Hoofdstuk XIII: Humoristische Spaansche Romances.
S. Vos-Goudsmit translation
Cervantes’ »Don Quixote«.
Cervantes was een van de grootste satiristen, die de wereld heeft voortgebracht, een man, die begaafd was met een fijn en merkwaardig gevoel voor het belachelijke. Hijzelf zou de eerste geweest zijn, die gelachen zou hebben om die moderne critici, die in hem een groot dichter zagen, en inderdaad heeft hij op het eind van zijn leven, toen hij zijn voornaamste werk, het humoristische heldengedicht De reis naar den Parnassus, schreef, verklaard, dat hij de gave der dichtkunst miste. Dat hij een merkwaardige fantasie had is wel duidelijk voor iedereen, die de moeite neemt zijn Galatea te lezen, en Don Quixote vloeit over van zeldzame vondsten en schitterenden geest, ofschoon latere bladzijden van deze satire wel sterk herinneren aan sommige stukken uit het eerste gedeelte.
Ik persoonlijk heb Don Quixote altijd een van de boeiendste en merkwaardigste boeken gevonden, die ooit geschreven zijn; maar waarschijnlijk om geheel andere redenen dan die het meerendeel van het publiek voor zijn voorliefde voor dit werk heeft. Want voor mij ligt de groote bekoring van het verhaal in het inzicht, dat het ons geeft in de romantische literatuur en in de gewoonten van dien tijd. Wanneer de spot gewettigd is, vermaakt hij mij kostelijk, maar dikwijls voel ik er een onwaardigen beeldenstorm in, en heb ik den indruk, dat zijn scherpe kritiek niet slechts gericht is op de overdreven en belachelijke uitingen der ridderlijkheid, maar tegen den geheelen geest en het karakter van de romance. Cervantes zou er wèl bij gevaren zijn, wanneer hij zich uitsluitend gehouden had aan de satire; want wanneer hij zich aan dat gedeelte der literatuur waagt, dat hij met voorliefde belachelijk maakt, wordt hij dikwijls sentimenteeler dan de zoetsappigste schrijvers, tegen wie hij te velde pleegt te trekken. Zijne herders en herderinnen en zijne weggeloopen nonnetjes, zijn lang van stof en ingebeeld, en hij was sterk beïnvloed door het vervelende Arcadische tijdperk in de Europeesche letterkunde, dat zijn hoogtepunt bereikte in het herdersverhaal met zijn onnatuurlijkheid en zijn atmosfeer van nagebootsten landelijken eenvoud. Sannazaro was met zijn Arcadia inderdaad het voorbeeld geweest, dat Cervantes langen tijd volgde, totdat zijn eigen gezond verstand hem de minderwaardigheid liet zien van de modellen, die hij nabootste.
De schrijver van de Pastor de Filida Luiz Galvez de Montalva, was zijn intieme vriend, en het staat vast, dat deze een scherpe kritiek leverde op minderwaardige rijmelaars, zooals Hebrao en Alonso Perez. Het werk van hen, die deze school van pseudo-Arcadianisme vormden, had niets van de bekoorlijkheid der schilderijtjes van Watteau of Fragonard, hoe onnatuurlijk hunne herders en herderinnetjes in zijden en satijnen kleederen ook mochten zijn. Het landschap van de Spaansche pastorale had coulissen van bordpapier, en kunstmatige bliksemstralen schoten over het tooneel. Het was bevolkt met onuitstaanbaar saaie wezens, die inplaats van het werk te doen, waarvoor zij betaald werden, elkander, en den rampzaligen reiziger, die het ongeluk had hen te ontmoeten, gruwelijk verveelden met hun verliefd gejammer en eindelooze verhalen over hun liefdessmart. Het was dan ook niet te verwonderen, dat het aangeboren gezond verstand van Cervantes later in opstand kwam tegen dezen onwaardigen en onmannelijken onzin. Maar toch is het merkwaardig, dat hij, ondanks zijn scherpe kritiek van de ridderromance, een zwak bleef behouden voor de dwaasheden van Arcadië, waarvan hij zich nooit geheel heeft kunnen losmaken.
De omstandigheden des levens waren stellig van grooten invloed op de denkbeelden van Cervantes. In zijn kwaliteit van ontvanger der belastingen kwam hij dikwijls in aanraking met den schaduwkant van het leven, en hij bracht een groot gedeelte van zijn tijd door in de ongedwongen atmosfeer der herbergen, waar hij verblijf moest houden om een hem toegewezen district te bewerken. Onder deze omstandigheden en op deze plaatsen ontmoette hij mannen en vrouwen van vleesch en bloed, en maakte hij kennis met de harde werkelijkheid. Zulk een ondervinding is ongetwijfeld van groot nut voor iemand met een romantischen en fantastischen aard en dichtersgaven. De omstandigheden temperen zijn natuurlijken aanleg en verruimen zijn blik.
Bij zijn eerste ambtelijke reizen zal Cervantes stellig zijne reisgenooten in de posadas, waar hij zijne tenten had opgeslagen, hebben onthaald op hoogdravende verhalen van dolende herders en rondtrekkende herderinnen. Wij kunnen ons gemakkelijk een voorstelling maken van de wijze, waarop deze zoetsappige verhalen ontvangen werden door den ruwen ezeldrijver, den eenvoudigen soldaat en den marskramer. De kritiek van zulke menschen is niet slechts ruw, zij is vernietigend. Is het een wonder, dat het gelach, waarmede zijne eerste geestesproducten ontvangen werden door dit publiek, de fantastische spinnewebben van de hersenen van Cervantes wegvaagde?
Ik heb er reeds op gewezen, dat in den tijd, waarin hij leefde, de eigenlijke romance niet meer in de gunst van het volk stond. Dit was gedeeltelijk het gevolg van de veranderde verhoudingen, en gedeeltelijk van de opkomst van het Spaansche drama, dat van grooten invloed was geweest op den smaak en het letterkundig ideaal van de bevolking. Zou het niet mogelijk kunnen zijn, dat Cervantes, toen hij zag, dat zijne toehoorders zijne verhalen van het Arcadische type niet bewonderden, dit toeschreef aan de omstandigheid, dat deze eigenlijk thuis hoorden bij de hoogere standen, en dat hij zich toen bepaalde tot de romance, waarbij hij de droevige ondervinding opdeed, dat deze eveneens met hoongelach begroet werd door de herbergbezoekers? Ligt het niet voor de hand, dat te midden van de spotternijen zijner toehoorders, die zoo in alles verschilden van de romantische personen, van wie hij gedroomd had, het denkbeeld van Don Quixote bij hem geboren werd, en dat hij, onder het gelach der boerenkinkels en ruwe werklieden leerde begrijpen, dat een caricatuur van de ridderschap meer in den smaak zou vallen bij dit publiek? Mij lijkt dit tenminste zeer waarschijnlijk toe.
Gedurende vele jaren had men groote minachting getoond voor de onnatuurlijke ridderromance. Ernstige en degelijke schrijvers waren ertegen te velde getrokken, en het staat vast, dat zij voor een gedeelte van het Spaansche volk een beletsel vormde voor een gezonde, geestelijke ontwikkeling. Zij had inderdaad verwarring gesticht in de hoofden van dat gedeelte der bevolking, dat niet gewoon was voor zichzelf te denken, en dat niet in staat was te oordeelen over de fouten van een gedicht. In alle landen en in alle tijden wordt deze groep van menschen aangetroffen, die bijzonder gemakkelijk te beïnvloeden zijn en in bewondering komen voor de prulligste sensatieverhalen. Het is geen overdrijving, wanneer wij zeggen, dat in deze uiting van een ongezonde literatuur, een groot gevaar schuilt voor de geestesgesteldheid van een volk. Zij leidt de menschen af van hunne plichten, maakt hen ongeschikt voor ernstig werk, maakt hen veeleischend inplaats van onafhankelijk, en brengt hen er toe te gelooven, dat zij dezelfde deugden en gebreken hebben als de onnatuurlijke helden en heldinnen uit hunne dierbaarste verhalen. Het eenige wapen, dat het meer verstandige gedeelte der menschheid kan gebruiken tegen zulk een verderfelijken toestand, is gezonde spot. Maar het gevaar bestaat, dat bij het in opstand komen van de gevoelens van het publiek tegen deze letterkundige buitensporigheden, niet alleen de onzin verdwijnen zal, waardoor de onnadenkenden op een dwaalspoor gebracht, en de verstandigen geërgerd werden, maar dat de deugden en bekoorlijkheden, waarvan die dwaasheden de weerspiegeling zijn, niet bewaard zullen blijven, maar tegelijkertijd zullen worden vernietigd. Dit was tenminste het lot, dat de grootere romances ondergingen, deze paarlen van menschelijke verbeelding, die ondanks de reddingspogingen van iemand als Cervantes, bedolven werden bij den ondergang der fantasie, van welke plant zij de bloesem waren; totdat de smaak en het beter inzicht van een lateren tijd haar weder opgroeven uit de zware aardlaag, waaronder zij begraven lagen.
De figuur van Don Quixote.
Don Quixote, de held van de machtige satire, die den doodsteek gaf aan den ridderstand, is eigenlijk het type van den romancelezer uit den tijd van Cervantes. Dwaas en overdreven tot aan den grens van krankzinnigheid, is hij volkomen blind voor de gebruiken van het dagelijksch leven. Hij leeft in een eigen wereld, en heeft niets gemeen met die van zijn tijd, waaraan hij zich niet kan aanpassen. In dezen ridder van La Mancha worden de ondeugden, die de fantasie aankleven, belichaamd, zonder dat hare deugden, die van zulk een groot nut zouden kunnen zijn voor de gemeenschap, er in worden voorgesteld. Don Quixote leeft in een wereld van fantasie, die bewoond wordt door de schimmen, die hij ontmoet heeft in de boeken, waarvan zijn bibliotheek zoo rijk voorzien was. Zijn verbeelding is dus niet eens scheppend; door zijn verheerlijking van zijne afgoden, heeft het publiek weinig vertrouwen in hem, en hij wordt door zijne buren beschouwd als een beminnelijke dwaas, die niemand kwaad doet. Maar wanneer de droomer tot daden ontwaakt, kan hij zeer gevaarlijk worden, wanneer zijne visioenen hem op dwaalwegen leiden, of wanneer hij tracht een droom tot werkelijkheid te maken. Dit was het geval met Don Quixote. Hij was eigenlijk niet gek genoeg om opgesloten te worden, maar wel om een last voor zijn omgeving te zijn, al was hij dan ook niet gevaarlijk. Hij is het type van den romance-held, die door overdrijving van allerlei eigenschappen, tot abnormale uitingen komt, zooals een kleine jongen tot stelen komt door het lezen van detective verhalen, of een winkeljuffrouw zich gaat verbeelden, dat zij de lang verloren dochter is van een geheimzinnigen graaf.
Het is een gewoon verschijnsel bij dezen vorm van krankzinnigheid, dat de lijder gezelschap zoekt. Hij heeft voor de uitingen van zijn ijdelheid een publiek noodig; hij heeft behoefte, zijne plannen en denkbeelden mede te deelen aan iemand, die met aandacht naar hem luistert. In Sancho Panza vindt Don Quixote een eigenaardigen vertrouweling. De onnoozele boer is absoluut niet in staat de denkbeelden van zijn meester te begrijpen, maar hij wordt overdonderd door het geschetter, de welbespraaktheid, en de grootsche beloften van een prachtige betrekking en rijkdom, die de ridder met zijne wonderlijke fantasieën hem doet. Sancho’s twistzieke vrouw verzet zich hevig tegen zijn in dienst treden bij den dweepzieken Don; maar wanneer een droomer en een domkop zich vereenigen, heeft het gezond verstand niets in te brengen, en moet het rustig wachten, totdat windmolens zijn bevochten, en er harde slagen ontvangen zijn.
Maar al begint Sancho zijn reis als een onnoozele hals, hij blijft volstrekt niet altijd een domkop. Hij trekt voordeel uit zijne ondervindingen, en bij elke bladzijde zien wij hem flinker en gevatter worden en toenemen in gezond verstand. Hoe dwazer zijn meester wordt, des te wijzer wordt Sancho, totdat hij tenslotte de gids en raadgever wordt van den ridder van de Droevige Figuur. Naarmate wij in het verhaal vorderen, beginnen wij te bemerken, dat de boeren-schildknaap de rol vervult van een soort van koor, dat de buitensporigheden van den meester aan de kaak stelt en hekelt. Maar ook afgescheiden van Don Quixote, is Sancho Panza een boeiende en interessante figuur, met een eigen filosofie, rijk aan wereldsche wijsheid, en overvloeiend van praktische kennis. Wat zijn humor betreft, gelijkt hij op Falstaff, met dat verschil, dat deze typisch Engelsch is, terwijl de humor van Sancho Panza universeel is. Deze komische boer met de wereldbeschouwing van een wijsgeer, en de onbewuste luimigheid van een Handy Andy, zou in alle landen kunnen voorkomen.
Het avontuur in de Herberg.
De ware aard van Don Quixote komt misschien het best uit in dat hoofdstuk, waarin verteld wordt, wat hem overkwam in de herberg, die hij voor een kasteel aanzag. Het schijnt een doodgewone Spaansche posada te zijn geweest. De waard en waardin waren vriendelijke menschen, die door den ridder verheven werden tot slotheer en slotvrouwe, en in de slordige dienstmaagd, die onsterfelijk is geworden onder den naam van Maritornes, zag hij een dame van hoogen rang, die bij hem woonde. Na het gruwelijke pak ransel, dat hij van de Yangueesche paardenkoopers had gekregen, was de ongelukkige ridder dankbaar, zijne pijnlijke ledematen te kunnen uitstrekken in een armelijke zolderkamer, terwijl Sancho de herbergbezoekers een beschrijving gaf van het leven van een dolenden ridder en de wisselvalligheden van zijn bestaan, dat hem den éénen dag dwong tot het ondergaan van een ellende, zooals de Don nu doormaakte, en hem een volgenden dag verhief tot heerscher over vele keizerrijken. Deze uitleggingen werden bijgewoond door den Ridder van de Droevige Figuur in eigen persoon, die vanuit zijn bed de waardin en haar dienstmaagd onthaalde op een toespraak in zulke verheven bewoordingen, dat zij in de grootste bewondering voor zulk een welsprekendheid, hem beschouwden als iemand uit een hoogere wereld. Maar Don Quixote, die ernaar verlangde, van zijne verwondingen te genezen, droeg zijn knecht op, den »heer van het kasteel« te verzoeken, hem eenige bestanddeelen van een tooverdrank te verschaffen, waarvan hij in een of ander ridderboek gelezen had; en Don Quixote begaf zich aan het werk, om het toovermiddel te brouwen, terwijl hij vele credo’s en paternosters opzegde. Daarna dronk hij een flinke hoeveelheid van het afschuwelijke vocht, hetgeen treurige gevolgen had, en Sancho, die zijn voorbeeld volgde, ondervond dezelfde narigheid in nog heviger mate, en kreeg van zijn meester te hooren, dat het middel hem niet goed bekomen was, omdat hij niet tot ridder geslagen was.
Nadat hij zijn paard gezadeld had, wilde de ridder zijn reis vervolgen; maar voordat hij wegreed, verzekerde hij den »heer Gouverneur van het Kasteel«, hoe buitengewoon erkentelijk hij hem was voor de eerbetuigingen, die hij onder zijn dak ontvangen had. De herbergier waagde de opmerking, dat hij zijn rekening nog betalen moest, maar Don Quixote antwoordde, dat hij dat onmogelijk kon doen, daar hij nooit gelezen had, dat het de gewoonte van dolende ridders was, voor kost en inwoning te betalen. De waard protesteerde hevig, waarop de ridder Rozinante de sporen gaf, en de poort uitreed. Toen trachtte de waard zijn geld los te krijgen van Sancho Panza, maar zonder succes, daar de schildknaap met dezelfde beweringen aankwam als zijn meester, waarop eenige gasten hem beetpakten en hem in een beddelaken jonasten. Toen Don Quixote hem hoorde schreeuwen, keerde hij terug, maar ofschoon hij hevig opspeelde, gingen de reizigers voort, Sancho te jonassen, totdat zij eindelijk, door vermoeidheid gedwongen, ophielden en hem lieten loopen.
Don Quixote’s Liefdeswaanzin.
Het zou ons te ver voeren, indien wij Don Quixote stap voor stap wilden volgen door het land der valsche romantiek, dat hij voor zichzelf had geschapen. Wij herinneren ons, hoe Amadis op het Versterkte Eiland jammerde over zijn scheiding van de geliefde; en toen Don Quixote op een plaats kwam, bekend als de Zwarte Berg, besloot hij het voorbeeld te volgen van den grooten held uit de ridderverhalen. Voordat hij zijn geboortedorp verliet, had hij zijn liefde geschonken aan een boerenmeisje, dat hij den romantischen naam van Dulcinea del Toboso gaf; en toen hij nu bij den Zwarten Berg gekomen was, besloot hij zijne dagen door te brengen in overpeinzingen over de deugden en bekoorlijkheden van deze voortreffelijke jonkvrouw. Nadat hij voor Sancho Panza een voordracht gehouden had over de plicht, die in dit opzicht op een dolenden ridder rustte, werd hij kwaad op zijn schildknaap, omdat deze maar niet kon begrijpen, wat de oorzaak was van zijn verliefd en opgewonden gedoe.
»Zeg eens, heer«, vroeg Sancho, »wat zijt gij van plan uit te voeren in deze negorij?«
»Ik heb u toch al verteld«, antwoordde Don Quixote, »dat ik van plan ben Amadis na te volgen in zijn krankzinnigheid, wanhoop en woede? Maar tegelijkertijd wil ik Orlando Furioso’s opgewondenheid nabootsen, toen hij waanzinnig werd, bij welke gelegenheid hij in zijn wanhoop boomen ontwortelde, het water der heldere bronnen troebel maakte, de herders doodsloeg, hunne kudden verjoeg, en honderdduizend andere dwaasheden deed, die waard zijn te worden vereeuwigd in de boeken van den roem.«
»Heer,« vroeg Sancho, »ik veronderstel, dat de ridder, die dit alles deed, reden had om krankzinnig te worden, maar welke jonkvrouw heeft u versmaad, of een blauwtje laten loopen?«
»Dat is het juist«, riep Don Quixote, »want hieruit bestaat juist het eigenaardig grootsche van mijn onderneming. Er is voor een ridder volstrekt geen kunst aan, krankzinnig te worden om een goeden reden, maar het bijzondere is juist, waanzinnig te worden zonder oorzaak, zonder eenige noodzakelijkheid, want hierdoor krijgt zijn geliefde een juist inzicht in de hevigheid zijner liefde. Verspil dus geen tijd met te trachten mij af te brengen van zulk een zeldzaam gelukkig en merkwaardig plan. Ik ben gek, en ik wil gek blijven, totdat gij terug komt met een antwoord op den brief, dien gij voor mij naar jonkvrouw Dulcinea brengen moet; als het antwoord gunstig uitvalt, zal mijn boetedoening eindigen, maar in het tegenovergestelde geval, wensch ik gek te blijven.«
»Hemelsche goedheid!« riep Sancho uit, »waarom stelt gij u zoo aan, Heer Ridder? Al die verhalen van u over het veroveren van koninkrijken, en het wegschenken van eilanden, lijken mij groote opsnijderij, en deze nieuwste kuur van u....«
»Daar ik er van houd, de dingen bij den naam te noemen, wil ik je zeggen, dat je een groote stommeling bent. Weet je dan niet, dat alle daden en avonturen van een dolenden ridder op het eerste gezicht dwaasheden lijken? Inderdaad zijn zij het niet, maar het lijkt zoo door de kwaadaardigheid en de jaloerschheid van machtige toovenaars.« Zoo sprekende kwamen zij bij een hooge rots, waaromheen de boomen, de wilde planten en bloemen overvloedig groeiden, en hier besloot de Ridder van de Droevige Figuur, uiting te geven aan zijn liefdessmart. Hij wierp zich op den grond en hief een luid geweeklaag aan.

Don Quixote’s Liefdeswaanzin.
»Ga nog niet heen«, riep hij Sancho toe, »want ik wensch, dat gij getuige zijt van hetgeen ik voor mijn geliefde doen zal, opdat gij het haar kunt vertellen.«
»Groote goedheid,« riep Sancho uit; »wat voor dwaasheden kan ik nog meer te zien krijgen?«
»Alleen maar, hoe ik mijn wapenrusting wegwerp, mijn kleederen verscheur, mijn hoofd tegen de rotsen sla, en nog een heeleboel van deze dingen doe, waarover gij verbaasd zult staan.«
»Beware mij, heer,« riep de knecht, »als het dan bepaald noodig is, dat gij met uw bol tegen een rots slaat, doe het dan een beetje voorzichtig, als ’t u belieft.«
Het Leger van Schapen.
Maar het vermakelijkste van alle avonturen van Don Quixote is zeker wel dat, waarin hij een kudde schapen aanziet voor een leger. Hij en Sancho reden op een sukkeldrafje over een kale vlakte, toen zij op eenigen afstand een dichte stofwolk zagen.
»De dag is gekomen,« riep de ridder uit, »de gelukkige dag, dien de fortuin mij heeft beschoren, waarop de kracht van mijn arm mij zulke overwinningen zal bezorgen, dat het verre nageslacht er nog van spreken zal. Ziet gij daarginds die stofwolk? Weet dan, dat deze wordt opgejaagd door een reusachtig leger, dat hierheen komt, en dat bestaat uit een onnoemelijk aantal volkeren.«
De hersenen van den dwazen ridder waren natuurlijk volgepropt met verhalen van allerlei merkwaardige gevechten van myriaden heidenen, verhalen, waarvan, zooals wij gezien hebben, de oude romances zoo dikwijls gewag maken, en hij was verrukt, toen Sancho hem er op opmerkzaam maakte, dat twee verschillende legers van tegenovergestelde kanten schenen te naderen.
»Mooi zoo«, riep Don Quixote, »dan zullen wij den zwaksten troep helpen. Gij moet weten, Sancho, dat het leger, dat ons tegemoet komt, wordt aangevoerd door den grooten Alifanfaron, Keizer van het Eiland Taprobana. De bevelhebber van het leger, dat achter ons optrekt, is zijn gezworen vijand, Pentapolin van de Opgestroopte Mouw, de Koning der Garamanten.«
»Zeg eens, Heer,« vroeg Sancho, »wat is de reden van de vijandschap tusschen die twee hooge vorsten?«
»Dat is in twee woorden gezegd«, antwoordde Don Quixote, »de heiden Alifanfaron heeft de onbeschaamdheid gehad naar de hand te dingen van de dochter van Pentapolin, die hem gezegd heeft, dat hij niets van hem weten wil, tenzij hij zijn valsch geloof afzweert.«
»Wanneer er een gevecht op handen is«, zeide Sancho zenuwachtig, »zal ik mijn ezel maar buiten schot brengen, want ik vrees, dat hij niet veel waard is in den strijd«.
»Dat is waar«, antwoordde Don Quixote. »Zoodra de ridders uit hunne zadels beginnen te vallen, zullen wij een strijdros voor u uitzoeken. Maar laten wij hunne gelederen eens nagaan. Die ridder met de vergulde wapenen en het schild, waarop een gekleurde leeuw aan de voeten eener jonkvrouw ligt, is de dappere Luarcalco, Heer van de Zilveren Brug. Ginds ziet gij den machtigen Micocolembo, den grooten Hertog van Quiracië, die een wapenrusting draagt, bedekt met gouden bloemen. De reusachtige gestalte aan zijn rechterkant is de vermetele Brandabarbaran, de vorst van de Drie Arabië’s, wiens wapenrusting gemaakt is uit slangenhuid, en die als schild de poort van den tempel draagt, dien Samson verwoest heeft in zijn stervensuur. Maar onze bondgenooten komen ook naderbij. Ginds loopt Timonel van Carcaxona, Prins van Nieuw Biskaje, die op zijn schild een goudkleurige kat in een rood veld draagt, met het motto »Miauw«. Naast hem rijdt Espartafilardo van het Woud, wiens blauw schild overdekt is met aspergeplanten. Maar de heidenen dringen op. Rechts ziet gij een afdeeling van hen, die uit den vriendelijken stroom Xanthus drinken; daar rijden de ruwe bergbewoners van Massilia, daar achter de gouddelvers van Arabia Felix, de verraderlijke Mundiërs, de boogschutters van Perzië, de Meden en de Parthen, die vluchtende vechten, de zwervende Arabieren en de zwarte Aethiopiërs«.
»Bij mijn ziel«, riep Sancho uit, »stellig zijn uwe toovenaars weer aan den gang, want geen enkelen ridder, reus of soldaat zie ik, van al die menschen, die gij opnoemt«.
»Stommeling!« riep Don Quixote uit, »luister dan naar het gehinnik der ontelbare paarden, het trompetgeschal en het tromgeroffel.«
»Dat moet toovenarij zijn,« riep de verbaasde Sancho uit, »want ik hoor niets dan het geblaat van schapen«.
»Verberg u dan, wanneer gij den strijd vreest,« antwoordde Don Quixote schamper. »Mijn eigen arm is mij genoeg om de overwinning te brengen aan het leger, dat ik met mijn hulp zal vereeren;« en met een luiden strijdkreet zwaaide hij zijn lans, en wierp hij zich als een razende in het veld, roepende: »Moed, dappere ridders! Dood aan den grooten ongeloovige Alifanfaron van Taprobana!« Op hetzelfde oogenblik was hij midden tusschen de schapen, links en rechts slagen uitdeelende, en met elken lansstoot een dier doorborende. De hevig vertoornde herders grepen hunne slingers, en begonnen op hem te mikken met steenen, zoo groot als hun vuist. Maar vol verachting voor deze lichte artillerie, bleef hij verwenschingen richten tot Alifanfaron, met wien hij zich verbeeldde handgemeen te zijn, toen een steen, zoo groot als een groote appel, zijne ribben trof. Daar hij meende levensgevaarlijk gewond te zijn, haalde hij de aarden flesch te voorschijn, die zijn toovermedicijn bevatte; maar juist toen hij die naar de lippen bracht, werd hij geraakt door een steen uit den slinger van een der herders, en zij werd totaal verbrijzeld; daarenboven brak de steen drie zijner tanden, en wierp hij den ridder uit het zadel. De herders, die bevreesd waren, dat zij hem gedood hadden, raapten vlug de doode schapen op en maakten zich uit de voeten, Don Quixote meer dood dan levend achterlatende.
De Helm van Mambrino.
Niet minder merkwaardig is het verhaal van Cervantes, hoe Don Quixote er in slaagde, in het bezit te komen van den helm van Mambrino. Hij zag in de verte een ruiter, die op het hoofd iets droeg, dat als goud schitterde. Hij wendde zich tot Sancho, en zeide: »zie, ginds komt hij, die op het hoofd den helm van Mambrino draagt, en ik heb gezworen, dat ik dien bezitten zal.«
»In werkelijkheid,« zegt Cervantes, »was het echter als volgt: Er waren in dat gedeelte van het land twee dorpen, waarvan het ééne zóó klein was, dat er zelfs geen winkel of barbier te vinden was, zoodat de barbier van het grootste dorp, ook het kleinste bediende. En toen nu iemand adergelaten, en een ander geschoren moest worden, ging de barbier daarheen, waar men hem noodig had, met zijn koperen scheerbekken, dat hij omgekeerd op het hoofd had gezet om zijn hoed te sparen, want deze was nieuw, en het regende; en daar het bekken juist gepoetst was, kon men het op verren afstand zien glinsteren. Zooals Sancho goed gezien had, bereed hij een ezel, dien Don Quixote natuurlijk voor een appelschimmel aanzag, zooals hij den barbier voor een ridder hield, en het koperen bekken voor een gouden helm; want in zijn verward brein paste zich elk voorwerp aan bij zijne romantische ideeën. Toen hij dus den armen denkbeeldigen ridder zag naderen, greep hij zijn lans of werpspies, en zonder stil te houden om zijn niets kwaads vermoedenden tegenstander toe te spreken, reed hij zoo woest op hem toe, als Rozinante hem dragen wilde, vastbesloten hem te doorboren, onderwijl luidkeels roepende: »Schurk, ellendeling, verdedig u, of geef mij oogenblikkelijk mijn rechtmatig bezit over.«
De barbier, die deze vreeselijke verschijning zoo woedend op zich zag afkomen, en die in doodsangst verkeerde, dat de lans van Don Quixote hem zou doorsteken, liet zich haastig van zijn ezel op den grond glijden, stond snel weer op, en liep weg, zoo vlug als zijne voeten hem dragen konden, zijn ezel en scheerbekken achter latende.
»Bij mijn ziel,« zeide Don Quixote, »de heiden, die dezen helm heeft achtergelaten, is even voorzichtig geweest als de bever, die, bemerkende, dat men hem op de hielen zit, zijn leven redt, door met de tanden datgene af te snijden, waarvan zijn natuurlijk instinct hem zegt, dat het de aanleiding is tot de vervolging.« »In ieder geval is het een prachtig scheerbekken,« zeide Sancho, »en minstens acht stuivers waard.«
Don Quixote zette het dadelijk op zijn hoofd, maar hij kon het visier niet vinden, en toen hij bemerkte, dat het er geen had, zeide hij: »Stellig had de heiden, voor wien de helm oorspronkelijk gemaakt werd, een reusachtig hoofd, maar helaas ontbreekt een gedeelte van het hoofddeksel.«
Hierop barstte Sancho in lachen uit.
»Ik denk«, vervolgde Don Quixote, »dat deze betooverde helm door een of ander toeval in handen is gekomen van iemand, die uit geldzucht, en ziende, dat hij van zuiver goud is, de ééne helft gesmolten heeft, en van de andere een hoofddeksel heeft gemaakt, dat, zooals gij terecht opmerkt, eenige overeenkomst vertoont met een scheerbekken«.
Het Avontuur van de Windmolens.
Het bekendste, zij het dan ook niet het vermakelijkste avontuur van Don Quixote, is zeker wel dat van de windmolens. De uitdrukking »vechten met windmolens«, is spreekwoordelijk geworden. De zwakzinnige Don en zijn schildknaap waren bij een vlakte gekomen, waar dertig à veertig windmolens stonden, en zoodra Don Quixote hen in het oog kreeg, riep hij uit: »De fortuin behartigt onze belangen beter, dan wij het hadden kunnen wenschen. Zie Sancho, daar zijn minstens dertig woeste reuzen met wie ik strijden wil, en op wie wij een rijken buit zullen veroveren«.
»Welke reuzen?« vroeg Sancho Panza.
»Die gij daarginds ziet«, antwoordde Don Quixote, »met hunne lange, uitgestrekte armen«.
»Met uw verlof, heer«, zeide de schildknaap, »die dingen daar zijn geen reuzen, maar windmolens.«
»Ach Sancho,« zeide Don Quixote, »wat zijt gij toch slecht op de hoogte van ridderavonturen; ik zeg u, dat het reuzen zijn, dus, als ge bang zijt, verstop u dan, en zeg uwe gebeden op, want ik heb besloten den ongelijken strijd tegen hen allen te ondernemen«. En na deze woorden gaf hij zijn paard de sporen, onder het geroep van: »Blijft staan, verachtelijke wezens, en vlucht niet lafhartig voor een enkelen ridder, die den moed heeft, u allen te bestrijden!« Op hetzelfde oogenblik stak de wind op, en de molenwieken begonnen te draaien, waarop de Don luidkeels uitriep: »Ellendige heidenen, al beweegt gij meer armen dan de reus Briareus, toch zult gij gestraft worden voor uw onbeschaamdheid!«
Daarna wijdde hij een eerbiedige gedachte aan zijn geliefde, en wierp zich op den eersten windmolen, waarvan hij met zijn speer een wiek dóorboorde. De wieken hielden echter niet stil, maar trokken den ridder met zijn paard de lucht in, totdat eindelijk de lans in stukken brak, en Rozinante met haar meester van een flinke hoogte naar beneden tuimelde.
Sancho Panza kwam dadelijk op den gevallen ridder toeloopen, die er leelijk gehavend uitzag.
»Ach, uw genade,« riep hij uit, »heb ik u niet gezegd, dat het windmolens waren, en dat alleen iemand, die windmolens in zijn hoofd heeft, er anders over denken kon.«
»Houd je mond!« antwoordde Don Quixote, die erg van streek was door den val; »ik ben ervan overtuigd, dat die vervloekte toovenaar Freston, die mij voortdurend vervolgt, deze reuzen in windmolens veranderd heeft. Maar let eens op: ten slotte zullen al zijne listen en gemeene streken machteloos blijken tegenover mijn scherp zwaard.«
De Geschiedenis van den Gevangene.
Een van de merkwaardigste verhalen uit de geschiedenis van Don Quixote is dat van den gevangene, dien de held in een herberg ontmoet. Dit verhaal is misschien niet een volkomen getrouw verslag van Cervantes’ eigen gevangenschap onder de Moorsche zeeroovers, maar het is er toch zeker door geïnspireerd.
Op den 26en September 1575 werd het vaartuig Sol, waarop Cervantes als vrijwilliger diende in de buurt van Marseille, gescheiden van het overige gedeelte van het Spaansche eskadron en ontmoette een vloot van Moorsche zeeroovers, wien het na een wanhopigen tegenstand in handen viel. Cervantes zelf werd als slaaf verkocht aan een zekeren Dali Mami, een Grieksch afvallige, die op zijn gevangene eenige zeer vleiende brieven vond van Aartshertog Johan van Oostenrijk en den Hertog van Sessa. De aard dezer brieven deed zijn nieuwen meester vermoeden, dat Cervantes een persoon van gewicht was, en dat hij waarschijnlijk wel in staat zou zijn, een hoogen losprijs te betalen. Maar hoewel de grooten der aarde dikwijls zeer gaarne bereid zijn, het genie te beloonen met welsprekende getuigschriften, die hun niets kosten dan wat papier en inkt, zijn zij meestal volstrekt niet zoo vlug met het neertellen van groote sommen gelds, om hunne lofspraken meer klem bij te zetten, zoodat Cervantes in gevangenschap moest blijven zuchten. In 1576 gelukte het hem, met andere gevangenen te vluchten. Maar hun Moorsche gids bedroog hen, en zij waren door den honger gedwongen, naar Algiers terug te keeren. Het volgend jaar werd de broeder van Cervantes bevrijd, en deze rustte een schip uit, om Miguel en zijne vrienden te ontvoeren. Intusschen had de schrijver van Don Quixote vriendschap gesloten met een Spaansch afvallige, een Navarreeschen tuinman, Juan genaamd. Samen groeven zij in een tuin, die dicht bij de zee gelegen was, een hol, en daarin verborgen zij één voor één veertien Christenslaven, die gedurende verscheidene maanden in het geheim gevoed werden, geholpen door een anderen heiden, El Dorador genaamd. Het vaartuig, dat door Rodrigo de Cervantes gezonden was, lag bij de kust, en was op het punt de slaven, die in het hol verborgen waren, op te nemen, toen een Moorsche visschersboot voorbij voer, die de bevrijders zoodanig verschrikte, dat zij weer zee moesten kiezen. Intusschen had de valsche El Dorador het plan verraden aan Hassan Pasha, den Dey van Algiers, en toen verscheidenen der bevrijders ten tweeden male landden, om de vluchtelingen aan boord te nemen, omsingelden de troepen van den Dey den tuin, en het geheele gezelschap Christenen werd gevangen genomen. Cervantes nam, met de groote edelmoedigheid, die zijn geheele leven kenmerkte, de volle verantwoordelijkheid voor de samenzwering op zich. Toen hij gebonden voor Hassan gesleept werd, volhardde hij in zijn verklaring; en ofschoon de ongelukkige tuinman opgehangen werd, besloot Hassan Cervantes te sparen. Om een reden, die slechts hemzelf bekend was, kocht Hassan den dichter voor vijfhonderd kronen van Dali Mami. Misschien verwachtte de tiran een geweldigen losprijs van iemand, wiens waardig optreden zeker niet heeft nagelaten, indruk op hem te maken. Maar hoe het zij, Cervantes begon dadelijk een derde plan tot ontvluchting te smeden. Hij zond een brief aan den Spaanschen Gouverneur van Oran, wien hij om hulp vroeg. Maar deze brief werd onderschept, en de dichter werd tot tweeduizend stokslagen veroordeeld, die hij echter nooit heeft gekregen. Cervantes kwam toen op het denkbeeld, de Christenbevolking van Algiers over te halen tot een opstand, waarbij zij zich zouden meester maken van de stad. Bij dit plan werd hij ondersteund door eenige kooplieden uit Valencia. Maar zijn opzet werd verijdeld door het verraad van een Dominikaner monnik, en de Valenciërs, die de gevolgen voor zich vreesden, smeekten Cervantes te vluchten op een schip, dat op het punt stond, naar Spanje te vertrekken. Maar Cervantes weigerde zijne vrienden in den steek te laten, en toen hij nogmaals voor Hassan gesleept werd, met het koord van den beul om den nek, en men hem dreigde met een onmiddellijken dood, indien hij de namen zijner medeplichtigen niet wilde noemen, was hij evenmin te bewegen, hen te verraden.
Intusschen stelde zijn familie alles in het werk om hem te bevrijden; en om medelijden op te wekken, met het doel, den losprijs gemakkelijker bijeen te brengen, gaf zijn moeder zich uit voor een weduwe, ofschoon haar echtgenoot, een hoog bejaard geneesheer, nog in leven was. Met geweldige moeite verzamelden zijne verwanten tweehonderdvijftig dukaten, die zij uitbetaalden aan een monnik, die geregeld naar Algiers ging; maar Hassan weigerde dit aan te nemen, daar hij voor een gevangene van hoogen rang, Palafox genaamd, duizend dukaten eischte. Het schijnt, dat de monnik als officieel tusschenpersoon optrad, en toen Hassan bemerkte, dat hij niet meer dan vijfhonderd dukaten voor Palafox betalen wilde, bood hij aan, Cervantes vrij te laten voor deze som, bij wijze van koopje. Op deze wijze werd de schrijver van Don Quixote, na vijf jaren van slavernij in vrijheid gesteld, en hij keerde naar zijn vaderland terug. Maar zoodra de Dominikaner monnik, die het ontvluchtingsplan aan Hassan verraden had, hoorde, dat hij in Spanje geland was, begon hij, bevreesd, dat Cervantes hem wegens verraad zou aanklagen, valsche berichten over zijn levenswandel te verspreiden. Cervantes was echter volkomen in staat, deze berichten tegen te spreken, en zijn heldenmoed als leider der gevangenen vond algemeene erkenning. Deze geschiedenis, waarvoor Cervantes het twijfelachtige voorrecht had, persoonlijk de »lokale kleur« te hebben kunnen verzamelen, wordt Don Quixote verteld door een ontvluchten slaaf, die met zijn Moorsche geliefde in de herberg aankwam, waar de Ridder van de Droevige Figuur verblijf hield. Ik zal mij houden aan den verhaaltrant van Cervantes, die in de eerste persoon spreekt. Maar daar dit verhaal een belangrijk stuk van het eerste deel van zijn beroemd boek inneemt, ben ik wel genoodzaakt, het aanmerkelijk te bekorten.
»Mijn familie stamt uit de bergen van Leon, en ofschoon mijn vader een flink inkomen had, was hij weinig overlegzaam geweest, en mijne broeders en ik waren reeds op jeugdigen leeftijd gedwongen, ons fortuin te zoeken. Een van mijne broeders besloot naar Indië te gaan, de jongste werd priester, en ik wilde soldaat worden. Met duizend dukaten in mijn zak, reisde ik naar Alicante, waar ik mij inscheepte naar Genua. Vandaar trok ik naar Milaan, waar ik mij bij het leger van den machtigen Hertog van Alva voegde, onder wien ik in Vlaanderen diende. Eenigen tijd nadat ik in dat land was gekomen, hoorde ik, dat Paus Pius I een verbond met Spanje had gesloten tegen de Turken, die juist het eiland Cyprus op de Venetianen veroverd hadden. Toen ik vernam, dat aan Aartshertog Johan v. Oostenrijk de leiding van deze onderneming was opgedragen, keerde ik naar Italië terug, en nam ik dienst in zijn leger; ik nam deel aan den grooten slag van Lepanto, bij welke gelegenheid de fabel van onoverwinnelijkheid der Turken, die zoolang de Christenen misleid had, een einde vond. Maar inplaats van te kunnen bijdragen tot deze overwinning, was ik zoo ongelukkig gevangen genomen te worden bij het gevecht. Nadat Rehali, de vermetele zeeroover en Koning van Algiers, de galei Capitana van Malta genomen had, kwam het schip van Andrea Doria, waarop ik dienst deed, de bemanning te hulp. Ik sprong aan boord van het vijandelijk vaartuig, dat er echter in slaagde, zich los te maken van de enterhaken, die men uitgeworpen had en ik was in een oogenblik omringd door vijanden, die mij overmeesterden. Ik werd naar Constantinopel gevoerd, en kwam als slaaf op de veroverde Capitana te Navarino. Daar ik mijn vader niet wilde vragen een losprijs voor mij te verzamelen, zond ik hem geen bericht over mijne omstandigheden. Toen mijn meester Vehali stierf, kwam ik in handen van een Venetiaansch afvallige, Azanaga genaamd, die naar Algiers voer, waar ik in de gevangenis werd gezet. Daar men dacht, dat er wel een losprijs voor mij zou worden betaald, zetten de Mooren mij in een bagnio, en werd ik niet gedwongen tot arbeiden zooals die gevangenen voor wie geen hoop op vrijheid bestond. Op de binnenplaats der gevangenis zagen de vensters uit van het huis van een rijken Moor, en op zekeren dag, toen ik daar rondliep, verscheen er uit één dier vensters een lange stok, waaraan een linnen zak was gebonden. Deze zak werd heen en weer bewogen, alsof men verwachtte, dat iemand haar grijpen zou, en een van ons ging er dadelijk onder staan om te wachten totdat de stok weer zou dalen. Maar juist toen hij hem grijpen wilde, werd de stok weer omhoog getrokken en zijwaarts heen en weer bewogen, als bij een ontkenning. Een tweede mijner makkers trad naar voren, maar had evenmin succes. Dit ziende, besloot ik mijn geluk ook eens te beproeven, en toen ik onder den stok kwam, viel hij voor mijne voeten op den grond. Ik maakte de lap los, en vond er ongeveer tien gouden munten, zoogenaamde zianins, in gebonden. Ik nam het geld, brak den stok, en keek naar boven, waar ik een blanke hand zag, die haastig het venster sloot. Korten tijd daarna vertoonde men uit hetzelfde venster een klein houten kruis, en hieruit maakten wij op, dat een of andere Christenvrouw in dat huis gevangen gehouden werd. Maar de blankheid van de hand en de kostbaarheid der armbanden brachten ons op het denkbeeld, dat wij misschien te doen hadden met een Christen jonkvrouw, die tot den Mohammedaanschen godsdienst was overgegaan.
Gedurende de eerstvolgende weken kregen wij geen verdere bewijzen van de aanwezigheid der jonkvrouw, ofschoon wij nauwkeurig op het venster letten; maar wij vernamen, dat het huis behoorde aan een hooggeplaatsten Moor, Agimorato geheeten. Maar na ruim veertien dagen verscheen de stok opnieuw, en dit keer bevatte de linnen zak niet minder dan veertig kronen van Spaansch goud, met een brief in Arabische letters, waarboven een groot kruis geteekend was. Maar geen van ons verstond Arabisch, en het was niet gemakkelijk iemand te vinden, die den brief voor ons vertalen kon. Eindelijk besloot ik een Moor uit Murcia in mijn vertrouwen te nemen, die mij reeds vele bewijzen van zijn goede gezindheid had geschonken. Hij was bereid den brief voor mij te vertalen, en zoo hoorde ik, dat de inhoud als volgt luidde:
»Als kind had ik een Christenvoedster, die mij veel over uw godsdienst leerde, voornamelijk van Lela Marien, die gij de Maagd noemt. Toen mijn goede slavin gestorven was, verscheen zij mij in den droom, en beval mij, naar het land der Christenen te gaan, om de Maagd te leeren kennen, die mij zeer genegen was. Ik heb vanuit dit venster vele Christenen gezien, maar in geen hunner had ik dat groote vertrouwen, dat ik in u heb. Ik ben jong en schoon, en beschik over veel geld en andere kostbaarheden. Ik smeek u, overweeg de mogelijkheid met mij te vluchten, en wanneer wij in uw vaderland zijn aangekomen, zult gij mijn echtgenoot worden, wanneer gij dat begeert. Maar indien gij dit niet wenscht, zijt gij geheel vrij, want de Maagd zal mij wel een echtgenoot schenken. Spreek geen enkelen Moor over dezen brief, want zij zijn allen onbetrouwbaar«.
De heiden, wien ik den brief ter vertaling had gegeven, beloofde, dat hij ons naar zijne beste krachten helpen zou, wanneer wij zouden trachten te vluchten; en in ons aller hart werd de hoop weer levendig, want wij begrepen, dat de invloed en de geldmiddelen der jonkvrouw, die vriendschap voor mij had opgevat, ons van groot nut zouden kunnen zijn bij onze pogingen tot ontvluchting. Ik dicteerde den afvallige een antwoord, dat hij in het Arabisch vertaalde, zoodat ik in de gelegenheid was, de jonkvrouw mijne diensten en die mijner makkers aan te bieden, en haar op mijn woord van Christen beloofde, haar te zullen huwen. Spoedig daarna werd de stok weer uit het venster neergelaten. Ik bevestigde er den brief aan, waarna hij weder omhoog werd gehaald. Dien nacht beraadslaagden wij gevangenen, over de beste wijze tot ontvluchten, en eindelijk besloten wij het antwoord van Zoraida (wij hadden ontdekt, dat dit de naam der jonkvrouw was) af te wachten, daar wij ervan overtuigd waren, dat niemand beter dan zij ons zou kunnen raden. Gedurende eenige dagen was het bagnio vol menschen, en al dien tijd bleef de stok onzichtbaar; maar toen wij wederom aan onszelf waren overgelaten, werd hij weder uit het raam gestoken, en dit keer bevatte de zak een brief en honderd gouden kronen. De afvallige vertaalde den brief voor ons, waarin ons werd medegedeeld, dat de schrijfster wel is waar geen ontvluchtingsplan kon beramen, maar dat zij ons voldoende geld kon verschaffen voor onzen losprijs. Zij opperde het plan, dat, wanneer wij zóó onze vrijheid herkregen hadden, één van ons naar Spanje zou gaan, daar een schip zou koopen, en de anderen zou komen halen. Zij eindigde met de mededeeling, dat zij binnenkort met haar vader naar buiten zou vertrekken, en dat zij den geheelen zomer in een landhuis in de nabijheid der zee zou wonen, en zij gaf een nauwkeurige beschrijving van de ligging en omgeving van dit zomerverblijf.
Elk onzer verklaarde zich bereid naar Spanje te gaan voor den aankoop van het schip, dat de anderen bevrijden zou; maar de afvallige, die in dit opzicht een man van ondervinding was, verzette zich hiertegen, want hij had teveel van zulke ondernemingen zien mislukken, doordat men op een enkelen persoon vertrouwd had. Hij bood dus aan een schip in Algiers te koopen; dan zou hij zich als koopman voordoen, en op deze wijze zou het hem mogelijk zijn, ons uit het bagnio en het vijandelijk land weg te voeren. Intusschen antwoordde ik Zoraida, dat wij allen haar raad zouden opvolgen, en hierop gaf zij ons door middel van den stok, nogmaals tweeduizend gouden kronen. Hiervan gaven wij den afvallige vijfhonderd kronen om een schip te koopen, en door de goede diensten van een koopman uit Valencia verkreeg ik mijn vrijheid voor achthonderd kronen. Maar op raad van dezen koopman werd die som niet dadelijk aan den Dey uitbetaald, opdat zijn argwaan niet gewekt zou worden; wij deelden hem dus mede, dat het geld binnenkort uit Spanje zou worden gezonden, en intusschen kreeg ik, op mijn eerewoord, verlof, in het huis van den Valenciaanschen koopman te blijven. Voordat Zoraida naar het buitenverblijf haars vaders vertrok, gaf zij ons nog duizend kronen; deze gift was vergezeld van een brief, waarin zij ons vertelde, dat zij de sleutels van haar vaders schatkamer in bewaring had; en ditmaal nam ik maatregelen, om drie mijner makkers los te koopen.
De Vlucht uit Algiers.
Korten tijd daarna kocht de afvallige een schip, dat groot genoeg was om ruim dertig personen te bergen, en waarmee hij, volgens zijn zeggen, van plan was, verscheiden reizen te maken met een Moorschen deelgenoot, dien hij genomen had om argwaan te vermijden. Telkens wanneer hij langs de kust voer, wierp hij het anker uit in een kleine baai, dicht bij het huis, waar Zoraida woonde, opdat de bedienden gewend zouden raken aan zijn aanwezigheid daar. Hij landde zelfs bij verschillende gelegenheden bij het huis en verzocht Zoraida’s vader om vruchten, die hem nooit geweigerd werden, want de oude Moor was zeer vrijgevig. Maar het gelukte hem nooit Zoraida zelf te spreken te krijgen. Wij waren met onze plannen nu zoo ver gevorderd, dat hij ons vroeg een dag vast te stellen, waarop wij de groote onderneming, waarvan alles afhing, zouden wagen. Ik nam dus twaalf Spanjaarden in dienst, die bekend waren als goede roeiers, en wier gangen niet al te nauwkeurig werden nagegaan. Wij hadden afgesproken, dat wij in het geheim de stad zouden verlaten in den avond van den eerstvolgenden Vrijdag, en dat wij elkander dan zouden ontmoeten dicht bij het huis van Agimorato. Maar het was noodig, dat Zoraida zelf ook in kennis werd gesteld met ons plan, en dus betrad ik op zekeren dag haar tuin, onder het voorwendsel, dat ik eenige kruiden wilde plukken. Maar bijna op hetzelfde oogenblik ontmoette ik haar vader, die mij vroeg, wat ik daar deed. Ik vertelde hem, dat ik een slaaf was van Arnaut Mami, (van wien het mij bekend was, dat hij met hem bevriend was,) en dat ik eenige kruiden noodig had voor een salade. Terwijl wij spraken kwam Zoraida uit het tuinhuis, en daar het de gewoonte was, dat Moorsche vrouwen zich vertoonden aan Christenslaven, riep haar vader haar tot zich. Zij was buitengewoon kostbaar gekleed, en droeg een overvloed van juweelen, en toen ik haar zoo voor het eerst aanschouwde, was ik getroffen door haar groote schoonheid. Haar vader vertelde haar de reden van mijn aanwezigheid, en zij vroeg mij, of ik spoedig losgekocht zou worden. Gebruik makende van de lingua franca, vertelde ik haar, dat ik reeds vrij was, en dat ik van plan was, mij den volgenden dag op een Fransch vaartuig in te schepen.
Op hetzelfde oogenblik werd de Moor voor zaken weggeroepen, en ik deelde Zoraida haastig mede, dat ik haar den volgenden dag zou komen halen. Zij sloeg dadelijk hare armen om mij heen, en leidde mij naar het huis; maar haar vader, die juist terug kwam, bespiedde ons; en kwam hevig verschrikt op ons af. Oogenblikkelijk wendde Zoraida een bezwijming voor, en zij vertelde Agimorato dat zij zich plotseling onwel gevoeld had. Ik gaf haar aan haar vader over, en zij gingen het huis binnen.
Den volgenden avond scheepten wij ons in, en lieten het anker vallen tegenover Zoraida’s woning. Toen de duisternis was ingevallen, betraden wij onverschrokken den tuin, en daar wij de voordeur van het huis open vonden, begaven wij ons naar de binnenplaats. Zoraida trad ons dadelijk tegemoet met een kleinen koffer vol kostbaarheden, en zij vertelde ons, dat haar vader sliep. Maar het ongeluk wilde, dat wij hem door een onwillekeurig geluid, wekten, en hij kwam aan een venster, luidkeels roepende: Dieven, dieven! Christenen, Christenen! De afvallige vloog dadelijk naar boven en bond hem vast, en wij droegen vader en dochter aan boord. Ook namen wij de enkele Mooren gevangen, die zich op het schip bevonden, waarna wij de riemen grepen, en zeewaarts voeren.
Eerst trachtten wij Majorca te bereiken, maar er stak een hevige wind op; wij werden naar de kust gedreven, en waren zeer bevreesd, dat wij een der groote kruisers zouden ontmoeten, die zich in de buurt bevonden. Ik haastte mij, Agimorato te verzekeren, dat wij hem bij de eerstkomende gelegenheid zijn vrijheid zouden hergeven, en ik vertelde hem, dat zijn dochter Christin geworden was, en de rest van haar leven in een Christelijk land wilde doorbrengen. Toen de oude man dit hoorde, scheen het, alsof hij plotseling waanzinnig geworden was. Hij stond op, en wierp zich in zee, en het gelukte ons slechts met de grootste moeite, hem te redden. Korten tijd daarna liepen wij een kleine baai binnen, waar wij Agimorato aan wal zetten. Nooit zal ik de vervloekingen vergeten, waarmede hij zijn dochter overlaadde; maar toen wij wegzeilden, vervulde hij de lucht met zijn geklaag, en hij smeekte haar, terug te keeren. Maar zij verborg het gelaat in de handen, en bad de Heilige Maagd, hem te behoeden.
Wij waren nog niet ver van de kust verwijderd, toen de maan verduisterd werd, en bijna waren wij in botsing gekomen met een groot vaartuig, waarvan men ons in het Fransch toeriep, bij te draaien. Daar wij bemerkten, dat het een Fransch zeerooverschip was, gaven wij geen antwoord, maar voeren zoo snel mogelijk verder, waarop de bemanning een boot uitzette, ons schip enterde, en ons aan boord sleepte; Zoraida werd van al hare juweelen beroofd, en wij werden in het ruim van het schip geworpen. Toen wij den volgenden morgen de Spaansche kust bereikten, zetten zij ons in hun sloep, met twee kruiken water en een kleine hoeveelheid beschuiten, en de kapitein gaf in een opwelling van medelijden de bekoorlijke Zoraida bij het afscheid ongeveer veertig gouden kronen. Wij roeiden in de morgenschemering verder, en kwamen eenige uren later aan land. Nadat wij verscheidene mijlen geloopen hadden, ontmoetten wij een herder, die bij het zien van onze Moorsche kleederen, wegliep en alarm maakte. Niet lang daarna zagen wij een troep ruiters naderen, onder wie toevallig een bloedverwant van een onzer makkers was. Zij namen ons bij zich op hunne paarden, en spoedig bereikten wij de stad Velez Malaga. Daar begaven wij ons regelrecht naar de kerk, om God te danken voor de groote genade, die Hij ons betoond had, en daar zag en herkende Zoraida voor de eerste maal de Heilige Maagd.
»Met een gedeelte van het geld, dat Zoraida van den zeeroover gekregen had, kocht ik een ezel, en ik besloot te gaan onderzoeken, of mijn vader en broeders nog in leven waren. Dit is, edele heeren, het geheele verhaal van mijne ondervindingen«. Nauwelijks had de ontvluchte gevangene uitgesproken, of een schitterende koets hield voor de herberg stil. Een kostbaar gekleede heer en dame stapten uit, en traden de posada binnen, waar Don Quixote hun met groote hoffelijkheid tegemoet trad. De Christen vluchteling herkende in den heer zijn broeder, die nu rechter was aan het Hof van Mexico. Deze begroette hem recht hartelijk, en stelde hem de dame voor als zijn dochter. De man, die zooveel ondervonden had, besloot met zijn Moorsche bruid naar Sevilla terug te keeren, waar zij hun vader alles konden mededeelen, wat hun overkomen was. Tevens zou die oude man dan getuige kunnen zijn van den doop en het huwelijk van Zoraida; de grande verklaarde zich bereid voor haar toekomst en die van zijn zwaar beproefden broeder zorg te dragen.
De groei van Cervantes.
Vooral in verhalen als het vorige, bemerken wij duidelijk, hoe de stijl van Cervantes gemakkelijker en soepeler wordt naarmate de geschiedenis vordert. Het is duidelijk, dat hij zijn best heeft gedaan zich los te maken van de literaire kluisters van zijn tijd, en dit met succes. Hij vindt het niet langer noodig schrijvers als Antonio de Guevara na te bootsen, zooals hij deed in dat gedeelte, waarin Don Quixote de Gouden Eeuw beschrijft. Hij heeft de eigenaardige gemaaktheid van de vroegere bladzijden afgeschud, en is menschelijker en eenvoudiger geworden. Zijne gesprekken zijn meer in overeenstemming met de karakters, zijn dialoog is levendig, en zijn verhaaltrant boeiend. Maar ofschoon wij in deze bladzijden den realist zich zien ontwikkelen, heeft Cervantes toch nooit geheel het kleed der academische welsprekendheid afgeworpen; alleen wordt die welsprekendheid binnen de perken gehouden en heeft hij alle aanstellerij volkomen laten varen.
Het groote en zoo snel behaalde succes van Don Quixote was echter voornamelijk te danken aan den frisschen humor en de getrouwe wedergave van de Spaansche typen uit Cervantes’ tijd. Naast de figuren met wie iedereen zich vertrouwd gevoelde, plaatste hij de bijzondere persoonlijkheid van den Ridder van de Droevige Figuur, een grillig type uit een andere eeuw, maar wien niets ontbrak van de waardigheid en andere grootsche eigenschappen van tijden waarvan hij den geest trachtte na te bootsen. Om en bij het zeventiende-eeuwsche Spanje bewoog de ouderwetsche figuur van Don Quixote zich, den gewonen gang van zaken verstorende, en in opstand komende tegen de opvattingen van dien tijd; het hoofd vol van de riddertijden, welker fantasieën hij op het landschap projecteerde door middel van het veel te sterke licht zijner verbeelding. Maar al verwekte het gebrek aan overeenstemming tusschen het optreden van den Don en den tijd waarin hij leefde, bij het stemmige en ernstige Spanje een onbedaarlijk gelach, men erkende toch de typeering van hem en van Sancho Panza als een meesterlijke schepping, en men zag in deze persoonlijkheden de belichaming van een tot waanzin opgevoerde fantasie, en van het primitiefste gezond verstand.
De belangrijkheid van den opzet van Don Quixote, en de fijnheid van techniek, waarmede het is uitgewerkt, kunnen niet nalaten indruk te maken op oordeelkundige lezers. Het werk is vol van de kennis van een man van de wereld; het ademt verfijndheid en hoffelijkheid, en er spreekt een geest uit, die het boek tot een meesterwerk stempelt. Hier is geen gebrek aan samenhang, men ontmoet geen onhandige zinswendingen of zwakheid van uitdrukking. Ik heb niet den indruk, dat Cervantes met bijzondere gemakkelijkheid schreef, en dit is misschien wel de beste maatstaf voor zijn groot letterkundig talent; want men ziet ook nergens de teekenen van een moeilijk volbracht werk. Hij heeft den gelukkigen middenweg gevonden tusschen een zorgelooze gemakkelijkheid en het uitvoerig, en dikwijls zenuwachtig gepeuter, dat het werk van moderne schrijvers zoo dikwijls ontsiert. Hij is accuraat en merkwaardig zuiver in zijne uitdrukkingen, en wij kunnen ons niet voorstellen, dat hij moeite heeft gehad met het vinden van de juiste woorden bij zijne beschrijvingen. Wat het geheim van mijn stijl ook geweest moge zijn, het product ervan was een zeldzaam vloeiend en afwisselend verhaal, nauwkeurig en zuiver van uitdrukking. Het geheele tooneel is tot in de kleinste bijzonderheden met de hand van een meester geschilderd.
Het tweede deel van Don Quixote.
Wij kunnen uit de groote tijdsruimte, die Cervantes liet verloopen tusschen het eerste en het tweede deel van zijn beroemden roman, opmaken, hoe zorgvuldig hij ervoor waakte, dat niet een minderwaardig vervolg zijn welverdiende reputatie zou bederven; en de romanschrijver van dezen tijd, die zich door de sensatielust van het publiek, en zijn eigen ijdelheid laat verleiden tot veelschrijverij, zou in dit opzicht wel eens een voorbeeld mogen nemen aan hem. Er wordt dikwijls beweerd, dat de moderne schrijver bij de heerschende letterkundige toestanden den tijd mist, dien hij noodig zou hebben voor een goed overdachten opzet, een zorgvuldig ontwikkelde techniek, en een zuiveren stijl. Dit is helaas maar al te waar! De hedendaagsche schrijver, die succes heeft, kan zich de luxe niet permiteeren tien maanden, laat staan tien jaren te laten verloopen tusschen zijne verschillende werken, en het is waarschijnlijk te danken aan de koortsachtige haast, waarmede men tegenwoordig arbeidt, dat het vervolg op een goeden roman zoo menigmaal een groote teleurstelling brengt. Onze eeuw is waarlijk geen eeuw van fijnproevers. Wij eten, drinken en lezen nagenoeg alles, wat ons wordt voorgezet, en al mopperen wij een beetje over de kwaliteit van het gebodene, wij gevoelen zeer goed, dat klachten geen verandering kunnen brengen in de omstandigheden, die de oorzaak zijn van het verval der letterkunde. Het Spanje uit de dagen van Cervantes was vrij wat kritischer; het zou geen slecht of slordig gestijleerde werken hebben verdragen, maar er waren toch elementen voorhanden, die dikwijls de publicatie van een volgend boekdeel verhaastten, en de voornaamste reden van dit ongewenschte verschijnsel was ongetwijfeld letterkundige diefstal. Het schijnt, dat Cervantes aangespoord werd tot het uitgeven van het tweede deel van Don Quixote, door de verschijning in 1614 van een boek van Alonso Fernández de Avellaneda, dat een minderwaardig vervolg was op het eerste deel van zijn groot werk, en welks inleiding allerlei onbeschaamdheden van persoonlijken aard bevatten. Dat Cervantes zeer verstoord was over dezen letterkundigen diefstal blijkt wel uit het feit, dat hij al zijn ander werk liet liggen om zich geheel te geven aan het beëindigen van Don Quixote.
De laatste hoofdstukken van Don Quixote moest hij haastig afmaken, omdat zijn mededinger zijn plan gestolen had; en zoo was hij niet alleen gedwongen, het geheel om te werken, maar ook, het zoo spoedig mogelijk af te maken. Maar niettegenstaande dezen tegenspoed is een belangrijk gedeelte van het tweede boek waarlijk grootsch. Don Quixote moge hierin minder vermakelijk zijn, hij is veel diepzinniger geworden, en Sancho Panza wordt steeds verstandiger en helderder van oordeel. Ook de andere karakters zijn scherper geteekend dan in het eerste deel. Het vervolg van Don Quixote is inderdaad een groote spiegel, waarin de Spaansche maatschappij uit de dagen van Cervantes weerkaatst wordt door middel van een wonderbaar genie. Het geweldige succes van het werk moet wel de grootste voldoening zijn geweest voor den stervenden schrijver, en zal hem stellig hebben getroost voor de teleurstellingen van een leven, dat werd doorgebracht in ballingschap en armoede.
Lazarillo de Tormes.
De grootste humoristische roman, die in Spanje geschreven was, voordat Don Quixote verscheen, was Lazarillo de Tormes van Diego Hurfado de Mendoza, een veelzijdig man, die Spaansch gezant in Engeland is geweest. Hij was zoowel van vaders als van moeders zijde van adellijke afkomst, en werd in 1503 te Granada geboren. Daar hij een jongere zoon was, werd hij voor de kerk bestemd en dus studeerde hij aan de universiteit te Salamanca, waar hij reeds gedurende zijn studententijd den roman schreef, die hem beroemd heeft gemaakt. De levendige beschrijvingen, het diep doordringen in de verschillende karakters en de frissche humor, bezorgden het werk dadelijk een belangrijke plaats in de Spaansche letterkunde van dien tijd. Maar Mendoza veranderde reeds spoedig van beroep, en koos de politieke loopbaan. Karel V benoemde hem tot Gouverneur van Siena, een kleine Italiaansche republiek, die onder Spaansche heerschappij gekomen was. Mendoza had echter een trotsch en hardvochtig karakter, en tyranniseerde het ongelukkige volk, dat aan zijne zorgen was toevertrouwd, op ondragelijke wijze. Zij beklaagden zich bij den Keizer bitter over zijn gedrag, en toen er geen verbetering in den toestand kwam, trachtte men hem te dooden. Bij een dezer aanslagen op zijn leven, werd zijn paard onder hem gedood door een schot, dat voor hemzelf bestemd was. Gedurende zijn afwezigheid werd Siena ingenomen door een Fransch leger, en daar de weerlooze toestand der stad werd toegeschreven aan de omstandigheid, dat hij eenige troepen uit Siena verwijderd had, werd hij in 1554 naar Spanje teruggeroepen.
Terwijl hij als staatsman en officier in Italië vertoefde, was Mendoza echter steeds werkzaam geweest op letterkundig gebied, want hij had zijne politieke aanteekeningen geschreven, een vertaling van Aristoteles, een verhandeling over werktuigkunde, en andere belangrijke werken, die er echter geen van alle toe bijdroegen, de populariteit te verhoogen, die zijn eerste roman hem bezorgd had.
Lazaro, of beter gezegd Lazarillo (het verkleinwoord van dien naam) was de zoon van een molenaar, die zijn beroep uitoefende aan de oevers van de rivier de Tormes, aan welke omstandigheid hij zijn naam te danken had. Toen Lazarillo slechts tien jaren oud was, werd zijn vader gedood in een veldtocht tegen de Mooren, en daar zijn moeder niet in staat was hem te onderhouden, vertrouwde zij hem toe aan de zorgen van een blinden man, die bedelend door het land trok.
Toen zij bij de brug van Salamanca kwamen, zag de jongen daar een steenen beest, dat den vorm had van een stier, en zijn meester zeide hem, dat wanneer hij zijn oor tegen het beeld zou leggen, hij het zou hooren brullen. Dit deed hij, maar de oude man duwde hem met zulk een geweld tegen het steenen beest, dat hij bijna het bewustzijn verloor; en zijn meester lachte hem nog op den koop toe uit, zeggende, dat de jongen van een blinden man zich nooit voor den gek mocht laten houden. »Ik kan je geen zilver of goud geven,« zeide hij, »maar wel iets, dat vrij wat meer waard is, nl. de wereldwijsheid, die ik door ondervinding gekregen heb.«
De kleine Lazarillo kon slechts met de grootste moeite genoeg te eten krijgen. De oude bedelaar bewaarde zijn brood en vleesch in een linnen knapzak, die van boven stevig gesloten was; maar de jongen maakte een kleine torn onder in de zak, en verschafte zich op deze wijze de uitgezochtste stukken vleesch, spek en worst. Ook was het zijn taak de aalmoezen in ontvangst te nemen, die weldadige menschen den blinden man toewierpen, en een gedeelte daarvan bewaarde hij in zijn mond, totdat hij door langdurige oefening erin slaagde, een flinke hoeveelheid koperen munten in deze spaarpot op te bergen.
Op een warmen dag ergerde het hem, te zien, dat de bedelaar wijn dronk, terwijl hij dorst moest lijden. De wijn werd bewaard in een grooten aarden kruik, en van tijd tot tijd gelukte het hem, een slok van den verkoelenden drank te bemachtigen. Maar al heel gauw ontdekte zijn meester de praktijken van den jongen, en daarna hield hij de kruik tusschen zijne knieën en bedekte hij de opening met zijn hand. Daarom boorde Lazarillo in den bodem der kruik een gaatje, dat hij met was toestopte. Wanneer de blinde bedelaar aan den maaltijd bij het vuur zat, smolt de was, en Lazarillo hield zijn mond voor het gat, en dronk van den wijn. Zijn meester was woedend en verbaasd toen hij bemerkte, dat de drank verdwenen was en hij schreef die verdwijning toe aan toovenarij. Maar toen zijn pupil een volgend keer het kunstje herhaalde, pakte de stevige oude bedelaar met beide handen de kruik vast, en sloeg hem er zoo hevig mede op het hoofd, dat zij brak, en de jongen ernstig gewond werd. Van dien dag af koesterde Lazarillo een wrok tegen den blinden ouden dwingeland, en hij wreekte zich, door hem langs de slechtste wegen en over de modderigste paden te leiden.
Lazarillo besloot een dienst te verlaten, waar hij wel schoppen maar geen geld kreeg, en dus bracht hij zijn meester naar de Arcade van Escalona, waarlangs een snelle beek vloeide. Wanneer men deze wilde oversteken, moest men òf springen, òf er tot den nek doorwaden. De bedelaar koos de eerste methode. De slimme Lazarillo zeide hem, dat het smalste gedeelte tegenover een grooten steenen pilaar was, en de ongelukkige bedelaar ging een paar schreden achteruit om een aanloop te kunnen nemen, en sprong toen met zulk een kracht over de beek, dat hij tegen den pilaar vloog, en bewusteloos neerviel. Met een triomfkreet holde Lazarillo weg, en nooit zag hij den blinde weer.
Zijn volgende meester was een priester, en hoe ongelukkig zijne ondervindingen met den bedelaar ook waren geweest, zij waren niets in vergelijking met wat hij nu te verdragen had. Want de vrome man was boven alle beschrijving gierig en liet hem schandelijk hongerlijden. Hij bewaarde zijn brood in een groote houten kist, en toen de priester afwezig was, liet Lazarillo door een reizenden ketellapper een valschen sleutel er op maken, zoodat hij zich dagelijks kon te goed doen, totdat de gierige meester het tekort opmerkte. De priester dacht, dat de ratten hem bestalen, en omdat er verscheidene gaten in de kist waren, stopte hij deze zorgvuldig met kleine stukjes hout; maar het brood bleef verdwijnen, en daar een der buren een slang gezien had in de woning van den priester, kwam hij tot de conclusie, dat die de boosdoener was. Om niet ontdekt te worden, sliep Lazarillo met den sleutel van de kist in zijn mond; maar op zekeren nacht maakte hij bij het ademhalen een fluitend geluid op de opening van dit instrument, en de oude priester, die dacht, dat het het gesis van een slang was, gaf zulk een hevigen slag in de richting vanwaar het geluid kwam, dat hij Lazarillo voor geruimen tijd kreupel maakte. Toen de jongen hersteld was, nam de oude priester hem bij de hand, bracht hem naar buiten, en zeide: »Lazarillo, mijn zoon, gij hebt groote natuurlijke gaven: gij zijt werkelijk veel te knap voor zulk een oud man als ik ben, en ik wensch je nooit terug te zien. Vaarwel!«
Lazarillo vond spoedig een nieuwen meester, die een voornaam en beschaafd man scheen. Maar hij bemerkte, dat hij nog ellendiger bezeild was dan vroeger, want al was zijn meester een deftig heer, hij bezat geen cent in de wereld, en hij was voor zijn dagelijksch brood volkomen afhankelijk van hetgeen de jongen kon loskrijgen van weldadige menschen. Op zekeren dag vroeg de waard om betaling, en de heer vertrok, volgens zijn zeggen om geld van zijn bankier te halen; maar hij keerde nooit terug, zoodat de ongelukkige deugniet weer zonder meester was.
Toen kwam hij onder de goede zorgen van een verkooper van aflaten, die van stad tot stad trok. Op een dezer reizen bevonden zij zich in een herberg, waar zijn meester vriendschap sloot met een alguazil of konstabel. Op een keer hielden de vrienden tot laat in den nacht te zamen een drinkgelag, dat met een twist eindigde. En toen de priester den volgenden dag een inleidende preek hield om zijn waren aan te prijzen, trad de alguazil binnen en beschuldigde hem van bedrog. De verkooper van aflaten bad onder groot vertoon van vroomheid, dat de hemelsche machten zouden oordeelen en den alguazil straffen, en deze viel onder hevige stuiptrekkingen ter aarde. Enkele kerkbezoekers smeekten den monnik, dat hij zijn invloed zou gebruiken, opdat de toorn des hemels den verrader minder zwaar zou treffen, en de vrome man daalde van de preekstoel, en legde een bul, die hij, naar hij zeide, van den Paus had ontvangen, op het voorhoofd van den lijder. De man stond oogenblikkelijk quasi genezen op, en de gemeente was zoozeer overtuigd, dat er een wonder was geschied, dat zij den geheelen voorraad van den priester opkocht. Maar de slimme Lazarillo begreep dadelijk, dat het een opgezette vertooning van het tweetal was geweest. De laatste meester, dien Lazarillo kreeg, was de Aartspriester van Salvador, in wiens dienst het hem uitstekend ging; hij huwde een van diens dienstmaagden, maar zij bracht schande over zijn huis, en bij den dood zijner vrouw was hij armer dan ooit.
Hier eindigt het verhaal. Het is onmogelijk in zulk een korte schets, recht te doen wedervaren aan de groote mate van kennis van het menschelijk hart, die uit dit kleine werk spreekt. Lazarillo de Tormes was de voorlooper van de geheele school van Schelmen-romans, die in lateren tijd het type van de Spaansche geestesvoortbrengselen werd, en waaruit meesterwerken als Guzman de Alfarache, de Gil Blas van Le Sage en de verhalen van Scarron voortkwamen, die denzelfden geest ademen als de boeken van den Engelschen schrijver Laurence Sterne; en nog steeds is de invloed van dit roman-type duidelijk merkbaar in sommige werken van Maurice Hewlett en Jeffery Farnol.
Guzman de Alfarache.
Mateo Aleman, de schrijver van den grooten Schelmenroman Guzman de Alfarache werd in Sevilla geboren. In zijn jeugd versmaadde hij een gouvernementsbetrekking en stak hij naar Mexico over, waar hij in 1609 een werk uitgaf over Spaansche taalkunde, benevens verscheidene Latijnsche verhandelingen. Maar zijn naam als romanschrijver verwierf hij door zijn Vita del Picaro Guzman de Alfarache, een werk, dat van zijn eerste verschijning in 1599 af, overgebracht is in elke Europeesche taal. Ofschoon het geschreven is in de meest zuivere en klassiek letterkundige stijl, is het toch los en natuurlijk, en het vindt zijn weerga niet in de schildering van de laagste klassen der Castiliaansche maatschappij en van de gewoonten en denkbeelden van den tijd, waarin hij leefde.
»Mijne voorouders,« vertelt Guzman, »kwamen oorspronkelijk uit de Levant. Maar zij vestigden zich te Genua, en oefenden in die stad het beroep van koopman uit op zulk een wijze, dat zij beschuldigd werden van woeker«.
De omstandigheid, dat deze levendige avonturier uit zulk een weinig eerbiedwaardig geslacht voortkwam, leidde er wel toe, dat hij reeds op jeugdigen leeftijd in aanraking kwam met allerlei schurkenstreken. Maar al waren zijne bloedverwanten allesbehalve kieskeurig waar het den handel betrof, zij verborgen hun schandelijk gedrag onder den mantel van schijnheiligheid en maatschappelijk fatsoen. Zij ontbraken nooit bij de Mis, en niemand zou iets hebben kunnen inbrengen tegen hun particulier leven. Voor de geboorte van Guzman hoorde zijn vader, dat één zijner correspondenten te Sevilla failliet was gegaan, en toen hij daarheen ging om zelf orde op zaken te stellen, werd hij gevangen genomen door een Algerijnschen zeeroover; hij ging over tot den Mohammedaanschen godsdienst en huwde een Moorsche vrouw. Toen zijn agent te Sevilla hoorde wat zijn voornaamsten schuldeischer overkomen was, ordende hij zijne zaken zonder diens hulp, en zoo was hij in korten tijd beter af dan ooit tevoren. Maar het gelukte den vader van Guzman te ontsnappen, en toen hij te Sevilla aankwam, eischte hij een afrekening van zijn oneerlijken handelsvriend, van wien hij een flinke som loskreeg. Daarna vestigde hij een zaak te Sevilla, en kocht een landgoed, dat hij St. Juan de Alfarache noemde. Hier leefde hij in overvloed, en nadat hij de weduwe van een ouden ridder gehuwd had, was ook zijn maatschappelijke positie uitstekend. Kort daarna werd zijn zoon Guzman geboren. Maar de Alfarache was zeer gesteld op vroolijk gezelschap, praal en uiterlijk vertoon, en nadat hij eerst een groot gedeelte van zijn fortuin verkwist had, duurde het niet lang, of hij ging zelf bankroet, waarna hij de tol aan de natuur betaalde.
Zijn weduwe en de kleine Guzman bleven onverzorgd achter, en toen de knaap in zijn veertiende jaar was, besloot hij zijn fortuin te zoeken; hij reisde dus naar Genua, in de hoop, dat de bloedverwanten van zijn vader bereid zouden zijn hem te helpen. Spoedig bereikte hij een herberg, waar hij iets te eten vroeg. Men bracht hem een ommelet, die, zooals hij zeide, beter een »eierpap« zou kunnen heeten, maar waarop hij toch aanviel »als een varken op eikels.« Bij het verlaten van de herberg gevoelde hij zich ellendig, en in een toestand, die de bezwijming nabij was, ontmoette hij een ezeldrijver, wien hij het onsmakelijke maal beschreef, dat hij juist genuttigd had; deze lachte hartelijk om het verhaal en bood hem vriendelijk aan, een zijner muilezels te bestijgen waarna zij spoedig in Oostelijke richting draafden. Korten tijd daarna ontmoetten zij twee monniken, en kwamen zij bij een herberg, waar zij weer een slecht maal kregen, dat door den waard echter zóó werd opgehemeld, dat de arme jongen wel gedwongen was, het zonder veel drukte te verorberen. Maar tot zijn grooten schrik ontdekte hij later, dat het gerecht bereid was van het vleesch van een jongen muilezel. Toen de herbergier hiervan beschuldigd werd, was hij zoo woedend, dat hij een groot zwaard greep, waarop de ezeldrijver een hooivork nam, en er zou zeker een moord gebeurd zijn, wanneer niet de stedelijke politie de vechtenden gescheiden had. De oneerlijke waard werd naar de gevangenis gebracht, maar ofschoon hij bekende den muilezel te hebben geslacht, wilde hij niet toegeven, dat hij den mantel van Guzman gestolen had, die spoorloos verdwenen was, en de knaap was dus genoodzaakt de herberg te verlaten zonder dit uitrustingstuk.
Toen Guzman en de ezeldrijver hun weg vervolgden, werden zij spoedig achterhaald door twee personen, die op muilezels gezeten waren, en die hen met de grootste opmerkzaamheid monsterden. Plotseling wierpen zij zich op den ongelukkigen knaap, bewerende, dat hij eenige kostbare juweelen gestolen had. De ezeldrijver kwam tusschen beiden, maar ook hij werd ruw aangegrepen, en de vreemdelingen bonden de beide reiskameraden aan hunne ezels vast. Op hetzelfde oogenblik kwamen de twee monniken weder opdagen, die zich vermaakten met het doen van verhalen, waarvan de strekking neerkwam op de wisselvalligheid van ’s menschen lot. Maar deze verhalen zijn veel te lang om ze hier te vertellen en daarenboven hebben zij weinig te maken met den draad van ons verhaal.
Het gezelschap kwam toen bij de poorten van Cazalla, waar het gerecht uitmaakte, dat Guzman ten onrechte gevangen genomen was, en waar hem dus de vrijheid weergegeven werd. Hij nam zijn intrek in de beste herberg, die de stad er op nahield en den volgenden morgen begaf hij zich te voet op weg naar Madrid.
In een herberg in een der buitenwijken der hoofdstad ontmoette hij een weldadigen monnik, die zijn maal met hem deelde. Maar den volgenden morgen trachtte de waard hem met zijn rekening te bedriegen, en hij was op het punt hem bij wijze van betaling zijn jas af te nemen, toen de ezeldrijver, die zich weer bij hem gevoegd had, tusschenbeiden kwam, en als zijn meening te kennen gaf, dat Guzman van huis was weggeloopen. De slechte waard zag hierin een kans om zich te verrijken, en bood aan, den jongen in zijn dienst te nemen als staljongen; hij zou dan de ezeldrijvers, die in de herberg overnachtten, moeten helpen bij het stallen en voederen der ezels. Hier werd de jonge Guzman dan ingewijd in allerlei oneerlijke praktijken, want wanneer een voorname gast de herberg bezocht, kregen zijne muilezels of paarden slechts een handvol voer, terwijl hem de gewone prijs berekend werd. Inderdaad was deze herberg een broeinest van ongerechtigheden, en het leven daar werd Guzman zóó ondragelijk, dat hij met het kleine beetje geld, dat hij gespaard had, en de opbrengst van zijn jas en vest, met de noorderzon vertrok, en zich bij een troep voorbijtrekkende bedelaars voegde. Deze menschen leidden een kostelijk leven van hetgeen zij bedelden en stroopten; het waren onverbeterlijke spelers, en ’s avonds had Guzman volop gelegenheid, valsch te leeren spelen. Later nam hij echter dienst als koksjongen bij een adellijk heer.
Guzman als koksjongen.
In deze betrekking maakte Guzman een prettigen tijd door, want het ontbrak in het huis van den ridder niet aan vroolijkheid. De jongen deed echter uitstekend zijn plicht, maar de ondeugd van het spel kreeg hem te pakken, en dikwijls zat hij tot laat in den nacht met de lakeien en livreiknechten aan de speeltafel. Op deze wijze verloor hij het geld, dat hij verdiend had, dadelijk weer, en toen hij niets meer had om aan zijn hartstocht voor het spel te voldoen, begon hij allerlei kleinigheden, die hij in huis kon machtig worden, te stelen, waarbij hij zijn geweten geruststelde met de overweging, dat de anderen hetzelfde deden. Op zekeren dag had zijn meester voor eenige vrienden een groot drinkgelag aangericht, en toen Guzman de zaal binnenkwam, waar zij bijeen waren, vond hij hen allen in vasten slaap. Toen zag hij op tafel een grooten zilveren drinkbeker staan, dien hij zich vlug toeeigende. De vrouw van den kok miste het voorwerp al heel spoedig, en er werd een onderzoek ingesteld naar de verdwijning ervan, waarop de slimme knaap den beker naar een goudsmid bracht, die hem zóó mooi oppoetste, dat hij geheel nieuw leek. Hij bracht hem terug naar de koksvrouw, die in grooten angst verkeerde, dat haar meester van het verlies zou hooren, en hij vertelde haar, dat hij bij den juwelier juist zulk een beker gevonden had, dien hij voor zes-en-vijftig reales kon koopen; en in haar verlangen, niet in moeilijkheden te komen, gaf zij hem dadelijk deze som. Maar het geld, dat op deze oneerlijke wijze verkregen was, werd oogenblikkelijk weer aan de speeltafel verloren, zoodat Guzman even arm was als voorheen.
Eenigen tijd later kreeg de kok bevel, een schitterenden maaltijd aan te richten voor een vreemden edelman, die eerst sedert kort in Madrid vertoefde. De koksjongen moest hiervoor een grooten zak met wild in ontvangst nemen, dien hij naar huis droeg. Maar daar het reeds laat was, nam hij hem mede naar zijn eigen zolderkamer. Midden in den nacht werd hij wakker, doordat katten vochten om een van de hazen, die in den zak waren. Toen Guzman zag, dat men dezen haas niet miste, en dat de lakeien links en rechts van de voorraden stalen, stak hij een half dozijn eieren in zijn zak. Maar de chef-kok zag het en gaf hem zulk een geweldigen schop, dat hij viel, waardoor de gebroken eieren uit zijn zak dropen, tot groot vermaak van de omstanders. Het gelukte hem echter, een paar patrijzen en eenige kwartels te verdonkeremanen; deze wilde hij aan een anderen kok verkoopen; maar zijn meester, die hem niet vertrouwde, volgde hem, en ontdekte, wat hij in zijn schild voerde, waarop hij op staanden voet ontslagen werd, nadat hij een flink pak ransel gekregen had.
Daarna bleef hem niets anders over dan weer terug te keeren tot zijn vroeger beroep van boodschaplooper. Maar spoedig hoorde hij, dat er binnenkort eenige troepen naar Genua zouden worden ingescheept, en hij besloot zich ook te laten aanmonsteren. Een oude apotheker, die nooit iets oneerlijks van hem ondervonden had, zond hem naar een vreemden koopman met een groote hoeveelheid zilver, dat Guzman in een diepen kuil bij de rivier verstopte. Toen hij den volgenden morgen bij deze plaats terugkwam, en de zakken met geld opgroef, ontdekte hij, dat zij vijf-en-twintig-honderd reales in zilver, en dertig pistoles in goud bevatten. Hij nam de zakken op zijn rug, opdat men ze voor de bagage van een reiziger zou aanzien, en begaf zich op weg naar Toledo. Hij zorgde er echter steeds voor, den grooten weg te vermijden, en slechts stille wegen te bewandelen.
Toen hij nog slechts twee mijlen van Toledo verwijderd was, liep hij een bosch in, waar hij gedurende het overige gedeelte van den dag wilde rusten, omdat hij niet in de stad wilde komen, voordat het donker was.
Hij was van plan naar Genua te gaan, en zijne bloedverwanten op te zoeken, en hij dacht er juist over, hoe hij zijn geld het best zou kunnen besteden om bij hen te komen en een goeden indruk op hen te maken, toen hij een geluid hoorde, en toen hij zich haastig omkeerde, zag hij een jongen man, ongeveer van zijn eigen leeftijd, die achterover op den grond lag, met het hoofd tegen een boom. Guzman deelde zijn wijn met hem, en de jongeling vertelde hem, dat hij geen cent bezat. Guzman bood hem aan, eenige van zijne kleederen te koopen, die hij in een bundel bij zich droeg, en hij maakte een van zijne geldzakken open, om hem te laten zien, dat hij in staat was te betalen. Voor honderd reales ging een prachtig pak kleeren in zijne handen over, en nadat Guzman afscheid genomen had van den vreemdeling, begaf hij zich naar Toledo, waar hij dadelijk zijn intrek nam in de beste herberg. Den volgenden dag schafte hij zich allerlei kleedingstukken aan, die hij noodig had, maar zijn ijdelheid werd hem de baas, en hij bestelde een prachtig pak, dat hem een schat kostte. Des Zondags ging hij naar de Cathedraal, waar hij een bekoorlijke dame ontmoette die hem vroeg haar naar haar huis te geleiden, om daar den avondmaaltijd te gebruiken. Guzman bestelde voor deze gelegenheid allerlei kostbare spijzen en dranken, maar het paar had zich nauwelijks aan tafel gezet, of er werd luid op de deur geklopt, en de dame riep hevig verschrikt, dat haar broeder thuisgekomen was, en dat Guzman zich zoo vlug mogelijk verbergen moest. De eenige plaats, waar hij zich behoorlijk verstoppen kon, was een groot, omgekeerd bad, en vanuit deze schuilplaats had hij het genoegen te zien, hoe de heer, die zoo juist was binnengekomen, alle kostbare gerechten, die hij betaald had, opat, en de vier flesschen wijn, die hij voor zijn eigen gebruik had gekocht, tot op den laatsten droppel ledigde. Spoedig na dit overvloedig maal, viel de heer in een diepen slaap, en Guzman maakte van deze gelegenheid gebruik weg te sluipen als een armer doch wijzer man.
Daar Guzman hoorde, dat een alguazil bijzonder belangstellend naar hem gevraagd had, vertrok hij haastig uit Toledo, en voegde zich te Almagro bij de soldaten, die naar Genua gingen. Hun kapitein, die onder den indruk kwam van zijn net voorkomen, begroette hem als zijn wapenbroeder, en behandelde hem als zijn gelijke. Guzman had in Toledo een knechtje in zijn dienst genomen, en deze kleine schelm vertelde overal rond, dat zijn meester een voornaam heer was. Maar de beurs van onzen held geraakte al aardig leeg, ofschoon hij nog ongeveer de helft van zijne oneerlijk verkregen bezittingen had. Inplaats dat het gezelschap dadelijk scheep ging, bleef het nog ongeveer drie maanden in Barcelona, zoodat zijne geldmiddelen spoedig uitgeput raakten, en hij door de officieren verwaarloosd en door de soldaten gemeden werd. Zijn kapitein had echter medelijden met hem, en bood hem een plaats aan zijn bediendentafel aan; dit was, volgens zijn zeggen, het eenige wat hij voor hem doen kon, want hij was zelf genoodzaakt buitenshuis te gaan eten omdat hij niet in staat was, zijne vrienden thuis te ontvangen. Guzman betuigde hem zijn dankbaarheid, en gaf hem te kennen, dat hij misschien later in de gelegenheid zou zijn, hem weer te helpen. De soldaten waren in het dorp ingekwartierd, en Guzman verzon het systeem van in elk huis meer manschappen onder te brengen dan noodzakelijk was; hij dreigde tenminste dit te doen, zoodat de beangste inwoners al heel blij waren, wanneer zij hem konden afkoopen. Op deze wijze herstelde hij den geschokten geldelijken toestand van den kapitein volkomen, en daar hem vele geschenken in den vorm van levensmiddelen door de angstige dorpsbewoners werden toegezonden, hadden de jeugdige schelm en zijn chef een goed leven. Maar nu werd hij overmoediger, en met zes van de meest roekelooze mannen van zijn compagnie, begon hij de voorbijgangers op den heirweg te berooven. Toen zijn kapitein dit echter hoorde, maakte hij dadelijk een einde aan dit gevaarlijke spelletje.
Op zekeren dag bemerkte Guzman, dat onder de weinige kostbaarheden, die den kapitein nog waren overgebleven, zich een bijzonder mooi gouden relikwieën-kastje bevond, met diamanten versierd, en hij vroeg hem dit voor eenige dagen te leen. De overmoedige jongeling ging er dadelijk mee naar een juwelier, wien hij het kostbare stuk aanbood voor tweehonderd kronen. Maar de man wilde hem er niet meer dan honderdtwintig voor geven, op welk aanbod Guzman niet wilde ingaan. De juwelier kwam den volgenden dag weer bij hem en hernieuwde zijn aanbod, dat nu door den jongen man aangenomen werd. Guzman overhandigde hem het foedraal waarin het kastje bewaard werd, en ontving hiervoor in ruil de honderdtwintig kronen. Maar nauwelijks had de oude man het huis verlaten, of de jonge avonturier begon te roepen: »Houd den dief! houd den dief!« Eenige soldaten grepen den juwelier, en Guzman riep opgewonden, dat hij hem het relikwieën-kastje van den kapitein ontstolen had. De juwelier verzekerde de politiemannen, dat hij het voorwerp voor honderdtwintig kronen had gekocht, doch dit werd door Guzman ontkend. De ongelukkige goudsmid werd voor den rechter gebracht, en daar hij wegens woekerhandel een slechte reputatie genoot, werd hij gedwongen het kostbare voorwerp terug te geven. Maar ofschoon de kapitein heel blij was met het geld, dat zoo onrechtmatig verkregen was, vreesde hij toch, dat een verdere omgang met zulk een schurk als de Alfarache, hem ten gronde zou richten. Eenige dagen later scheepten de troepen zich in naar Genua, en toen zij daar waren aangekomen, zeide zijn chef hem, dat het beter was, dat zij scheidden, en hij drukte hem een pistole in de hand.
Gekweld door Duivels.
De jonge avonturier begon dadelijk te informeeren naar zijne bloedverwanten, en zoo hoorde hij, dat zij de rijkste en machtigste personen uit de republiek waren. Hij vroeg den weg naar hun woning, waar hij allesbehalve vriendelijk ontvangen werd, te meer, daar hij er vreeselijk slordig en verwaarloosd uitzag. Maar daar hij ervoor gezorgd had, dat het bekend was, dat hij een familielid was, konden zij hem moeilijk de deur wijzen. Op zekeren avond ontmoette hij een eerwaardigen ouden man, die hem vertelde, dat hij zijn vader gekend had, en dat hij verontwaardigd was over de wijze, waarop zijn familie hem behandelde; daarom bood hij hem aan, bij hem zijn intrek te nemen. Zonder hem iets te eten te geven, zond hij hem dadelijk naar bed, waar de ongelukkige jongen niet kon inslapen van den honger. Voordat hij zich ter ruste begaf, zeide de oude man hem, dat het in de kamer, waarin hij zich bevond, spookte. Hongerig en onrustig lag Guzman wakker, toen tot zijn groote ontsteltenis vier duivelsche gestalten de kamer binnentraden en hem uit zijn bed sleepten. Zij smeten hem in een beddelaken, en zwaaiden hem zóó hevig heen en weer, dat hij telkens tegen de zoldering aanvloog, totdat zij uitgeput door de inspanning, hem weer in zijn bed gooiden, waarna zij de kamer verlieten. In den vroegen morgen verliet Guzman, stijf, pijnlijk en terneergeslagen het huis, maar hij zwoer een duren eed, nooit te zullen vergeten, hoe schandelijk zijn familie hem behandeld had, en dat hij zich bij de eerste de beste gelegenheid zou weten te wreken.
Guzman voegt zich bij de bedelaars van Rome.
