II.
S. J. Bouberg Wilson translation
Weinige jaren vroeger had een Duitscher, luitenant Mörtens, evenzeer uit Russischen dienst getreden, schrijver van een klein boek over de buitenlandsche aangelegenheden van Rusland, zich te Dresden metterwoon gevestigd. Wie zou niet gedacht hebben, dat hij in deze stad, onder ’t oog van Duitschland, zich in veiligheid bevond? Niettemin is hij, zonder eenig spoor van zich na te laten, verdwenen, en niemand heeft kunnen zeggen, wat er van hem geworden is (1829). Men gaf de schuld aan het Russisch gouvernement, en dit is er niet boos om geworden: het zoekt immers zijn voordeel in vreesaanjaging!
Onze vriend, de heer Pernet, directeur van de Revue indépendante, was ook in ’t bezit van een pas, toen hij verraderlijk werd in hechtenis genomen. Men liet hem vrijelijk reizen tot Moscou. Daar, uit het gezicht van Europa verwijderd en ver van het Fransch gezantschap, nam men hem zonder voorwendsel gevangen. Geen enkele Rus, dien hij kende, durft voor hem in de bres springen. Men werpt hem in een onderaardsche kerkercel, op gelijke hoogte met den bodem der omringende grachten, zoodat hij den ganschen dag, door zijn traliën heen, het gezicht had op, en het ondragelijk gestommel hoorde van de barbaarsche terechtstellingen, die er plaats vonden. Men bracht hem daar onder de oogen lijfeigenen, welke de gedienstige keizerlijke politie zich belast voor hun meesters af te rossen. De smartkreten, de pijnlijke klachten, de stokslagen, die de beenderen doen kraken, de woedende geluiden der bij hun dienst tierende beulen, dit alles vormde voor hem een helsch schouwspel, dat hem ’t harte brak, en op verschrikkelijke wijze zijn oogen, zijn ooren en langzamerhand ook zijn hersenen aandeed. Aan zijn tralievenster vastgeketend, zonder er zich van te kunnen verwijderen, voelde hij zich reeds in twee dagen als verstompt worden; zijn gedachten ontsnapten hem... Maar erger werd het nog, toen men twee jonge meisjes van twintig jaar, half naakt, voorbracht, welke haar meesteres, een furie, wreedaardig liet geeselen! Het waren twee ongelukkige mode-naaistertjes, die, niet wetende dat ze lijfeigenen waren, tijdens de afwezigheid harer gebiedster haar geliefden bij zich ontvangen hadden. Zij liet ze door karwatsen stuk rijten. Zij gilden om genade en krompen ineen... Op het zien van die bloedende vrouwenlichamen met blootgelegde zenuwen, dreigde onze landgenoot flauw te vallen. Men hield niet eerder op, dan nadat een der jonge meisjes neêrgevallen was en op het punt van sterven... Pernet bestierf het zelf.
Was dit alles een toeval? Men moet Rusland niet kennen om het te gelooven. Men wilde den Franschman kapot maken, hem een sterken en duurzamen indruk van schrik geven. De vreemdeling heeft inderdaad aanleiding om na te denken, als hij ziet, dat de afstand tusschen den vrije en den aanhoorige zóó gering is, dat de minste politiedienaar den vrije kan arresteeren en doen afranselen. Deze naaistertjes waren géén lijfeigenen; waarschijnlijk waren ’t Fransche meisjes: alle modistes zijn dat.
Twee Duitschers, uit Rusland vertrekkend en den voet op een Engelsch schip zettend, vliegen elkander in de armen. “Goddank, mijn vriend!”—roept de een uit—“eindelijk kunnen we dan weêr eens vrij ademhalen!”
Ik weet niet of al degenen, die Rusland verlaten, zich aldus kunnen gelukwenschen. Het meerendeel laat er een aanmerkelijk deel van zich-zelven achter. Zij, die er eenigen tijd doorgebracht hebben, spreken er nauwelijks over dan met groote voorzichtigheid, ’t zij omdat ze iets van de verschrikking overhouden, die hen nooit verlaat, ’t zij omdat ze zich met dit vreemde land vereenzelvigd hebben, als ’t ware gerussificeerd zijn. Zij ontkennen niet, wat er in Rusland voor hatelijks of ontaards is; zij stemmen het toe, maar zonder het te laken. Aldus is hun zedelijke zin, verzwakt en ontzenuwd, niet meer dezelfde als bij andere menschen. Zij zijn ongeschikt geworden om een flink en ernstig oordeel te vormen.
Rusland bezit, behalve zijn verschrikkelijkheden, bovendien een macht die tot aanmerkelijke ontzenuwing leidt. Het voortdurende gebruik maken van warme baden en van dampbaden, de nacht en dag verwarmde huizen, de weekelijke zeden der Slavische landen, alles verslapt het zedelijk gevoel. Het hart, aanvankelijk door de barbaarsche kanten der slavernij gewond, heeft zich het zwijgen opgelegd; de zinnelijke kanten hebben de overhand gekregen. Hij, die eerst in opstand kwam, verontschuldigt weldra, en eindigt met alles heel zachtzinnig te vinden.
Een schrijver, die twintig jaar in Rusland heeft vertoefd, beschrijft de aandoening, welke zich van hem meester maakte, den eersten dag waarop hij vrouwen hoorde slaan. Haar hart-brekende en -verscheurende stemmen drongen tot zijn ooren door, tegelijk met allerlei kinderlijke klachten van een smartelijke naïveteit, met alle vleiwoordjes, waardoor het slachtoffer den beul tot zachtheid hoopt te stemmen. Het meisje: “Genade! medelijden! niet vandaag! ik ben niet wel! spaar me!”—De getrouwde vrouw: “Genade! ik ben zwanger!... Och, man, zacht toch!... Je zult twee schepselen vermoorden!” In één woord, alles wat pijn en vrees voor roerends weten te uiten.—Hij smolt in tranen. De prinses, vrouw van den huize, die hem in dien staat verraste en die dit niet kon begrijpen, zei tot hem: “Wat u zoo van streek brengt, daar zijt ge zelf de oorzaak van. U hebt gezegd, dat u zooveel van aardbeien hield; ik heb deze meisjes naar het bosch gestuurd, en ze hebben haar plicht zoozeer vergeten, dat ze in het dorp zijn gaan dansen.” Het was dus uit goedheid, tengevolge van haar beleefdheid voor den gast, dat zij haar tachtig bedienden liet geeselen.
De vrouwen zijn in Rusland veel talrijker dan de mannen; het leger verslindt verschrikkelijk veel van de laatste. De vrouwen verrichten weinig werk, zoo op ’t veld als in huis. Een niets-doende, vernederende dienstbaarheid is het lot van een oneindig aantal onder haar. Een Russische dame zei mij eens: “Op een klein landgoed van honderd-vijftig boeren, waar ik nooit kom, heb ik veertig kamervrouwen, die letterlijk niets uitvoeren.” Zij zijn zoo weinig in tel, dat de banken alleen voorschot geven op mannelijke lijfeigenen; de vrouwelijke kan men op den koop toe krijgen.
De vernederende plaats door de vrouwen ingenomen, die altijd ter beschikking moeten zijn, is een der dingen, welke Rusland zeer laag stellen. Het Russische familieleven is minder beveiligd dan dat van den neger. Van den meester tot de eigenen is de kleur dezelfde, en de vermengingen geschieden zonder dat een beschuldigende kleurschakeering het ware vaderschap aan den dag brengt. Vandaar afschuwelijke gevolgen, die veel minder in onze koloniën voorkomen. De meester gebruikt broers als dienstbaren, misbruikt zijn zusters, dikwijls zijn dochters. En wanneer wij zeggen de meester, moet men daaronder minder den heer verstaan, dan den werkelijken meester, den intendant, den onbeschaamden zaakwaarnemer, die, op een verafgelegen landgoed, zonder toe- of opzicht, zonder eerbied voor den mensch, naar willekeur de ongelukkige bevolking verkracht.
Wat men ook gelieft te beweren van de gevoelsverstomping der hoorigen, zoo gelooven wij niettemin, dat deze onafgebroken ontwijding van de familie een der martelingen is van het Russisch zieleleven. Geen mensch is zoo ontaard, dat hij niet bitter moet lijden, als hij er niet zeker van is, of de kinderen, die hij liefkoost, wel de zijne zijn. Er is overigens geen volk, geen land, waar ’t gevoel voor ’t vaderschap inniger is. Voor den aangedanen hoon buigen zij het hoofd. Hoe zouden wij ons daarover kunnen verwonderen? Oproeren blijven altijd plaatselijk, en geven daardoor nooit hoop op bevrijding; men gaat ertoe over, met de zekerheid van onder stokslagen te zullen bezwijken. De mensch wordt in Rusland als gevangene geboren, door de natuur als zoodanig aangewezen, vóór hij het door zijn medemensch gemaakt wordt. De dorpen, op grooten afstand van elkaar afgelegen, hebben weinig onderling verkeer, gescheiden door bosschen en moerassen en, gedurende den meesten tijd van het jaar, door ontoegankelijke sneeuwmassa’s. Dáár zijn zij geboren, dáár sterven zij, onder de ijzeren hand van het noodlot. Maar niettemin hebben zij een hart, en dit hart wordt zooveel te meer verteederd voor het eigen gezin, waar al de rest zoo wreed is, niet alleen het gezag, maar ook de hemel.
Men siddert, als men bedenkt met welk een ruwe lichtvaardigheid deze dierbare banden verbroken worden. Wat ons de natuur het meeste geweld schijnt aan te doen, de ontvoering van kinderen, is in Rusland aan de orde van den dag. Niemand verbaast er zich over. De keizer geeft er het voorbeeld van. Hij heeft vervaarlijke rooverijen van kinderen doen plegen en laat ze nog geschieden. Na de revolutie waren het Poolsche kinderen, die opgelicht werden, onder voorgeven van ze in het Grieksche geloof op te doen voeden. De moeders liepen achter de rijtuigen aan en lieten zich onder de hoeven der paarden verpletteren. Later, en nog tegenwoordig, laat hij de kinderen der Joden op zesjarigen leeftijd oplichten, om ze, naar men zegt, voor den soldatendienst voor te bereiden. De arme kleinen, meêdoogenloos behandeld, die voor verzorgsters slechts Kozakken hebben, sterven onderweg. Het doet er niet toe, de begeleiders brengen toch het vereischte getal aan: de dooden worden aangevuld door de kinderen der Russische boeren te stelen.
De heeren rooven de kinderen, niet alleen voor hun genoegen, maar soms ook uit winstbejag. Laat ons hier alleen als voorbeeld noemen één, die op zijn goederen jeugdige dansers liet opleiden, welke hij aan de schouwburgen van Moscou leverde, en tegen hooge prijzen verkocht aan andere heeren, die op hun kasteelen opera’s geven.
Deze kinderen, op die wijze in een andere wereld verplaatst, ontvingen een zorgvuldige opvoeding, beter dikwijls dan die van hun meesters; maar toch zijn zij er het ongelukkigst van allen aan toe. Zij blijven lijfeigenen; een redelooze nuk kan hen ieder oogenblik weer laten vervallen tot de hardste vernedering van dienstbaarheid. Een jonge lijfeigene, door zijn meester naar Italië gezonden en een uitstekend violist geworden, had na zijn terugkeer zooveel te verduren, dat hij, zijn kunst vervloekende, in wanhoop zich een vinger afsneed, om ongeschikt te worden zijn instrument verder te bespelen. Een nòg tragischer geval ontstond door de onmenschelijkheid van de bijzit van den wreeden Araschejeff, den gunsteling van keizer Alexander. Deze vrouw had tot gezelschapsdame opgeleid een voortreffelijk, bekoorlijk jong meisje. In ik weet niet welken aanval van woede liet zij haar eens grijpen en met de zweep kastijden. De zuster van het slachtoffer (men houde vol, dat de lijfeigenen geen gevoel hebben!) doorstak de groote dame. Alle bedienden werden op verschrikkelijke wijze gemarteld en naar Siberië gezonden.
Slechts een klein aantal tragische gebeurtenissen wordt ruchtbaar en wekt de aandacht. Het meerendeel wordt echter doodgezwegen. Wij kennen maar enkele treurige feiten. Ons blijft verborgen wat het gewichtigste, het leerrijkst zou zijn: de reeks van lijdensgevallen, die de lijfeigene moet doormaken, het gehéél van een levensnoodlot.
Ik heb het zeldzame voorrecht gehad de volledige levensgeschiedenis te leeren kennen van een zeer belangwekkende en zeer deugdzame lijfeigene, die, wreedaardig aan haar familie ontrukt door de gril van een aanzienlijke dame, maar sedert door haar aan eigen lot overgelaten, te Parijs dienstbode is geworden bij achtenswaardige dames, die mij met haar vriendschap vereeren. Dit reine, heilige meisje leest bijna nooit, geloof ik; zoo niettemin het toeval wilde, dat deze regels haar onder de oogen kwamen, houde ze mij ten goede, dat ik, mèt de onmenschelijke wreedheid van haar land, het mysterie van haar zoo oneindig teêre ziel ontsluier, welk, zonder gal en heugenis van het kwaad, nog zoo zacht en vol eerbied gestemd is voor hen, die haar hebben doen lijden.
