← Table of contents
Nederlandsche Volkskunde

Oitje met een Jachie.

Reading edition

ʼt Volgend schetsje werd me aan de Zaan gedicteerd door een man uit het volk.

Oitje is een eigenaardige uitdrukking voor prettig uitstapje en onder jachie of glaze jachie verstaat men die kleine, vaak met verguld en gekleurd snijwerk versierde plezierjachten, die door één man geroeid worden en in hunne overdekte en met veel raampjes voorziene ruimte plaats bieden aan vier tot zes personen. Vroeger bezat bijna ieder der gegoede Zaansche familiën zulk een vaartuigje, dat vaak keurig net was ingericht. Men liet zich er mee ter kerk of familiebezoek brengen.

Tegenwoordig wordt hun getal zeer klein. Hoofdzakelijk bij de kermissen ziet men ze nog op de Zaan. Zij dienen dan om een of ander gezelschap, meest vrouwen, naar de plaats van pleizier te brengen.

Voor zulk een oitje wordt door de gezelschapjes vrouwen uit de nijvere volksklasse het geheele jaar door geld bijeen gelegd, en ik heb het aan de Zaan van menig huismoeder gehoord, dat ze geen grooter pleizier kende, dan zooʼn oitje met een jachie op de Zaandammer- of Wormerveerder kermis. Wat het bijeenbrengen der gelden voor zulk een feestje betreft, ʼt gebeurt wekelijks met de grootste stiptheid, ʼt Is trouwens merkwaardig, met hoeveel voorliefde er aan de Zaan “gepot” wordt voor vele soort van zaken.

Men brengt wekelijks iets bijeen voor een leesgezelschap, voor een uitstapje in den zomer, ja, voor brandstof en andere zaken, en velen bewaren alle dikke-nieuwe-centen, om aan ʼt des jaars voor bijzondere uitgaven een apart sommetje te hebben. Verder laat ik het woord aan den verteller.

ʼt Was Zaandamse kermis. Al een week had er een rumoer en gejoel e-weest, dat hoore en zien je vergong, en ʼt was ook wel te begraipe. Op zooʼn kermis den rake die mensche, zooals olieslagers, pelders en andere, eres uit er dommelechaid eskud. Voor heurloi is ʼt alle dage maar net hetzelfde: van daag begin je zoo en morge is ʼt nag zoo. Maar met zooʼn kermis, den haal je je asem nag eres bai je reg op en je slane je vlerke nag eres oit as en veugeltje in de lucht.

Zóó dochte ook Griet en Train, Ma en Neel. Ze hadde een potje op-egaart; alle weke een stoiver, om deer veur met ʼet jachie te kermis te gaan. Ook hadde ze ʼet esteld op Vraidag, dat was nag al een drokke dag; want hoe drokker, hoe liever.

Dus, ʼet jachie en die het roeie most, ware ʼehuurd voor Vraidag; den most het beure—weer of gien weer;—ze hadde er al goeie lucht op.

Maar wie zou ʼet jachie oitreste?

Gien ien leek er eerst zin in te hewwe. Achterné zait Griet: “Nou, den zei ik ʼet wel doen. Ik bak een dikke-koek of twee;—wet brood met vleesch, wet garreneel, sla met aiere, en, om niet te vergete, een avvekateborrel, en we binne klaar.”

“Goed”, zegge de are, “of-esproke”.

De Vraidag kwam. ʼt Was wel windig, maar toch aars goed weer. Nou aan ʼt klaar make. Griet dribbelde op er moile zonder hiele, om toch de boel maar goed in orde te brenge en om het zoo netjes, as ze op heur menier kon, voor te zette.

De knecht kwam met ʼet jachie en nou wier de boel ʼelade. Wel man, ʼet zag er maar avvenant oit.

“Hè”, zai Griet, “ik ben der loof van. Deer is heel wet an te stunnike eer het zoo veer is, maar dat doet er niet toe. Ik loof, dat we toch wel ket en norrie hewwe zelle. Deer mekeert het nooit an, asse we oit benne. De op-egaarde Zeeuwe zelle der an geloove, al zoue we der ook voor in de mallemole gaan of ze aan bulleboissies versnoepe.”

De are drie kwamme nou ook en héel gauw gonge ze skeep. Elk had en nuwe jas an en de kap met drie naalde op. Ze keke allegaar eve bloemzoet en meukel en ze kakelde as kippe, die pas een bietje garst ekrege hewwe. Wet zatte ze premantig achter de gerdaintjes te glure, toe ze zoo langs de Zaan eroeit wiere as prinsesse.

Je konne wel zien, dat ze ʼet alle dage niet ewend ware om oit te gaan. Wet lachte ze, as een turfskipper veurbai voer, die een pus met water skepte en derloi een mal woordje toeriep. Ja, ze gierde het bai taie oit om ʼt lekker oitje en dat ze nou al zooʼn lol hadde.

Op iens zait Neel: “Groote groen in ʼt hoissie, weer is me knippie?”—Ze voelt in der zakke, maar vindt het niet.

“Wat,” vrage de are, “je hèt je knippie toch niet estrooid, Neel?” “Nee,” zegt deuze, maar daʼs nou toch nochter van me. Ik bedenk me deer net. ʼk Heb het leete legge op ʼt bontje, vlak bij ʼt hoochie van den smoiger. Daʼs een malle boel.—Maar wacht eres. ʼk Heb nag een buultje in me zak, deer ik dikke centen in opgaar. Deer ken ik het wel mee redde, om eres in een kaikspul te gaan of in de rollebol te speule.”

“Nou,” zait Ma, die ook ereis in der zak voelt of ze wet vergete hèt, “je hewwe toch zeker meer noodig. Je wille toch zeker ook welderes bai een liedebord of Jan Klaasse-spul kaike, dat kost je toch ook gauw een cent of wet, as je ten minste niet al te gierig bene.”

“Wet,” zait Neel, “ik gierig? Nee, ik durf van me arremoed of nag wel een cent te geve an een kerel mit ien arm of ien bien, en hew ik hem niet, dan zou ik hem nag wel te lien kraige van deuze of giene.”

“Hou nou je groote babbelbek maar es dicht,” zait Griet. “Deer hê-je een avvekaatje.”

“Zoip, zwager, oome Jan is jarig!”

Meteen neme ze elk een ferme wup oit er glassie. Nou kwam er an ʼt kakele gien end. De ien wist dut, de aar dat. Die praatte over der man, die over der lieve kind; de ien over der buurwaif en de are over de dure taid. Ze leke wel spraakwater in ekrege te hewwe en zagge zoo rood as een haan.

Maar ik kom nog even terug op het Amsterdamsch dialekt, dat van groot belang is voor de studie der volkstaal. Het behoort tot het Waterlandsch. Het is lang niet eenvormig en valt uiteen in verschillende tongvallen, waarop door Joh. Winkler in zijn Dialecticon II, bl. 86 vlg. de aandacht gevestigd is. Wij hebben hier m.i. vooral te doen met de inwerking van het bedrijf op de taal, waardoor afzonderlijke sociale taalgroepen geboren werden; somwijlen schuilt de oorzaak in scherp-omlijnde plaatselijke afscheiding. Amsterdam staat hier trouwens niet alleen, maar het verschijnsel openbaart zich in meerdere of mindere mate in alle groote steden, b.v. te Brussel. Daar spreekt men in het noordelijke deel der stad, en in de noordelijke voorsteden Schaarbeek, St. Joos-ten-Oode enz., anders dan in het middelste deel der stad, rondom de groote markt, en ook weer anders dan in het westelijke gedeelte van Brussel en dan in de westelijke voorsteden en dorpen, St. Janʼs Molenbeek enz. Ook te Gent verschilt de volkstaal van de eene wijk tot de andere. Men heeft hier vooral twee onderscheiden tongvallen. De eene heet te Gent de Nieuwbrugsche, omdat hij vooral inheemsch is in de wijk der Nieuwe Brug of van de Neder-Schelde. Hier wonen veel werklieden en fabriekarbeiders. De andere tongval geldt als het Gentsch bij uitstek, en wordt gesproken door de eigenlijke kern der Gentsche bevolking, zelfs door de hoogste standen, wanneer deze hun moedertaal spreken. Ook in kleinere steden verschilt wel eens het taaleigen der eene straat van dat der andere. J. Ter Gouw, een volbloed Amsterdammer, kende niet minder dan negentien Amsterdamsche tongvallen, waarvan de meeste thans nog in leven zijn. Ik schakel hier het Jodenhoeksch uit, dat weer uiteen valt in het Amsterdamsch Joodsch, het Joodsch-Hollandsch en den tongval der Christenen, die in den Jodenhoek wonen; en wel, omdat hier een vreemde faktor zijn inwerking doet gevoelen. Maar wij hebben verder vooral nog het Kattenburgsch, het idioom van de voormalige Kattenburger scheepstimmerlui, mèt het bedrijf thans sterk in verval. De vraag b.v.: “moet je ook geschoren worden” luidt in den Kattenburgschen tongval: “mój jók geskórre wórre”. Hiervan verschilde vroeger het Rapenburgsch eenigermate, thans is geen verschil meer te hooren. Het Nieuwmarktsch wordt gesproken van af de Nieuwmarkt tot de Oude Schans, en aan de andere zijde langs de Kloveniersburgwal en de Hoogstraat. Het is ontstaan uit het beroep der kleerekramers en winkeliers in linnen, sajet en breikatoen. Bepaald klankrijk is het Bierkaaisch, de tongval gesproken door de zeer afgescheiden en haast oorspronkelijke bevolking van het doolhof van steegjes en dwarssteegjes, gelegen in den vierhoek tusschen Warmoesstraat, Oudekerksplein, Voorburgwal en Pijlsteeg. Het Komkommerbuurtsch hoort men in de zoogenaamde Komkommerbuurt: ʼt Weesperplein, Roeterseiland, Varkenseiland en Weesperveld. Het Franschepadsch werd vooral gesproken op de Goudsbloemgracht, in de Goudsbloemstraat en Palmstraat en in de dwarsstraten en stegen daartusschen, en kenmerkte zich door zijn rijkdom van woorden en uitdrukkingen, aan de dieven- en bedelaarstaai ontleend. Laat ik ten slotte nog vermelden het Kalverstraatsch, het Gebed-zonder-endsch, een echte vischwijventongval, en last not least het sociologisch zoo merkwaardige Duvelshoeksch, inheemsch in den Duvelshoek, een labyrinth van stegen tusschen de Reguliersbreestraat, Reguliersdwarsstraat en Vijzelstraat. Het Duvelshoeksch is een taaltje van de platste platheid, “doormengd met tal van woorden uit de dieven- en bedelaarstaal, uit het mofsch en koeterwaalsch der kermisgasten, négociants, nomades, colporteurs, vagabonds, chevaliers dʼindustrie, duitsche kwakzalvers, luikerwaalsche tooverlantaarn- en rarekiekvertooners, keulsche potten- en kannenwijven, fransche goochelaars, rottevangers en ““verdrijvers van wandgedierten” ”, savooische lieremannen, orgeldraaiers en marmottejongens, italiaansche schoorsteenvegers, tot verloopende en verwaaide duitsche en brabantsche studenten incluis, die er allen hun verblijf hielden en er te zamen een duvelshoeksch jargon prevelden”: Joh. Winkler, Dialecticon II, bl. 92.

Op de Heeren- en Keizersgracht spreekt men eigenlijk meer een daar gelokaliseerd kultuurdialekt. Een analoog verschijnsel vindt men b.v. te Hasselt (Belgisch Limburg), waar de taal der hoogere en lagere standen vrij veel verschilt. De kultuurtaal heet het eigenlijke Hasseltsch, de volkstaal het Beeksch, dewijl deze meestal door de minder gegoeden gesproken wordt, die “obbe Beek” wonen. Zie Gittée, Nederlandsch Museum 1888, II. bl. 310.

2. Het Saksische taaleigen. Het zuiverste Saksisch wordt op Nederlandschen bodem gesproken in de Graafschap, Salland en Twente. Hierbij dient echter opgemerkt, dat het Zutfensch zelf niet bij het Graafschapsch, maar met het Arnhemsen, Doetichemsch enz. bij het Zuidoostveluwsch behoort, dat zich vooral onderscheidt door den deminutiefuitgang -ien, en door lief, bier. Het Oostdrentsch (Rolde, Grolloo, Norg enz.) wijkt belangrijk af; vooral dit is een kenmerkend teeken, dat de oorspronkelijke korte, maar gerekte a in het Oostdrentsch den oa-(ao)klank heeft aangenomen, terwijl zij in het Twentsch den helderen a-klank bewaard heeft. Dus: Twentsch dage, hane, Drentsch doage, hoane. Prof. Te Winkel, Inleiding tot de Geschiedenis der Nederl. Taal II, bl. 302, ziet in deze en andere eigenaardigheden het gevolg van mislukte pogingen, door de oorspronkelijke Frankische Drenten gedaan, om zich het Saksisch volkomen meester te maken; vgl. ook Vragen van den Dag XIV, bl. 117 vlg. Twente en de Graafschap, vormen inderdaad het Saksische kernland. Daar vindt men nog het “lösse hoes”, de hoeve met éen enkele ruimte voor mensch en vee. Daar vindt men ook het zuiverst de Saksische kleederdracht. Met het eigenaardig type der boerenwoningen, dat men te Staphorst en Rouveen aantreft—type, zooals wij zagen, met beslist Saksischen grondtoon (I, bl. 36)—stemt overeen het feit, dat het dialekt dier dorpen verscheiden Friesche schakeeringen vertoont op een Saksisch patroon. Naar men weet zijn Staphorst en Rouveen verschoven veenkolonies.

Het merkwaardigste kenmerk van het Saksische taaleigen is stellig de meervoudsvorming van den tegenwoordigen tijd: 1ste, 2e en 3e persoon gaan uit op t. Het verleden deelwoord wordt voorafgegaan door een toonlooze e: estoan (gestaan). De Sakser is gesloten, óok in zijn taal; het terughoudende en berekende vindt er zijn uitdrukking. Hij rondt zijn woorden niet af, hij bijt ze veeleer af, laat de klanken niet in hun volheid komen over de omheining der tanden, zooal nog blijkt uit het vervormen van den uitgang en tot een sonantische n: dus hooren wordt heurn. Verder zijn î en û niet gediphthongeerd en zegt men derhalve mien, wien, huus(hoes), zoegn. Konservatief betoont zich het Saksisch verder in behouden van al en ol voor een volgende d en t, b.v. old (oud) en talter (schommel). Maar vooral ook de woordvoorraad is belangrijk en werpt op het karakter der Saksische volkstaal het helderste licht. Hier is het weer Gallée, die zich het meest verdienstelijk maakte door zijn Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch dialekt (Den Haag 1895).

Volgen nu twee dialektproeven uit het Saksische kernland, beide van folkloristischen aard, óok om hun inhoud.

Achterhoeksch I.

(Uit Driem. Bladen I, bl. 80).

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings