← Table of contents
Martelaren van Rusland

IV. De Minotaurus.1 Over het Leger als Strafmiddel.

S. J. Bouberg Wilson translation

Eén feit is ten opzichte van het Russische leger welsprekender dan alle woorden. Het is de schaarschte aan mannen in Rusland. De vrouwen zijn er klaarblijkelijk veel talrijker, en, wat dit het duidelijkst aantoont, zijn de ongelijke huwelijken, waartoe men ze verplicht: men laat dikwijls een jongen van twaalf jaar trouwen met een vrouw van vijf-en-twintig of dertig, liever dan haar weduwe te doen blijven.

Het gering aantal mannelijke wezens is niet de schuld van de natuur, maar van de regeering; het is ’t gevolg van de buitensporige verkwisting van mannen ten bate van het leger. In Rusland bestaan niet die menigte van uitputtende of den dood brengende ambachten, die, zooals bij ons, zooveel werklui ten grave sleepen. De Russische lijfeigene beult zich niet af; hij werkt op zijn gemak en langzaam, nooit met dien verterenden koortsgloed van de mannen in de Westersche wereld.

Hij verzuimt, als iets van minder waarde en dat zonder twijfel zijn aandacht niet verdient, rekening te houden met zulk een verschrikkelijk misbruiken van menschenvleesch.

Het ongehoord sterftegehalte heeft voornamelijk drie oorzaken: 1o. is de Rus physiek (door zijn ras, zijn levenswijs, zijn opvoeding) de voor den militairen dienst minst geschikte man; 2o. vervult hij zijn dienstplicht tegen zijn zin, sterft hij van hartzeer en heimwee; kan hij zich nooit troosten over het verlaten van zijn geboortegrond en zijn familie; en 3o. wordt hij nooit met die behoedzaamheid behandeld, waardoor hij aan zijn lot went en het aanvaardt; hij wordt onverhoeds verplaatst van de eene levenswijze naar een andere, gansch tegenovergestelde.

Een opmerking is misschien de aandacht waard der physiologen, namelijk dat dit ras, in vergelijking met de andere in Europa, weinig gevormd schijnt, niet rijp in zijn ontwikkeling, nog kinderlijk is. De gelaatstrekken zijn dikwijls innemend, maar de hoofden zwak, de hersens onbevattelijk, het denken gaat niet diep. Men ontmoet in grooten getale mooie grijsaards, met rozige wangen; witgebaarde mannen, die nog jong lijken, en niet juist eerbiedwaardig zijn.

Bij de Russen doet, evenals bij kinderen, het minder georganiseerde, slechts zwakjes gecentraliseerde leven, onophoudelijk wonderbaarlijke levens ontstaan: ik bedoel insecten; zij worden namelijk door wormen opgegeten.

Het schijnt dat zij koud bloed hebben, of dat zij water in hun bloed hebben. Zij drinken ongestraft hoeveelheden brandewijn, waardoor menschen van hartstochtelijker geaardheid, met voller, krachtiger bloed, inwendig zouden verbranden.

Onze Westersche nationaliteiten, die zooveel hebben doorgemaakt, bezitten een karakter van krachtige degelijkheid, aan Rusland onbekend. De Rus is voor ons, wat voor den olm, den eeuwen-ouden eik de slanke populier is, een hoog spoedig opschietend gewas, als ’t ware onvoorbereid door de natuur geschapen. Deze of gene Engelschman, ros van haren en met vleesch gevoed, uit ouders gesproten, die ijzer gebeukt hebben en die van smeden zijn opgeklommen tot mechanici, zoo’n man alleen heeft pit in zich voor vijftig Russen. De sobere Fransche boer, vol van kracht en gezond verstand, die zijn winter in de open lucht doorbrengt, terwijl de Rus acht maanden lang bij zijn oven zit uit te drogen, zou heel wat beter dan hij een legering onder den blooten hemel van den Kaukasus verduren. Die boer is, in zeven jaar, een even goed geoefend soldaat, als de Rus in twintig, en bovendien heeft hij een kijk op de dingen, een levendige en krachtige manier van opmerken en handelen, van een besluit te nemen, welke de Rus nooit heeft. Deze, zelfs wanneer hij een flink soldaat is geworden, doet zelden iets uit eigen beweging.

Ziet eens, op eenzelfden dag, naar twee dorpen, in Frankrijk en in Rusland, den dag van het vertrek der rekruten. De Fransche dienstplichtige hecht linten aan zijn hoed, en, ofschoon hij dikwijls zou willen huilen omdat hij zijn familie verlaten moet, drinkt hij en tracht vroolijk te zijn. De Rus werpt zich op den grond en trekt zijn baard uit. Door zijn heer aangewezen, meestal voor straf, zou hij als kolonist naar Siberië kunnen gezonden zijn; maar hij is er nog slechter aan toe, hij wordt soldaat gemaakt. Een verschrikkelijk iets voor een man, doorgaans gehuwd, vader van verscheiden kinderen, en al dertig jaar en ouder. Want tot zijn veertigste jaar kan de boer ingelijfd worden, en blijft hij in den treurigsten angst omtrent zijn lot.

De jaarlijksche lichting van soldaten door heel het rijk heeft volkomen het karakter van een algemeene drijfjacht op arme wilde dieren, door de honden naar één plaats gejaagd. Om den ketting, waaraan ze allen, geschoren en kaal geknipt, bevestigd zijn, rent voortdurend de Kozak heen en weêr, als een ware wachthond van deze rampzalige kudde. Hij, de eenige in het rijk, wiens vrijheden eenigszins geëerbiedigd worden, wordt soldaat geboren, en, verre van schatting te betalen, ontvàngt hij geld van den keizer. Vleeschverbruiker, voortvarend en ruw, ziet hij met medelijden neêr op die half-gevoede Russische boeren. Zijn klein, leelijk, slechtgebouwd paard, maar vlug, onvermoeid, maakt een deel uit van den ruiter. De Kozak, de voor alles bruikbare onderdaan, weet wonderwel partij te trekken van het rijk. Visscher, jager, koopman, handelaar in rariteiten en tolbeambte, bestrijdt hij de smokkelarij, maar uit beroepsnijd en om zelf alléén te kunnen sluiken.

Wie kan het ontzettend getal stokslagen tellen, die noodig worden geoordeeld om een goed Russisch soldaat te vormen? Wie wel eens in het bad gezien hebben Russen van elken stand, maar vooral soldaten, de oude grenadiers van de garde, stonden verbaasd over hun rug vol naden, wreedaardig opgesmukt met litteekens.

Die dappere mannen, die slechts wònden hadden van voren, vertoonden van achteren de afgrijselijke merken van de krijgstucht, en oude krijgers, eerbiedwaardige mannen, werden, na aan honderd veldslagen te hebben deelgenomen, om de geringste kleinigheid afgeranseld.

Neen, barbaren, dàt is geen militaire opleiding. De Russische discipline, naar uw eigen officieren dikwijls verzekerd hebben, is een afschuwelijk kazernemonnikwezen, een harde kloosterregel, waarbij de kleinste fouten, die niet eens fouten zijn, zoo wreed worden gestraft, dat men geen kastijding meer kon uitvinden voor de werkelijke fouten.

Het toppunt in dit opzicht, om het grillige en onmenschelijke ervan, bereikte de czarewitz Constantijn. Om een handschoen, die niet onberispelijk wit was, liet hij vijfhonderd stokslagen uitdeelen. De door vrees bevangen soldaten, zuinigden ondershands uit, om zelf handschoenen te koopen: die hun verstrekt werden, zouden hun, na tweemaal gewasschen te zijn, een pak slaag bezorgd hebben. “Ik ben niet gesteld op den oorlog,” zei Constantijn, “hij bederft den soldaat en maakt zijn uniform maar vuil.” En toen iemand, om een officier bij hem te ontschuldigen, zei: “’t is ten minste een man, die veel moed bezit,” riep hij uit: “moed? Wat kan me dàt schelen? Ik hou niet van moed.”

Hij onthulde met dit gezegde, in zijn naïeve brutaliteit, wat het gezag werkelijk denkt. Het bekommert zich in geenen deele om moed of energie. Heldhaftigheid, zelfs te zijnen voordeele, is verdacht. Men bewijst een slechten dienst aan de autocratie door een held te zijn. Wees een goed onderdaan, middelmatig en onderworpen, sta wat achteraf en wacht op bevelen,—dan is ’t in orde.

Als de regeering, die zoo hard is, naar verhouding ten minste rechtvaardig en flink was, zou het kwaad heel wat minder erg zijn. Tot nadeel van den soldaat echter is er in de administratie van ’t leger oneindig veel toevalligs, onregelmatigs, en heerscht het misbruik er; het gouvernement wéét dit, maar doet er niets tegen. Hoe kan het gezag, dat zoo sterk is, de oogen sluiten voor de monsterachtige winsten, welke men behaalt op de levensmiddelen, ja zelfs op het leven der menschen? Hoe heeft het de eenvoudige hervorming nog niet aangedurfd, sinds lang reeds overal ingevoerd, van nl. de administratie af te scheiden van het commando, door aan de kolonels de winstgevende verdeeling der levensbehoeften te ontnemen?

Ziedaar dan de ongelukkige soldaat, geslagen, slecht gevoed, slecht gekleed, gevoerd naar de toegangen tot de bergengten van den Kaukasus. De gewoonten zijner jonge jaren, die hierin bestonden, dat hij zich ’s winters (en de winter is zoo lang in Rusland) opsloot, zijn in wreede tegenstelling met de bivaks in het gebergte, de voortdurende afwisselingen van warmte en kou, van brandende zon en hagelstormen. Zijn huisvestingen, slecht ineengezet, bestáán dikwijls niet eens; ze zijn aangegeven op de kaart, waarop de keizer de krijgsverrichtingen volgt. Hij geeft bevel—’t is ongeveer vijf en twintig jaar geleden—een fort te bouwen, geeft daar jaarlijks geld voor en laat het werk met ijver doorzetten. Generaal Woronzoff, die evenals de keizer dacht dat het fort bestond, zendt er een bataillon heen; men zoekt er lang naar: nergens een fort te bekennen. Eindelijk vindt men echter een bordje, waarop zijn toekomstige plaats stond aangegeven. Het bataillon sliep in de sneeuw der bergen.

Ik zal geen kwaad van den Kaukasus zeggen, noch van zijn krijgshaftige bewoners, die niet alleen de meerderen zijn van de Russen, maar van alle volkeren der aarde. De Tscherkessen bijvoorbeeld hebben, zooals men weet, aan Egypte de Mamelukken geleverd, die het een tijd lang beheerschten, en hoofden gegeven aan menigen Oosterschen staat. Bekijkt de vrij goede gravures maar eens, die overal voorhanden zijn. Het zijn blijkbaar koningen. Door hun zuiver koninklijke wapenen, hun klingen, die van geslacht op geslacht overerfden, hun geweren van platina, die nooit hun schot missen, hun bewonderenswaardige paarden, die, zonder teugel of stang, alleen gehoorzamen aan de stem van hun meester,—zijn zij voor de Russen, wat de adelaar is voor het schaap. Dikwijls verwaardigen zij zich niet hun vijand te dooden, zij achterhalen hem, in galop, met hun ongeëvenaard ros.

Zelfs de Kozak, hoe goed krijgsman hij is, maar zoo zonderling toegetakeld, en daarbij zaken doende, is een belachelijk wezen, vergeleken bij deze koningen van ’t gebergte.

Men moet zich niet verwonderen over het verdriet en den afkeer, welken aan de Russische officieren een oorlog veroorzaakt, waarin ze wel slaag krijgen, maar het niet teruggeven. Ze zijn er nauwelijks minder erg aan toe dan hun ongelukkige soldaten. Van adel en rijk, van kindsbeen af gewend aan genietingen, zijn zij al vroeg opgesloten in een militaire school, waar ze niets leeren. Niets is treuriger, akeliger dan in het dagboek van een officier te lezen, tot welk een wanhopige leegte, een ondragelijk nietsdoen de leerlingen van de cadettenschool te Warschau onder Constantijn (zijn de toestanden wel veranderd?), veroordeeld waren. Geen onderwijs, geen boek, geen vermaak was geoorloofd; alleen meisjes konden ze krijgen, zooveel ze wilden; uitstekende manier van doen om de lichamen uit te mergelen, de zielen te verlagen, goeie dienaars te maken en goeie onderdanen. Men vond hen voorbeeldig; men wenschte zich zelf al geluk, dat ze zoo gedwee waren geworden. Maar diezelfde jongelui, van wie men geloofde dat ze gedemoraliseerd zouden zijn, marcheeren op een zekeren morgen, ten getale van tweehonderd, met een ongelooflijke stoutmoedigheid, tegen een Russisch leger op, dat meende in het bezit te zijn van Warschau, brengen het volk te hoop en weten het hun zijde te doen kiezen.

Dit ras is, onder alle van de geheele wereld, het gemakkelijkst door vrees in bedwang te houden.

Verstaan wij elkaâr goed ten opzichte van deze uitdrukking, van het verschijnsel, dat men vrees noemt. Er is geen sprake van bangheid, ik beweer niet dat de Russen laf zijn. De vrees is een op zichzelf staand verschijnsel van de verbeelding. Het is de toestand, waarin iemand verkeert, die door een onweêrstaanbare macht meent beheerscht te worden, zooals b.v. van een natuurkracht. Men kan zich moedig gedragen tegenover de menschen, en het toch niet zijn, als men staat tegenover geheimzinnige machten.

Welnu, voor den moedigsten Rus is het gezag als een onweêrstaanbaar, natuurlijk noodlot. Zwak als enkeling, buigt hij zich onder de vage voorstelling die hij heeft van het kolossale rijk; hij onderwerpt er zich aan, hij voelt er den druk van bij de bevelen van zijn minste overheid. En het is maar niet een uiterlijk gehoorzamen: hij paart aan zijn fatalisme een godsdienstig gevoel, hij gehoorzaamt met vrome onderwerping.

Een uitnemend beoordeelaar, die, koel, als buiten de zaak staande, de dingen bekeken heeft, heeft deze opmerking gemaakt: de Rus en de Franschman, gelijkelijk dapper in het gevaar, vertoonen dit verschil: de Rus trekt zijn schako tot over de oogen en stormt erop los, zonder te zien; de Franschman gaat voorwaarts en kijkt het gevaar aan.

De Russen plaatsen in de gelederen slechts oude soldaten. Men mag aannemen, dat zij die blijven leven, die vergrijzen in een zoo harde krijgstucht, mannen zijn van ongewoon weêrstandsvermogen, zéér flinke soldaten. Men kan geen andere met hen vergelijken. Tegenover een dusdanigen vijand moet ieder Europeesch leger zich altijd versterken door nieuwe aanwervingen.

Is het Russische leger, dat vroeger dweepziek was, dit tegenwoordig nog? O, neen. Is het dan ten minste geestdriftig? Waarvoor zou het dit zijn? Dertig jaren lang onder de wapenen gehouden, ten aanschouwe van heel Europa, afgemat, verkild door eeuwig paradespel, gelooft het niet meer aan dien God van den oorlog, die altijd de wegen der diplomatie heeft bewandeld.

Niets heeft dit leger méér ontzenuwd dan de buitensporige geest van wantrouwen, welken een bezorgd toezicht er in heeft gebracht. Allen bespieden alles, letten op alles. Iedere officier leeft gestadig in de vrees door zijn buurman te worden verraden en voorkomt hem daarom heel dikwijls. De soldaat merkt dezen treurigen moreelen toestand van zijn chefs terdege op; hij behoudt den eerbied, niet de achting. De innerlijke gehoorzaamheid is er door geschokt.

Illustration from Martelaren van Rusland

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings