← Table of contents
Legenden en Romances van Spanje

Hoofdstuk VI: Catalonische Romances.

S. Vos-Goudsmit translation

»Romances van een kust van liefde en wijn,

Waarin nog klinkt de galm van ’t edel staal,

Waaruit ons tegenstraalt een lichte tooverschijn,

En woorden ruischen van een langvergeten taal.«

De letterkundige geest van Catalonië was van zuiver lyrischen aard, zooals dat vanzelf spreekt bij een land, dat door de natuur zoo heerlijk was uitgedost met een purperen mantel van wijnranken, en dat omspoeld werd door de rustige schoonheid van een droomzee. De epische poezië heeft haar vaderland in woeste en door stormen geteisterde landen, waar de windvlagen in wilde zangen de ziel van den mensch wekken tot vurige liederen, en zijn geest ontvankelijk maken voor het rumoer van den krijg. Maar op beschutte kusten, doortrokken met zon, en gekleurd met de warme tinten van den overvloed, worden de aeolische geluiden der zefirs, die zich als zachtklinkende geesten door tuinen en wijngaarden spoeden, omgetooverd in teederder en waziger muziek. Toch ontbraken in deze provincie van minnezangers de ridderlegenden niet; en zelfs ontstonden er twee romances van zulk een groote schoonheid, dat deze in de letterkunde van het Schiereiland zich voor goed een belangrijke plaats veroverd hebben.

Partenopex de Blois.

De schoone en uitstekend bewerkte romance van Partenopex de Blois was in de dertiende eeuw in het Catalonisch geschreven, en in 1488 gedrukt te Tarragona. Zeer waarschijnlijk was het oorspronkelijk een Fransche romance. Maar het is geen gewone vertaling, en in den loop der tijden werd zij zoo dikwijls omgewerkt, dat zij ten slotte even echt Catalonisch werd als de Cid Castiliaansch geworden is. Hier volgt dan de geschiedenis van Ridder Partenopex.

Bij den dood van Keizer Julianus van Griekenland, kwam zijn dochter Melior op den troon, een jonkvrouw, die bij de vele buitengewone gaven, die zij bezat, ook nog zeer bedreven was in de tooverkunst. Niettegenstaande hare groote bekwaamheden vonden hare raadslieden het niet geschikt, dat zij zelfstandig zou regeeren, en dus drongen zij er op aan, dat zij een echtgenoot zou kiezen. Zij stonden haar een tijdruimte van twee jaren toe, om een waardig levensgezel te vinden; en om er zeker van te zijn, dat zij iemand zou kiezen, die volkomen haar gelijke in rang zou zijn, zond zij hare afgezanten naar de verschillende hoven van Europa, om daar betrouwbare inlichtingen te krijgen over alle vorsten, die voor haar doel in aanmerking zouden kunnen komen.

In dien tijd leefde er in Frankrijk een jongeling van groote schoonheid en dapperheid, een neef van den Koning van Parijs, Partenopex de Blois genaamd. Toen deze op zekeren dag in het gevolg van zijn koninklijken oom in de Ardennen op de jacht was, werd hij van het overige gezelschap afgesneden en verdwaalde hij. Hij was genoodzaakt den nacht in het bosch door te brengen en ontwaakte in den vroegen morgen. Bij zijne pogingen om de omgeving te verkennen, kwam hij bij het strand, waar hij tot zijn verwondering een schitterend vaartuig voor anker zag liggen. In de hoop, dat de bemanning hem den weg naar huis zou kunnen wijzen, begaf hij zich aan boord van het schip, maar vond dit geheel verlaten. Hij was op het punt weer aan land te gaan, toen er plotseling beweging in het vaartuig kwam; het gleed over de baren en kliefde de golven ten slotte met zulk een snelheid, dat Partenopex het schip onmogelijk meer kon verlaten. Na een even korte als snelle reis landde hij in een baai van een betooverend schoone landstreek. De jonge ridder stapte aan wal, verwijderde zich van de kust en kwam bij een prachtig kasteel. Daar trad hij binnen en zag tot zijn verbazing, dat het even verlaten was als het vaartuig, dat hem naar dit land gevoerd had. De statiekamer was verlicht door den glans van ontelbare diamanten, en de jonge ridder, die langzamerhand uitgehongerd was, zag tot zijn groote blijdschap een uitgezochte maaltijd op tafel staan. Spoedig bemerkte hij, dat alle voorwerpen in het kasteel betooverd waren, want alle heerlijkheden, die in zulk een overvloed waren opgedischt, kwamen vanzelf in zijn mond, en toen hij verzadigd was, verscheen er, als het ware vrij in de lucht bewegende, een brandende toorts, die hem den weg wees naar een slaapkamer, waar onzichtbare handen hem ontkleedden.

Toen hij te bed lag, denkende over het vreemde avontuur, dat hem was overkomen, trad een jonkvrouw het vertrek binnen, die hem mededeelde, dat zij Melior, de Keizerin van Griekenland was. Zij vertelde den jongen ridder, dat zij door de verhalen harer afgezanten, liefde voor hem had opgevat, en dat zij het plan had beraamd, hem door toovermiddelen naar haar kasteel te voeren. Zij beval hem in het kasteel te blijven, maar waarschuwde hem, dat, indien hij zou trachten haar weder te zien voordat er twee jaren verloopen waren, hij haar liefde zou verliezen. Daarna verliet zij het vertrek; maar den volgenden morgen verscheen haar zuster Uracla, die hem de schitterendste kleederen bracht.

Het Geheimzinnige Kasteel.

Het ontbrak Partenopex in het geheimzinnige kasteel van Melior niet aan verstrooiingen van allerlei aard; want de uitgestrekte landerijen en bosschen waardoor het omgeven was, verschaften hem een prachtig jachtterrein, en des avonds werd hij vergast op de heerlijke liederen van onzichtbare zangers. Al het mogelijke en onmogelijke werd gedaan, om zijn verblijf in het slot te veraangenamen, en om hem te boeien. Maar te midden van alle heerlijkheden waardoor hij omringd was, hoorde hij, dat zijn land was aangevallen door vijandelijke troepen. Hij vroeg zijn onzichtbare gebiedster, voor zijn vaderland te mogen strijden, en toen zij van hem de verzekering had gekregen, dat hij zou terugkeeren, stelde zij het tooverschip, waarmede hij in haar rijk geland was, tot zijn beschikking, en kort daarna kwam hij daarmede in Frankrijk aan.

Maar toen Partenopex zich zoo spoedig mogelijk naar Parijs begaf, om zijn zwaard in dienst van zijn Koning te stellen, ontmoette hij een ridder, wiens optreden tegenover hem, aanleiding gaf tot een tweegevecht. Toen zij eenigen tijd gestreden hadden, ontdekte Partenopex, dat zijn tegenstander niemand anders was dan Gaudin, de minnaar van Uracla, de zuster van Melior; en van geslagen vijanden werden de twee jonge ridders goede kameraden, die te samen naar het Hof van Parijs reden.

Spoedig na zijn terugkomst in de hoofdstad, maakte Partenopex kennis met een nicht van den Paus, Jonkvrouw Angelica, die bij den eersten aanblik verliefd op hem werd. In de eigenaardige opvatting, dat »alles in de liefde geoorloofd is«, onderschepte zij zijne brieven aan Melior, en werd zij op deze wijze ingelicht over zijn hartstocht voor de keizerlijke toovenares. Zij bracht een vromen kluizenaar er toe, zich naar Partenopex te begeven, en hem zijn geliefde af te schilderen als een geest der duisternis, die zóó verdorven was, dat zij zelfs de gedaante had aangenomen van een duivel met een slangenstaart, een zwarte huid, witte oogen en roode tanden. Partenopex weigerde beslist dit alles te gelooven, maar toen de vijandelijkheden geëindigd waren, en hij weer in het betooverde kasteel was teruggekeerd, hield het verhaal van den kluizenaar hem toch voortdurend bezig, en hij besloot zich zekerheid te verschaffen, want Melior had hem in het donker bezocht en hij wist niet, hoe zij er uit zag.

Op zekeren nacht, toen het geheele kasteel in diepe rust was, nam de jonge ridder dus een lamp, en begaf zich naar de kamer, waar hij wist dat Melior sliep. Hij trad onhoorbaar binnen, hield de lamp boven zijn slapende geliefde, en toen hij haar warme menschelijke schoonheid aanschouwde, wist hij, dat alles, wat men hem van haar verteld had, laster was. Maar helaas! toen hij verzonken was in den aanblik van haar bekoorlijken slaap, viel er een druppel olie uit zijn lamp op haar boezem, en zij ontwaakte. In haar woede over zijn ongehoorzaamheid aan hare bevelen, zou zij haar ongelukkigen minnaar stellig op de plaats gedood hebben, indien niet haar zuster Uracla, die op den toornigen uitval van Melior was binnengekomen, het verhoed had; en de vertoornde Keizerin liet hem ten slotte ongedeerd vertrekken.

De ongelukkige Partenopex verliet in allerijl het kasteel en kwam na eenigen tijd weer in de donkere bosschen der Ardennen, waar hij besloot te sterven in den strijd met de wilde beesten, die in de donkere schuilhoeken van het gebergte huisden. Maar ofschoon zij zijn paard verslonden, schenen zij niet genegen den ridder aan te vallen. Het gekerm van het ongelukkige dier bracht Uracla, die uitgetrokken was om hem te zoeken, op zijn spoor, en zij nam hem mede naar haar kasteel in Tenedos, om daar te wachten totdat de woede harer zuster bedaard zou zijn. Daarna keerde zij naar de vertoornde Keizerin terug, en haalde haar over, af te kondigen, dat zij haar hand zou schenken aan den overwinnaar in een tournooi, dat zij van plan was uit te schrijven.

In allerijl werden de voorbereidingen tot dit tournooi getroffen, en Partenopex wachtte den dag van den strijd af in het kasteel van Uracla in Tenedos. Maar het was hem niet gegeven, daar rustig te verblijven, want Parseis, een der jonkvrouwen van Uracla, vatte een hartstochtelijke liefde voor hem op, die zij hem bekende, toen zij een kleine boottocht met elkander maakten. En juist toen Partenopex, ten zeerste verbaasd, haar wilde afwijzen, werd het lichte vaartuig door een hevigen storm gegrepen, en het paar werd op de kust van Syrië geworpen. Daar werden de beide schipbreukelingen gevangen genomen door de bevolking van dat land; de ridder werd voor hun koning Hermon gebracht, en in den kerker geworpen.

Partenopex was diep bedroefd toen hij vernam, dat Hermon en verscheidene andere ridders naar Constantinopel waren getrokken, om deel te nemen aan het tournooi van Melior, terwijl hij in gevangenschap zuchtte, en alle hoop moest laten varen, de liefde zijner aangebedene door groote dapperheid te herwinnen.

Partenopex in de kamer van Melior.
Partenopex in de kamer van Melior.

Partenopex in de kamer van Melior.

Maar Partenopex slaagde erin, de Koningin medelijdend voor hem te stemmen; zij hielp hem zijn Syrische gevangenis te ontvluchten, en bereikte Constantinopel nog juist op tijd om aan het tournooi deel te nemen. Hij had vele en machtige tegenstanders, onder wie de Sultan van Perzië de voornaamste was; maar ten slotte versloeg hij hen allen, en toen hij verzocht zijn loon te mogen ontvangen, werd hij door Melior weer met groote liefde en volkomen vergiffenis aangenomen.

Het type van »Partenopex.«

De romance van Partenopex behoort tot de groep waartoe Amor en Psyche en Melusine behooren, en waarin de ééne geliefde de andere niet mag aanschouwen, op straffe van verlies van het voorwerp zijner liefde. Onveranderlijk verliezen zij elkander dan ook inderdaad; maar de dichterlijke rechtvaardigheid eischt, dat na vele beproevingen alles weder in orde komt. Dikwijls neemt de man of de vrouw de gedaante van een verscheurend dier of van een slang aan, zooals in de beroemde romance van Melusine, waarmede Partenopex groote overeenkomst heeft, zoodat ik de vaste overtuiging heb, dat de schrijver veel daaruit heeft overgenomen. Maar in het verhaal, dat wij zoo juist behandeld hebben, was de slangachtige gedaante der heldin slechts een lasterlijk bedenksel van den jaloerschen geest eener medeminnares, en wij hebben hier dus te maken met een gelukkige variatie van den gebruikelijken vorm der legende, waarin op handige wijze door den schrijver de meer moderne denkbeelden en de oude vormen zijn dooreengemengd. De geschiedenis van Partenopex verdient zeer zeker meer belangstelling van den kant der kenners van het volkslied, dan haar tot nog toe geschonken werd, en ik hoop dus van harte, dat zij de Catalonische zoowel als de Fransche lezing ervan nauwkeurig zullen bestudeeren, opdat zij deze belangrijke legende beter zullen kunnen beoordeelen.

Tirante de Witte.

Het merkwaardige oude verhaal van Tirante de Witte was het werk van twee Catalonische schrijvers, Juan Martorell en Juan de Gilha, van wie de laatste den arbeid van den eersten aanvulde. Martorell verklaart, dat hij de romance uit het Engelsch vertaalde, en het heeft er inderdaad ook allen schijn van, dat geheele gedeelten van het gedicht sterk beïnvloed zijn door de oude romance Sir Guy of Warwick. Ik kan echter niets in deze romance ontdekken, dat er op wijst, dat zij bepaald vertaald is, en het lijkt mij het waarschijnlijkst, dat de verklaring van den schrijver moet worden opgevat als een truc, die door de dichters van het oude Spanje veel werd toegepast om hunne geschriften te omgeven met een waas van geheimzinnigheid, of om zich te beschermen tegen de meedoogenlooze kritiek, die in dien tijd, toen ongeveer alle bewoners van het Schiereiland behept schijnen te zijn geweest met een manie voor belletrie, daar gebruikelijk was. De romance werd in 1490 gedrukt. Er wordt in gesproken over de Canarische Eilanden, die in 1326 ontdekt zijn en die zelfs in Spanje vóór het begin der vijftiende eeuw nog slechts weinig bekend waren, zoodat wij wel met zekerheid mogen aannemen, dat deze romance ongeveer in dien tijd geschreven is, vooral ook, omdat er een ridderverhaal, l’Arbre des Batailles in vermeld wordt, dat eerst in 1390 werd uitgegeven. Het boek werd in het Castiliaansch vertaald, en te Valladolid gedrukt in 1511; kort daarna zag een Italiaansche vertaling van Manfredi het licht, en een Fransche van de hand van den Graaf van Caylus; maar de laatste heeft het oorspronkelijke gedicht vreeselijk verminkt; zelfs heeft hij de voornaamste en ook de minder belangrijke gebeurtenissen veranderd en er iets ziekelijks in gebracht, dat het werk van Martorell ten éénenmale mist.

Ter gelegenheid van het huwelijk van een zekeren Koning van Engeland met een schoone en zeer begaafde Prinses van Frankrijk, werden de meest grootsche voorbereidingen getroffen om deze verbintenis waardig te vieren door een schitterend tournooi. Toen Tirante, een jonge ridder uit Bretagne, van deze preparatieven hoorde, besloot hij aan de ridderspelen deel te nemen, en hij scheepte zich in met een gezelschap jeugdige ridders die hetzelfde plan hadden opgevat, en met wie hij na eenigen tijd in Engeland landde, en de reis naar Windsor aanvaardde. Maar hij werd overmand door de vermoeienissen van de reis, en hij viel in slaap, gewiegd door het sukkeldrafje van zijn uitgeput ros. Het was dan ook niet te verwonderen, dat hij op deze wijze gescheiden werd van zijn veerkrachtiger metgezellen, en dat hij bij zijn ontwaken ontdekte, dat hij geheel alleen op den heirweg reed. Hij gaf zijn paard de sporen en sukkelde eenige mijlen verder, maar spoedig gevoelde hij dringend behoefte aan rust en voedsel en hij zag uit naar een pleisterplaats; hij was zeer verheugd toen hij een nederige hut in het oog kreeg, die hij aanzag voor een kluizenaarswoning, verborgen tusschen de boomen, op eenigen afstand van den grooten weg, en nauwelijks zichtbaar door het dichte gebladerte. Hij steeg af, trad de hut binnen en bevond zich plotseling tegenover een man, die er zeer eigenaardig uitzag in zijn armoedig gewaad, en in wien het geoefend oog van den ridder spoedig een hooggeborene ontdekte. Tirante was dan ook niet bijzonder verbaasd, toen hij zag, dat de kluizenaar verdiept was in de lezing van l’Arbre des Batailles, een boek vol lessen en wetenswaardigheden op het gebied der ridderlijkheid.

De grafelijke kluizenaar.

Inderdaad was de kluizenaar niemand anders dan William, Graaf van Warwick, een beroemd ridder, die uit afkeer van de ijdelheden van het Hof, een pelgrimstocht had ondernomen naar Jeruzalem. Toen hij bij het Heilige Graf was aangekomen, liet hij het bericht van zijn dood verspreiden; daarna was hij naar Engeland teruggekeerd in de vermomming van een pelgrim en had hij zich teruggetrokken in de hut, waar Tirante hem ontdekte, en die niet ver was verwijderd van het kasteel, waar zijn echtgenoote woonde. Maar zijn afzondering zou niet van langen duur zijn, want toen de machtige Koning der Canarische Eilanden met een reusachtig leger Engeland binnenviel, greep de Graaf naar de wapenen om het beangste volk te hulp te snellen. De aanvallers rukten echter zoo snel voorwaarts, dat de Koning van Engeland spoedig uit Canterbury en Londen moest vluchten en zich genoodzaakt zag een schuilplaats te zoeken in de stad Warwick, waar hij hevig bestookt werd door het Canarische leger. Op dit beslissende oogenblik kwam de Graaf hem te hulp; hij versloeg den Koning der Canarische Eilanden in een tweegevecht, en joeg diens troepen in een hevigen strijd uiteen. Daarna maakte hij zich aan zijn echtgenoote bekend en trok zich weer in de eenzaamheid terug. Al deze bijzonderheden komen overeen met hetgeen beschreven is in de oude Engelsche romance Sir Guy of Warwick.

Tirante maakte zich aan den grafelijken kluizenaar bekend, vertelde hem, dat hij zijn naam te danken had aan de omstandigheid, dat zijn vader Heer was van het gebied van Tirraine, dat gedeelte van Frankrijk, dat tegenover de Engelsche kust gelegen was, en dat zijn moeder een dochter was van den Hertog van Bretagne. Ook vertelde hij zijn gastheer, dat hij van plan was deel te nemen aan het tournooi, dat gehouden zou worden ter gelegenheid van het koninklijk huwelijk, waarop de Graaf hem uit het boek, waarin hij bij de komst van Tirante verdiept was, een hoofdstuk voorlas, dat betrekking had op de plichten in het algemeen van den ridder. Hierna las hij hem een verhandeling voor over den wapenhandel en de heldendaden van oude ridders. Toen hij geëindigd had, zeide hij, dat het reeds laat was, en dat Tirante, daar hij niet bekend was met de wegen in die streek, verstandig zou doen, te vertrekken; hij gaf hem het boek ten geschenke, waaruit hij hem had voorgelezen, en nam afscheid van hem.

Een jaar later, toen Tirante als overwinnaar uit het strijdperk was getreden, en met ongeveer veertig jonge ridders de terugreis had aanvaard, kwamen zij ten tweeden male langs de kluizenaarswoning, en hielden daar stil om den Graaf een beleefdheidsbezoek te brengen. Deze vroeg belangstellend, wie zich het meest had onderscheiden bij de ridderspelen, en men vertelde hem, dat Tirante de eerepalm had verworven. Een Fransch ridder, Villermes genaamd, had er zich tegen verzet, dat hij de kleuren droeg van de schoone Agnes, de dochter van den Hertog van Berri; Villermes had hem uitgedaagd tot een tweegevecht op leven en dood, en geëischt, dat zij zich zouden uitrusten met papieren schilden, en helmen van bloemen. Villermes werd in den strijd gedood, en kort nadat Tirante hersteld was van elf wonden, die hij in het gevecht had opgedaan, versloeg hij vier ridders, wapenbroeders, die bleken de Koningen van Polen en Friesland, en de Hertogen van Bourgondië en Beieren te zijn. Een onderdaan van den Koning van Friesland, die den merkwaardigen naam droeg van Kyrie Eleison, of »God ontferm U onzer«, en die een afstammeling was van de oude reuzen, kwam naar Engeland om den dood van zijn meester te wreken. Toen hij echter het graf van zijn vorst aanschouwde, met de wapenen van Tirante, die op de Friesche vlag bevestigd waren, was hij zóó overweldigd door smart, dat hij den geest gaf. Zijn plaats werd ingenomen door zijn broeder, Thomas van Montauban, die een nog reusachtiger gestalte had, maar toch door den jongen Bretonschen ridder overwonnen werd, en genoodzaakt was, hem te smeeken zijn leven te sparen.

Nadat Tirante afscheid had genomen van den Graaf, keerde hij naar zijn vaderland Bretagne terug, maar hij had nog slechts enkele dagen in zijn voorouderlijk kasteel vertoefd, toen een boodschapper het bericht bracht, dat de Ridders van Rhodes omsingeld waren door de Genuezen en den Sultan van Caïro. Vergezeld door Philips, den jongsten zoon van den Koning van Frankrijk, begaf Tirante zich op weg om het eiland te bevrijden van zijne overweldigers; gedurende zijn reis daarheen hield hij eenigen tijd rust in de omgeving van Palermo. Toen hij eindelijk te Rhodes aankwam, trokken de belegeraars zich haastig terug, en nadat dus Tirante het eiland verlost had van zijne aanvallers, begaf hij zich met zijne manschappen naar Sicilië, waar Prins Philips in het huwelijk trad met de vorstin van dat land. Maar nauwelijks waren de huwelijksfeesten voorbij, of er kwam een heraut van den Keizer van Constantinopel aan het Siciliaansche Hof, met de schokkende mededeeling, dat de vorst van Turkije en de Moorsche Sultan een inval hadden gedaan in het land van zijn meester. Zijn plicht als ridder gebood Tirante den Christenvorst te hulp te komen tegen den heidenschen aanvaller, en dus scheepte hij zich in naar Constantinopel, waar hem bij zijn aankomst het opperbevel over de Grieksche troepen werd opgedragen. Een groot gedeelte der romance is gewijd aan de bijzonderheden van dezen oorlog tegen de Turken, die, zooals vanzelf spreekt, in elk gevecht werden verslagen, zoodat zij ten slotte om een wapenstilstand smeekten. Deze werd hun toegestaan, en gedurende dien rusttijd werden er schitterende feesten en tournooien gehouden.

Op dit kritieke oogenblik verscheen de beroemde Urganda in Constantinopel, die haar broeder, den vermaarden Arthur, Koning van Brittanje, kwam zoeken. De Keizer daalde af in zijn duisterste kerkers, en vond daar den grootste onder de helden opgesloten in een ijzeren kooi, waar hij zijn laatste levensdagen in de diepste ellende en volkomen verzwakt van geest doorbracht. Nadat men hem zijn oude wapen, het beroemde zwaard Excalibur, in de hand had gegeven, was de ongelukkige Koning in staat, alle vragen, die hem met eenig beleid gesteld werden, te beantwoorden; maar toen men hem het zwaard weer uit de hand nam, verviel hij nog dieper in den toestand van kindschheid. Nadat Urganda een schitterend feestmaal gegeven had, verdween zij met haar bejaarden broeder, en niemand wist, waarheen zij gegaan waren.

Tot op dit tijdstip was Tirante er in geslaagd, vrij te blijven van vrouwelijke ketenen, maar ten slotte werd hij toch het gewillig slachtoffer van de schoone oogen der keizersdochter, Prinses Carmesina. Het ging alles tusschen hen naar wensch, totdat een der hofdames van de Prinses, Reposada, die een hartstochtelijke liefde voor den jongen ridder had opgevat, erin slaagde door een valsche list zijn jalousie op te wekken, zoodat hij, tot in het diepst zijner ziel gekwetst door de vermeende trouweloosheid zijner geliefde, zonder afscheid van haar te nemen, zich weder bij het leger voegde. Maar het schip, waarmede hij wegvoer, werd door een hevigen storm overvallen, en naar de kust van Afrika gedreven. Terwijl hij bedroefd aan het strand wandelde, ontmoette Tirante een gezant van den Koning van Tormeceno, die hem naar het Hof bracht, en hem aan zijn gebieder voorstelde, waarna Tirante hem bijstond in de oorlogen, waarin deze vorst natuurlijk gewikkeld was. Toen hij bij zulk een gelegenheid de stad Montagata bestookte, trad een jonkvrouw buiten de poorten, om voor de inwoners om vrede te smeeken. Tot zijn verrassing herkende hij in haar één der hofdames van Prinses Carmesina, die hem de waarheid vertelde omtrent de handelwijze van de valsche Reposada. Hij hief oogenblikkelijk het beleg op, en keerde aan het hoofd van een machtig leger naar Constantinopel terug, om den Griekschen Keizer bij te staan. Door de Turksche vloot te verbranden maakte hij een terugtocht van de troepen des Sultans praktisch onmogelijk, en was hij in staat een zeer voordeeligen vrede te sluiten.

Er werden nu schitterende voorbereidingen getroffen tot het huwelijk van Tirante en Carmesina. Maar toen hij na het sluiten van het verdrag op weg was naar Constantinopel, kreeg hij op een dagreis afstand van zijn doel, het bevel, met het binnentrekken van de stad te wachten totdat deze preparatieven voltooid zouden zijn. Terwijl hij dus een wandeling maakte langs een rivier, in gesprek met de Koningen van Ethiopië, Fez en Sicilië, kreeg hij een hevige pleuritis, en ondanks alle goede zorgen van zijn trouwe dienaren, stierf hij kort daarna. Toen de Keizer en de Prinses van zijn dood hoorden, waren zij niet in staat hun verdriet te dragen, en zij stierven op den dag, waarop zij het doodsbericht hadden gekregen.

Wij hebben dit keer dus kennis gemaakt met een romance, die niet gelukkig eindigt. Wij weten niet, hoe een dergelijke ontknooping door het Spaansche publiek werd opgenomen, maar het kan niet anders, of de lezers moeten getroffen zijn geweest door de oorspronkelijkheid van het slot. Het blijkt echter duidelijk uit het gunstig oordeel van Cervantes, dat Tirante de Witte een lievelingsromance van het Spaansche volk was. »Toen zij een heele verzameling romances tegelijk opnam«, zegt hij, »viel er een op den grond voor de voeten van den barbier, die den inval had den titel te lezen, en zag, dat het Tirante de Witte was. God beware mij, riep de priester luidkeels, is Tirante de Witte er bij? Geef het mij buurman, want het zal stellig een bron van vreugde en vermaak voor mij zijn! Toen raadde hij de huishoudster aan, het mee naar huis te nemen en het te lezen, »want ofschoon de schrijver verdient te worden opgehangen, omdat hij in vollen ernst zooveel onzin heeft neergeschreven, is het boek toch in zeker opzicht het beste, dat er op de wereld gevonden wordt. Hier eten en slapen de ridders, zij sterven in hun bed, en maken voor hun dood hun testament, natuurlijke zaken, die in alle andere boeken ontbreken.«

Schuilt in dit oordeel niet de diepe grond van den afkeer van het onnatuurlijke en onwaarschijnlijke, dat zoo dikwijls de romance kenmerkte, een afkeer, die in zulke kernachtige bewoordingen werd uitgedrukt door den man, die aan het hoofd der oppositie stond?

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings