V. Siberië.
S. J. Bouberg Wilson translation
Men heeft dikwijls gesproken van de martelaars van Siberië. Maar waarom ze afzonderlijk te noemen? De scheidingslijn is geheel denkbeeldig. Behalve een verscherping van kou, is Siberië overal in Rusland, het begint bij den Weichsel.
Men spreekt van veroordeelden. Maar iedere Rus is een veroordeelde.
In een land waar de wet, die slechts een bespotting is, geen ernstig oordeel kan vellen, zijn allen veroordeelden of is niemand het. Er is geen onderscheid te maken tusschen lijden en kwelling.
De algemeene kwelling is niet het een of ander stoffelijk kwaad, het is ’t breken van het hart, het is de zedelijke angst van een bij voorbaat gebroken ziel wegens de mogelijkheid van een oneindigheid van rampen. In deze zoo hardvochtige wereld, waar alles de onbewegelijke stijfheid schijnt te hebben van het ijs, is niets vast; in werkelijkheid is alles vol van wisselvalligheid en twijfel.
Allen zijn veroordeelden, zeggen we. De lijfeigene is het niet zoozeer door zijn dienstbaarheid en zijn ellende, als omdat hij niet zeker is van zijn ellende-zelve. Morgen kan alles voor hem veranderen, hij kan worden weggevoerd naar het leger of de fabrieken, zijn vrouw aan een ander gegeven worden, zijn gezin verspreid worden.
De soldaat is een veroordeelde, niet alleen omdat hij den een of anderen morgen, uit zijn huis opgelicht, overgeleverd wordt aan de voortdurende afranseling, die men militairen dienst noemt, maar ook omdat hij niet weet wanneer het uur van zijn bevrijding zal slaan. Vroeger na dertig jaren, tegenwoordig na twintig: zoo luidt de wet. Maar wat beteekent de wet in Rusland?
De officier is een veroordeelde. Tegen wil en dank volgt hij den harden, eentonigen weg van een eeuwigheid van exercities, parades en telkens weêrkeerende garnizoensveranderingen. Ongelukkige oorlogsmonnik, terwijl zijn fortuin hem riep naar de genietingen van de wereld! Maar, als hij niet in dienst treedt, wat zal er dan gebeuren? Dan is zijn familie voortaan verdacht, kan zij geruïneerd, van haar rang ontzet worden, en hij-zelf, hij is verloren.
Verloren? Wat beteekent dit woord? Gedood?
Maar klaarblijkelijk is het iets ergers dan gedood, omdat een officier aan den oorlog deelneemt, zich laat dooden als ’t moet; anders, zegt hij, zou hij verloren zijn.
De lijfeigene, die voor het leger gevat wordt, zegt: “Ik ben verloren!” Hij staat op de onderste trede van het ongeluk, en kan niet lager dalen. De officier kan wel dieper zakken. Hij heeft nòg iets te vreezen, en wat hij méér vreest dan den dood: Siberië.
Met den lijfeigene soldaat te doen worden, heeft men slechts zijn lichaam genomen; over zijn hart bekommert men zich weinig. Maar wat den officier aangaat, van hem wil men de ziel; de opgaaf, welke het Russisch gouvernement zich stelt, is te weten te komen op welke wijs zich meester te maken van de ziel van een mensch, die door een ondragelijk leven onverschillig is geworden voor den dood.
Men heeft deze ziel vroegtijdig verstompt in scholen, waar niets wézenlijks onderwezen wordt, een weinig, maar heel weinig van practischen aard, en niets van moreel belang; in-dier-voege, dat de wanhopigste verveling haar drijft tot ontzenuwende genietingen, welke haar nog meer verstompen. Maar deze dubbele operatie is niet altijd in staat een sterke ziel uit te blusschen. Wat zij menschelijks zou kunnen overhouden, moet bedwongen, ten onder gebracht worden door vrees van moreel gehalte. Welke? Die voor een onbekende straf.
De inquisitie der katholieke kerk beschikte, behalve over onderaardsche kerkerholen en foltertuigen, om de stoffelijke kwellingen te voltooien, nog over een moreele straf: de eeuwige hellepijnen, de oneindigheid van haar duur. Rusland heeft evenzeer zijn hel, de oneindigheid van ruimte, de verschrikking van de woestenij, van het ledig.
Een oneindigheid van lijden is een gevolg van het klimaat. Een onmeêdoogend klimaat; eenige graden méér beneden het vriespunt zijn voldoende om den dood te veroorzaken.
Als de Rus, zelfs in zijn eigen woning, acht maanden opgesloten naast zijn oven, in een gloeiend verhit vertrek, nauwelijks de woede van den fellen Noordenwind weet te verschalken, hoe moet het dan niet zijn in dit tweede Rusland, waar de kou brandwonden doet ontstaan, waar het staal als glas afknapt, waar de honden, die de sleden voorttrekken, zouden omkomen, als hun buik en pooten niet omwoeld waren met bont?
Daar aan te komen zonder hulpmiddelen, zonder beschutting, zou slechts verlossing geven; men zou sterven. Men mag er echter niet spoedig dood gaan. In een klein fort onder dak gebracht, te midden van een bevroren woestenij, met een houweel zwoegende of tot kruiwagenstraf veroordeeld, gevoed met zure melk en bedorven visch, twee, drie jaren lang, soms langer, dan sterft gij wel onder zulke omstandigheden.
Maar voor hen, die niet zulk een afschuwelijk lot hoeven te ondergaan, die nog een halve-vrijheid genieten, een leven, dat stoffelijk ten minste bijna te dragen is, is de zedelijke uitwerking nauwelijks minder verschrikkelijk. Al is Siberië voor hen geen oneindigheid van lijden, zoo is het er toch een van vergetelheid, waar zij zich voelen verdwijnen, afsterven voor de wereld der menschen, voor hun familie en hun vrienden. Zijn naam verliezen, zich numero tien, numero twintig hooren noemen, en, als het huwelijksleven voortgezet mag worden, kinderen te verwekken zonder naam, een beklagenswaardig ras, dat zich zal voortplanten in eeuwige ellende: barbaarsche uitbeelding van de barbaarsche leerstelling van de zonden der vaderen! De verloren mensch verliest zijn kinderen; verdoemd, verdoemt hij hen, en, door een hardvochtig crescendo, komt het voor, dat de kinderen van een tot twintig jaren arbeid in de mijnen veroordeeld man, mijnwerkers zullen zijn veertig, vijftig jaar lang, tot aan hun dood toe, hun kinderen nog na hen, en heel hun nakomelingschap.
Siberië sleept de ontaarding mede niet alleen van de menschen, maar ook van de voorwerpen, die er heen worden gevoerd. Een klok werd er naartoe gebracht, omdat ze alarm had geluid bij een oproer. Kanonnen werden er naartoe gebracht, en ontvingen te Tobolsk knoetslagen. De vernedering moet wel zeer ernstig zijn voor de mènschen, in een land waar een pak slaag naar welgevallen wordt uitgedeeld.
Hadden de ballingen niets anders te vreezen dan den geheelen ommekeer in hun levenswijs, den overgang van een slap, Aziatisch bestaan tot een van zwoegende arbeiders, dan zou dit reeds voldoende zijn om Siberië tot den afschrik der Russen te maken. Hun weekelijkheid verdraagt ternauwernood het leven dat gezeten lieden in het Westen van Europa leiden. Een Russische dame bekende mij eens niet hier te Parijs te kunnen blijven; tallooze veraangenamingen, die haar eigen land aan de hand deed, ontbraken haar; de bediening door onze dienstboden leek haar te plomp, hun stemmen klonken te hard en te aanmatigend; zij kon de natuurlijke verhoudingen niet verdragen, die in een wereld van gelijkheid ontstaan. Zij had behoefte aan de vleierijen van haar kameniers, haar voorkomendheden, aan de genegenheidsbewijzen van haar voedster, aan een leven in sterk verwarmde vertrekken en badkamers, de lauwe atmosfeer van het Russisch huis. Wat zou er van die arme vrouw terecht zijn gekomen, indien ze, inplaats van den tocht naar Parijs, welken zij zoo pijnlijk vond, dien naar Tobolsk had gemaakt?
Er bestaat een overlevering in Rusland, dat Catharina (of misschien een der keizerinnen, die haar vooraf gingen), aan zekere groote dames, om haar trots te breken, soms bevel zond zich zelven, in haar paleis, door haar dienstboden te laten geeselen. Het hoofd der geheime kanselarij zei dit bevel van hooger hand eerbiedig aan, maar bleef getuige van de uitvoering. Als de patiënte de vernederende behandeling had ondergaan, bracht zij haar toilet weêr in orde, zich gelukkig rekenende er tot dien prijs van af te komen en aan de verbanning naar Siberië te zijn ontsnapt.
Men oordeele eens inderdaad over al de afschuwelijkheid, die er voor een arme, vreesachtige vrouw in gelegen is, uit haar paleis te worden weggerukt, beroofd van al haar weelderige overdaad, van haar eeuwigen zomer, en misschien nog wel des nachts in een met ijzer beslagen koets te worden geduwd voor een tocht van vijftienhonderd mijlen!... Of misschien gedwongen te worden, zij die nooit geloopen heeft, die afgrijselijke reis te voet af te leggen, onder zweepslagen, al bedelend, onder weg slechts aalmoezen ontvangend van de liefdadigheid der lijfeigenen!...
Op welke manier zij dan ook trekken, het is in waarheid, voor een vrouw, een verschrikkelijke straf alléén te moeten weggaan, met achterlating van haar man, haar kinderen, alles wat zij liefhad, alléén, in den nacht, in het ruwe Noorden en in den winter, met de verschrikking van de onbekende toekomst. Van Europa over te gaan naar Siberië, staat gelijk met in het ijdel niet te vervallen. Een leegte van menschen, een leegte van gedachten. Een uitgestrekt niets, zonder verleden, zonder tradities, zonder geloof (behalve dat aan hekserij). Een leegte, zoo volkomen, zoo volslagen, dat zelfs de godsdiensten, die er zijn binnengedrongen, het Tartaarsche Mahomedanisme bijvoorbeeld, er hun leerstellingen, hun overleveringen, hun waas van heiligheid verliezen, er verbleeken, weggewischt worden, tot niets verdwijnen, evenals de onzichtbare zon van Siberië.
Weinigen bieden weerstand aan deze droef-stemmende macht der ontkenning. Opgaande in dit uitgestrekte niets, vervormen zij zich naar het beeld daarvan en worden ten slotte ook een niets.
