Hoofdstuk VII: Roderick, de laatste der Gothen.
S. Vos-Goudsmit translation
Nog gistren was ik Spanje’s Vorst—mijn rijk werd mij ontroofd.
Nog gistren in mijn heerlijk slot—waar leg ik nu mijn hoofd?
Waar gistren honderd pages nog zich bogen voor mij neer,
Daar dient vandaag d’onttroonden vorst geen enkle schildknaap meer.
Lockhart: Spaansche Balladen.
Voordat wij het romantisch materiaal nader beschouwen, dat begraven ligt in De Kroniek van Roderick, met de Verwoesting van Spanje, moeten wij eerst de geschiedenis van den ondergang van het Gothische rijk in Spanje nagaan, met behulp van die gegevens, waarvan wij mogen veronderstellen, dat zij ons betrekkelijk juist inlichten over het geval. Deze gegevens vinden wij in de Algemeene Kroniek van Spanje en in het werk van de Moorsche geschiedschrijvers. Waarschijnlijk zijn de feiten, die betrekking hebben op deze treffende gebeurtenis, in het kort als volgt:
Van het tijdstip af van de vestiging der Mahomedaansche Arabieren in Mauretanië, had hun vloot herhaaldelijk de kusten bestookt van Andalusië, onder welken naam het geheele Spaansche Schiereiland bij hen bekend was. Er ontstond een vijandschap tusschen de Spaansche Gothen en de Moorsche Arabieren, die niet slechts werd aangewakkerd door het verschil van godsdienst, maar ook door de omstandigheid, dat de vesting Ceuta in Mauretanië nog in Gothische handen was gebleven. Deze buitenpost van het Gothische rijk werd behouden door het beleid en den moed van Graaf Julianus, een beproefd veldheer, die erin slaagde, de vesting te verdedigen tegen een geweldige overmacht. Destijds heerschte er over Spanje een zekere Don Roderick, die het recht op den troon blijkbaar niet door geboorte verkregen had. Zijn voorganger Witiza had Rodericks vader, den gouverneur van een of andere provincie, gedood, en hetzij om te voldoen aan zijn zucht naar wraak, hetzij zuiver uit persoonlijke eerzucht, slaagde Roderick erin, met voorbijgaan van de aanspraken der beide zonen van Witiza, zelf den troon te bemachtigen. Waar echter de Koning der Gothen in Spanje nog door de edelen van het land gekozen werd, is het zeer goed mogelijk, dat Roderick op rechtmatige wijze den troon bestegen heeft. Waarschijnlijk was Graaf Julianus een lid van de partij aan welker hoofd de koninklijke broeders stonden en zocht hij, inziende dat hij Roderick niet door wapengeweld van den troon zou kunnen stooten, de hulp van diens Moorsche vijanden, om hem ten val te brengen.
De geschiedenis weigert echter terecht of ten onrechte aan te nemen, dat slechts nuchtere politieke overwegingen Graaf Julianus tot deze onwaardige daad brachten, en zij geeft een veel romantischer verklaring van zijn verraderlijke handelwijze: Roderick zou dan een slecht en ontaard vorst zijn geweest. Hij ontbrandde in een hevige hartstocht voor Cava, de jonge en schoone dochter van Graaf Julianus, en verleidde en onteerde haar. Woedend en wanhopig over de wandaad van Roderick, besloot Julianus oogenblikkelijk tot een gruwelijke wraak; hij stelde zich niet tevreden met de overgave van de vesting, die hij zoo lang tegen een machtigen vijand verdedigd had, maar haalde Musa, den Moorschen Koning of Satraap over, een inval te doen in Spanje; en om zijn bondgenootschap met de heidenen nog te versterken, nam hij zelfs hun godsdienst en hunne levensgewoonten aan. Hij lichtte Musa in over de natuurlijke gesteldheid van zijn vaderland, legde den nadruk op den weerloozen toestand er van, de losbandigheid en ontaarding der soldaten, en het gebrek aan voldoende bewaking der steden. Musa begreep, dat hem hier een gunstige gelegenheid geboden werd het Arabische gebied uit te breiden, en hij vaardigde een gezantschap af naar Walid, den Kalif en zijn leenheer, om hem zijn oordeel te vragen over een dergelijke onderneming. Walid moedigde dit avontuur zeer aan. Maar Musa was niet alleen een dapper en ondernemend soldaat, maar ook een sluw en voorzichtig veldheer, en inplaats van een groote vloot af te sturen op een land van welks legersterkte hij slechts weinig afwist, stelde hij zich tevreden met in Juli van het jaar 710 een aanval te doen op de Spaansche kust, om als het ware eerst poolshoogte te nemen van de krijgskunst zijner tegenstanders. De expeditie bestond uit vijfhonderd man, die, nadat zij te Tarifa geland waren, ongeveer achttien mijlen door Spaansch gebied naar het kasteel en de stad van Julianus marcheerden. Daar voegden zich de trouwelooze volgelingen van dezen edelman bij hen, en zonder eenigen tegenstand te ondervinden keerden zij met buit beladen naar Afrika terug.
Aangemoedigd door het succes dezer eerste onderneming, brachten de Saracenen nu een leger van vijfduizend man bijeen en zij landden in het voorjaar van 711, onder het bevel van een zekeren Tarik, op Spaanschen boden, op een plaats, die nog steeds den naam van hun aanvoerder draagt, nl. Gibraltar; want Gebel al Tarik beteekent »De Berg van Tarik«. Zij versloegen zonder veel moeite een Spaansche legermacht onder Edeco. Maar Roderick, die nu ook begon in te zien, dat zijn troon wankelde, riep zijne vasallen te zamen, wier aantal bijna honderdduizend man moet hebben bedragen. Intusschen had Tarik zijn leger versterkt, maar hij kon niet meer dan twaalfduizend Moorsche soldaten aanmonsteren, bij welk leger zich een afdeeling Afrikanen en afvallige Gothen voegde. De legers ontmoetten elkanders bij Cadix, en de Gotische troepen werden aangevoerd door Roderick zelf, die schitterend uitgedost in zijn vorstelijke kleedij van zilver- en goudborduursel, achterover leunde in een kostbaren wagen, die door witte muilezels getrokken werd. De Gothen overwonnen louter door de overmacht van hun aantal, en bij het eerste samentreffen werden zestienduizend hunner vijanden verslagen. Maar Tarik spoorde zijne ontmoedigde troepen aan, door hen erop te wijzen, dat een terugtocht onmogelijk was: »Vóór u is de vijand«, zeide hij, »achter u ligt de zee. Waarheen zoudt gij vluchten? Volgt mij, broeders, ik zal dien Koning der Gothen verdelgen of zelf ondergaan.«
Roderick’s lot.
Er naderde echter uitkomst voor de Mooren, want de beide zonen van Witiza, die de voornaamste posten in het Spaansche leger bekleedden, scheidden zich plotseling van de troepen af. Dit veroorzaakte een geweldige paniek. Roderick sprong op zijn strijdros Orelia, en trachtte daarmede de Guadalquivir over te zwemmen, zijn diadeem en vorstelijke kleederen op den oever achterlatende; maar het gelukte hem niet den overkant te bereiken, en hij verdronk. Op aandringen van Graaf Julianus rukte Tarik op naar Toledo, dat zich echter drie volle maanden staande hield, en hij zond een leger uit om het koninkrijk Granada te heroveren. Deze onderneming gelukte en Toledo gaf zich over, nadat de Moorsche bevelhebber de inwoners verzekerd had, dat zij de stad mochten verlaten met behoud hunner bezittingen, een belofte, die trouw werd nagekomen. De Joden, die voornamelijk de heidensche aanvallers hadden bijgestaan, werden rijkelijk door hen beloond, en zij sloten een bondgenootschap met hen, dat bleef bestaan, totdat beiden na verloop van tijd uit het land werden verdreven. Van Toledo zette Tarik zijne veroveringstochten voort over Castilië en Leon en trok hij in Noordelijke richting verder tot aan de stad Gijon in Asturië, waar zijn voortgang werd gestuit door de Golf van Biskaje. In enkele maanden was geheel Spanje feitelijk een Mohamedaansche provincie geworden, en alleen in de valleien van Asturië hield een troepje Gothische soldaten nog stand tegen den overwinnenden Moor.
Nu mogen wij het pad der zuivere historie verlaten, om den meer schilderachtigen, zij het dan ook minder veiligen weg der romance te gaan bewandelen. De kronieken vermelden de gruwelijke verdorvenheid van Don Roderick, en zij verhalen hoe de door Julianus aangestookte inval der Mooren den karakterloozen Koning als een donderslag trof. De strijd met de Saracenen wordt beschreven, en de vlucht van Roderick wordt in de somberste kleuren afgeschilderd. Maar zooals de volksoverlevering weigerde te gelooven, dat Arthur op dien gedenkwaardigen dag bij Camelot sneuvelde, of dat Jacob IV van Schotland op het slagveld van Flodden, en Harold bij Hastings hun einde vonden, zoo weigerde zij ook den dood van Roderick aan te nemen. Het is den mensch aangeboren, zich te verzetten tegen het denkbeeld, dat een beroemd legeraanvoerder werkelijk is heengegaan; en zijn er, zelfs nog in onzen tijd, niet legenden in omloop geweest met betrekking tot den diep betreurden Lord Kitchener?
De overlevering vermeldt dan, hoe Roderick, toen hij op het punt stond zich in de golven der Guadalquivir te storten, plotseling beschenen werd door een hemelsch licht en hoe een innerlijke stem hem bezwoer te blijven leven, om boete te doen voor zijne zonde. Hij volgde den raad van deze stem op, ontdeed zich van de teekenen zijner koninklijke waardigheid, trok de eenvoudige kleederen van een gesneuvelden boer aan, en verliet heimelijk het slagveld. Gedurende den geheelen nacht liep hij door, gekweld door de vreeselijkste visioenen van goddelijke wraak. Waarheen hij den blik wendde, overal zag hij de gruwelijke gevolgen van zijn nederlaag. En verder strompelende over de slagvelden, werd hij diep getroffen door de tooneelen van verwoesting. Na zeven dagen kwam hij eindelijk bij het klooster Canlin aan, dat gelegen was aan de oevers van de rivier Ana, in de nabijheid van Minda. Het klooster was geheel verlaten, maar de rampzalige vluchteling wierp zich voor het altaar neder, om in gebed zijn noodlot af te wachten, want hij was er vast van overtuigd, dat de heidenen hem zouden opsporen en dooden. Hij voedde de lampen met olie, en verliet slechts zoo nu en dan het altaar, om te zien of de Saracenen naderden. Hij lag voor het crucifix geknield, en omvatte de voeten van het beeld des Verlossers, terwijl hij bloedige tranen van het diepste berouw schreide. Terwijl hij daar in het stof gebogen terneder lag, bemerkte hij, dat iemand de kapel was binnengetreden, en toen hij de oogen opsloeg, in de hoop, dat het kromme zwaard van een Moorsch soldaat hem den verlossenden dood zou brengen, zag hij tot zijn verbazing een monnik, die hem vriendelijk toesprak en hem zeide, dat hij naar het klooster, dat hem vijf en zestig jaren tot woonplaats had gediend, was teruggekeerd in het vertrouwen, dat hij zou mogen sterven door de hand van een heiden, en dat hij op deze wijze den martelaarskroon zou verwerven.
Roderick openbaarde den monnik wie hij was, en de vrome man, die diep getroffen was door den toon van innig berouw die uit zijne woorden sprak, knielde naast hem neder, en verleende den rampzaligen vorst gedurende den langen nacht geestelijken bijstand. Hij zeide hem, dat hij moest blijven leven, werkende aan het heil zijner ziel; en toen de morgen aanbrak verlieten de oude priester en hij, die gisteren nog een der machtigste koningen van het Christendom was geweest, de kapel, om hun moeilijken weg te gaan.
De vrome monnik bracht den onttroonden Koning naar een hut, waar hij hem verder geestelijken raad gaf en hij beval hem op deze plaats te blijven, zoo lang dit God zou behagen. »Wat mij betreft«, sprak hij, »over drie dagen zal ik uit deze wereld scheiden; dan moet gij mij begraven, mijne kleederen aantrekken en tenminste een jaar hier blijven om honger en koude en dorst te lijden uit liefde voor onzen Heer, opdat Hij zich over u ontferme.« Zooals de kluizenaar voorspeld had, gaf hij drie dagen later den geest. Roderick was diep bedroefd over zijn dood; hij maakte zich dadelijk gereed om zijn laatste wenschen uit te voeren, en groef met zijn bloote handen en met behulp van een boomtak een graf voor den vromen monnik. Toen hij hem aan de aarde wilde toevertrouwen, zag hij, dat de doode kluizenaar een papierrol in de hand had, die beschreven was met raadgevingen omtrent zijn toekomstige levenswijze in de kluizenaarshut. De onttroonde Koning las het geschrift met groote aandacht, en hij besloot de aanwijzingen nauwkeurig te volgen.
Maar Satan was niet van plan den Koning ongehinderd te laten arbeiden aan de redding zijner ziel, en hij verscheen hem dienzelfden nacht, terwijl hij bezig was den kluizenaar in het graf te leggen. Hij kwam in de gedaante van een priester, zijn gelaat was verborgen in de monnikskap, terwijl een lange witte baard hem een eerwaardig voorkomen gaf, en hij leunde op een stok, alsof hij kreupel was. Roderick dacht, dat hij een vriend van den dooden kluizenaar was en wilde hem de hand kussen, maar de Booze week achteruit en zeide: »Het zou niet gepast zijn, wanneer een Koning de hand zou kussen van een eenvoudig dienaar van God.« Toen de Koning bemerkte, dat zijn bezoeker bekend was met zijne omstandigheden, hield hij den Duivel voor een heilige, die zich op deze wijze aan hem openbaarde. »Helaas«, zeide hij, »ik ben geen Koning, maar een ellendige zondaar, van wien het beter zou zijn geweest indien hij nooit geboren ware, zooveel wee is over het land gekomen door mijn misdaad.«
»Gij zijt niet zoo schuldig als gij wel meent«, antwoordde Satan, »want de ramp, waarover gij spreekt, zou in ieder geval het land getroffen hebben, God heeft het zoo gewild, en het was niet uw schuld. Dit zijn niet mijn woorden, maar het is de geest van God, die door mijn mond spreekt.« De Booze zeide daarna, dat hij den langen weg van Rome te voet had afgelegd om Roderick in zijn strijd bij te staan, en toen de Koning dit hoorde, was hij zeer verheugd en luisterde met grooten eerbied naar de woorden, die Satan sprak en die ten doel hadden den invloed van den dooden kluizenaar door allerlei drogredenen te vernietigen. Maar toen de Koning den pseudo-heilige verzocht hem te helpen bij het begraven van het stoffelijk omhulsel van den kluizenaar, was hij zeer verbaasd, hem niettegenstaande zijn voorgewende kreupelheid de vlucht te zien nemen.
Den volgenden middag kwam de duivel terug met een mand vol van de heerlijkste spijzen en dranken. Maar de doode monnik had Roderick bevolen, niets anders te eten dan het grove brood, dat de herders hem éénmaal per week zouden brengen; en gedachtig aan dit bevel, weerstond hij den verleider. Het gesprek tusschen den Koning en Satan wordt dan verder met de gebruikelijke middeleeuwsche langdradigheid uitgewerkt, en is een getrouwe afspiegeling van de haarkloverij en het theologische geredekavel van dien tijd. Maar zelfs van een schrijver uit de middeleeuwen zou men hebben mogen verwachten, dat hij het onderhoud van den Koning met den Heiligen Geest zou hebben weggelaten, en wat dit betreft volsta ik dan ook met de vermelding, dat op een woord van den Heiligen Geest de Booze ontvluchtte in zijn ware gedaante van een vreeselijken duivel.
De krijgslist van Satan.
Maar de Booze gaf het nog niet op, want op zekeren avond, toen de zon onderging, zag de koninklijke kluizenaar iemand naderen, die met groot vertoon van pracht en praal aan het hoofd reed van een gewapenden troep. Toen de stoet dichterbij kwam, herkende Roderick tot zijn verbazing in den aanvoerder Graaf Julianus, die hem naderde met groot eerbetoon, hem de hand wilde kussen, en zich, zijn verraad volledig bekennende, aan den wraak en de rechtvaardigheid van den Koning overgaf. De pseudo-Julianus smeekte hem op te staan en weer de plaats in te nemen, die hem toekwam aan het hoofd der Spaansche troepen, opdat de heidenen uit Spanje verdreven zouden worden. Maar Roderick, die een nieuwe duivelsche list vermoedde, schudde het hoofd en verzocht Julianus zelf het opperbevel over het Gothische leger te aanvaarden, daar zijn gelofte hem niet toestond zich langer met wereldsche zaken bezig te houden. Julianus keerde tot zijne volgelingen terug, onder wie Roderick verscheiden ridders ontdekte, van wie hij dacht, dat zij gesneuveld waren, en dezen ondersteunden met warmte het verzoek van hun aanvoerder. Maar toen de helsche machten zagen dat zij hun pleit niet konden winnen, trokken zij zich terug naar de lager gelegen vlakte, waar zij zich opstelden in gevechtspositie, alsof zij een vijandelijken aanval afwachtten. En zie! daar rukte een menigte pseudo-heidenen voorwaarts, zoodat er een vreeselijk bloedbad volgde. Het scheen den Koning, die in angstige spanning het schouwspel gadesloeg, dat zij, die het Christelijk leger voorstelden, de heidenen op de vlucht dreven, en er kwamen ijlboden naar de kluizenaarshut met de mededeeling, dat zijne troepen een schitterende overwinning hadden behaald. Maar toen de haan kraaide, verdween het geheele schouwspel van den veldslag als rook in den wind, en toen wist de Koning, dat hij ten tweeden male de verlokkingen des Duivels had weerstaan.

Don Roderick in verzoeking gebracht door een Schijnbeeld van Cava.
Gedurende drie maanden liet Satan Don Roderick nu met rust; maar na verloop van dien tijd zond hij hem een beproeving, die zwaarder was dan alle verleidingen, die hij tot nu toe had weerstaan. Terwijl hij zijne gebeden opzegde op het uur van de vesper, zag hij een stoet ruiters in de richting van zijn hut komen, en toen zij daar stilhielden en afstegen, kwam een jonkvrouw op hem toe in de gedaante van dezelfde Cava, de dochter van Graaf Julianus, die hij zulk een gruwelijk onrecht had aangedaan. Bij haar aanblik stond het hart van den rampzaligen Koning bijna stil, maar voordat hij een woord kon uitbrengen, vertelde zij hem, dat haar vader het zwaard tegen de Mooren gekeerd had, en hen had overwonnen; dat Eliaca, de echtgenoote des Konings, gestorven was, dat een monnik haar bevolen had, Don Roderick op te sporen en hem zoo spoedig mogelijk te huwen, en dat hij haar voorspeld had, dat zij het leven zou schenken aan een zoon, Elbersan genaamd, die de geheele wereld onder den scepter van Spanje zou brengen. Toen Roderick deze woorden hoorde, begon hij vreeselijk te beven, want hij had Cava zeer liefgehad. Zij gaf hare dienaren bevel, een tent op te slaan in de nabijheid van de kluizenaarshut en de leden van haar gevolg richtten een overvloedig maal aan. Toen de Koning haar groote schoonheid aanschouwde, sidderde hij, alsof hij door een beroerte was getroffen, maar hij vouwde zijne handen in gebed en wendde zich tot God, smeekende, dat Hij deze verzoeking aan hem zou laten voorbijgaan. Toen hij het teeken des Kruises maakte, ontvluchtte de valsche Cava hem, luidkeels schreeuwende, en de helsche machten, die haar vergezelden, volgden haar in zulk een hevige verwarring en met zulk een geweld, dat het scheen alsof de wereld verging. Nogmaals waarschuwde de Heilige Geest Don Roderick, op zijn hoede te zijn voor de listen des Duivels, en tot laat in den nacht stortte de berouwvolle, maar zegevierende Koning zijn dankbaar hart uit in gebeden tot God, die hem in Zijne goedertierenheid verlost had van den Booze.
De dood van Roderick.
De tijd naderde, waarop de Koning de plaats zijner afzondering zou verlaten, waar hij zoo menige vreeselijke verzoeking had weerstaan. Hij volgde de richting van een wolk, die hem leiden zou, gordde zijne lendenen en begaf zich op reis. Voordat de avond van den eersten dag viel, kwam hij bij een andere kluizenaarswoning, waar hij bleef overnachten. Na een reis van twee dagen bereikte hij een klooster, waarvan de naam niet genoemd wordt in de kroniek, en dat bestemd was zijn laatste rustplaats te zijn. De Abt van het klooster beval hem, naar een bron te gaan, die zich in de nabijheid der hut bevond, die hem als woonplaats werd aangewezen, en waar hij een gladden steen zou vinden. Dezen moest hij optillen en hij zou daaronder drie kleine slangen vinden, van welke de één twee koppen had. Deze tweehoofdige slang moest hij in een flesch plaatsen en haar in het geheim voeden, zoodat niemand van haar bestaan afwist; zij zou verborgen moeten blijven, totdat zij groot genoeg zou zijn, om haar lichaam langs den wand der flesch in drie kronkels te leggen en dan den kop naar buiten te steken. Dan moest hij haar in een graf leggen en er zelf ontkleed naast gaan liggen, want dit zou volgens den wil van God zijn boete zijn; dit alles had een stem den Abt geopenbaard in de kapel van het klooster.
Roderick volgde nauwgezet de voorschriften van den Abt op; hij vond de slang en wachtte geduldig totdat het tweehoofdige dier in de flesch tot vollen wasdom gekomen was. Toen ontkleedde hij zich in tegenwoordigheid van den Abt, en zocht het graf op, waarin hij zich nederlegde. Daarna nam de Abt een hefboom en plaatste daarop een grooten steen. Nadat de Koning daar drie dagen gelegen had, terwijl de Abt onder gebed de wacht hield, hief de slang hare koppen in de hoogte, en begon met één kop zijn zondige natuur en met het andere zijn hart te verslinden. Roderick lag onder vreeselijke kwellingen ter neder, maar ten slotte doorboorde de slang het hart, waarop de Koning onmiddellijk zijn geest aan God gaf, die in zijn Heilige Barmhartigheid hem in Zijn Heerlijkheid opnam. En in zijn stervensuur begonnen alle klokken van het klooster te luiden als werden ze door menschenhanden bewogen.
Zoo eindigt in den eigenaardigen geest van middeleeuwsche mystiek het droevige verhaal van Don Roderick van Spanje. Wie zal de diepe beteekenis verklaren van het slot dezer legende, tenzij men, zooals Thomas Newton in zijn Notable History of the Saracens gelooft, »dat de slang met de twee koppen beteekent zijn zondig en schuldig geweten?« Requiescas in pace, Domine Roderice!