← Table of contents
Nederlandsche Volkskunde

De Volkskunst. (continued 4)

Reading edition

De meest voorkomende uithangteekens van hotels, herbergen en kroegen zijn wel: de Krans, de Toelast (groot wijnvat), ʼt Zwijns-hoofd, ʼt Zwaantje, ʼt Dorstige Hart, de Wildeman, de Reizende Man, de Druif, de Wijnberg, de Bok. Boven een pothuis ziet men nog wel eens den kruier in de uitoefening van zijn bedrijf en daarbij de legende: “Jan de Kruijer klopt Tapijte.” Maar het bordje met Water en Vuur en bijbehoorenden ketel, die te vuur staat, zal wel met de water- en vuurkelders tot het verleden behooren. Ten slotte vermeld ik nog de Zon, de Maan (te Utrecht op de Lijnmarkt ziet men een gevelsteen: in de Vergulde Maan), de Beer, de Olifant, het Hert, het Paard, de Kat, de Haan, de Zwaan, de Papegaai, de Snoek, de Oranjeboom, de Lelie enz. enz.

De uithangteekens worden veelal door rijmpjes geïllustreerd. Ik geef enkele staaltjes.

Te Bontebok, een gehucht bij Heerenveen, vóor een herberg, waar de Bonte Bok uithangt:

Vrienden ik ben een bok, Een bok ben ik geheeten, Menigeen is een bok, Maar hij wil ʼt niet weten.

Uit Friesland:

Aan de eene zijde staat een varken, dat zal geslacht worden; daaronder leest men het rijm:

Dit varkentje heeft veel verdriet, Maar dat weten de varkentjes aan de andere zijde niet.

De andere zijde stelt een weide voor, waarin varkentjes rondloopen; daaronder staat:

Deze varkentjes loopen in de wei, Maar dat weet niet het varkentje aan de andere zij.

Onder een voorstelling van hond en haas;

Dit is de honte, en dat is de hoaze, En omdat ik ben ʼn meester en boaze, Zet ik dʼr onder: Dit is de honte, en dat is de hoaze.

Kaïn en Abel op een bakkerswinkel:

Kaïn sloeg Abel dood Al om een hoekje, Hier verkoopt men wittebrood En ook een koekje.

Te Maastricht vindt men een blauwen gevelsteen, waarop een Engel, eertijds uithangbord, met dit rijmpje:

In den Engel bemind, Treê binnen mijn vrind, Hier tapt men met pleizier Jenever en bier.

Te Delft boven een herberg, die Sint Joris voert:

In Sint Joris vol van waarden Tapt men wijn en bier en stalling voor de paarden.

Te Eindhoven hangt, of hing tot voor kort, boven een kroeg een Rustende Schutter uit, met het opschrift:

Rust met lust En drinkt met maten, Maar die geen centen heeft Moet het drinken laten.

Voor een huis, waar de Mosterdpot uithangt:

Ik lever uit Een zeldzaam kruit, Daar zijnder weinig in de stad Of ʼk heb ze bij de neus gehad.

Te Dordrecht in de Nieuwstraat staat onder een Molen en een Zeilend Scheepje bij een kruidenier:

Ik laat alle winden waaijen En alle molens draaijen En alle waters vloeijen, En ieder zich met het zijne bemoeijen. Gedult overwind alles.

Een Bijenkorf vindt men niet alleen bij koekbakkers, maar ook bij kantwinkels; aldus te Rotterdam:

In de Bijkorf verkoopt men kant, Geen beter in ʼt Lant, Voor geld contant Strak in de hant.

Als karakteristieke uithangborden, voorkomende in het Land van Waas, worden ons door A. Vee in Volkskunde XVI, bl. 116, medegedeeld: de Boerentroost, de Vuile Gevel, Rust wat, in Trien goed bier, de Kilopint, Bij Baasken Zat enz. Ook vindt men hier o.a. de volgende berijmde uithangborden:

Te Melsele:

Ik woon op den Smoutpot alhier, Hebt ge geld, dan heb ik bier, Hebt ge er geen, dan staat er Hier naast een pomp met water.

Te Clinge:

Dorstig hartje, moe van ʼt gaan, Kom eens binnen in de Zwaan, Er woont een man alhier, Die schenkt genever en bier.

Om nu verder de dekoratieve volkskunst in oogenschouw te nemen, treden wij wederom het woonhuis binnen.

In menige volkswoning vindt men heden nog zorgvuldig ingelijste bidprentjes, vooral in het zuidelijk volksgebied. Met “bidprentje” bedoel ik niet “doodenprentje” of “doodsprentje”, een begripsverenging van lateren datum; maar wel het oude en oorspronkelijke herinneringsprentje of -beeldeken, in kopergravure, gekleurd of ongekleurd, met berijmde gebeden, terwijl de herinnering aan de religieuze gebeurtenis, meestal eerste kommunie of vormsel, op de achterzijde geschreven staat. De gekleurde sanktjes kwamen vooral sedert de XVIIIe eeuw in zwang. De oorsprong der berijmde gebeden is meestal duister—het is immers volkspoëzie—, enkele hebben hooge dichterlijke waarde. Zoo b.v.:

Verzuchting tot Maria.

O Maria, graci-bron, Schooner als de gulde zon, Klaerder als de zilvre maen, Die men ʼs avends op siet staen. Oversuyver leli-bloem, Uitgelezen Maeghden-roem, Bidt u allerliefste kindt, ʼT geen ghij boven al bemint, Dat mijn duijsterheijt verdwijnt, En sijn gratie mij beschijnt, Op dat ick geheel verlight Magh voldoen aan mijne plicht.

Aanroeping tot Maria Magdalena.

Sondaeres, die Christi voeten Met boetveerdigh nat begiet, Om uw sondig quaedt te boeten, Jesus door genade schiet In uw ziel een soeten regen, En hij wascht uw smetten af: Gij verkrijght den hemel-seghen, Vrij van sonden ende straf. Jesu! geeft mijn herte suchten En mijn oogen droef getraen, Opdat ick de sonden vluchten En beweenʼ, die ʼk hebbʼ begaen.

Ook de huiszegen wordt zorgvuldig ingelijst aan den muur gehangen, bij voorkeur in de huiskamer. De gangbare voorstelling is die van Christus aan het kruis, met bijgevoegd gebed “tot den Zoeten Naam Jezus en Zijne lieve heiligen.” Gods zegen wordt afgesmeekt over “het huis en al wat daar in en uit is; menschen en vee, alle eten, spijs en drank, en wat daar dakdruppelen ontvangt, dat zij gebenedijd en gezegend!” Aldus moge het gezin in den ruimsten zin, menschen en vee, gevrijwaard blijven voor alle ziekten en rampspoed. “Het heilig kruis van Jezus Christus zij het dak van dit huis; de Nagels van Jezus Christus de huisgrendels en de sloten aan de deuren; de doornen Kroon van Jezus Christus het schild van dit huis!”

In Vlaanderen zijn de meeste huiszegens afkomstig van de firma Brepols en Dierckx, Zoon, te Turnhout; dan ook van de firma Beersmans, zuiver van uitvoering en kleur.

Men vindt verder nog vaak den Duivelsdans, “den dans in eenen kring, welkers middelpunt den Duyvel is, en den omtrek alle zijne rondom staande engelen”. Lucifer wordt voorgesteld ruw behaard, met hoorns, bokspooten en een langen staart, in de linkerhand een slang, in de rechter een haak. Hij leidt den dans, uitgevoerd door 34 gevallen engelen. Binnen in den kring bevinden zich nog drie muzikanten en verder dansers, drinkers en herbergiers. Buiten den kring worden de hoeken gevuld boven links door een vrouw, voor een Mariabeeld geknield, rechts door een vroom gezin, in gebed voor een kruisbeeld; beneden links een weenende vader, rechts een bedroefde moeder.

Daaronder staat een liedeken, welks eerste strofe luidt:

Let hier wel, die zijn genegen, En wiens hert vliegt tot den dans, Wat het werk is, ʼt geen zij plegen, Eer zij wagen nog de kans. Lucifer is daer in ʼt midden, Hij speelt meester van de bendʼ; Zonder men het kan verbidden Met zijn haek uw ziele schendt.

Een andere zeer geliefkoosde prent is de Trap des Ouderdoms, waarschijnlijk van Franschen oorsprong (firma Pellerin te Epinal). Op een stijgende en dan weer dalende trap van negen treden staan paren onder de—oorspronkelijk Fransche—opschriften: Age de lʼadolescence 10 ans; âge de la jeunesse 20 ans; âge viril 30 ans; âge de discrétion 40 ans; âge de maturité 50 ans; âge déclinant 60 ans; âge de décadence 70 ans; âge caduc 80 ans; âge de décrépitude 90 ans. Beneden links ziet men het kind in de wieg, bewaakt door zijn beschermengel. Daarnaast kinderen van 3 en 4 jaar. Rechts beneden twee honderdjarigen op hun sterfbed; een engel wijst zegevierend ten hemel, terwijl de satan in wanhoopskronkelingen zich wentelt over den grond. Verder zijn nog in medaillon-vorm over de plaat verspreid de voorstellingen van het laatste oordeel, het doopsel, het vormsel, de eerste kommunie, het huwelijk, de begrafenis.

Ter bescherming tegen de ziekten van het vee vindt men veelal ook voorstellingen van de H. Birgitta of Brigitta, te midden van het vee. In het bijbehoorend gebed worden hare openbaringen vermeld.

Als versierselen van de volkswoning mag ik ook de processievaantjes niet voorbijgaan. Het zijn vrome trofeeën, uit bedevaartplaatsen meegebracht; vroeger tooiden zij hoed, huifkar en paard, thans de fiets, en thuisgekomen krijgen zij een eereplaats bij den schoorsteen,—de eigenaardige, driekantige, bont-gekleurde papieren vaantjes, waarschijnlijk een survival, althans een navolging van de aloude gilde-banieren. De voorstelling heeft doorgaans betrekking op de kerk der bedevaartplaats, of op het beeld of het leven van den heilige, daar vereerd. De meest bekende processievaantjes zijn wel die van Scherpenheuvel en, voor Noord-Nederland, van de Duitsche bedevaartsplaats Kevelaer. De verzameling van het Antwerpsche museum van Folklore telt 123 nummers, de verzameling van Heurck niet minder dan 236. Over deze processievaantjes zie vooral het opstel van Van Heurck in Volkskunde XXI, bl. 182.

Zoo kom ik als vanzelf tot de profane volksprenten of mannekesbladen, in Noord-Nederland vroeger floskaartjes, thans meestal centsprenten genoemd. In Noord-Holland en Friesland is de volksnaam echter van oudsher heilig; dit is natuurlijk zeer opmerkenswaardig, omdat de prenten, die heiligen voorstellen, er sedert eeuwen onbekend zijn. Wij hebben dus te doen met een overblijfsel uit de eerste dagen der volksprentkunst, waardoor tevens het oorspronkelijk religieuze karakter dezer kunst wordt bevestigd. Met vreugde en voldoening herinneren de lezers van meer gevorderden leeftijd zich stellig deze eenvoudige en toch zoo aantrekkelijke voorstellingen uit de dagen hunner jeugd. Thans worden zij met den dag zeldzamer. De voorstelling lijkt de kinderen-van-thans te grof, te onnoozel, het kleurenwerk te kakelbont.

Waar de Zondags-cent nog wordt uitgedeeld, besteden de kinderen dien gaarne aan hun centsplaat: vermaak voor de kinderen, vermaak ook voor de ouderen, die niet versmaden, ʼs avonds de legenden te lezen bij het lamplicht. Voorstellingen en kleur dezer prenten spreken allereerst tot de kleinen. De grove, zeg onhandige schets, de ìnbonte kleur pakt het kind, beeldt zoo treffend uit, wat sluimert diep op den bodem der kinderziel. Maar wat daar sluimert, gaat ook schuil in de ziel der ouderen, ligt besloten in de rijke schatkamers van het geheele volk. Daar is oogverblinding, daar ligt suggestie in de kleuren, zeer zeker; maar daar leeft ook karakter in die onbeholpen teekeningen, volkskarakter, dat deze prenten tot iets van nationale waarde stempelt. Want al ondergingen onze plaatsnijders den invloed van Frankrijk en Duitschland, door hun eigenaardige opvatting en bewerking, die voeling hield met den geest der omgeving, droeg en draagt hun werk den stempel van den Nederlandschen volksaard. Ik herinner slechts aan de treffend-mooie voorstelling van den Wandelenden Jood, “gelijk hij door Brussel trekkende is te zien geweest op den 22 April 1774”; prent en sage zijn op-ende-op Nederlandsch.

Een standaardwerk over de Vlaamsche volksprenten verscheen van de hand van Emile Van Heurck en G. J. Boekenoogen, getiteld: Histoire de lʼImagerie populaire flamande et de ses rapports avec les imageries étrangères (Bruxelles 1910). Zooals de titel reeds aanduidt, gaan de schrijvers in deze folklorisch-kunsthistorische studie verre over de grenzen van Vlaanderenland. Maar hoofdzakelijk behandelen zij toch het fondswerk der huizen Brepols, Delhuvenne, Glenisson, Van Genechten en Beersmans te Turnhout. Inderdaad is Turnhout het hart der centsprenten-industrie; ook zijn speelkaarten zijn wereldberoemd. Andere volksprenten zijn afkomstig uit Lier, Antwerpen of Schaerbeek.

De Noord-Nederlandsche volksprentkunst bloeide vooral te Amsterdam (Numan, Stichter, Van Staden); dan volgde Rotterdam (Thompson, Hoffers, Wijnhoven, Hendriksen) en Breda (W. van Bergen, C. W. G. van der Sande). De prenten, verschenen te Venloo en Gelder bij de Wed. H. en F. en C. Bontamps, zijn veeleer van godsdienstigen aard en houden verband met Turnhout. Later vonden de platen van de firma Rijnders te Amsterdam (Klein Duimpje, De Schoone Slaapster in het Bosch, Blauwbaard enz.) gereedelijk aftrek. Ook de Deventer prenten (J. M. de Lange) hadden een goeden naam; eveneens die van Zalt-Bommel (J. Noman en Zoon). Een poging, om de oude kunst te doen herleven, waagden omstreeks 1840 de uitgever Broedelet en zijn opvolger Schuitemaker te Purmerend. Rond 1860 ging de voorraad over aan Noothoven van Goor te Leiden. Vermelden wij ten slotte de “Nieuwe Hollandsche kinderprenten” van de Leidsche firma A. W. Sijthoff.

Thans is deze tak van volkskunst in Noord-Nederland zoo goed als dood, terwijl hij in België een kwijnend bestaan leidt. Want dood of kwijnend zijn smaak en belangstelling. De steendruk heeft de houtsnee alom verdrongen, en dit kwam de kunst niet ten goede. Want het groote gemak bij het weergeven van lijnen en schaduwen schiep nu een scherp kontrast tusschen het naïeve der voorstelling en het betrekkelijke raffinement der uitvoering. De houtsnee met haar hoekige, gemarkeerde omtrekken, haar breede kleurstrepen en haar sprekende kleurtonen stond beter in verhouding tot het onderwerp en bereikte een hooger dekoratief effekt. Ook hier: soort bij soort! De hedendaagsche prenten zijn pedant in haar streven naar beschaafdheid. Théophile Gautier had dit verval vermoed en gevreesd: “Fasse le ciel que la civilisation nʼamène pas la décadence dans cette industrie primitive en la voulant perfectionner! Le progrès enlèverait tout caractère à ces images”. Zie vooral V. Heurck en Boekenoogen, Imagerie populaire, bl. 19, 531 vlg.

De profane volksprenten danken hun oorsprong aan de religieuze, de stichtelijke volksvoorstellingen, die naderhand een meer algemeen karakter kregen. Verder dient opgemerkt, dat zij weinig verband houden met de letterkunde: niet op het gedrukte boek berusten zij, maar op het levende en gangbare volksverhaal, het volkslied, de volksluim.

Wat de bijgevoegde legende betreft, hiervan staat de kunstwaarde zeer laag. De verzen zijn stroef en gewrongen, de maat wordt zoo goed als verwaarloosd, men houdt slechts rekening met het rijm. Ook is de taal vaak zeer vrij en van platheid geenszins vrij te pleiten. Toch zijn zij belangrijk voor de volkskunde, in zoover zij veelal trouw de ruwe volkstaal weerspiegelen. Want ruwe scherts en vroolijkheid, evenzeer als zachte melancholie en teer gevoel, ligt in deze volksbladen besloten: zij zijn een onuitputtelijke bron voor de kennis van het volksleven. “Leur dessin grossier et primitif”, zeggen zoo juist de schrijvers der Imagerie populaire in hun voorrede, “leur bariolage violent et fantastique ont un charme que nʼont pas les images dʼaujourdhui; un charme et une beauté quʼon apréciera seulement quand le cosmopolitisme aura accompli son oeuvre néfaste dʼuniformisation. Les hommes de demain regretteront amèrement de nʼavoir pas connu dans leur enfance morose et sans poésie ces feuilles modestes avec leurs histoires attendries, merveilleuses ou plaisantes; cette imagerie de batailles où les tambours roulent, où les fifres sifflent, où les trompettes sonnent, où les boulets décrivent de glorieuses paraboles dans le ciel.” In de volksprenten leeft het volk met zijn lief en leed, zijn fantasie, zijn kunst, zijn wetenschap, zijn kijk op de dingen-om-hem-heen.

Menschen, dieren, planten, huizen, steden zijn dan ook op zeer eigenaardige wijze voorgesteld. De prentensnijder, zelf man uit het volk, wist aan sommige bijzonderheden het noodige reliëf te geven, hier aan te dikken, daar te verzwakken, overal te vormen en te vervormen naar willekeur. Vandaar, dat alle pogingen vooraf reeds met onvruchtbaarheid geslagen waren, zoodra een klassiek-gevormd kunstenaar, niet-volksman, er zich toe zette, om de volksprenten te hervormen en te veredelen: zijn werk vond geen aftrek. De volksziel had hij niet weten te beluisteren en te vertolken.

Een der schoonste voorstellingen, en het meest geschikt voor muurdekoratie, is wel de Haan, vooral in zijn oudste, kleurige drukken. Te midden van een landschap, met een hoeve op den achtergrond, staat hij recht, in heraldische houding, met opgestoken kam, de borst vooruit, den linkerpoot omhoog. De legende luidt:

Komt kinderen ziet dezʼ wakkere Haan, Die u tot nijverheid spoort aan.

Later was de Hond meer gewild, minder schoon van teekening en ook van geringer dekoratieve waarde. Het rijmpje luidt:

Ziet, kindren lief, deezʼ trouwe hond Wacht zeker, tot zijn meester komt.

Bij een andere voorstelling vindt men:

Ziet hoe dit hondje zittend wacht, En op den wenk zijns meesters acht; Gij kinders, wie gij zijt, Wil allen hieruit leeren, Om ook uws meesters les Ten hoogste te waardeeren.

Natuurlijk wordt de Kat, het huisdier bij uitstek, niet vergeten. Zij wordt voorgesteld, gezeten op een hoek van de tafel. Daarboven als opschrift:

Geen nutter dier voor rot en muis, Als een mooi katje in uw huis, Want het doorsnuffelt alle hoeken, Om dit gedierte op te zoeken.

Illustration from Nederlandsche Volkskunde

Onder een andere voorstelling, die een Uil als pendant heeft, leest men:

O uil, gij doet mij onregt; Het muisje was mij toegelegd.

Onder den uil:

Ja kat, dat heb ik wel geweten, Het ongegunde brood wordt meest gegeten.

Men ziet het drieledig doel dezer kinderprenten: leeren, ontspannen en versieren, maar zóo eng verbonden, dat het versieren wordt tot een leerzame ontspanning. Zij beginnen deze taak met het bekende letterspel:

Ziet knaapjes, ten geschenk een fraaie prent; En zorgt, dat ge weldra hiervan de letters kent.

Dan worden verscheiden voorwerpen beschreven uit de allernaaste omgeving: de klok, de leunstoel, de hooiberg; verder het schip, het vaandel, het orgel, de gevangenis; dan krijgen boomen en dieren een beurt. Spoedig volgen de kleurige prenten met de “mooie mannen”: dragonders, geniesoldaten, grenadiers, lansiers, kanonniers, gendarmen, ja zelfs de schutterij blijft niet onvermeld:

Schutters, beschermt de stad, stelt daarin uwe eer, Dit moet de Burger doen, ja zelfs de grootste Heer; Staat Nederlanders pal, met moed voor ʼt Vaderland, Wanneer door ʼs vijands zwaard den Staat wordt aangerand.

En wat een kranige figuren, die trommelslagers der Koninklijke garde!

Inmiddels worden de kinderen ingewijd in de kennis der straatroepen, bedrijven en ambachten.

Onder een kapperswinkel ontmoeten wij deze legende:

Wij snijden het haar en scheren den baard, In onze hand is een ieder vervaard.

Het didaktisch element treedt meer op den voorgrond bij rijmpjes als dit (onder een jongen met een drijftol):

De drijftol loopt nooit zonder slagen, Gehoorzaamheid moet u behagen.

Maar vooral toch bij de dierfabel. Hier is men, met afwijking van den gewonen regel, herhaaldelijk van Lafontaine uitgegaan. Ook de geschiedenis wordt bedacht; en zoo vinden wij in beeld en rijm de voornaamste levenstrekken van Napoleon, van Prins Willem I, tafereelen uit den Russisch-Turkschen oorlog, uit de onlusten in Polen, het leven van Van Speyck enz. Groote vermaardheid heeft ook de Poolsche koning Poniotowski; en menig lezer herinnert zich nog wel Poniotowskiʼs afscheid:

Poniotowski zeer gezwind Neemt afscheid van zijn vrouw en kind;

of ook zijn dood in de gezwollen wateren van de Elster. Zuiver-didaktisch zijn verhalen als die van de Twee Geburen, waarin de gierigheid de wijsheid bedriegt; verder de Scholier en de Bij, welk verhaal tot arbeidzaamheid prikkelt; het Kind met de Wesp; Grootvaders Geschenk; Leugentaal gestraft; Loontje komt om zijn Boontje, enz.

Tot de meest schalksche, inderdaad boeiende, ontspannende kindervertelsels behoort wel het verhaal van Jan den Wasscher, ook Jan den Aap of Lammen Goedzak geheeten. Ik laat de legende hier volgen:

Ziet Jan hier met een popje spelen; Mij dunkt het moet hem ras vervelen.

Wel Jan, wat zijn dat rare dingen! Gaat gij met meisjes touwtje springen!

Neen, dat staat zeker nimmer goed, Een jongen met een meisjeshoed.

Zoo Griet, klimt gij zonder schromen Net als een jongen in de boomen!

Kom Griet, dat gaat nu toch niet aan, Laat ʼt knikkren voor de jongens staan.

Nu kan het toch niet erger zijn, Zij speelt de rol van kapitein.

Griet vangt met Jan het vrijen aan; Ik vrees, dat dit niet goed zal gaan.

Jan laat zich door den priester trouwen, Dat huwlijk zal hem onheil brouwen.

Hier is de orde al te zoek, Griet ruilt hier broek voor schorteldoek.

Griet wil van geen huiswerk weten, Daarom kookt nu Jan het eten.

Als Griet en Jan aan ʼt eten gaan, Mag hij niet zitten, maar moet staan.

Ziet Jan eens in het water plassen, Om toch de vaten schoon te wasschen.

Nu is Jan aan ʼt glazen spuiten, En breekt bijna al de ruiten.

Uw onheil, Jan, is nauw te peilen; En toch moet gij de stoep nog dweilen.

Het wasschen is geen mannentaak, Maar wel het is der vrouwen zaak.

Terwijl dat Jan het huiswerk doet, Sjouwt Griet op straat met mannenmoed.

Dat Jan hier in het ziekbed lijdt, Maakt haar, dat spreekt, met recht verblijd.

Jan bakert ʼt kind, wat zegt ge er van? Want Jan is vrouw en Griet is man.

Jan wil het kind voor honger hoeden, Zal ʼt met een lekker papje voeden.

Als zijn kindje huilen wil, Houdt hij ʼt met een popje stil

Nu het kindje loopen leert, Wordt de vreugd van Jan vermeerd.

Daar het kind ondeugend is, Slaat hij met de roê niet mis.

Omdat Jan het heeft verbruid, Jaagt hem Griet den huize uit.

Jan en Griet bespreken beiden, Waartoe hun kind op te leiden.

Dit thema is eigenlijk slechts een onderdeel van het meer algemeene onderwerp: de Verkeerde Wereld, herhaaldelijk in de volksprenten en in de volksliteratuur van alle landen behandeld. In deze omgekeerde orde van dingen leert het kind de moeder, kruipt de man in het hondenhok, leidt de blinde den ziende, rijdt de knecht, terwijl de koning te voet loopt, staat de vrouw op schildwacht, rookt het wijf en draagt een broek, draagt de man den ezel, scheert men het varken om de wol, laat men den dief loopen, terwijl de eerlijke man wordt opgehangen.

Nu volgen de sprookjesprenten; maar wie zal zeggen, waar de grens loopt tusschen de geschiedverhalen en de bonte sprookjes van het gulden wonderland? Op het grensgebied liggen wel stellig de geschiedenis van Cartouche, de geschiedenis van Robinson Crusoë, de Antwerpsche Schipper, de geschiedenis van Genoveva van Brabant, van Tijl Uilenspiegel. Maar in het hartje van het wonderland liggen: het Betooverde Kasteel, de Betooverde Harp, Klein Duimpje, de Prins met het houten Hoofd, de Luchtprinses, de Betooverde Vijl, Luilekkerland, de Gelaarsde Kat, Roodkapje, Blauwbaard, de Zwarte Ridder, Ezelsvel, de Reiziger en de Reus, de Wraak van den Duivel, het Betooverd Paleis, Asschepoester, Kinderschrik, Maria, het kind der Toovergodin,—tafereelen en verhalen, die wij met stralend oog en kloppend hart hebben genoten in koortsige spanning en zaligen kinderangst.

Wil de lezer, wien het kinderhart nog in den boezem klopt, soms niet een oogenblik zich nog kind wanen, bij het lezen van Klein Duimkenʼs lotgevallen?—De onderstaande lezing verschilt eenigszins van die der bijgaande prent.

Klein Duimpje, uit een kool gekomen, Wordt door de moeder aangenomen.

Hij werd, of wel dʼhistorie liegt, In eenen holleblok gewiegd.

Ziet, zegt hij, hoe ik leerzaam ben, Ik schrijf met eene musschenpen.

De meester jaagt de school hem uit, Hij vlucht zijn huis in langs een ruit.

De moeder zegt: wel dat is fraai, En vindt hem in de eetschapraai.

Gaat, om zijn moeder meer te tergen, Zich achter eenen bessem bergen.

Hij wordt koewachter, zoo gij ziet, Doch laat hij zijne perten niet.

Wil in den kelder melk gauw drinken, Doch moet schier in de teil verdrinken.

Droogt aan een vuur zijn natten kop, Een koe, die slokt hem levend op.

Dees vette koe wordt door den pachter Terstond verkocht aan eenen slachter.

Zoo haast de man het beest legt open, Komt Duimken uit haar lijf gekropen.

Hij vaart in eene nootschelp hier Voor zijn vermaak op een rivier.

Kleinduimpje. Petit Pouget.
Kleinduimpje. Petit Pouget.

Kleinduimpje. Petit Pouget.

Men gaat hem, door de koorts geslagen In eenen hoed naar ʼt gasthuis dragen.

Genezen zijnde, leert de fiel, Uit nood hier den zeeldraaiers-stiel.

Hij stuurt hier, zoo zijn kracht behoort, Zijns meesters kempewagen voort.

Dwaalt in een bosch en ziet met schroom Een wolf ... hij kruipt op eenen boom.

Hij vindt een bedelaar slapen; strak Steelt hij zijn eten uit den zak.

De man ontwaakt, dreigt ʼt fieltje dol, Maar ʼt kruipt in ʼt gat van eenen mol.

Terwijl de beedlaar ʼt molgat sluit, Kruipt Duimken langs een ander uit.

Steelt fruit, dat hem in de oogen blinkt, Maar rolt in ʼt water en verdrinkt.

Onze volksprenten stellen zich ook ten doel, de kinderen binnen te leiden in den feestkring van het feestelijk jaar in Groot-Nederland. Dit jaar begint met Sint Maartensdag (I, bl. 103), en zoo zien wij dan ook op een centsprent de voorstelling van een Sint Maartensvuur, waar een jolige schaar om heen danst. Daarboven leest men:

Het is Sint Maarten, als men ziet aan ʼt helder vuren Der knapen, die om turf en brandhout bij de buren Zijn rond geweest en ʼt ook bekomen hebben, blij Met hun Sint Maartenszang, en nog wat geld er bij.

Achtereenvolgens wordt nu gewezen op de volksheiligen Sint Katharina, Sint Andries, Sint Elooi, Sint Nikolaas, Sint Pieter, Sint Hubertus e.a. Prent no. 144 van de firma Brepols geeft een zeer sprekende, pakkende voorstelling van het rijden van Sinterklaas over de daken; wij zien, hoe het paard van schoorsteen tot schoorsteen springt. Maar diezelfde prent brengt ook de liefdadigheid van den volksheilige in beeld, zijn vergelden van kinderdeugd en -ondeugd, zijn patroonschap over de stad Amsterdam:

Vier eeuwen is het reeds geleden, Dat men in ʼt magtig Amsterdam Hem tot Patroon of Schutsheer nam, En als een heilige heeft gebeden.

Treffend in haar eenvoud is ook de prent van Kerstnacht. In het stalleken van Bethlehem toont Maria het kindje Jezus aan de aanbiddende herders. Achter Maria staat Jozef, in overweging verzonken, geleund tegen een koe. De ezel vreet van het hooi der kribbe. Boven, hoog in lucht, een stoet van zwevende engelen; daaronder een bandelier met de woorden: Gloria in excelsis Deo.

De prent der Koningsbrieven is bestemd, uitgeknipt te worden op Driekoningendag. Zooals ik I, bl. 147 zeide, bevat zij een volledig stel afbeeldingen voor zestien personages. Ziehier enkele eigenaardige rijmpjes (andere zijn plat en onkiesch):

De Koning.

Ik ben koning van de vrienden, Mannen! spaart mijn tafel niet. ʼk Heb niet lang zooveel bedienden, Dus intusschen geen verdriet.

De Voorproever.

Om scherp in mijn ambt te treden, Neem ik ʼt glas, dat men mij gaf, Dat verzacht en hitst de reden En men lekt zijn vingers af.

De Zot.

Wil op ʼt woord des konings drinken, Want, die mist op zijn gebod, Zal ik wel zoo zwart doen blinken Als het gat van dezen pot.

Nog rest mij te spreken over de kinderspelen, de prenten bestemd voor het spel te worden opgeplakt. Laat ik vermelden het Uilebord, het Harlekijnspel, en vooral het Ganzebord, met zijn “van ouds vermaard” en telkens weer “nieuw vermakelijk” ganzenspel.

Het is een echt huiselijk en tevens nationaal spel, pleitende voor de populariteit van den gansvogel in onze landen. Hoe vaak hebben wij met het ganzenspel, bij het schijnsel der olielamp, de winteravonden van Zon- en feestdagen gekort! Ook ouderen namen aan het spel deel. Die op de brug kwam, moest tol betalen; die in de herberg kwam, betaalde den inzet en moest zijn beurt laten voorbij gaan; die in de put kwam, betaalde eveneens den inzet, en bleef daar zitten, tot hij verlost werd; die in den doolhof kwam, betaalde den inzet en telde drie terug; die in de gevangenis kwam, betaalde en bleef daar, tot hij verlost werd, die—o schrik!—op den dood kwam, betaalde den inzet en moest van voren beginnen.—Zie nog Emile van Heurck, De Vlaamsche kinderprenten in Volkskunde XXII, bl. 24 vlg., 70 vlg., 101 vlg.

De bekende centsprent, die de komische volksfiguur van Harlekijn voorstelt (met het Harlekijnspel), geeft mij aanleiding een enkel woord te zeggen over het volkstooneel. Want Harlekijn is een type van ons volkstooneel en wij allen kennen hem, met zijn bont lapjespak, pruik, kanten kraag en houten zwaard. Hij is echter meer in het zuidelijke, dan in het noordelijke volksgebied thuis en kwam door Fransche bemiddeling tot ons; zelfs is hij, volgens de onderzoekingen van Driesen, oorspronkelijk van Fransche herkomst, en niet van Italiaansche, zooals men gewoonlijk aanneemt. De meest algemeen-nationale komische volksfiguur is onze Jan Klaassen, met zijn twee bochels en zijn krommen neus. Ook draagt hij de typisch Hollandsche kleederdracht; stellig is hij een internationaal type, maar wederom aan Hollandschen aard en Hollandsche zeden aangepast. Schijnbaar is hij naïef van aard, doch dit is slechts een geveinsde naïeveteit, die ten doel heeft, de dwazen beet te nemen.

Hij is ook de held van het Noordnederlandsche poppenspel, dat eveneens internationaal van aard, op Nederlandschen bodem een zeer bepaald karakter heeft aangenomen. In de XVIIe eeuw deed de Duitsche Hanswurst zijn blijde intrede in Nederland, maar hier werd hij weldra verdrongen, eerst door Hans Pekelharing, later door Jan Klaassen.

Vroeger had het marionetten- of poppenspel een vasteren vorm en vond men het b.v. in bepaalde stadswijken te Amsterdam; thans reist het over land. Wellicht ontmoet men hier of daar nog het traditioneele opschrift, dat Jan en Kathrijn vasthouden, terwijl Jan er naar wijst:

Elk past op zijn zakke.

Nog zien wij, hoe Jan in zijn slaap door vlinders wordt gestoord. Dan roept hij den Dood, om hem te verlossen; maar als de Dood komt, verjaagt hij hem met zijn knots. Met zijn befaamde klompen beslecht hij een twist tusschen zijn vrouw en een buurvrouw. Om een degenstoot te ontwijken, laat hij zich ter aarde vallen en speelt den doode. De geneesheer komt, maar Jan springt op en spot met de geneeskunst. Hij wordt door honger en gebrek bedreigd; geen brood in huis,—en Jan weet niets beters te doen, dan de kinderen om zich te laten dansen, die hij dan zonder eten naar bed stuurt. Eindelijk komt het pakkende slot met den grooten draak, die hem van het tooneel verdrijft.

In België vindt men het vaste poppenspel nog te Luik en Brussel, maar vooral te Antwerpen, het “Poesje” waarvan Ary Delen in zijn keurig artikel over het Poppenspel in Vlaanderen in Elsevierʼs Geïll. Maandschrift schrijft: “Hoe onwaarschijnlijk het ook sommigen al moge lijken, toch is onze karakteristieke Poesje de eenige, uitsluitende uiting op tooneelgebied, die geen haarbreed geweken is van de eigen tradities van het vlaamsche, en meer bizonder van het antwerpsche volk, dat steeds, meer nog wellicht dan om het even welk ander, een steeds hunkerende behoefte heeft aan spel” (Jan.-Juni 1910, bl. 100). Men vindt daar de vaste volkstypen van de Veldheer, Pater Franciscus, Lodewijk, de Kolenbrander, de Prinses van Turkije, de Reus Glas, Valentijn en Oerson, de Prinses van Spanje en van Majorka, de Kop, de Neus, de Grijze, de Schele; daar worden opgevoerd: De Vier Aymonskinderen, Oerson en Valentijn, Jan Onversaagd, Malegijs en Vivien, De Zeven Leugenaars enz.

Deze en dergelijke volksvertooningen hebben voor ons ook daarom vooral waarde, dewijl zij voor een groot deel de kiemcel vormen van het kultuurtooneel onzer dagen. De abele spelen, de kunstig bewerkte, ingewikkelde vertooningen, gaan zonder twijfel terug op het kerkelijk mysteriespel, een volksspel, dat weer stoelde op het liturgische drama. Maar de korte, eenvoudige klucht heeft zich waarschijnlijk eenerzijds ontwikkeld uit het poppenspel en anderzijds uit de volksvertooningen en volksoptochten bij de feesten van Driekoningen, Vastenavond, Paschen, Pinksteren enz., waarover ik uitvoerig in het Eerste Deel gehandeld heb. Ik herinner ook aan het dramatische draaksteken, I, bl. 272. Het kluchtspel vooral was gedurende eeuwen de spiegel van het Nederlandsche volksleven, door een Teniers, Van Ostade, Jan Steen e.a. zoo voortreffelijk op het doek gebracht. Tot het kluchtspel behoort ook het kermistheater.—Zie J. van Vloten, Het Nederl. Kluchtspel van de XIVe tot de XVIIIe eeuw (Haarlem 1854); J. A. Worp, Geschiedenis van het Drama en van het Tooneel in Nederland, 2 dl. (Groningen 1904).

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings