← Table of contents
Martelaren van Rusland

IX. Over den Czaar als Paus en als God. Kerkelijke vervolgingen.

S. J. Bouberg Wilson translation

Een zeker personnage van het antieke tooneel roept in de eerste verwarring van zijn liefdesgeluk uit: “Ik ben God geworden!”

De dood is als de liefde: hij windt op. De woeste vreugde, veroorzaakt door verdelgingen op groote schaal, doet de ziel duizelen. Wie meent een wereld te vernietigen geeft niets toe aan den Schepper. Hij zegt: “Ik ben God geworden!”

Meer dan God.—God schept langzaam, in de oneindige goedheid van het goddelijk moederschap, met de omzichtigheid der natuur.—De vernieler daarentegen is er trotsch op dat hij onverhoeds vernietigt. Wat hem bij den dood aangenaam stemt, is de plotselinge verandering. Het zou zijn hoogste vreugde zijn met één woord te verdelgen wat jaren van worden gekost heeft; van een menschelijke wereld te kunnen zeggen: “Ik ben er langs gegaan, ze bestaat niet meer.”

Te midden van de groote vernietiging van Polen heeft het hoofd van Rusland voor het eerst zijn titels van Plaatsvervanger van God en Emanatie (uitvloeisel) van God, welke in zijn geloofsbelijdenis staan, in ernst opgevat. Opperhoofd en rechter van zijn priesters (naar de bewoordingen van hun eed), is hij bij de vervolging der Katholieken en de uitroeiïng der Joden te werk gegaan als een Russische paus. Zijn portretten in Byzantijnschen stijl, met kwistige hand uitgedeeld, hebben hem, met den stralenkrans van den heiligen Nicolaas om ’t hoofd, ter aanbidding voorgesteld aan de volkeren van den Donau en van de Grieksche stammen, in het Turksche rijk wonende.

Maar wat zou die nieuwe God verrichten?

Hij wist het zelf niet.

Terwijl hij in Polen den adel vogelvrij verklaarde, trad hij in Rusland voor korten tijd als revolutionnair op, door de edelen op te roepen tot vrijmaking der lijfeigenen, waaraan zij echter geen gevolg konden geven zonder de afkondiging van een agrarische wet. Als hij op deze helling was voortgegaan, zou hij een soort van Messias der lijfeigenen geworden zijn, een barbaarsche Messias, gevaarlijk voor Europa.

Hij heeft het niet gedurfd. En, zich plotseling naar den anderen kant wendende, trad hij als paus en veldheer van de tegen-revolutie op en liet hij, na het beleg van Rome (October 1849), verklaren dat de Latijnsche kerk, vervallen en dood, niet anders doen kon dan zich met de algemeene, de katholieke kerk van Moscou te vereenigen.

Deze zonderlinge geestelijke vader, die bekeert door het zwaard, die zegent met den knoet, heeft, tusschen twee stelregelen geslingerd en daardoor des te heftiger in zijne uitingen, in het korte tijdsbestek van twintig jaren, verbazingwekkende, ongehoorde teekenen gegeven van zijn aanmatiging God te zijn. Noch de keizers-opperpriesters van het oude Rome, als zij altaren voor zich zelven oprichtten, noch de opperpriesters-koningen van het nieuwe Rome, wanneer zij den aardbol verdeelden of aan de aarde verboden te draaien, hebben hun hoogmoed trotscher ten toon gespreid.

Hij heeft aan den tijd verboden de tijd te zijn, de mathematische en astronomische wetenschappen verloochend, den ouden kalender opgedrongen, die door de heele overige wereld was afgeschaft. Hij heeft aan de munt verboden de waarde te hebben, die ze bezit, door te bevelen dat drie roebels voortaan voor vijf zouden gelden. Hij heeft aan de rede verboden de rede te zijn, en als er een wijze in Rusland werd aangetroffen, werd hij bij de gekken opgesloten.

Wat hem bij zulke ongeloofelijke buitensporigheden heeft aangemoedigd, was—het mag niet verzwegen worden—dat hij alléén stond op de wereld, daar iedere zedelijke kracht in dien tijd verslapt of buiten werking gesteld was.

Het pontificaat van het verleden, Rome, had afstand gedaan van zijn gezag, sedert de paus niet anders meer durfde optreden dan als een machteloos Italiaansch vorst.

Het pontificaat van den tegenwoordigen tijd, Frankrijk, had zich zelf vergeten onder zijn burgerlijk koningschap en bij zijn verafgoding van de nijverheid, op zijn Engelsch.

Rome is in allen geval—het moet erkend worden—niet uitsluitend ten onder gegaan door de persoonlijke zwakheid der pausen, maar meer nog door het logisch uitvloeisel der Katholieke leeringen. Deze hebben geen ander doel dan gehoorzaamheid te kweeken. Rome heeft haar gestadig onderwezen. Niet alleen heeft het in 1831, toen het zieltogende Polen het de hand reikte, de stervende naar den czaar terug-verwezen, maar het heeft in 1832 de Poolsche omwenteling onteerd, door aan de Polen te gelasten hun beul te gehoorzamen.

Rome hoopte, in ruil voor zijn lastbrief, van den czaar te verkrijgen, dat hij een pauselijk gezant te Sint-Petersburg zou ontvangen. Maar hij dacht er niet aan en begon onverhoeds den oorlog met den paus (1833), door te bevelen dat de Unie-Grieken, geloovigen van de Latijnsche kerk, zich onmiddellijk hadden te bekeeren. De wijze waarop men hierbij te werk ging was eenvoudig. Men omsingelde een dorp, de priester werd met den knoet behandeld en daarna weggevoerd. De pope hield de zweep in de hand en bedreigde, sloeg zijn sidderende kudde, terwijl hij haar onderzoekend langs ging. De weêrspannigen werden opgesloten in vol rook staande badstoven. De genade had daar dadelijke uitwerking door middel van bedwelming. Als dan allen het eens waren geworden, werden ze in de kerk bijeengebracht en duwde men hun het heilig avondmaal met geweld in den mond,—onder voortdurende bedreiging met den knoet.

De ergste dezer dwang-bekeeringen geschiedden buiten Polen, in de militaire koloniën, in de woestenijen van Rusland gevestigd. Daarheen werden de weêrspannigen gebracht en er lam geslagen onder het voorwendsel van de krijgstucht te handhaven, zonder den troost te hebben van een godsdienstig martelaarschap, en gedood, niet als katholieken, maar als oproerige soldaten.

Niettemin werd de bekeering als een groote overwinning overal rondgebazuind. Zichtbaar wonder. De kettersche geestelijkheid vraagt, onder het storten van vreugdetranen, om hereeniging met de kerk van Moscou. De keizer verwaardigt zich die toe te staan. Zijn officiëel dagblad zingt in een zalvend artikel een vroom loflied: “Gelukkige hereeniging!” roept het uit, “die zonder tranen is tot stand gekomen! Alleen overreding, zachtheid is gebruikt!”

Op de vreesachtige woorden van den paus, die de ronde deden in Europa, in ’t bizonder door de half-officiëele dagbladen van de Fransche regeering, had de keizer van tevoren geantwoord door daden, die, naar barbaren-aard, even wreed als handig waren. Om zijn christelijke gezindheid te bewijzen, te toonen dat hij een onwankelbaar, en tevens streng Christen was, vaardigde hij zijn ukaze uit ter uitroeiïng van de Joden.

“Hoe kan men nu nog twijfelen, dat de keizer een geloovig en vroom Christen is, als men hem ziet kruisigen die den Christus gekruisigd hebben?”

Op een goeien morgen werd de ukaze uitgevaardigd. De keizer is tot de ontdekking gekomen (wat men te allen tijde al wist) dat de Poolsche Joden, van elke nijverheidsonderneming buitengesloten, leven van den handel in rariteiten en van smokkelen. Bevel ze onmiddellijk over te plaatsen naar het hart van Rusland. Sedert den val van Jerusalem is niemand ooit zoo wanhopig geweest. Geen uitstel. De Kozakken komen. Daar liggen hun eigendommen op straat... “Allo, vooruit! pakt je uit de voeten... jullie moet weg, zoo is ’t bevel... Geen dag, geen uur uitstel...” Grijsaards, vrouwen, jonge kinderen vertrekken, slepen zich voort. De soldaat dringt van achteren aan en maakt, zoo noodig, van zijn wapens gebruik om tot voortgang te prikkelen. Uitgeput, verhongerd vallen de slachtoffers neêr. Zonder hulp laat men hen daar, als honden, omkomen. De vrouw valt in zwijm en sterft; haar man moet den weg voortzetten.

Is dit nu genoeg? O, neen. De overlevenden bemerken alras, dat voor hen, in hun nieuwe woonplaatsen, een verschrikkelijke vervolging begint: de lichting der kinderen! Ze worden, op zesjarigen leeftijd, weggevoerd, zwak en teeder als ze nog zijn, om ingelijfd te worden bij het leger of de marine. Maar het joodsche ras is van oudsher volkomen ongeschikt voor den militairen dienst. Al die kinderen sterven. De Jood kan als soldaat niet leven.

De keizer heeft goed gerekend. Deze wreede strafoefening is zeer populair geweest. De Russische en Poolsche boeren verafschuwen de Joden. Zij bedenken niet, dat wanneer dit ongelukkig ras gehate ambachten en bedrijven uitoefent, geen andere aan hen worden overgelaten. Den gelukkigen aanleg, dien in den laatsten tijd zooveel Joden uit verschillende landen hebben bewezen, de Oostersche schoonheid van hun ras, hun vrouwen, de mooiste van de heele wereld, àlles moet de barbaarsche middelen ter uitroeiïng doen betreuren, welke men in Rusland tegen hen in toepassing brengt.

Doch de keizer is in dit opzicht zijn volk in ’t gevlei gekomen. En hij heeft opnieuw hun hart gestolen, toen hij den geheelen adel van ’t koninkrijk Polen van vijftig-duizend familiën, met één pennestreek, terugbracht tot vijfduizend. Kort daarop slingerde hij zijn vermaard geworden ukaze van 2 April 1842, ter vrijmaking van de Russische lijfeigenen, de wereld in.

De vrijmaking in naam en de voorgewende onafhankelijkheid der lijfeigenen van de kroon had niets bizonder aanlokkelijks voor de lijfeigenen, die den adel toebehoorden. De eersten, het is zoo, kunnen elk bedrijf uitoefenen, waar zij behagen in scheppen; maar de keizerlijke zaakwaarnemer zwaait een roede over hen, die veel harder is dan van eenig ander meester. De omkoopbaarheid van dezen persoon, dien zij onophoudelijk moeten tevreden stellen, doet hen de slavernij betreuren.

Wat beoogde inderdaad de keizer, toen hij door de ukaze van 1842 de heeren aandreef om met hun boeren een overeenkomst aan te gaan, waardoor ze zoogenaamd vrij zouden worden, d.w.z. onderworpen raken aan de heerschappij van den keizerlijken knoet?

Hij wilde den adel vrees aanjagen.

De keizer sidderde, toen hij begreep dat hij aan ’t hoofd stond van een uitgebreiden communistischen en godsdienstigen boerenopstand.

Hij deinsde terug voor de noodzakelijke gevolgen, die zijn geestelijke aanspraken en zijn beroep op vrijmaking schenen te hebben. Eén stap verder, en hij zou misschien de Messias der lijfeigenen geworden zijn. Men weet door de tallooze voorbeelden der geschiedenis van het Oosten, hoe spoedig de vonk van dweepzucht bij de blinde massa oplaait. Zij zou, wie haar, zelfs door moord, tegelijkertijd het bezit van den grond en de vrijheid schonk, hebben aangebeden en door dik en dun gevolgd zijn.

Dus, de keizer deinsde terug. Hij wendde zich naar den adel, dien hij totnogtoe had bedreigd.

En sedert staan beide partijen, czaar en adel, van aangezicht tot aangezicht tegenover elkaar, niets doende, niets durvende ondernemen, elkaâr schrik aanjagende, als twee spinnen, die elkander beloeren omdat ze niet weten of zij bevriend of vijandig zijn, en of bij de bespieding de een er niet op zint de ander te verslinden.

Illustration from Martelaren van Rusland

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings