Note 7 — Breeë wiele.
Reading edition
Tot de eigenaardige algemeen-Limburgsche dialekt-verschijnselen behoort het isosyllabisme van de nominale meervoudsvormen met die van het enkelvoud; b.v. bal: bel; kop: köp; knoak: knök; enz. Verder het eigenaardige muzikaal accent, met name de syllaben met stijgenden sleeptoon, die heel wat taalverschijnselen kunnen verklaren. Ook het zinsaccent, de zinsmelodie en het spreektempo zijn in deze dialektgroep zeer eigenaardig en sprekend, en wel in veel hoogere mate dan in de noordelijke tongvallen. Dit blijkt zelfs, wanneer een bewoner der zuidelijke provinciën de algemeene kultuurtaal spreekt: men zegt dan “dat hij zingt”. Er is natuurlijk verschil tusschen vraag, uiting van verwondering of andere gemoedsbeweging en simpele bewering,—een uitgestrekt terrein, dat nader dient te worden onderzocht. Eindelijk de retrogressieve of terugwerkende assimilatie bij het zwakke praeteritum—veelal van palataliseering begeleid—, waar het algemeen Nederlandsch progressieve of vooruitstrevende assimilatie vertoont; b.v. pakte: pagde en pagdʼe7; danste: danzde. Ook bij andere vormen ontmoeten wij dit verschijnsel, dat allicht met het accent in betrekking staat.