht. Maar over het algemeen bleef aanvankelijk de huisbouw aan de eenvoudige, karakteristieke samenstelling der hoeve getrouw. Een verdieping wordt echter eveneens noodzakelijk; en zoo wordt het stolphuis met zijn windopen dak vervangen door een huis met een verdieping, doorgaande over de volle huisbreedte en -diepte. En wat het schilderachtig effekt van deze, uit redenen van ekonomischen aard voortgesproten, verbouwing zoozeer verhoogde: waar de stoep- of straatbreedte zulks toeliet, werd niet zelden de verdieping vier tot zes voet overgebouwd. Dit gedeelte werd dan gesteund door stijlen; en zoo ontstond een kleine, vooral bij hoekhuizen gewilde galerij. Ook noodigden deze huizen uiteraard uit tot zaag-, steek- of beeldhouwwerk, waardoor het straateffekt belangrijk werd verhoogd. Het huis droeg geen nummer: het ware noodeloos. Elk huis toch, hoezeer ook samenwerkend tot gemeenschappelijk effekt, stond op zich, vormde een eenheid op zich. Het deed zijn best gezien te worden, zegt Peters, door opschrift of uithangbord, het had iets eigenaardigs, iets karakteristieks, iets leuks, in topgevel, in uit- of terugbouw, in spelend behandeld dak of anderszins. Daar is in den houtbouw zooveel diepte, kleur, schaduw en tegenstelling!
Maar volkskunde is de wetenschap van het heden. Wat bleef dan van deze ongezochte glorie in onze volkskultuur? Helaas, terwijl de houtbouw nog gevonden wordt te Bayeux, Caen, Goslar, Hildesheim, Nürnberg, Hamburg, Lisieux, of ook in Engeland, is hij in ons land zoo goed als verdwenen.
Ook in de steden van Vlaanderen en Brabant resten misschien nog slechts een tiental houten gevels. De houtbouw leeft hoofdzakelijk nog slechts voort in onze molens, die het schilderachtig effekt van het landschap in zoo ruime mate verhoogen, in hoeven, schuren en verder in ondergeschikt gedoe.
Plat, arm en nuchter zijn de meeste baksteengevels, vergeleken bij de houten. Reeds in de XIIe eeuw waren er in de handelsstad Utrecht enkele steenen huizen of stinsen. In de XIIIe eeuw worden de huizen grooter en hooger en de voorgevel wordt rijker behandeld. Tegen het midden der XVIe eeuw wordt op het steenen huis de Renaissancestijl toegepast, die de Middeleeuwsche kunst vervangt. Maar van de bedrijfs- en winkelhuizen begon de steenbouw eerst boven den puibalk; van het houten huis hield men dus de onderpui. De behandeling was zeer uiteenloopend, maar toch kan men voor sommige steden van een vrij éenvormig type spreken. Zoo werd Amsterdam in de XVIIe eeuw gekenmerkt door zijn pilastergevels, Deventer door zijn eigenaardige baksteenen topgevels, Dordrecht door zijn karakteristieke boogvulling, Enkhuizen door zijn leuke baksteenen bedrijfshuisjes, Groningen door zijn gevels met elegante toppen, Haarlem door zijn gevels met voorspringende puntbogen boven de vensters, Delft en Den Haag door zijn schilderachtig overluifelde stoepen. Gelderland heeft nog menige fraaie gevels bewaard, met name Zutfen. Ook hier zijn, evenals te Deventer, vooral de topgeveltjes, in ogiefvorm bewerkt, zeer eigenaardig. Daar wij echter slechts met een détail-speling, en niet met een eigen konstruktief denkbeeld te doen hebben, gaat het kwalijk aan, met den Heer C. L. van Balen van een afzonderlijken, Oudgelderschen, of Geldersch-Duitschen bouwstijl te spreken. Toch heeft de Heer van Balen een dankwaardig werk verricht, door van de monumenten van den ouden steenbouw in en om het Geldersch gebied fotoʼs te nemen of schetsjes te maken; zoo b.v. van huizen te Zutfen, Leesten (gem. Warnsveld), Bronkhorst, Voorst, Loenen (Veluwe), Lochem, Doesburg, Middachten, Doetichem, ʼs Heerenberg, Amersfoort, Culemborg, Tiel, Zevenaar, Huissen enz. Dit type wordt ook vertegenwoordigd in de provincie Limburg, niet het minst door het bekende “huis Schreurs” in de Groote Kerkstraat te Venloo. Vooral de geveldriehoek met zijn beide étages en forschen top wekt bewondering. De beide oude gevels van het Weeshuis, vlak tegenover de St. Martinuskerk, steken echter het “huis Scheurs” naar de kroon. Merkwaardige gevels in dezen trant vindt men verder nog te Roermond en in het Noorden der provincie.
De steenbouw ging steeds mee met de mode van den dag. In de XVIIIe eeuw verschijnt de klassieke gevel met zijn doorgaande pilasters en groot fronton; en dan volgt de deftige, rustige, vlakke gevel, die slechts uitmunt door goede proportie; tot tegen het einde dier eeuw “de karakterlooze gevel, meestal weinig meer dan een brok muur met eenige lichtgaten en een deurgat, de geschiedenis van den woon- en bedrijfsgevel en van het woonhuis komt besluiten”. Aldus eindigde de stadswoning in de eerste helft XIXe eeuw “zoo karakterloos mogelijk en zelfs armer ... dan hij acht of meer eeuwen vroeger begonnen was”: C. M. Peters, De Nederlandsche Stedenbouw. De Stad met hare kerken enz., bl. 438; zie verder Gelre VII; Limburgʼs Jaarboek XI, bl. 65, 153; XII, bl. 154; XIV, bl. 43; Bouwkundig Tijdschrift 1904.
Wat van den steenbouw voor Noord-Nederland geldt, is ook van toepassing op België, echter met dit verschil, dat het zuiden er zijn stempel op drukt. Terwijl de huisbouw in Holland doorgaans netter is, meer afgewerkt, beter beschilderd, is daarginds alles minder verzorgd, maar ook luchter en ruimer. De natuur is milder, de woning dient dus iets minder als toevluchtsoord. Wat in België zoowel als in Holland van dezen huizenbouw rest, heeft waarde voor het heden, in zoover het nog een reëele plaats in het kultuurleven inneemt, dient ter berging en verfraaiing, wordt verbouwd en bebouwd—evenals sprookje, sage en volkslied, die immers gemeengoed werden—en blijft inwerken op de geboorte van nieuwe kunstvormen. Het aantal partikuliere gebouwen, die behouden bleven, is vrij groot; ik gaf boven reeds eenige voorbeelden van den “Gelderschen” bouwtrant. Van openbare gebouwen vermeld ik de Waag te Enkhuizen, Alkmaar, Haarlem en Nijmegen; het St. Jansgasthuis te Hoorn; de Kanselarij te Leeuwarden; de Vleeschhal en het Oude Mannenhuis te Haarlem; het Stadhuis te Gent, Yperen, Franeker en Leiden (XVIe en XVIIe eeuw). Zie Volksalman. tot Nut van het Algemeen 1872, bl. 173; 1868, bl. 184; 1867, bl. 184; en verder vooral Mr. S. Muller, Oude huizen te Utrecht (Utrecht 1911); J. Briedé, Oude huizen van Rotterdam (Rotterdam 1915); J. Craandijk, De Haarlemsche Hofjes (Haarlem 1914).
Zoo biedt het stadsbeeld van thans een bonte mengeling van bouw- en kunstvormen: het kunstminnend verleden reikt de hand aan het doorgaans smakelooze heden. Toch moet men niet onbillijk zijn. Daar zijn voorbeelden van moderne straten, waar een mooi eenheidseffekt in de verscheidenheid verkregen werd, zoo b.v. de Amsterdamsche Vondelstraat, voor zoover Cuypers haar aanleg in handen had. Ook bestaat er een ernstig streven bij de moderne architekten, die het rationeele, doelmatige der Middeleeuwen in eere willen herstellen en nieuwvormingen trachten te scheppen met de gegevens der noodzakelijkheid, met de hun ten dienste staande middelen te bereiken de voormalige eenheid van karakter en verwantschap van vormen, die het veelvuldige in huis- en straateffekt tot samenstemming dwingt en in een glorievol verleden zooveel schoons heeft gewrocht. Het is waar, deze hedendaagsche kunst is heel wat meer bewust dan de vroegere, en wat aldus in huis- en stedenbouw tot stand komt is eigenlijk geen volkskunst meer, geen organisch gevormde kunst, opgegroeid uit den boezem des volks. Maar zij wortelt toch in de logische beginselen onzer nationale volkskunst, zij kan gedragen en gesteund worden door het volk, zij spreekt tot het volk en kan het behoeden voor reddeloozen ondergang in den zondvloed van materialisme en wansmaak. Een verblijdend teeken is het zonder twijfel, dat allerwege, ook en niet in het minst in het buitenland, de behoefte gevoeld wordt aan de steden hun aloud artistiek karakter te hergeven; en dat, al gaat de stadsaanleg niet meer van den eenling uit, naast den ingenieur en den technicus, die met allerlei ekonomische en hygiënische belangen rekening hebben te houden, ook de aestheticus een belangrijk woord heeft mee te spreken. Zie Mr. Fockema Andreae, De hedendaagsche stedenbouw (Utrecht 1912); Ch. Buls, Esthétique des villes (Bruxelles 1910); Camillo Sitte, Der Städte-Bau nach seinen künstlerischen Grundsätzen (Leipzig 1889).
Een besliste vijand van artistieken stedenbouw en straateffekt en volkskunst is de huurkazerne, de eigenaardige vorm, dien een komplex van woonhuizen in onze groote steden vertoont. Voor moderne dichtbevolkte steden, als centra van industriëele produktie op groote schaal, schijnen deze huurkazernes noodzakelijke bestanddeelen. De hygiënische en ekonomische bezwaren, die men tegen haar aanvoert, mogen slechts schijnbaar of althans sterk overdreven zijn,—aan de ethische en aesthetische beteekenis van het woonhuis, aan den kunstzin van zijn bewoners, die toch ook voor de kleine luiden de levenslasten draaglijker maakt, aan de liefde voor eigen huis en eigen erf geven deze kazernes den doodsteek.—Het vraagstuk der huurkazerne wordt uitvoerig en veelzijdig behandeld door Prof. L. Pohle, Die Wohnungsfrage (Leipzig 1910) I, bl. 21 volg., 89 vlg.
Beter dan in de steden komt te dezen tijde de volkskunst tot haar recht in de landelijke woning, hoezeer ook deze veelal het slachtoffer geworden is van moderniseering, wansmaak en kwalijk begrepen genotstreving. “De landsche huizekens”, zegt Stijn Streuvels in zijn Landsche Woning, “ʼt is alsof ze te dansen staan tegen de zon en ʼt geflits dat straalt uit de kleine ruitjes, is als een lach die schatert over het landschap. Ze staan er zoo welgedaan, zoo rustig, eigen en vast,—meegegroeid uit den grond met al de omgevende dingen.”
En inderdaad maken zij het leven en de blijheid uit van het Nederlandsche en Vlaamsche landschap: de huizekens, waar over dag de zonnegloed op neerzijgt als een zee van stroomend goud tusschen het groen van velden en weilanden, en waar des avonds een vredig lichtje pinkt in de stilte van een zalig-blij gezin, als in een godshuis....
Over den bodem van geheel Groot-Nederland rijen en groepen zij zich tot gehuchten en dorpen aaneen; en de dorpen, ze liggen er als gezaaid: rechts en links en heinde en ver, overal ziet men kerktorens oplijnen tegen het grijs-blauw van den gezichteinder. Zij liggen er, evenals de huizen zelf, zonder schijn van orde of regelmaat, maar toch zoo vredig en behagelijk, en juist dit ongedwongene schenkt hun de grootste bekoorlijkheid, het meest eigenaardig cachet. Zij liggen er zoo samenstemmend met al de dingen in het rond, en die ongedwongen omlijsting, dat harmonisch geheel van huis en dorp en omringende natuur, vormt een der allerbelangrijkste elementen van hun bekoorlijke, ongekunstelde schoonheid. En waar de bodem het dichtst bevolkt is, waar dorpen en woningen samendringen als om nergens een plaatsje ledig te laten, daar dringt ook sterker óp het gevoel van levensvolheid en levensblijheid.
Toch leeft elk dorp zijn eigen leven, dat de dorpstoren uitstraalt. En de vele en tallooze straatjes en wegjes en steegjes, kronkelend zonder doel, krom en planloos en hoekig, zij schijnen alle toch weer te wijzen naar éen gemeenschappelijk punt, een hoeve, een molen, een grooten verkeersweg. Tusschen de dorpen in doorkruisen hagen en slooten, dreven en weteringen de beemden en gouwen, reppen zich nijvere molens en dommelen de knotwilgen in het Hollandsche landschap. Naast eenheid ook hier weer verscheidenheid. Vooral de stroeve ernst der meer rechtlijnige streekdorpen kontrasteert met de innigheid der komdorpen en meer nog met de frivole dartelheid der groepdorpen op Frankischen bodem. Eenzaam, als het ware een leven leidend afgescheiden van de gemeenschap, liggen beschut door werven en grachten en half weggedoken achter dichte boomgroepen de afzonderlijke hoeven.
In eenheid verscheidenheid: al deze huizen en huizekens zijn gebouwd naar de sobere wetten der redelijkheid, naar de eischen van materiaal en bedrijf, naar de omstandigheden van plaats en ligging. Alle gehoorzamen zij aan de groote wet der harmonie van huis en omgeving en streven zij naar eenvoud en beperking. Zij spreken alle een klare, sobere vormenspraak, eenvoudig en eerlijk. Geen kracht is versnipperd, geen versiersel overtollig. En zoo vormt geen enkel landelijk huis een dissonant met de omgeving, een zwarte vlek op het landschap: de hoogte der muren, de lijnen van het dak, deur en venster en schoorsteen,—het is alles op maat, laat het oog kalm en het hart vredig, het lokt en wenscht en behaagt. Ook de groepeering van geboomte en bloemstruiken en groentebedden verraadt alleszins goeden smaak ... Maar toch weer verscheidenheid. De stelphoeve maakt een massieven, hoewel niet onvriendelijken indruk; onderbouw en dak moeten schutting bieden tegen de gure zeewinden. Aan den topgevel, die somwijlen een weinig naar voren springt, wordt de meeste zorg besteed. Schrille kleuren, het strandvolk eigen, treden ook hier aan den dag, zonder echter in ʼt minst te ontstemmen. Vooral uit zich een krachtige voorliefde voor groen en wit. De houten buitenwanden van de hoeve zijn meestal frisch groen en de kozijnen, ramen en goten wit geverfd, kleuren, die met den rooden baksteen voortreffelijk samenklinken. Dit geldt ook voor het Westen van Friesland. In het Saksische huis voert het sobere, gemoedelijke den boventoon, vooral in het meest oorspronkelijke type in Twente en in het Oosten der Graafschap. Hier overheerscht de houtbouw, vooral de vakwerkbouw, en wel op zeer aantrekkelijke wijze. Meer kunstuiting vindt men echter bij de vertegenwoordigers van dit type in Zuid-Holland, Utrecht en ten deele Gelderland, die behooren tot den weiverzorgden baksteenbouw. Vooral in Zuid-Holland kunnen verscheiden boerderijen als waardevolle kunstuitingen gelden. De Drentsche hoeve is naakt als het omringende heideveld. De Frankisch-Keltische langgevelhuizen missen het blijde kleurenspel der noorderlijke hoeven. De bouworde is schriel en onverzorgd, maar met een grondtoon van gezelligheid. Ook werd ondanks de weinig kostbare hulpmiddelen een gunstig geheel verkregen met groote lijnen en vlakken, die in juiste overeenstemming zijn met het landschap. De “Zuid-Limburgsche hoeve” vertoont een volstrekt-afwijkende bouwwijze en is voor een groot deel in mergelsteen uitgevoerd. Ook vindt vakwerkbouw een uitgebreide toepassing, zoowel voor de binnenplaats, als voor de buitengevels, met uitzondering van het woonhuisgedeelte. Het uitwendige der hoeve heeft iets sombers, iets massiefs. Maar de binnenplaats is aantrekkelijk door de rijke afwisseling der verscheiden gebouwen met hun vele deuren en vensters.
Laat ik hier ten slotte bijvoegen, dat in het zuidelijk volksgebied de steenput voor de deur, waarin de emmer rinkelt aan de keten, of aan het uiteinde van de wip in het frissche water daalt, het schilderachtige van de frontzijde niet weinig verhoogt. Zie vooral Stijn Streuvels, De Landsche Woning, passim, en H. V. D. Kloot Meyburg, Onze oude Boerenhuizen bl. XI vlg.
Nog eenige andere dak- en gevelversieringen zijn niet onbelangrijk, en wel voor het karakter onzer dekoratieve volkskunst.
Zeer merkwaardig vind ik de versiering van het Friesche huistype, waar de top van het dak boven de walmgaten bij voorkeur door zwanenfiguren wordt opgesmukt. Deze zwanen staan rug aan rug, met den hals naar boven en de koppen naar buiten gekeerd. Maar zij zijn vaak zóo sterk gestyleerd, dat de eigenlijke vorm is verloren gegaan. In Noord-Holland ontbreekt dikwijls alle versiering. Daarentegen vindt men het zwanenmotief ook in het oude gebied tusschen Stade en Buxtehude (Hannover), waar Vlamingen een volksplanting stichtten; en verder, overeenkomstig, in Noord-Vlaanderen.
Zonder twijfel hebben wij hier te doen met een stamteeken. De zwaan dient als Friesch stamdier te worden beschouwd, evenals haan en paard Saksische stamdieren waren. Daarom komen haan en paardekop als gevelversiering bij Saksische huizen voor, waarvan een ieder zich in het land van Twente kan overtuigen. Zoo vind ik in het verslag van de excursie der Nederl. Anthropologische Vereeniging naar het Saksische Land in 1914, Bijblad 1915, bl. 24: “Op de schuur bij het huis viel allereerst de gevelversiering, de oude Saksische paardenkoppen, in het oog, die men nog vindt in alle streken eens door Saksers bewoond.” Veilig mag men beweren, dat karakteristiek voor de Nederlandsche dekoratieve volkskunst is het feit, dat zij deze stamdieren: zwaan, haan en paard—oorspronkelijk dierfetissen, ter afweer aangebracht—tot architektonische motieven heeft weten te vervormen. Men zie in verband hiermee Deel I, bl. 177, waar ik haan en zwaan op den palmpaasch besproken heb. De Katholieken brengen op de gevels hunner huizen gaarne een kruis aan, een kruis op een hart, of de letters I H S: een verkorting van den naam Jezus in Grieksche letters, naderhand verklaard als Jesus Hominum Salvator, bij ons: Jezus Heere Saligmaker, Jezus Heilige Sakramenten, of iets dergelijks. In dezen vorm vinden wij het woord op de Romeinsche munten van Christelijke keizers.


Als bouwmateriaal voor huisgevels heeft het hout afgedaan, en daarmede zijn grootste beteekenis in de bouwkunst van het heden verloren. Het heeft nog waarde in de dekoratieve kunst en kleinkunst, maar ook hier nog slechts sporadisch. Men maakt zijn eigen meubels niet meer, wat men nog snijdt zijn kistjes, klompen, plankjes enz. Alleen de schipper en visscher is tot tijdverdrijf bij windstilte nog houtsnijder. De aloude houtsnijkunst—volkskunst van de verdwijnende soort—leeft nog b.v. op Terschelling, waar ʼs winters de voorvaderlijke stoven en bankjes gemaakt worden. Met een ruw mes snijdt men een oud, overgeleverd type van versiering, waarin dieren- en plantenmotieven.
Daarentegen is de handel in houtsnijwerk, zooals die op enkele plaatsen wordt gedreven, b.v. te Hindeloopen, voor het meerendeel een handel in curiosa en niet voor eigen gebruik bestemd.
Treden wij nu de woning binnen. Een gang is veelal afwezig, is in alle geval van later datum. Wij zagen reeds, dat de keuken een der voornaamste vertrekken uitmaakt. De vloer is zelden van leem, meestal van witte keitjes, waarin met zwarte keitjes figuren zijn gevormd, en wel in het oostelijk en in geheel het zuidelijk volksgebied. Somtijds vindt men ook blauwe plavuizen, waarover de boerin zand strooit, vaak in sierlijke figuren.
De ruime, ouderwetsche schoorsteen boven den oorspronkelijk vrij liggenden haard, de aloude offerstede, is inderdaad het middelpunt van het huiselijk leven èn op het land, èn waar hij in burgerfamilies nog de plaats bekleedt, die hem toekomt. De breede vleugels zijn bemetseld met blauw-gekleurde tegeltjes van Delftsch aardewerk, met Bijbelsche of profane tafereelen, of ook gewone landschappen met molens en bruggen, visschers, zeilende schepen, bloemen of dieren. Men vindt deze tegelsteentjes ook nog wel elders, b.v. in zijvertrekjes, maar steeds zeldzamer. Waar deze oude haard nog bestaat, daar kan men dwars door de schouw zien in de ruime, roetige pijp, waar vleesch en worsten te rooken hangen:
Boven in de schouwe Daar hangen de worsten aan touwen.
De schouw is de koker der geestenwereld. Aan de haal, welke zulk een voorname rol speelt in het dagelijksche leven (I, bl. 35, 257 vlg.), hangt de ketelhaak met den grooten ketel. Om den schoorsteenmantel, die een reusachtige ruimte omspant, loopt het schoorsteenkleedje van gebloemd katoen, dicht geplooid. Daarboven heeft de huisvrouw haar schatten aan tin en aan blauw aardewerk uitgestald. Het zijn de tinnen familieborden, die van vader op zoon overgaan. Men vindt er ook pronkappels, tabakspot, pijpen en, niet te vergeten, de tinnen of koperen koffiekan, slank van vorm,—“fier als een koffiepot”, zegt de Vlaming. Boven den schoorsteenmantel staat of hangt in Katholieke streken een kruisbeeld, veelal met gewijde palm, zoowel op het land als in steedsche huiskamers. Vgl. Schotel, Zeden en gebruiken in de Zaanstreek (Haarlem 1874), bl. 8 vlg. Enkele artistieke schouwen vindt men afgebeeld b.v. in den Drentsche Volksalman. 1907, bl. 184, 186.
Om den haard of de brommende kachel verzamelt zich het gezin. Daar bespreekt men de voorstellingen der tegelsteentjes, maar ook het werk van den dag; daar luisteren de kinderen naar moeders of grootmoeders vertelsels met kloppend hart en stralenden blik; daar snort plaatselijk nog het edele spinnewiel met klos en haspel. Gaarne wordt het spinnewiel ook een plaats ingeruimd in de moderne salons, waar het zich echter niet bijster thuis moet gevoelen.
De aarden en tinnen borden en schotels pronken echter ook op richels, die langs de wanden loopen, en sieren het lijstwerk van kasten en bedsteden. De borden en kommen van Delftsch, Brugsch en Brusselsch aardewerk vertoonen soms heele tafereelen met passende spreuken. Op andere vindt men spiraalvormige versieringen, bloemen, druiven en loof in helle blauwe, gele of roode kleuren. Ook treft men wel eenvoudig bruin verglaasd aardewerk aan. Een echte volkskunst is nog de pottenbakkerij in De Lemmer.
De bedsteden, door een dubbele kast gescheiden, vullen de geheele ruimte van éen der wanden, en zijn vaak met kunstig snijwerk behandeld. Uit voorzorg tegen overstroomingen waren de onderlagen vrij hoog boven den vloer aangebracht, zoodat een voetbank of ook wel zakken met koren dienden om ze te beklimmen, en toegang te verleenen tot den stapel van zware kussens en bedden, een toestand, die plaatselijk nog wordt aangetroffen. Elders dienen roode of groene gordijnen ter afscheiding.

E. van Averbeke
Het mooiste porselein, glaswerk enz. bevindt zich in de glazenkast, porseleinkast, pronkkast, kabinet, of welken naam dit waardevolste der meubelen ook dragen mag. Hier prijkt ook het mooiste glaswerk, boersche borrelglazen in tulpvorm met ingebrande spreuken, naast trekpotten en serviesgerei van allerlei slag. Zij hoort dan ook in de pronkkamer thuis. Deze kast is de glorie der boerin; het is een familiestuk, veelal van mahoniehout en met hooge glazen deur. Zij legt er ook het linnengoed en de kostbare kleedingstukken in, vooral wanneer de kisten buiten gebruik zijn. Veelal bezigt men nog de benaming kistengoed of kistentuig voor het beste lijf- en linnengoed, zoo b.v. in Limburg. De term kastengoed is een latere vervorming, doordat de kast de funktie der kist overnam, zeer verklaarbaar. Deze eikenhouten kisten zijn dikwijls fraai uitgesneden. Het deksel is schuin of vlak; vooral de voorkant, in paneelen bewerkt, heeft een betrekkelijke kunstwaarde. De oorspronkelijke zitbanken zijn thans meestal door stoelen vervangen; de oudste stoelen zijn fraai van teekening, zoowel de gewone matten stoel met zijn gedraaide pooten, als de oudvaderlijke armstoel met segrijn overtrokken. Laat ik nu nog vermelden den eikenhouten lessenaar, een eereplaats voor den Bijbel, de typisch-Hollandsche theestoof, die ook al naar het salon verhuisde, en de gezellig-tikkende klok, wier meest ouderwetsche vorm de stoeltjesklok is; eindelijk de koperen bedpan, ter verwarming van het bed, met kolen gevuld, en overdag prijkend aan den wand. Het koperwerk omvat nog kandelaars, kaarsenpannen, tondeldoozen, enz. Veel koperwerk aan den muur is een teeken van welstand. De letterdoeken vertoonen staaltjes van naaldkunst. Het Antwerpsch Museum van Folklore bezit een groote verzameling van dergelijke tot de kleinkunst behoorende huiselijke voorwerpen: vuurslagen, vuurblazers, doofpotten, waterstoven (lollepotten), kaarsensnuiters, dompers, schuimspanen enz. Een groote schoorsteenhaal uit gesmeed ijzer vertoont er als koperen versiersel een smidse met galoppeerend paard. Op ruwe zoutbakken van gebrand hout ziet men merkwaardige ingekorven meetkundige figuren. Van kunstig versierde koekijzers met spiegelschrift gewaagde ik reeds in het Eerste Deel, bl. 140. Zie over deze en dergelijke voorwerpen nog Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 291 vlg.; K. de Meyere, De Volkswoning en hare versiering, bl. 24 vlg.
Over het algemeen is de toon in de steedsche woning iets doffer dan op het land. Maar ook hier wekt het helle groen van meubelen en deuren in zijn schrilheid geen wanklank met het wit-blauw van de muren. Alles ademt soberte en eenvoud, zelfs de meer ingewikkelde versieringen, waarin wij de symbolen van het volksgeloof vinden verwerkt: Anker en Sterren (de hoop), Vlammende Harten (de liefde), Hanen (zuiverheid), Bloempotten (rijkdom der armen); verder engelen, kruisen, varende schepen enz. In geen volkswoning ontbreekt ook de vogelkooi. Maar niet zelden is zulk een kooi een familiestuk, door huisvlijt en kunstzin gewrocht. Zij heeft fries en kroonlijstjes, deurtjes en venstertjes en balkonnetjes, en lijkt wel een paleis. Zoo vinden wij ook opgetuigde modelschepen, miniatuur-spinnewielen en, in Katholieke gezinnen, de passie Onzes Heeren in een flesch of onder een stolp. Van hoeveel taai geduld en treffende kunstliefde leggen deze voorwerpen geen getuigenis af! Ik herinner nog even aan de voorwerpen van uitgesneden of gevouwen papier: molentjes, zoutvaten, scheepjes—ook twee- en driemasters—, bisschopsmutsen enz., alles op dezelfde wijze door kinderhanden gevouwen als voor honderd jaren. Aan het kind zijn de volkstradities zoo wèl toevertrouwd! Menig lezer zal zich uit zijn kinderjaren ook nog herinneren de slang, uit een speelkaart gesneden, en die met den kop op een in ʼn turf gestoken stokje of breinaald rustte. Plaatste men den turf op den warmen schoorsteenmantel, dan kronkelde het serpent heen en weer.
Ik sprak reeds van het kruisbeeld, dat boven den schoorsteenmantel een eereplaats inneemt. Naast de deur, in de slaapkamer naast de deur of boven het bed, hangt in Katholieke gezinnen het wijwatervaatje met gewijde palm, terwijl in kast of kist de gewijde kaars geborgen is. Het plaatwerk aan den muur bespreek ik nader. Op kast of schoorsteen vindt men heiligenbeeldjes, alleen staande of met de bijbehoorende versiering, die aan het geheel in België den naam van kapelleke geeft. Tot deze kappellekens behooren ook de kerstkribbetjes, niet zelden van aandoenlijken eenvoud en teederheid. Het goddelijk kind slaapt tusschen os en ezel, omglansd door hemelsch licht in een weelderig, bloemrijk landschap; boven in de lucht houden twee engelen de ster, die de koningen geleidde. Ook draagt men in de Meimaand zorg voor passende versiering van het Mariabeeld. Zie Frans de Potter, Huiselijke godsdienst onzer voorvaderen (Gent 1886), bl. 16 vlg., 24 vlg.
Weinig hedendaagsche binnenkamers beantwoorden aan bovenstaande schets in haar geheel. Ook verschilt de stoffeering natuurlijk bij verschil van gewest, godsdienst, ligging (op het land of in de stad). Bij deze schets had ik hoofdzakelijk de volkswoning in het algemeen op het oog, en op deze heeft ook betrekking de nu volgende bespreking van het volksdekoratief in spreuken, uithangborden en plaatwerk.
Spreuken vindt men in de volkswoning allerwege. In de binnenkamer, boven tegen den balk en elders, vindt men de huisspreuken: “Aan Gods zegen is alles gelegen”;—“De Heer beware uwen ingang en uwen uitgang”;—“Dit huis staat in Gods hand, God beware het voor brand”;—“Als God met ons is, wie zal dan tegen ons zijn?” Natuurlijk wijzen taal en spelling veelal op oudere dagteekening. In het zuidelijk volksgebied wordt nog dikwijls een opschrift uit papier geknipt en achter glas in een lijstje gezet: “Hier vloekt men niet, God ziet u”;—“Gedenk te sterven”;—“Looft den Heer”, enz. Trouwens bordjes of plaatjes met gelitografeerde spreuken vindt men door het gansche land.
Maar ook ter dekoratie van dagelijksche voorwerpen doen gewijde en profane spreuken dienst, want het volk wil den glans der poëzie spreiden over geheel het dagelijksche leven. De meest onbeduidende voorwerpen wil het ornamenteeren, opheffen uit de sfeer van het banale en niets-zeggende door naïeve rijmpjes, wijze spreuken of enkel door een paar woorden ter verduidelijking van het gebruik. Juist zoo verhoogde ook de Grieksche epische volkspoëzie de waarde en het belang van wapenen en huisraad: een enkele beknopte toelichting diende als opschrift.
Op een koperen onderschotel vindt men te midden van een krans:
Ik dien om de tafel niet te laten branden, maar pas op als ik blink, dat ge me niet schande.
Op een spiegel:
ʼt Is maar schijn.
Op een beker:
Geen geluk Zonder druk.
Op trouwschotels:
Er is niets beter in den trouw Als liefde tusschen man en vrouw.
Op een zonnewijzer:
Ik spreek alleen, het aangezicht In ʼt volle zonnelicht.
Op een bord:
Weldadige Opperheer, Gij spijst ons al te zamen, U zij de lof en eer, Ons hart zegt dankend Amen.
In spijs en praat Hou middelmaat.
Na spijs en drank Geef Gode dank.
Op een rijstpapkom:
Die den arme geeft Leent den Heer.
Op een stortbekertje:
ʼt Is u gegund, Drink als ge kunt.
Op een tafelschel:
Deze klank roept om drank.
Op een drinkglas:
Als David de vriend van Jonathan was Drinken wij onze vriendschap uit dit glas.
Op een spaarpot:
Daar niet en is, Gaat zoeken mis.
Leert sparen en vergaren, Leert geven en blijft leven.
Op een scheerbekken:
Het jaar is om Betaal de som.
Bij de intrede van het huis ziet men de gevelspreuk of het luifelschrift prijken. Tot de meest bekende behooren wel:
Dit huis staat in Gods hand.
Niets buiten God.
Vele oude gevelspreuken zijn ons bewaard gebleven en getuigen nog van de volksvroomheid, de volkskunst, den volkshumor onzer vaderen. Voor het meerendeel hebben zij voor ons slechts historische waarde. Ik volsta dus met enkele voorbeelden, ontleend aan het voortreffelijke werk van Van Lennep en Ter Gouw, Het Boek der Opschriften (Amsterdam 1869).
Andere vond ik in tijdschriften en provinciale almanakken of teekende ik persoonlijk op. Spreuken van dezen aard worden nòg aangebracht, maar steeds zeldzamer.
Elk wandel in Gods wegen.
Vergenoegzaamheid gaat rijkdom te boven.
Ziet voor u opdat gij niet en struikelt.
De Heer—regeert. Al wat adem heeft—looft den Heere. ʼt Is beter benijd dan beklaagd—als ʼt God behaagt.
Behoed ons Heer voor zonde en schand, Bewaar dit huis voor ongeluk en brand.
Menschen gij moet sterven, Gedenkt gij de zaligheid te erven.
Wie op God vertrouwt, En niet en verflauwt, God zal hem zegenen menigvoud.
Dikwijls richt zich de huisbewoner tegen lasteraars, babbelaars en kwaadsprekers; zoo b.v.:
Het ware te wenschen, Dat alle menschen, Die kwaad van anderen spreken, Zich zelven eerst bekeken. Dan zouden zij het praten Van anderen wel laten. (nabij Amsterdam).
Wie hier komt spreken van iemand kwaad, Wijs ik waar ʼt gat van de deur staat.
(Amsterdam).
Wat wordt er menig mensch belasterd en belogen Van menig kakelaar, die zelf toch niet en dogen.
(Hemelum).
Tot de gevelspreuken behooren ook de berijmde beroepsaanduidingen; hun bloeitijdperk was de XVIIe eeuw; maar zij komen ook thans nog voor en zijn veelal humoristisch getint.
Kaaskooper:
O wereld boos en heel verkeerd, Wat heb je al geld dat mij ontbeert! Maar de vromen moeten hier gebrek lijen, Doch zullen hierna de kaas wel beter snijen.
Aanspreker:
Bidder, Dokter, Doodgraver en Aptheker, Dat zijn vier vrinden, dit is zeker: Wanneer zij bidden om hun dagelijks brood, Zoo bidden er twee om de ziekte en twee om den dood.
Schipper:
Met scheepvaren plaisant Ik mij geneeren moet, De scheepvaart door Gods hand Het land floreeren doet.
Smid:
Houd man! Daar is de kan, Wel wijf! De kan is mijn gerijf. Maar wacht u voor de vonken. Het ijzer is heet; ʼt Moet eerst zijn gesmeed, En dan eens gedronken.
Wij hebben door Gods milden zegen En vlijt dees ijzersmederij Tot dienst van mensch en paard verkregen. Zijn hulpe zij ons verder bij.
Groenteverkooper:
Adam en Eva, gesteld in ʼt groene paradijs, Aten hun buikje vol van de lekkerste spijs, Maar zij werden verleid van den schelmschen droes, Hier verkoopt men kool, wortelen, rapen en groen moes.
(Berlicum).
Tapper:
Wel te doen en vroolijk zijn Is ʼt beste op dees aard. Hier verkoopt men brandewijn En haver voor het paard.
(Oud-Pekela en Rotterdam).
In het Leppersfort Is geen drank te kort.
(Gent).
Hij moet gauw zijn, die wil tappen en wijn verkoopen, Maar nog gauwer, die met het gelag deur wil loopen.
(Leuven).
Herbergier:
Ik woon hier aan den weg, Wat kan men beter wenschen Dan de zegen van den Heer En de gunst van alle menschen.
(Horn, L. en Westerwolde, Gr.)
Barbier:
Die graag zijn baard zich ziet ontnomen, Ga niet voorbij, wil binnenkomen, Van welken rang of staat, ʼt Zij burger of soldaat.
Ik geef aan elk fatsoenlijk man Zoo veel genoegen als ik kan, Ik doe mijn best aan alle gaar, En die ʼt verlangt snij ik ook haar.
(Assen).
Bakker:
Misgun geen bakkers winst, gij goede en kwade liên, Zij arbeiden het brood met lichaam, voet en knien.
(Amsterdam).
Besteedster:
Hier woont de besteedster, twee hoog, aan de linker deur, Klop je aan de rechter, dan komt de Vroemoêr veur.
(Amsterdam).
Glazenmaker:
Met glas en lood Win ik mijn brood.
(Amsterdam).
Gouddraadtrekker:
Hier trekt men naar de kunst het goud tot dunne bladen, Om ons gewin en ook voor wereldsche sieraden; Maar als wij rusten nemen wij weer ons gemak, Totdat het geld verdwijnt tot slijm gelijk een slak.
(Brussel). Kleermaker:
Geen mensch men acht Als om zijn dracht, Dies laat mij brave kleeren maken, Wilt gij tot ambt of eer geraken.
(Enkhuizen).
Koekebakker:
Koek die zoet is Koek die goed is Koek die gaar is Proef of ʼt niet waar is.
(Zaandam).
Koffiehuis:
Alle anderen zijn in abuis, Maar hier is het ware koffiehuis.
(Heerlen, L.)
Kroeg:
In den cabaret, dien men hier wijst, Wordt men gelaafd en gespijsd.
(Eecke, Vlaanderen).
Kuiper:
Door kuipen werden veel tot staat en eer verkoren, Het kloppen is het best, hetgeen wij daaglijks hooren.
(Gent).
Melkboer:
Hier verkoopt men room Zeer vroom En zoetemelk Voor elk.
(Houten, U.).
Pruikemaker:
Hier maakt men pruiken om een ieder te gerieven, Van levend menschenhaar, niet van gehangen dieven.
(Gent).
Schipper:
Ik vaar ter zee op Gods genade, Dat God bewaart kan mij niet schaden; ʼt Zij dat ik uitvaar of wederkeere, Ik verwacht altijd de zegen des Heeren.
(Vlaardingen).
Stalhouder:
Hier stalt en verhuurt men paarden, Bij niemand zullen zij beter aarden; Ik geef haar haver en goed hooi, En, om zoo te zeggen, zuiver strooi.
(Alkmaar).
Wie wil rijden met behagen Moet naar Willem Stallaert vragen.
(Antwerpen).
Veerhuis:
In dit veerhuis, heel plesant, Ziet men de scheepjes aan alle kant Het Maasje op en neder varen; God wil dit huis van leed bewaren. Hier Tapt men Genever, Brandewijn en Bier.
(Besooien).
De volkskunst, met name de dekoratieve kunst, spreekt verder uit de uithangborden: uit vorm, voorstelling en opschrift. Daarin vertelt een stad haar geschiedenis; daarop leest men, waardoor een plaats bloeide of bloeit, bespiedt men een stuk van het maatschappelijke en huiselijke leven; maar daarin weerspiegelt ook de kunstzin der gemeente.
Wat hun oorsprong betreft, dezen zoek ik gaarne met Van Lennep en Ter Gouw in de heraldiek: het huis van den poorter was zijn kasteel, en dit moest geblazoeneerd worden met wat hij zich tot zinnebeeld gekozen had. Zoo verklaart men hun algemeenheid en het bijzonder type van sommige, b.v. in den Rooden Leeuw. Het symboliseeren van ambten en bedrijven zelf kende men echter in het oude Rome reeds evengoed als tegenwoordig: men vond daar een krans vóor een herberg, een geit vóor een melkinrichting, een molensteen vóor een bakkerswinkel enz. Voor de geschiedenis der uithangteekens verwijs ik naar het uitvoerige werk van genoemde schrijvers: De Uithangteekens in verband met geschiedenis en volksleven beschouwd. 2 dl. (Amsterdam 1868).
Als heraldische figuren vermeld ik de Kroon, of de Drie Kronen, de Keizerskroon, de Landbouw enz., voornamelijk aan de herbergen. Dit geldt evenzeer voor de Helm, het Schild, de Gouden Leeuw, de Roode Leeuw, de Roos, de Meermin, het Kruis. Ook dragen tegenwoordig meerdere hotels nog de wapens van landen, steden of personen. Andere uithangteekens zijn zinnebeeldig: de Liefde, de Trouw, de Eendracht, of ontleend aan den Bijbel: Adam en Eva, de Arke Noachs, de Geduldige Job, de Jonge Tobias, de Vlucht naar Egypte, de Samaritaansche Vrouw (b.v. te Alkmaar op de Groenmarkt), de Drie Koningen (o.a. te Amsterdam in de Paardenstraat), enz. In Katholieke streken komen de heiligen veel voor: Sint Andries, staande naast of gebonden op het Andreaskruis, Sint Barbara, staande naast of dragende op de hand den toren met de drie vensters, Sint Hubertus, vooral in België, Sint Jacob, Sint Joris, Sint Maarten, Sint Krispijn, Sint Pieter. Ook ontleent men aan de mythologie of aan het volksverhaal, vroeger natuurlijk belangrijk meer dan thans: de Dorstige Pleiaden, de Ridder met de Zwaan, de Vier Heemskinderen, de Gelaarsde Kat. Van historischen aard zijn het Schip van Damiate, o.a. te Amsterdam, in den Preekboom, te Clercken in België, de Tiende Penning, te Brielsch Nieuwland; ook schuilt in de uithangborden menige plaatselijke overlevering. Van merkwaardige personen noem ik Floris de Vijfde, Paus Adrianus, Erasmus. Vroeger hadden de uithangborden opvoedkundige waarde: want zij onderwezen het volk in de geschiedenis en de jeugd in het lezen; ook vervingen zij feitelijk de naambordjes der straten en deden dus als goede wegwijzers dienst, even praktisch als typisch en schilderachtig.
Nog steeds hebben sommige beroepen en bedrijven vaste uithangborden. Sommige apothekers en drogisten voeren den Vijzel of den Gaper, dezen waarschijnlijk, dewijl de zieke immers moet gapen, om zijn tong te laten zien, en eveneens tot het slikken der artsenijmiddelen. Kleermakers voeren de Schaar, metselaars de Troffel, smeden den Gouden Sleutel en het Proefslot, hoedemakers den Hoed, barbiers het Scheerbakje of de Kwast, herbergiers het Vat, slagers het Varken, bakkers het Brood, schippers het Schip, terwijl de Klok voor herbergiers, winkeliers en kooplieden van allerlei slag geschikt lijkt. Ook ziet men nog vaak een Moortje of Moriaan boven een tabakswinkel, Koffiebaaltjes boven een kruidenierswinkel, een Theeboom boven een theewinkel, een Haring boven een vischwinkel; terwijl het wapen van een stalhouder Twee tegen elkaar opspringende Paarden zijn op de staldeuren met het opschrift: “hier stalt en verhuurt men paarden en rijtuigen.”