Toen Guzman Genua verlaten had in dezen ellendigen toestand, waarin hij zich vergelijkt bij een van die soldaten, die nog levend uit den slag bij Roncevalles gekomen waren, besloot hij naar Rome te gaan. »Italië«, zoo redeneerde hij, »is het weldadigste land van de wereld, en iedereen, die kan bedelen, kan binnen de grenzen van dat land reizen, zonder zich te bekommeren over zijn volgenden maaltijd«. Een paar weken later bevond hij zich dan ook inderdaad te Rome, met genoeg geld in zijn zak, om een nieuw pak kleeren te koopen; maar hij weerstond de verleiding en zwierf bedelend door de straten der keizerlijke stad. Hij ontmoette reeds spoedig een lotgenoot, die hem inlichtte over de werkwijze en gewoonten van de bedelaars van Rome, en die hem zooveel goeden raad gaf, dat hij al heel gauw meer geld ontving dan hij kon uitgeven. In korten tijd was Guzman een meester in de bedelkunst. Nadat hij op deze wijze eenige weken had doorgebracht, maakte hij kennis met den chef-bedelaar van de stad, die hem op de hoogte bracht van de wetten der bedelarij, die hij in zijn autobiographie uitvoerig bespreekt. Deze wetten leerde Guzman uit het hoofd. De bedelaars woonden te zamen, en vergaderden des avonds om nieuwe bedelmanieren te bedenken, en zich te oefenen in allerlei praktijken, waardoor zij medelijden konden opwekken. Des morgens vochten zij er meestal om, wie het dichtst bij het wijwater bij den ingang der kerken kon komen, want daar was altijd de rijkste oogst; en ’s avonds maakten de bedelaars meestal een tocht langs de landhuizen in de buurt van Rome, vanwaar zij beladen met levensmiddelen terugkeerden. Bijna al deze bedelaars wendden lichaamsgebreken en ongeneeslijke ziekten voor. Eens simuleerde Guzman in de stad Gaeta een vreeselijke hoofdziekte, en de Gouverneur, die juist voorbijkwam, gaf hem een aalmoes. Den volgenden dag zat hij bij den ingang van een kerk met iets, dat een pijnlijke ziekte van het been moest voorstellen, en het geld stroomde hem toe; maar ongelukkig kwam de Gouverneur weer voorbij, en daar hij hem herkende, beloofde hij hem eenige afgelegde kleeren, wanneer hij met hem mede naar huis wilde gaan. Daar aangekomen, vroeg de Gouverneur hem, welk merkwaardig geneesmiddel hij gebruikt had, om hem binnen een dag af te helpen van zijn vroegere ziekte; en zonder het antwoord af te wachten, ontbood hij een geneesheer, die het been onderzocht, en den Gouverneur verzekerde, dat de bedelaar volkomen gezond was. Toen gaf de Gouverneur hem over aan zijne lakeien, die hem een flink pak ransel gaven, en hem daarna de stad uitjoegen.
Op zekeren dag had de schelm zich opgesteld bij het hek van een Kardinaal, die bekend was om zijn medelijdend hart, en toen deze hem hoorde klagen, gaf hij zijne bedienden bevel, den zieke naar een kamer in zijn huis te brengen, en hem daar te verplegen. Guzman had wederom een ernstige beenziekte voorgewend, en dus ontbood de Kardinaal twee der beroemdste geneesheeren van Rome. Hunne voorbereidingen waren van dien aard, dat Guzman vreesde, dat zij van plan waren, het been af te zetten, en toen de medici dus in een aangrenzend vertrek het geval bespraken, ging hij naar de deur om het gesprek af te luisteren. Een van beiden gaf als zijn meening te kennen, dat de ziekte voorgewend was, maar de andere was dit niet met hem eens. Eindelijk kwamen zij overeen, het geval aan den Kardinaal voor te leggen, en zij waren op het punt dit te doen, toen Guzman de kamer, waarin zij zich bevonden, binnentrad, zijn bedrog bekende, en hun voorstelde met hem te zamen den Kardinaal te bedriegen. De geneesheeren stemden hierin toe, en toen Zijne Eminentie verscheen, gaven zij een verontrustend en aandoenlijk verslag van de ernstige ziekte van Guzman. De Kardinaal, die een edel en goedgeloovig man was, drukte hun op het hart, niets te verzuimen, wat zou kunnen bijdragen tot het herstel van den patiënt. De geneesheeren waren zóó verlangend een hooge rekening te kunnen uitschrijven, dat zij Guzman dwongen drie maanden het bed te houden; die maanden schenen hem drie eeuwen toe, want het zwervende leven was hem een behoefte geworden, en het viel hem zwaar daar tijdelijk afstand van te moeten doen. Aan het einde van dien termijn, dienden de geneesheeren bij den Kardinaal hun rekening in met de verklaring, dat de patiënt volkomen hersteld was, en de geestelijke was zóó verrukt over deze wonderbaarlijke genezing, en zóó ingenomen met den levendigen geest van Guzman, dat hij den jeugdigen bedrieger aannam als zijn persoonlijken dienaar.
Guzman was echter maar matig ingenomen, met het nieuwe leven, dat voornamelijk bestond in het wachten in een voorvertrek, en tafeldienen. De tucht was er streng en alles wat hij stelen kon bestond uit een paar eindjes kaars. Maar eens ontdekte hij, dat er een groote hoeveelheid heerlijke ingemaakte vruchten in een kast bewaard werden, en daaraan deed hij zich toen te goed. De Kardinaal ontdekte de verduistering, doch kon den dader niet vinden. Maar toen Guzman een volgend keer de kast plunderde, kwam Zijne Eminentie juist binnen en betrapte hem op heeterdaad. Hij kreeg een geweldig pak slaag van den Major-domo, zoodat hem voorloopig de lust tot stelen vergaan was.
Guzman bedriegt den bankier.
Maar Guzman haalde zooveel gemeene streken uit in het paleis van den Kardinaal, dat de voortreffelijke prelaat er tenslotte genoeg van kreeg. Toen kwam hij in dienst bij den Spaanschen gezant, een vriend van den Kardinaal, die volkomen op de hoogte was van de hebbelijkheden van onzen held. Na geruimen tijd bij dezen hoogwaardigheidsbekleeder te hebben gediend, besloot hij Rome te verlaten, en een reis door Italië te maken. Even te voren had hij kennis gemaakt met een Spanjaard, Sayavedra genaamd, met wien hij vriendschap sloot. Met ongeveer driehonderd pistoles en eenige juweelen, die hij van den gezant gestolen had, ondernam Guzman de reis. Maar Sayavedra had een wasafdruk gemaakt van de sleutels van Guzman, en plunderde voor diens vertrek zijn bagage, zoodat deze zonder de edelmoedige hulp van den gezant, Rome niet had kunnen verlaten. Te Siena ontmoette hij Sayavedra weer, en deze smeekte hem, zijn bedrog te vergeven, en hem als zijn bediende mede te nemen. Guzman, die medelijden met hem had, stemde hierin toe, en op weg naar Florence beraamden zij plannen tot het verbeteren van hun financieelen toestand. Zij verspreidden het gerucht, dat Guzman de neef was van den Spaanschen gezant, en hij had zelfs de onbeschaamdheid, zijn opwachting te maken aan het Hof, waar hij wegens deze familierelatie door den Groothertog ontvangen werd. Daar ontmoette hij een bekoorlijke en schatrijke weduwe, op wie hij verliefd werd. Maar haar familie informeerde naar hem, en toen het uitkwam, dat hij indertijd langs Rome’s straten gebedeld had, was hij gedwongen de stad te verlaten. Te Bologna won hij bij het spel een belangrijke som, en toen hij en Sayavedra te Milaan aankwamen, huurden zij daar kamers, en zagen uit naar middelen om hunne juist verkregen rijkdommen productief te maken. Zij sloten vriendschap met een deugniet, die klerk was op een bankierskantoor, en bespraken met hem de mogelijkheid, zijn meester te ontlasten van een gedeelte van zijn geld. Guzman bezocht den bankier, en zeide, dat hij hem ongeveer twaalfduizend franken in goud te bewaren wilde geven. Hij werd vriendelijk ontvangen, en de bankier noteerde zijn naam en eenige andere bijzonderheden in zijn dagboek. Op weg naar huis kocht Guzman een vergulde cassette, die hij vulde met stukken lood; deze gaf hij aan Sayavedra, tegelijk met een zak met echt goud, en hij drukte hem op het hart een praatje te maken met den herbergier en hem te vertellen, dat hij zijn geld naar een bankierskantoor ging brengen, wat hij natuurlijk geen oogenblik van plan was. De bankiersklerk liet een valschen sleutel maken op de geldkist van zijn patroon, en toen deze den volgenden Zondag naar de Mis was, opende hij de kist, en zette er de vergulde cassette in, die nu inplaats van lood, tien quadruples, dertig Romeinsche kronen en een geschreven opgave van den inhoud bevatte. Daarna maakte hij het handschrift van zijn meester na en vulde diens aanteekeningen in het dagboek aan, in dien zin, dat hij het deed voorkomen, alsof niet alleen de vergulde cassette, maar de geheele inhoud van de geldkist het eigendom van Guzman was. Des Maandags begaf Guzman zich naar den bankier, en vroeg hem heel beleefd het geld terug, dat hij hem eenige dagen geleden gezonden had. De man ontkende natuurlijk, iets voor hem te hebben bewaard waarop Guzman zulk een misbaar maakte, dat er een oploop ontstond, en de twist werd zóó hevig, dat er een konstabel verscheen, die vergezeld was van den waard van de herberg, waar Guzman zijn intrek genomen had. Guzman beweerde, dat wanneer men de boeken van den bankier zou nazien, men zich ervan zou kunnen overtuigen, dat de som, waarover de quaestie liep, inderdaad genoteerd was, en toen het dagboek te voorschijn gehaald werd, bleek dat ook werkelijk het geval te zijn. De ongelukkige bankier gaf toe, dat hij een gedeelte van deze aanteekeningen zelf geschreven had, en dit was genoeg om de verontwaardiging der omstanders te wekken, want hij was zeer gehaat bij het volk om zijne woekerpraktijken en schraapzucht. Daarenboven was Guzman in staat een nauwkeurige opgave te doen van den inhoud der geldkist, en toen deze geopend werd, vond men er, tot verbazing van den bankier, de vergulde cassette in, waarvan sprake was, benevens de juiste som, die door hem genoemd was, en zelfs de muntstukken, die hij opgegeven had, en die met de lijst van den inhoud klopten. De waard kon bevestigen, dat Guzman de eigenaar der cassette was, en daar dus het bewijs geleverd scheen, overhandigde de plaatselijke rechter hem het geld, dat hij met zijne medeplichtigen deelde. Nu besloot Guzman naar Genua terug te keeren om zich te wreken op zijn bloedverwanten, die hem zoo gemeen behandeld hadden bij zijn vorig bezoek aan die stad. Hij vermomde zich als een hooge Spaansche geestelijke, en nam zijn intrek in een voorname herberg; en toen zijn familie van zijn verblijf daar hoorde, en van de praal, die hij ten toon spreidde, haastte zij zich hem een bezoek te brengen. Zij herkenden in hem niet den haveloozen en verlaten deugniet, die eenige jaren te voren hun hulp had gevraagd, en zijn oom vertelde hem zelfs het gebeurde met de duivels, alsof zij op deze wijze een indringer verdreven hadden. Guzman won hun vertrouwen volkomen, en daar hij een overvloed van geld had, stelden zij hem met een gerust hart een kostbare verzameling juweelen ter hand, die, naar hij zeide, een vriend van hem wilde leenen, om bij zijn huwelijk te dragen. Met deze kostbaarheden vluchtten hij en Sayavedra naar Spanje, maar op weg daarheen werd de laatste ernstig ziek, en in een aanval van ijlkoorts sprong hij overboord en verdronk.
Nadat Guzman in zijn vaderland teruggekeerd was, bereikte hij na vele avonturen Madrid, waar hij zijne juweelen aan een rijken koopman verkocht; deze hield hem voor een voornaam heer en gaf hem zijn dochter ten huwelijk. De koopman rekende op den vermeenden rijkdom van Guzman als steun in zijne eigen zaken; Guzman vertrouwde op de eveneens denkbeeldige schatten van zijn schoonvader, en daar de verkwistende jonge vrouw op de geldmiddelen van beiden teerde, was de geheele familie in korten tijd failliet. De schok was te hevig voor de dame, en zij stierf. Maar het gelukte haar sluwen vader, genoeg uit de schipbreuk te redden, om opnieuw te beginnen.
Guzman had echter genoeg van de financieele wereld, en hij besloot de rest van zijn onrechtmatig verkregen fortuin te gebruiken, om in de theologie te gaan studeeren. Te dien einde ging hij naar de universiteit van Alcalà de Henares, waar hij zijn candidaatsexamen aflegde, en na vier jaren van ijverige studie in de godgeleerdheid, wachtte hij slechts op een officieele aanstelling, om het priesterambt te kunnen bekleeden, toen hij door verkeerde invloeden weer op den slechten weg geraakte. Hij maakte n.l. kennis met een familie met verscheidene dochters, op een waarvan hij verliefd werd, waarna een huwelijk volgde. De jonggehuwden vestigden zich te Madrid, waar zij een avontuurlijk leven leidden. Maar eenige jaren later liep de jonge vrouw van hem weg, en nam alles van waarde, wat zij te pakken kon krijgen, mee. Ongeveer in dezen tijd had Guzman zijn moeder weer opgezocht, en inplaats dat zij hem van zijne kwade praktijken trachtte af te houden, hielp zij hem bij het verzinnen van zijne gemeene streken, zoodat het niet lang duurde, of hij werd tot vele jaren dwangarbeid veroordeeld. Maar het toeval wilde, dat hij de overheid kon helpen bij het ontdekken van een opstand, en als belooning hiervoor kreeg hij zijn vrijheid terug.