III. Geschiedenis van Katya, eene Russische Lijfeigene.
S. J. Bouberg Wilson translation
Ik heb wel niet noodig te zeggen, dat ik, in deze op zichzelf zeer eenvoudige geschiedenis, zorgvuldig alle opsmukking der verbeelding vermeden heb. Er komt geen enkele omstandigheid in voor, die ik niet door mij zèlf heb leeren kennen, of door zeer betrouwbare personen. Hun namen reeds, die ik zal noemen, geven aan het publiek den zekersten waarborg.
Iedereen heeft Katya, zonder haar te kennen, aanschouwd op de schilderijen, waarvoor zij als model gediend heeft. Paulin Guérin heeft haar mooie gezicht afgebeeld op verschillende historiestukken. De verrukkelijke schilder van vrouwen-portretten, Belloc, heeft haar als heilige Cecilia voor een geestelijke te Parijs op doek gebracht, en haar zachten blik voortreffelijk weêrgegeven.
Haar vroeg-ontwikkelde schoonheid was de oorzaak van haar rampen. Zij leefde bij haar familie, in ’t hart van Rusland, ver achter Moscou. Het was een gezin van lijfeigenen, maar in goeien-doen; haar grootvader, die bizonder veel van haar hield, dreef handel in pelterijen. Het kind, vier jaar oud, speelde aan de oevers van een meer, vlak bij den straatweg, toen rijtuigen voorbijkwamen, de rijtuigen van een dame uit de groote wereld, de vrouw van den gouverneur van ..., die met haar kinderen en haar geheele personeel op reis was. Zij merkte de aanvalligheid van Katya op, en daar haar eigen kinderen zoowat van denzelfden leeftijd waren, kwam de begeerte bij haar op hun het meisje als speelpop te geven. Zonder eenigen omslag, zonder de familie te raadplegen, noch den meester, wien zij toebehoorde, nam ze haar op, als een kat, die men op zijn weg vindt; zij droeg haar in haar rijtuig en reed verder.
De ongeruste familie vernam ten slotte wat er gebeurd was. De dame had halt gehouden in een naburige stad. De troostelooze grootvader gaat erheen, biedt een losprijs aan; zijn geheele fortuin, als men dit eischt, als men hem het kind maar teruggeeft. Hij werd op ruwe wijs teruggestooten, misschien wel geslagen. De dame lachte hem in zijn gezicht uit en nam haar prooi meê.
Men kent het lot der kinderen van minderen stand, welke met die der grooten samen worden opgevoed. De laatste, bedorven en in hun zelfzuchtige grillen aangemoedigd, maken van het levend speelgoed arme zondebokken. Bijaldien de ouders, aan den anderen kant, eenig voorbeeld moeten stellen, een strenge les geven, geschiedt dit liefst op den rug van den kleinen vreemde. Men kent de geschiedenis van den jongen prins, die een page tot speelmakker had gekregen; het was regel dat, als de prins een fout beging, de page er zweepslagen voor opliep.
Naarmate Katya grooter werd, maakte haar meesteres van haar voor eigen dienst gebruik, als kameniertje. Het scheen wel of haar lot zich zou verbeteren. Het tegendeel was waar. De dames-eigenaressen van slavinnen zijn zelve niets meer dan groote kinderen, even nukkig als de kleine, maar heftiger en willekeuriger. Katya, al aardig opgewassen, een mooi meisje van ongeveer tien jaar, begon door de mannen opgemerkt te worden, die ongetwijfeld niet nalieten der meesteres een complimentje over haar te maken. Deze ging toen hoe langer zoo minder van haar houden. Ze liet geen gelegenheid ontsnappen om haar hard te behandelen. Als ze bijvoorbeeld een beetje langzaam was in het aandoen der laarsjes van mevrouw, schopte deze haar, zoodat ze met het gezicht tegen den grond viel.
Zij sliep, als een hond, op een vloermat, aan de deur. Wee haar, als men ze ’s nachts hoorde snikken. Ofschoon zoo jong nog aan het ouderlijk huis ontvoerd, had ze er niettemin een levendigen indruk van bewaard; herinnerde ze zich haar dorp, de bosschen, het meer, haar kameraadjes nog zeer goed; bracht ze zich den zonnigen tijd van vriendelijke behandeling en vrij-zijn, de liefkoozingen van haar armen grootvader, op wiens schoot zij zoo dikwijls in slaap was gevallen, herhaaldelijk te binnen! Deze beelden zijn haar altijd bijgebleven, en thans nog, na verloop van veertig jaren, even levendig bij haar. Hoe ver-af dit verleden ook zij, het is haar steeds lief! Het is voor haar de eenige werkelijkheid in dit leven geweest, en al het overige slechts een benauwde droom.
Het was al donker, en het regende. Een voorbijgaande dame hoort een kind weenen en treedt naderbij. Verwonderd, daar dit meisje te vinden, zoo groot al, en mooi als een engel, spreekt ze haar toe, maar krijgt slechts tranen tot antwoord. Het kind verstond geen twee woorden Fransch. God had echter ontferming met haar gehad. De dame was mevrouw Leroy, zuster van den schilder Belloc. In haar medelijden neemt zij Katya meê met zich naar huis, tevens uit verontwaardiging over de wreedheid, waarmeê men een ongelukkige van dien leeftijd, door haar schoonheid natuurlijk nog meer gevaar loopende, in een groote stad bloot kan stellen aan de kwade kansen van den nacht. Zij houdt haar bij zich, geeft haar een opvoeding, leert haar onze taal en behandelt haar met een zachtheid, zooals zij na haar ouderlijk huis nooit meer ondervonden had.
Toen mevrouw Leroy later Parijs verliet, stelde zij haar in handen van twee vriendinnen, die zij meer dan andere liefhad en hoogachtte. Waarom zou ik ze niet noemen en hier niet een der aangenaamste herinneringen levendig houden, welke ik aan deze beminnelijke vrouwen heb bewaard? Het waren de energieke, verstandige mevrouw de Montgolfier, toen een tachtigjarige, de vrouw van den uitvinder der luchtballons, en haar waardige dochter, een groote schrijfster, die nooit iets uitgaf om de aandacht op zich te vestigen en haar werken bijna nooit met haar naam teekende. Men stelle zich voor, hoe goed deze laatste, met haar warm en teeder hart, voor Katya was. Het jonge meisje moest met groote behoedzaamheid verzorgd worden, had zèlve eerder behoefte aan bediening. Ze was heel wat grooter geworden en zeer zwak. De minste last, dien ze had te tillen, een trap, die ze op moest, bracht haar buiten adem. Men vermoedde, dat ze een hartaandoening had.
In zulke goede handen gevallen, en als een kind, een kleinood dezer dames behandeld, was het toch niet moeilijk op te merken, dat haar familieherinneringen haar altijd vervolgden, dat niets haar die kon ontnemen, dat ze met haar gedachten altijd in Rusland was, altijd aan de oevers van het vaderlandsche meer, vanwaar men haar gewelddadig had weggevoerd. In werkelijkheid had ze haar geboortegrond nauwelijks verlaten. Haar geest had zich maar middelmatig verruimd (ofschoon ze het Fransch met merkwaardige gemakkelijkheid kon spreken); haar hart evenwel was, misschien te sterk zelfs, ontwikkeld, maar alleen ten bate van de herinneringen aan haar kindsheid, die nooit bij haar konden opkomen, zonder dat zij tot tranen geroerd werd.
Beide dames, de goedheid zelve, besloten, in overleg met de haar bevriende mevrouw Belloc, alle mogelijke stappen te doen om haar familie op te sporen. Zij werden hierin door het Russisch gezantschap bereidvaardig gesteund, doch men kon niets uitvinden. De aanduidingen, welke Katya kon geven, waren te vaag en verward.
Het was ongeveer 1823. Ik zag haar toen eens bij deze dames. Het was de éénige maal, dat ik haar ontmoette. Ik herinner mij levendig den indruk, dien zij teweegbracht op de vreemdelingen, die in het salon waren, toen zij binnentrad. Eerst liet zich een algemeene uitroep van bewondering hooren, weldra bedwongen, maar vervangen door een soort van verteedering. Zij was vrij groot, zichtbaar zwak; in haar jonge, sierlijk gevormde armen, ofschoon eenigszins mager voor een meisje van twintig jaar, droeg ze, een weinig naar voren gebogen, een blad met kopjes thee beladen. Zij scheen onder den lichten last gebukt te gaan, zooals een populier doorbuigt voor het zachtste blazen zelfs van den wind. Zij glimlachte over haar zwakte en wekte het denkbeeld, dat zij er zich over verontschuldigde.
Men voelde de neiging bij zich opkomen er verschooning voor te vragen, dat men zich door haar liet bedienen. Haar bevalligheid, haar manier van spreken, haar schoonheid, merkwaardiger door de lijnen dan door frischheid, wekte de gedachte aan een Russische prinses, die zich verkleed had. Maar de reinheid van haar oogen, gepaard aan den blik van goedheid en teederheid, gaf een gansch àndere bekoring dan doorgaans uitgaat van aristocratische vrouwen.
Deze uitdrukking van goedheid, zachtheid, inschikkelijkheid, moedigde de onbeschaamde vermetelheden maar al te zeer aan, en dit was voor ’t arme meisje een reden tot voortdurende verlegenheid. De lichtzinnige jonge mannen, de zoogenaamde “geluksvogels”, bedroefden met hun onbescheiden achtervolgingen dit gebroken hart. Zij had een rein, liefdevol gemoed (zonder er zich zelve van bewust te zijn); sexuëelen hartstocht kende zij niet; in dit opzicht was ze koud als het ijs van de poolstreken. Het leek wel of zij was blijven staan op den leeftijd, toen men aanving haar een opvoeding te geven.
Zij hield er veel van zich af te zonderen. Uit eigen beweging, zonder priesterlijken aandrang, ging zij dikwijls naar de kerk. Haar mystieke aanleg zou zich zeker welig ontwikkeld hebben, als ze maar wat beschaafder was geweest. Zeer waarschijnlijk om meer alléén te kunnen zijn, zich vrij aan haar droomerijen en haar gebeden te kunnen wijden, verliet zij haar dienst, huurde een kamertje en werd naaister. Moeilijke broodwinning te Parijs, waarmeê de vrouwen slechts weinig verdienen. Af en toe, wanneer ze geen werk had, trad ze weêr in een of anderen dienst. Maar zoodra ze er toe in staat was, keerde ze tot haar eenzaamheid terug, die haar, met het uitzicht op de daken der Parijsche huizen, veroorloofde altijd te droomen van de woeste streken van haar geboortegrond en van haar verloren familie.
Haar beschermsters, die haar nooit uit het oog lieten gaan, hebben haar dikwijls aangeraden te trouwen. ’t Ontbrak nooit aan pretendenten. Maar steeds verwierp zij ’t huwelijk, ’t zij omdat ze, evenals alle zwaartillende harten, vreesde daarin troost te zullen vinden, ’t zij omdat de fatsoenlijke, maar misschien eenigszins grofgenatuurde, doch overigens goede mannen haar fijngevoeligheid afschrikten en weinig beantwoordden aan haar vage poëtische neigingen. Terecht of misplaatst, ze geeft altijd den indruk van een vrouw van beschaving, zelfs een dame uit de groote wereld te zijn, vol waren adel en zachtzinnigheid. Niets van trots, noch van onderdanigheid. Eén enkel iets herinnert aan haar verleden, namelijk dat ze, wanneer zij haar weldoensters bezoekt, van wie ze veel houdt, haar nederig de handen kust, op de wijs van Oosterlingen.
De jaren doen het hunne. De mooie Katya moet nu zoowat zeven-en-veertig jaar zijn. Laatstelijk heeft zij het gezelschap gezocht van een achtenswaardige vrouw, die, op tachtigjarigen leeftijd, nog van haar handenarbeid leeft. Deze, vrouw Paul genaamd, een arme werkster, mismaakt en een dwerg, deelt haar woning met haar. Ik weet niet, hoe zij ’t aanleggen, maar bij al haar armoe, vinden zij nog gelegenheid om haar misdeelde buren bij te staan.
Vóór eenigen tijd werd het hart van Katya op een merkwaardige proef gesteld. Zij ontmoette op straat een bejaarde dame, die zij meende te herkennen, maar die schamel gekleed was, met een versleten sjaal en een ouden hoed. Zonderlinge ommekeer der dingen! het was haar vroegere meesteres, nòg armer geworden dan zij zelve was. Katya gaat naar haar toe, groet haar, kust haar de hand; de oude vrouw, zichtbaar ontsteld en van streek gebracht, stamelt uit een overkropt gemoed eenige woorden over het haar overkomen ongeluk en de ellende, waarin ze verkeert. “O, mevrouw,” roept Katya uit, zich tegenover haar uit de volheid van haar goede hart weêr dienstbode voelend, “u blijft altijd mijn meesteres, en wat ik bezit is het uwe.” Dienzelfden dag verliet zij haar woning, met al haar spaarpenningen bij zich, en stelde die in handen van de oude dame, die niet anders kon dan stille tranen weenen.
De lezers zullen er zich misschien over verwonderen, dat wij, in een werk van zoo kleinen omvang, waarin wij de lijdensgeschiedenis van Rusland slechts verhalen om tot de martelaarsschappen te komen, die er het gevolg van zijn, zoo lang hebben stilgestaan bij het leven van dit meisje.
Wij antwoorden, dat de volledige kennis van één enkel lotsgeval ons beter heeft ingewijd in de geschiedenis van het Russische zieleleven, dan eenig verhaal, eenig boek, eenige mededeeling ooit zou hebben bereikt.
Rusland is één lijden, dat blijkt maar al te duidelijk. Tot hoever is de ziel van ’t volk er door aangetast? Dat is de vraag. Die ongelukkigen stellen tegenover de slagen, de beleedigingen, een schijnbare ongevoeligheid. Men kent hun taal heel weinig. En, kende men haar, in hun zoo gewettigd wantrouwen tegen de standen, die hen overheerschen, zouden zij zich wel wachten hun hart bloot te leggen. Hun bestaan is zóó onzeker, hun dierbaarste banden zijn zóó weinig hecht, dat zij erg vreezen te zullen mishagen, en wie hen ook bezoekt, treft hen altijd aan met een glimlach op de lippen. Zij zijn er bang voor om ongelukkig te schijnen en vragen haast vergiffenis voor ’t kwaad, dat men hun aandoet. Hoe zal ik de ware beteekenis weêrgeven, de heimelijke gedachtenkring van een wereld, die zich niet uit? Ternauwernood zal ik er iets van kunnen voelen in de zoo diep-treurige melodieën, die deze oogenschijnlijk vroolijke man doet hooren, wanneer hij alléén is, als hij zijn grond bewerkt, of ’s morgens zich ver in zijn uitgestrekte bosschen begeeft.
Katya was voor mij de openbaring van een gansche wereld. Haar alleen maar te zien en van haar levensloop kennis te krijgen, verklaarde mij tal van dingen, waarvan ik gelezen had zonder ze te begrijpen.
En haar eenmaal ontmoetende, en die keer was de eenige, vond ik niets anders dan dit woord: Gebroken hart.
Dit is het juiste woord voor den zieletoestand van den Rus.
Wij generaliseeren hier niet lichtvaardelijk. Wij hebben de zaak tal van malen bestudeerd.
Er is geen jaar voorbijgegaan, waarin wij er niet van nieuws af-aan onze aandacht aan schonken. En sedert de meer dan vijf-en-twintig jaren, gedurende welke deze oplossing nader door ons op de proef werd gesteld, is zij ons nòg de eenig juiste gebleken.
Wij leerden toen Rusland kennen, den waren zedelijken grondslag, waarop het volk staat, en daarmeê een dusdanige hartebreking, dat niets er zich meê kan vergelijken.
Het Poolsche volksbewustzijn is ongelukkig—maar ’t is niet gebroken; integendeel, ’t heeft nieuw leven ontvangen door het besef van zijn martelaarschap.
De Oostersche dienstbaarheid geeft evenmin eenig denkbeeld van dit gebroken-zijn. Niets is ongerijmder, dan, gelijk men gewoonlijk doet, Rusland met de Oostersche wereld te vergelijken. De Aziatische rijken, zelfs die het willekeurigst bestuurd worden, genieten veel meer van de vrijheden, waarop de mensch van nature recht heeft.
Azië verkeert over ’t algemeen in een toestand van ontspanning, van onzekerheid, zelfs in wat het nog barbaarsch doet zijn; Rusland, tot brekens toe gespannen, is met voorbedachten rade, op wreedaardige wijs tot lijden afgericht.
Wat het voor gruwzaams heeft is dit, dat het eenige waaraan Rusland hecht, de gedachte die alleen door zijn brein woelt, de uitsluitende liefde welke het in zijn hart koestert,—dat dit alles vereenigd schijnt om het telken ure ten val te brengen.
Een éénig verschijnsel, wij herhalen het, zonder ’twelk het Russisch zieleleven leeg is, een met zegelen gesloten boek, tot welks inhoud zelfs het scherpste oog niet kan doordringen.
Wat is dit? Is het de politieke idée: de Staat? Geenszins.
De Staat is niets voor den Rus; hij kent slechts zijn Gemeente, of, zoo hij iets van een Staat vermoedt, dan lijkt het een dichterlijke droom, die op verren afstand verplaatst.
De godsdienst is louter van uitwèndig belang voor hem; hij is vol vromen eerbied voor het beeld van den een of anderen heilige, maar deze zelf betéékent niets voor hem, hij mist het geloof. Niets is onbegrijpelijker dan de verschillende uitleggingen, die hij aan het Christendom geeft; hij miskent het in zijn gehéél.
Het eigendomsrecht, dat voor de Westerlingen zooveel waarde heeft en hen zoo vervult, is niets in de schatting van den Rus. Maak hem bezitter, en hij keert onmiddellijk tot zijn communistische begrippen weêr.
Waarvoor de Rus alléén iets voelt, dat is voor zijn gezin; de rest kan hem niet schelen.
Al dat overige, zelfs de gemeenschap, heeft voor hem slechts waarde, voorzoover de hardvochtige politiek aan zijn oorspronkelijk bestaan, als lid eener familie, iets heeft toegevoegd. Den meester en den oppersten der meesters, hij kan hen zich niet anders voorstellen dan van het familie-standpunt, deze benamingen door andere, zoo liefelijk klinkende, weêrgevende van vadertje, grootvadertje, enz.
Het paradijs van den Rus is zijn goed gesloten en verwarmd huis, waarin hij acht maanden lang, een grof kleedingstuk wevende en er zijn behagen in vindend voor de behoeften van zijn gezin te verbouwen en te timmeren, boven op zijn kolossalen oven leeft, terwijl de scherpe, van Archangel overwaaiende Noordenwind, langs de kleine woning heenstrijkt, zonder de minste opening te vinden tusschen de dicht aaneengeplante boomen, met mos toegestopt en die het nestje zoo goed sluiten.
Het helle-bestaan voor den Rus is de gewelddadige verbreking van zijn familiebanden. De “heer” kan door zijn machtwoord alles verstoren. Dit is de oorzaak, dat de ongelukkige zoo voor hem kruipt. Tot zelfs de ingewanden behooren aan den heer. Men neme hem zijn vrouw of zijn dochter, hij kan er niets aan doen; men ontneme hem zijn jonge kind, hij heeft het maar goed te vinden.
En eindelijk, als men hem zelf oplicht, hem op een noodlottigen morgen vat, haar en baard afscheert, in boeien slaat en naar de mijnen voert, of naar de fabrieken, of bij het leger inlijft, hij kan er wederom niets tegen inbrengen. Zijn vrouw, hoe afschuwelijk zij ’t ook vindt, is verplicht met een ander man te bed te gaan. Immers, zij is niets anders dan een stuk bezit; en dat mag niet ongebruikt blijven. Zij moet, evenals de grond, ieder jaar voortbrengen, zooveel mogelijk lijfeigenen telen, al wordt ze ook in wanhoop bevrucht.
