← Table of contents
Legenden en Romances van Spanje

Hoofdstuk III. »Amadis de Galliër«.

S. Vos-Goudsmit translation

Op tooverheuvel staat een heerlijk slot;

Betreed met mij de lichte tooverpaden,

Waarop ééns jonkvrouwen en ridders traden;

Beklim den heuvel, want u wacht een hoog genot:

Uw blik zal waren langs de schoone dreven,

De wegen, waar nog zweeft gestorven heerlijkheid

Van roem en glorie uit den schoonen tijd,

Die in aloude verzen is beschreven.

De wapenrusting glinsterend in teere kleuren,

Vergeten schimmen uit het licht verleden,

Verbleekte flarden van veroverde banieren,

Doordrongen van de onsterfelijke geuren

Van d’ouden tijd! O, kom met mij getreden:

De Moorsche Fantasie gaat hoogtij vieren!

Menig venster in het aloude kasteel van de Spaansche Romantiek geeft het uitzicht op tafereelen van fantastische schoonheid of sombere grootschheid, maar geen enkel verschaft ons zulk een schitterend afwisselend en kleurrijk vergezicht, als het hooge torenvenster, van waaruit wij die omgeving van wonderen en hooge ridderlijkheid kunnen aanschouwen, waar de beroemde geschiedenis van den dapperen Amadis den Galliër zich heeft afgespeeld. Het venster, waarvan hier sprake is, bevindt zich in een hoogen toren van een eeuwenoud kasteel en toont ons de soort van landschap, die de wevers van oude tapijten, of de fantastische schilders van het oude Florence zoo lief hadden. Beneden ons ligt een vorstelijk domein van heerlijk weiland, waar zilveren beekjes doorheen stroomen; naar het Noorden toe verrijzen heuvels, waarop kasteelen gebouwd zijn. Daarachter, ver verwijderd, en meer gelijkend op lucht dan op aarde, verheffen zich de blauwe, scherp geteekende toppen van spookachtige bergen. Dit schouwspel van bijna bovennatuurlijke schoonheid geeft bij den eersten aanblik den indruk van onvergelijkelijken rijkdom van kleur en schittering. Het weiland is bezaaid met Moorsche tenten, en tegen de lucht teekenen zich de heldere kleuren van wimpels en de gouden pracht van banieren af. Het geschitter der wapenen prikkelt het bloed, evenals het geschal der krijgsmuziek. Wonderbaarlijke marmeren paleizen, wit als gebeeldhouwd ijs, verrijzen aan de grens van tooverachtige bosschen, of glinsteren op een vooruitspringende vlakte van het gebergte, en hunne tuinen en terrassen loopen schuin af naar een stil en eenzaam strand. Het tooneel is inderdaad »schoon als een stukje van het Paradijs.«

Zóó schijnt ons het verhaal van Amadis toe, wanneer wij voor het eerst bladeren in dit levendige en kleurige boek. Maar wanneer wij, met behulp van den tooverspiegel van den romancedichter, er een dieperen blik in slaan, dan zien wij, dat op sommige plaatsen het heldere tooneel in diepe schaduwen ligt. Naast de lichte heuvelen liggen diepe bergklooven, donker als de nacht, waarin allerlei monsters krioelen en zich vermenigvuldigen. De vorstelijke kasteelen, de lichte paleizen, herbergen dikwijls vogelvrije roovers en booze toovenaars. Afschuwelijke reuzen wonen in de bergen of op de boschrijke eilanden, die uit de lichtblauwe zee verrijzen, en draken bevolken de rotsen en bosschen. Maar al bevat het gedicht sombere naast lichte gedeelten, de atmospheer van Amadis is doortrokken van zulk een glans, dat wij eindigen met ook de donkere plaatsen lief te krijgen; wij gevoelen, dat de gruwelen, die zij bevatten, slechts een sterker product zijn van den wijnstok der romantiek, een bijzondere oogst, die bedwelming geeft.

En wanneer wij tot aan het vallen van den avond op onze observatiepost blijven, en de tooverachtige maansbelichting van deze wonderbare streek aanschouwen, dan zal ons een nog bezielender drank worden toegereikt uit den beker der romantiek. In het geheimzinnige maanlicht glinstert de wapenrusting als zilver in een bovenaardsche blankheid; bloedroode lichten stralen uit de torenkamers der toovenaars, en de bevallige gestalten van nymphen dwalen tusschen zee en bosch als levende manestralen. Uit de woestijnen tusschen de heuvelen en de ver verwijderde bergen, komen de kreten van roofzuchtige monsters, en de geheele fantastische wereld van Toovenarij is tot leven ontwaakt.

Is het dan een wonder, dat, toen dit heerlijke schouwspel aan de oogen van een volk van ridders werd geopenbaard, er zulk een geestdriftig gejuich opging, als waarmee slechts weinig voortbrengselen der letterkunde begroet werden? De schrijver van Amadis ontsluierde voor de ridderschap van Spanje die wereld, waarvan zij gedroomd had. Elke ridder voelde in zich de mogelijkheid van een Amadis en iedere jonkvrouw vond in zichzelf de eigenschappen van een Oriana. De geest en de stemming van het boek veroverden de Spaansche ziel volkomen, verbonden grovere idealen, en schiepen een nieuw wetboek van gebruiken en opvattingen. De intrige van het verhaal en de verschillende gebeurtenissen, die er uit voortkomen, zijn een samenhangend geheel en niet slechts een opsomming van afzonderlijke krijgsverrichtingen, of vervelende beschrijvingen van kleederen, uitrustingen of architectuur, afgewisseld door het gebluf van ruwe ridders of breedsprakige koningen, zooals dat bij de Cantares de gesta het geval was geweest. Daarenboven was het geheel doorweven met de liefdes-philosophie van ridderlijkheid, volgens welke de vrouw, inplaats van het eigendom of een stuk speelgoed van den man te zijn, werd verheven tot een oppermachtig voorwerp van vereering, zooals dat nooit gedroomd was door de ruwere dichters der Cantara.

De oorsprong der »Amadis«-Romances.

De eerste Spaansche lezing van Amadis verscheen in een Portugeesch kleed en was het werk van een Lusitaansch ridder, Joham de Lobeira (1261–1325), die te Porto geboren werd, te Aljubarrota streed, waar hij door Koning Joham, zaliger nagedachtenis, op het slagveld tot ridder werd geslagen, en die te Elvas stierf. Maar al beweert Southey het tegendeel, alles wijst er op, dat Frankrijk de bakermat was van deze romance, en er wordt in de Portugeesche literatuur zelfs melding gemaakt van de omstandigheid, dat een zekere Pedro de Lobeira, Amadis uit het Fransch vertaalde, in opdracht van den Infant Don Pedro, den zoon van Joham I. Het oorspronkelijke Fransche verhaal is volkomen verloren gegaan, maar de Spaansche vertalingen, die er uit voortkwamen, bleven behouden, en ook de Portugeesche uitgaven zijn niet bewaard gebleven. Het is bekend, dat een handschrift van Lobeira’s romance reeds in het eind van de zestiende eeuw in de archieven der Hertogen van Arveiro te Lissabon gevonden werd, en daar ook nog aanwezig was in 1750. Na dit tijdstip echter werd het door de boekenverzamelaars uit het oog verloren, en alles wijst er op, dat het vernietigd werd bij de aardbeving van Lissabon in 1755, tegelijk met het hertogelijk paleis, waarin het bewaard werd.

Zijn roem en zijn inhoud bleven echter behouden door de Spaansche vertaling; wij moeten Portugal beschouwen als het geboorteland van Amadis in het Schiereiland, en wij hebben het te danken aan den Castiliaanschen geest, dat deze romance ons niet alleen bewaard bleef, maar dat dit waarschijnlijk zelfs geschiedde in verbeterden vorm. In de jaren tusschen 1492 en 1508 wijdde Garcia Ordoñez de Montalvo, gouverneur van de stad Medina del Campo, zich aan de taak, de romance te vertalen en om te werken. Het is niet bekend, wanneer het werk gedrukt werd; de eerste exemplaren zijn verloren gegaan, maar men zegt, dat de Spaansche veroveraars van Mexico getroffen waren door de gelijkenis dezer stad met de betooverde plaatsen, waarover in Amadis gesproken werd. Dit was in 1519 en niet in 1549, zooals Southey vermeldt. Misschien hadden zij het oog op de Portugeesche vertaling, maar in ieder geval is het bekend, dat er in 1519 een uitgave verscheen, en in 1547 een tweede in Sevilla. Wij hebben elders reeds vermeld, dat deze romance in alle talen werd overgebracht, en dat verschillende dichters er een vervolg op schreven, maar wij moeten er bijvoegen, dat slechts de eerste vier boeken van Amadis (dus de oorspronkelijke Amadis) door Montalvo zijn geschreven; de rest is van de hand van anderen.

Elisena en Perion.

De handeling der romance begint op een duister en onbepaald tijdstip, dat volgens de beschrijving, onmiddellijk valt na den dood van den Verlosser, toen er in Brittanje een Christelijk Koning leefde, Garinter genaamd, die gezegend was met twee bekoorlijke dochters. De oudste, bekend als »de vrouw met de guirlande«, omdat zij steeds een bloemenkrans droeg, was eenige jaren tevoren in het huwelijk getreden met Koning Languines (Angus) van Schotland, en zij had twee mooie kinderen, Agrayes en Mabilia. Elisena, de jongste dochter, was over de geheele Christelijke wereld beroemd om hare schoonheid, maar ofschoon vele machtige koningen en prinsen om hare hand hadden gedongen, wilde zij niemand huwen, en wijdde zij haar leven aan heilige werken. Volgens de opvatting van alle ridders en edelvrouwen van haar vaders Koninkrijk, overtrad deze bekoorlijke jonkvrouw door ongehuwd te blijven, alle wetten der liefde, en het geschiedde, dat de schoone en heilige Elisena door de meer wereldschen onder de vroolijke ridderschap, werd aangeduid als de »Verloren Kwezel.«

Zooals Elisena voldoening vond in een gestreng leven, zoo vond haar koninklijke vader vreugde in de jacht, en hij bracht veel tijd door in de groene bosschen, die in die dagen het grootste gedeelte van Klein-Brittanje bedekten. Bij één van deze gelegenheden, toen hij, zooals dat zijn gewoonte was, geheel alleen door de bosschen reed, hoorde hij wapengekletter, en toen hij bij een open plek in het bosch kwam, vanwaar de klanken van den strijd kwamen, zag hij twee Britsche ridders, die een gewapenden vreemdeling aanvielen, in wien hij, afgaande op zijn houding en wapenrusting, een man van rang en hooge geboorte vermoedde, en die zich met zulk een moed en behendigheid gedroeg, dat het hem gelukte, zijne beide tegenstanders te verslaan.

Toen de vreemdeling bezig was, zijn zwaard in de scheede te steken, ontdekte hij Garinter, reed op hem toe en groette hem op hoffelijke wijze. Hij beklaagde zich erover, dat een dolende ridder in Christelijk Spanje, zóó door de bewoners behandeld kon worden, als dit met hem het geval was geweest, waarop de Koning zeer verstandig antwoordde, dat er in ieder land goede en slechte menschen gevonden werden, en dat de verslagen ridders hun leenheer ontrouw waren, en hun lot hadden verdiend.

De vreemdeling deelde toen mede, dat hij op weg was naar den Koning van Brittanje met berichten van een vriend, en toen de Koning dit hoorde, maakte hij zich bekend. De ridder vertelde hem, dat hij Koning Perion van Gallië was, die reeds lang gehoopt had, vriendschap met hem te sluiten. Garinter drong er op aan, dat zijn vorstelijke ambtgenoot hem naar zijn paleis zou vergezellen, en toen Perion hierin toestemde, keerden zij naar de stad terug.

Elisena en Perion zien elkander aan.
Elisena en Perion zien elkander aan.

Elisena en Perion zien elkander aan.

Toen zij in het paleis waren aangekomen, werd er een kostelijk feestmaal aangericht, waarbij de Koningin en Prinses Elisena aanzaten. Nauwelijks hadden Elisena en Perion elkander aanschouwd, of zij gevoelden, dat een groote en onsterfelijke liefde zich van hen had meester gemaakt. Toen de Koningin en de Prinses de feestzaal hadden verlaten, stortte Elisena haar hart uit bij haar dienstmaagd en vertrouweling Darioleta, en zij vroeg haar, te onderzoeken, of de Koning reeds gehuwd was. Darioleta, die niet spoedig uit het veld was geslagen, begaf zich regelrecht naar Perion, die zijn liefde voor Elisena in hartstochtelijke bewoordingen bekende, en beloofde, haar tot vrouw te nemen. Hij smeekte de dienstmaagd, hem bij Elisena te brengen, opdat hij het geluk mocht smaken, haar persoonlijk zijn liefde te verklaren. Darioleta keerde tot de Prinses terug met deze boodschap, en Elisena was zóó verlangend, zelf van Perions lippen de bekentenis zijner liefde te hooren, dat zij, niet denkende aan plaats of uur, zich naar zijne vertrekken begaf, waar zij bleef tot aan de morgenschemering, teruggehouden door zijne liefdesbetuigingen en door haar eigen verlangen, het bewijs harer liefde te geven aan den edelen en ridderlijken vorst, die zoo plotseling erin geslaagd was, haar ervan te overtuigen, dat haar vroeger leven kleurloos en droefgeestig was geweest. Tien dagen bleef Perion aan het Hof van Garinter, toen moest hij weer vertrekken; maar voordat hij afscheid nam, gaf hij zijn woord aan Elisena, wie hij één van de twee volkomen gelijke ringen, die hij droeg, als pand gaf van zijn trouw. Hoe hij echter zocht, hij kon zijn zwaard niet vinden, een beproefd en betrouwbaar wapen, en tenslotte gaf hij het op, ernaar te zoeken.

De geboorte en het verstooten van Amadis.

Na het vertrek van haar minnaar was Elisena diep bedroefd, en Darioleta slaagde er niet in, haar te troosten en haar op te wekken uit den toestand van wanhoop, waarin zij vervallen was. In het rijk van haar vader bestond, evenals in het moderne Schotland, een oude wet, die bepaalde, dat twee menschen, die zich door een plechtigen eed aan elkander hadden verbonden, geen verdere formaliteiten noodig hadden om hun huwelijk te wettigen, ofschoon het gebruikelijk was, dat het later door Kerk en Wet bekrachtigd werd. Perion en Elisena hadden elkander deze plechtige gelofte gedaan, maar de Prinses vreesde den toorn van haar vader, omdat de gelieven hem geen toestemming hadden gevraagd, en toen haar dus een zoontje geboren werd, was zij in grooten angst voor de gevolgen, want zij kende haar vader als een trotsch en driftig man, die in staat was tot het nemen van ernstige maatregelen, voordat hij zich op de hoogte had gesteld van de waarheid. Maar de wereldsche en schrandere Darioleta was niet kieskeurig in hare middelen om haar meesteres en zichzelf te vrijwaren voor de woede van den Koning, en ondanks de tegenwerpingen van Elisena, die te zwak was om het te beletten, bouwde zij een kleine houten ark, maakte die waterdicht met teer, en zonder te letten op de tranen en klachten harer meesteres, plaatste zij het pasgeboren jongetje erin, met het zwaard van Perion, dat zij uit zijn slaapvertrek had weggenomen. Toen schreef zij op een stuk perkament: »Dit is de Koningszoon Amadis«, bedekte dit geschrift met was, zoodat de letters niet konden worden uitgewischt, bond het aan den trouwring, dien Perion aan Elisena had gegeven, en hing het aan een zilveren koord om den hals van het kind. Toen droeg zij het kleine vaartuig voorzichtig en ongemerkt naar de rivier, die langs den tuin van het paleis stroomde, en vertrouwde het toe aan de kabbelende golfjes van het diepe water.

Eenigen tijd daarna, toen Amadis ongeveer vijf jaren oud was, brachten Languines, de Koning van Schotland, en zijn Koningin, »de Vrouw met de Guirlande,« een bezoek aan het kasteel van Gandales, en zij waren zoo bekoord door de bevalligheid en schoonheid van Amadis, dat zij den wensch uitdrukten, hem als hun eigen kind aan te nemen. Gandales vertelde hun, wat hij van de geschiedenis van het kind wist, en het koninklijke paar beloofde hun, het geheel als hun eigen zoon te beschouwen. Amadis was, om de merkwaardige omstandigheden, waaronder hij gevonden was, bij iedereen bekend als »het Kind van de Zee,« en deze naam bleef aan hem verbonden, totdat zijn identiteit volkomen bewezen was. Hij toonde geen tegenzin zijne nieuwe beschermers te volgen, maar hij was wel bedroefd, omdat hij zijne pleegouders verlaten moest. De kleine Gandalin wilde echter volstrekt niet van hem gescheiden worden, en hij smeekte zóó hen samen te laten, dat Koning Languines tenslotte beide jongens met zich medenam.

Perions droom.

Laat ons nu terugkeeren tot Koning Perion. Hoewel hij weer in beslag genomen werd door staatszaken, voelde hij zich toch bezwaard van ziel om een droom, dien hij gehad had tijdens zijn verblijf aan het Hof van Garinter. In dien droom was iemand zijn slaapvertrek binnengekomen, had een hand in zijn borst gestoken, zijn hart er uitgenomen en dat in de rivier geworpen, die langs den tuin van Koning Garinter stroomde. Toen hij in zijn angst gilde, zeide een stem, dat hem nog een hart was overgebleven. Hij werd verontrust door de herinnering aan dezen droom, dien hij niet kon ontraadselen, en dus riep hij alle wijzen van zijn koninkrijk te zamen en verzocht hen te beproeven, een verklaring ervan te vinden. Slechts één van hen kon den droom uitleggen, en de wijze verzekerde hem, dat het hart, dat hem uit de borst was gerukt, een zoon was, die hem door een edele jonkvrouw was geboren, terwijl het tweede hart een andere zoon beteekende, die op een of andere wijze zou worden weggenomen tegen den wil van haar, die zich van het eerste kind had ontdaan. Toen de Koning terugkwam van den wijzen man, ontmoette hij een geheimzinnige jonkvrouw, die hem groette, en zeide: »Weet, o Koning Perion, dat wanneer gij uw eigendom terugkrijgt, het Koninkrijk Ierland zijn schoonste bloem zal verliezen«, en voordat de Koning haar terug kon houden om haar te ondervragen, was zij verdwenen.

Na verloop van tijd stierf Koning Garinter, en Perion en Elisena traden in allen vorm in het huwelijk. Maar toen Perion zijn vrouw vroeg, of zij hem een zoon had geschonken, schaamde zij zich zoo over de rol die zij gespeeld had bij de verdwijning van het kind, dat zij alles loochende. Later werden hun twee mooie kinderen geboren, een zoon en een dochter, Galaor en Melicia genaamd. Toen Galaor nog slechts twee en een half jaar oud was, wandelden de Koning en de Koningin, die in dien tijd in de stad Banzil, in de nabijheid der zee woonden, eens in de tuinen van het paleis, toen er plotseling een geweldige reus uit de golven verrees, den kleinen Galaor greep, en zich met hem uit de voeten maakte, voordat iemand het kon verhinderen.

Het monster sprong met het kind te water, klom aan boord van een schip, waarmede hij snel zee koos, en riep triomfantelijk uit: »De jonkvrouw heeft de waarheid gesproken!« De ouders waren diep bedroefd over het verlies van hun zoon, en in haar groot verdriet bekende Elisena het gebeurde met Amadis. Nu wist Perion, dat de wijze de waarheid had gezegd, toen hij zijn verklaring van den droom over de twee harten had gegeven. De reus, die den kleinen Galaor gestolen had, was echter geen kwaadaardig monster, doch een edelmoedig en vriendelijk schepsel. Hij zorgde voor het kind, alsof het één van zijn eigen reuzengeslacht ware geweest.

Oriana.

Ongeveer in denzelfden tijd landde Koning Lisuarte van Brittanje in een Schotsche haven, waar hij met veel eerbetoon ontvangen werd door Koning Languines. Lisuarte had zijn echtgenoote Brisena en zijn bekoorlijk dochtertje Oriana bij zich, het schoonste schepseltje ter wereld; en omdat zij zoo’n last van zeeziekte had, besloten de ouders haar eenigen tijd aan het Schotsche Hof te laten. Amadis was nu twaalf jaren oud, maar hij leek wel vijftien, zóó groot en forsch was hij, en de Koningin stelde hem aan als page van Oriana, die zeide, dat zij »dit prettig vond«. Amadis koesterde deze woorden in zijn hart, zoodat hij ze nimmer meer kon vergeten. Maar hij wist niet, dat Oriana hem lief had, en hij had groot ontzag voor dit lieve en ernstige kleine meisje, voor wie hij zulk een diepe genegenheid opvatte. De stille liefde, die deze kinderen elkander toedroegen, was aandoenlijk schoon, maar zij bleef onuitgesproken, want Amadis was zeer bescheiden en Oriana was een ingetogen meisje.

In het hart van Amadis ontwaakten hooge gevoelens van ridderlijkheid, zoodat hij ten slotte Koning Languines verzocht, hem tot ridder te slaan. Languines was zeer verbaasd, dat deze jongen verlangde naar een eer, die hem zulke zware verplichtingen zou opleggen, maar hij ging op het verzoek in, en gaf bevel, dat er wapens voor hem gesmeed zouden worden. Hij zond Gandales, den ridder die hem in zee gevonden had, het bericht van de plannen van den jongen, en Gandales stuurde een afgezant naar het Hof, met het zwaard, den ring en het perkament, die hij in de ark had gevonden bij den kleinen zeevaarder.

Deze zaken werden Amadis als zijn eigendom ter hand gesteld, en toen hij dit alles aan Oriana toonde, vroeg zij hem de was, die het perkament voor bederf bewaarde, niet wetende, dat het een gewichtig document was, en natuurlijk gaf hij het haar. Korten tijd daarna bracht Koning Perion een bezoek aan Languines, om hem zijn hulp te vragen tegen Koning Abies van Ierland, die Gallië was binnengevallen met zijn geheele strijdmacht. Daar Amadis wist, welk een grooten naam Perion had als krijgsman, wilde hij liefst door zijn hand tot ridder worden geslagen, en hij vroeg de Koningin, hierin zijn voorspraak te zijn. Maar zij was bedroefd en afgetrokken en lette niet op zijn vraag. Hij vroeg Oriana naar de oorzaak dezer droefheid, en zij antwoordde: »Kind van de Zee, dit is de eerste vraag, die gij mij ooit gedaan hebt.«

»Ach jonkvrouw«, zeide Amadis, »ik ben niet waard iets te vragen aan iemand zooals gij.«

»Wat?« riep zij uit, »is uw hart zóó zwak?«

»O, jonkvrouw«, antwoordde hij, »het is te zwak in alles wat u betreft; maar het zou u willen dienen, alsof het uw eigendom was.«

»Mijn eigendom«, zeide Oriana verward, »en sedert wanneer?«

»Sinds gij »het prettig vondt«, antwoordde Amadis met een glimlach. »Weet gij niet meer, dat dit uwe woorden waren, toen de Koningin mij voor uw dienst bestemde?«

»Ik vind het heerlijk, dat het zoo werd geschikt«, zeide Oriana verlegen; en daar zij zag, dat Amadis zeer ontroerd was door haar allerliefst antwoord, sloop zij weg, om de Koningin naar den reden van haar droefheid te vragen.

De Koningin vertelde haar, dat zij treurig was, omdat vijanden het Koninkrijk harer zuster Elisena waren binnengevallen, en Oriana keerde tot Amadis terug en legde hem uit, waarom de Koningin niet op zijn vraag had gelet. Daarop gaf Amadis als zijn wensch te kennen, naar Gallië te gaan, om tegen de Iersche overweldigers te strijden, en Oriana juichte dit plan met geestdrift toe. »Gij zult als mijn ridder ten strijde trekken,« zeide zij eenvoudig en lieftallig. Amadis kuste haar hand, en verzocht haar, Prinses Mabilia, Perions dochter (en dus de zuster van Amadis) te vragen, er op aan te dringen, dat haar vader Amadis tot ridder zou slaan. Het meisje beloofde hem dit, en Koning Perion was zeer ingenomen met den vurigen wensch van den jongeling, het beroep van krijgsman te volgen. Hij verzocht hem dus te knielen, gaf hem den ridderslag, bevestigde de ridderlijke sporen aan zijne hielen, en gordde hem het zwaard aan.

Amadis trekt op avontuur uit.

Amadis besloot, dadelijk op weg te gaan naar Gallië, en dus nam hij teeder afscheid van Oriana, en verliet, begeleid door zijn pleegbroeder Gandalin, tegen den avond het paleis. Zij hadden nog niet lang gereden, of zij ontmoetten de geheimzinnige toovenares, die, zooals wij gezien hebben, zulk een levendig belang stelde in het lot van onzen held, en wier naam Urganda was.

De fee groette Amadis bijzonder vriendelijk en gaf hem een lans ten geschenke, zeggende, dat deze binnen drie dagen »het huis, waaruit hij was voortgekomen, voor ondergang zou behoeden.« Zij was vergezeld van een jonkvrouw, en toen Urganda vertrokken was, bleef deze bij hem, en zeide, dat zij drie dagen met hem zou medereizen, en dat zij gewoonlijk niet bij de toovenares was, maar haar nu toevallig had ontmoet. Zij hadden nog niet ver gereden, toen zij bij een kasteel kwamen, waar zij een schildknaap hoorden jammeren, dat zijn meester daarin bedreigd werd door de bewoners. Amadis spoedde zich naar het voorplein, en ontdekte Koning Perion, die zich heldhaftig verdedigde tegen twee ridders en eenige soldaten. Met een kreet van woede viel Amadis de belagers aan, zwaaide zijn zwaard in alle richtingen, en deelde zulke hevige slagen uit, dat de verachtelijke ridders, die den Koning hadden aangevallen, gedood werden, en dat hunne volgelingen op de vlucht werden gedreven.

Perion herkende Amadis oogenblikkelijk als den jongeling, dien hij niet lang geleden tot ridder had geslagen. Zij verlieten te zamen het kasteel, en namen bij een tweesprong afscheid van elkander, met de wederzijdsche belofte, elkander in Gallië weder te ontmoeten. De jonkvrouw, die Amadis tot zoover begeleid had, vertelde hem, dat zij een afgezant van Oriana was, waarop Amadis bij het hooren van den naam zijner Vrouwe, zóó begon te beven van vreugde, dat hij, als Gandalin hem niet gesteund had, van zijn paard zou zijn gevallen. Toen nam de jonkvrouw afscheid van hem, zeggende, dat zij haar meesteres zijn succes zou melden.

Na verscheiden andere avonturen, kwam Amadis met Gandalin aan het Hof van Koning Perion van Gallië aan. Zij hadden nog slechts eenige oogenblikken gerust, toen zij de klaroenen van Koning Abies van Ierland hoorden schallen voor den aanval op de stad. Zij bestegen dadelijk hunne strijdrossen en deden met Agrayes en andere ridders een uitval naar het vijandelijk leger. Er volgde een hardnekkige strijd, waarin Amadis wonderen van dapperheid verrichtte. Perion en zijne volgelingen vielen daarna den vijand aan, maar zij waren zooveel minder in aantal dan het leger van Koning Abies, dat zij wel gedwongen waren, terug te trekken. De dag werd echter weer goed gemaakt door Amadis, die met zulk een woede vocht, dat paard noch man hem kon weerstaan, en in het heetst van het gevecht doodde hij o.a. Daugavel, den lieveling van Abies. Toen de Iersche Koning dit hoorde, was hij diep bedroefd, en toen hij tegenover Amadis kwam te staan, daagde hij hem voor den volgenden dag uit tot een tweestrijd op leven en dood. Zij kwamen dus samen en na een verwoed tweegevecht, dat verscheidene uren duurde, werd Abies verslagen; en hiermede nam de oorlog een plotseling einde.

Nu gebeurde het, dat Melicia, de dochter van Perion, haar ring verloor, dien zij van haar vader gekregen had, denzelfden, dien de Koning gedragen had, toen hij voor het eerst Elisena ontmoette, en die het duplicaat was van den ring, dien hij haar geschonken had, en dien zij om den hals van Amadis had gebonden, toen zij zich van hem ontdeed. Om te voorkomen, dat haar vader het verlies zou bemerken, gaf Amadis zijn eigen ring aan de prinses. Maar de Koning vond zelf het verloren kleinood en stelde een onderzoek in naar de herkomst van den tweeden ring. Door de bekentenis van Melicia, en de herkenning van het zwaard, dat Amadis droeg, kwam Perion tot de overtuiging, dat Amadis niemand anders zijn kon dan zijn lang verloren zoon; en toen de jonge ridder zijn levensgeschiedenis verhaalde, en hoe hij in zee was gevonden, verdween elke twijfel der ouders omtrent zijn identiteit. Zij waren zielsgelukkig, dat zij hem hadden teruggevonden, en erkenden hem in het openbaar als den troonopvolger.

Wij moeten nu weer den levensloop volgen van den broeder van Amadis, Galaor, die als kind zoo plotseling door den reus was weggevoerd. Hij was opgegroeid tot een dapper en behendig jongeling, en daar hij gehoord had, dat aan geen enkel Hof zulk een ridderlijke geest heerschte als aan dat van Koning Lisuarte van Brittanje, besloot hij daarheen te reizen, in de hoop, daar den ridderslag te mogen ontvangen. Zijn pleegvader, de reus, vergezelde hem, en zij hadden nog slechts twee dagen gereisd, toen zij aan het kasteel kwamen van een wreeden ridder, die, geholpen door zijne ondergeschikten, juist een eenzamen krijgsman aanviel. Galaor snelde hem te hulp en slaagde erin, de bende te verslaan. Galaor vatte zulk een liefde op voor den vreemdeling, dat hij verzocht, uit zijne handen den ridderslag te mogen ontvangen. Deze gunst werd hem met vreugde verleend, en nadat Amadis—want hij was de vreemde ridder—vertrokken was, vroeg Galaor een jonkvrouw, die hij plotseling naast zich vond staan, of zij den naam kende van den ridder, dien hij zoojuist geholpen had. De jonkvrouw, de toovenares Urganda, antwoordde, dat hij Amadis heette en dat hij de eigen broeder van Galaor was. Toen Galaor dit hoorde, was hij uitgelaten van vreugde, maar zijn vreugde was vermengd met groote droefheid, omdat hij hun verwantschap niet ontdekt had, voordat zij afscheid van elkander hadden genomen.

Nadat de toovenares Galaor had ingelicht, reisde zij Amadis achterna, die op weg was naar het Hof van Koning Lisuarte in Windsor. Zij vertelde hem, dat het zijn broeder Galaor was, die hem bevrijd had, het kind, dat zijn ouders ontstolen was. Dit bericht verrukte hem, maar bedroefde hem tevens.

Gesterkt door deze merkwaardige ontmoeting, vervolgde Galaor zijn reis, die ten doel had, de rots Galtares voorgoed te ontrukken aan de wreede heerschappij van den reus, die haar veroverd had.

Een reis van eenige dagen bracht hem op de plaats zijner bestemming, en op zijn uitdaging kwam de reus naar buiten, gezeten op een geweldig strijdros, en de vreeselijkste bedreigingen uitstootende. Hij reed onmiddellijk op den jongen ridder toe, in de hoop, met één slag den strijd te beslechten. Maar toen hij woest zijn knots zwaaide, trof hij zijn eigen paard; hij viel met donderend geweld ter aarde, en Galaor reed over zijn lichaam heen. Daarbij viel hij echter van zijn ros, en ontving een vreeselijken vuistslag van den reus, maar hij herstelde zich spoedig, trok zijn zwaard, en sneed den arm van het monster bij den schouder af. Feitelijk was hiermede de strijd geëindigd, want met een tweeden slag van zijn zwaard, onthoofde hij zijn tegenstander.

Amadis kwam nu aan het Hof van Koning Lisuarte, werd daar opgenomen in den kring van ridders en was daar spoedig de ziel hunner ondernemingen, zoodat hij in korten tijd beroemd was als een der edelste paladijnen van de Christelijke ridderschap. Zijne avonturen aan het Hof van Lisuarte zouden boekdeelen kunnen vullen; zijne voornaamste praestaties waren een verdelgingsoorlog tegen de reuzen, de nederlaag van den overweldiger Barsinan en den toovenaar Archelaus, benevens een groote menigte krijgsverrichtingen, te veel om ze hier te beschrijven. Zijne heldendaden zijn samengeweven met die van zijn broeder Galaor, met wien hij eens zelfs in fellen strijd geraakte, daar geen van beiden den ander herkende door de wapenrusting.

De belofte van Lisuarte.

Het gebeurde, dat terwijl Lisuarte recht sprak te Londen, er een bejaarde ridder in de zaal trad, die zulk een wonderschoone kroon en mantel vertoonde, dat de Koning verklaarde, ze tot elken prijs te willen koopen. De ridder zeide, dat hij op een bepaalden dag zou terugkomen om zijn loon op te eischen, en de Koning verbond zich, kroon en mantel zorgvuldig te bewaren, op straffe van verlies van zijn dierbaarst bezit. De ridder was een gezant van den valschen toovenaar Archelaus en de versierselen, die hij Lisuarte getoond had, waren door toovenarij gemaakt, zoodat, toen de Koning ze wenschte te dragen, en de koffer ontsloot, waarin ze bewaard werden, hij ontdekte, dat ze verdwenen waren. De oude ridder kwam terug en verlangde zijn loon. Lisuarte was genoodzaakt te bekennen, dat kroon en mantel verdwenen waren, en de handlanger van den sluwen toovenaar eischte Prinses Oriana als prijs van den Koning op. In een zwak oogenblik ging Lisuarte op dien eisch in, en de ridder reed heen met Oriana, die hij dadelijk in de macht van Archelaus stelde; Lisuarte viel in een hinderlaag, die hem door den listigen toovenaar gelegd was.

Toen Amadis en Galaor, die op dat oogenblik niet aan het Hof vertoefden, van dit verraad hoorden, spoedden zij zich naar Windsor, vast besloten de booze plannen van den toovenaar te verijdelen. Deze wilde n.l. Oriana uithuwelijken aan den pretendent naar den Britschen troon, den verraderlijken Barsinan, die al eens door Amadis overwonnen was. Galaor bevrijdde Lisuarte uit de macht zijner vijanden, en nadat Amadis in alle richtingen gezocht had naar de edele jonkvrouw, ontmoette hij haar ten slotte in een bosch, toen zij door Archelaus werd weggevoerd. Toen de toovenaar den dapperen ridder in het oog kreeg wiens heldendaden hij reeds zoo dikwijls had hooren roemen, maakte hij zich haastig uit de voeten, en liet Oriana achter in de handen van haar minnaar, die haar veilig naar het Hof terugbracht.

Het Versterkte Eiland.

Met het begin van het Tweede Boek treden wij een wonderbaarlijke en geheimzinnige wereld binnen; dit boek kan in waarheid het Cor Cordium, de spiegel, de quintessence der romantiek genoemd worden. Het brengt ons in kennis met den Griekschen koningszoon Apolidon, die ons beschreven wordt als een dapper ridder en een machtig toovenaar. Hij stond zijne rechten af aan zijn jongeren broeder, en voer door de Groote Zee, waar hij een eiland ontdekte, dat slechts door boeren bewoond werd, en waar een machtige reus heerschte; dit eiland was bekend als het Versterkte Eiland, en werd in verscheidene romances bezongen als een waar paradijs.

Nadat hij den reus verslagen had, bleef Apolidon op het eiland wonen totdat zijn broeder stierf en hij naar Griekenland terugkeerde; maar voordat hij de plaats verliet, legde hij haar onder een machtige betoovering, opdat geen ridder of jonkvrouw daar zou mogen wonen, die niet zijn gelijke was in dapperheid, of niet even schoon als zijn geliefde Grymenysa. De wonderen van dit tooverland zijn wel waard beschreven te worden, en daar een groot gedeelte van de handeling dezer romance zich daar afspeelt, zullen wij ons inschepen op de toovergalei, die altijd gereed ligt in de haven der legende, en naar het eiland zeilen, om op de betooverde kust te landen.

Hier volgt dan een beschrijving in dichtregels van het eiland.

Het Versterkte Eiland.

Apolidon, door toovermacht,

Bouwde een huis van wondre pracht

Op een eiland, waar geen enkel schip

Voer door de zee langs die eenzame klip.

Op de granieten zuilen van de poort

Grifte hij het strenge woord,

Dat slechts hij, die hem in deugden was gelijk,

Zou mogen komen in dit gezegend rijk.

Hangende terrassen glinsterend wit in de zon,

Schoon als de tuinen van koningin Semiramis van Babylon,

En de hoogte was van zulk een stralende pracht

Alsof de dag lag opgestapeld op den nacht,

En uit een groep van mirten, teedergroen,

Verrees een wit en heerlijk paviljoen,

Dat toescheen aan de zeelieden van ver,

Een op een weiland neergedaalde ster.

Tusschen paleis en zee vertoonde zich aan ’t oog

Een tooverachtig fonkelende stralenboog

Met zon en sterren heerlijk bejuweeld;

En in die nis stond een betooverd beeld,

In welks ten hemel opgeheven hand

Een koperen klaroen scheen, lichtend als in fellen brand.

En als een ridder of een maagd

In overmoed het had gewaagd,

Geboren uit een vrij geslacht,

Minder in schoonheid en in macht

Dan toovenaar Apolidoon,

Of Grymenysa, wonderschoon,

Te treden in de tooverhal,

Dan zou, met bulderend geschal

De koperen klaroen uitbarsten in geweld,

Zoodat daar de vermetele werd neergeveld.

Maar als een jonkvrouw, hoog van naam,

Een ridder zonder vrees of blaam

Zou komen aan de poort,

Dan zouden in den zaal’gen hof

Fanfares, daverend van lof

En vreugde zijn gehoord.

Kristallen zuilen gaven aan de tooverlijn;

Een platte steen van jaspis of van serpentijn,

Waar, tusschen vlammende arabesken glinst’ren zou de naam

Des ridders of der jonkvrouw van zoo hooge faam,

Straalde op het Grieksch plaveisel; wie van beiden

Eenmaal de tooverlijn zou overschrijden,

Die zou aanschouwen in een glans, als stralend ijs

De heerschers uit dit wond’re paradijs,

Gegoten in de bovenaardsche praal

Van glinsterend, onsterfelijk metaal.

Nog dieper in den hof plaatste de toovenaar

Voor Grymenysa, in zijn hoogen zin,

Als een verheerlijking van grenzenlooze min,

Een wacht voor haar vertrekken, vol gevaar:

Met negen zegels vol vervloeking, sloot hij haar ivoren deur

Opdat slechts ’t edelst hart, dat ooit werd voortgebracht,

Aanschouwen zou die goddelijke pracht

En zich zou laven aan den bovenaardschen geur.

En opdat laagheid nimmer daar zou binnengaan,

Liet hij twee woeste geesten met de macht van Sheol in de zwaarden,

Onzichtbaar echter voor de oogen dezer aarde,

Als strenge wachters voor de kamer staan.

En alle draden van zijn wonderbaren geest,

Waren geweven in het geheimzinnig tooverspel

Rondom de schaduwen van deze citadel

Waar hij zoo lange tijden oppermachtig was geweest.

Toen ging hij uit die plaats van zaligheid,

Aanroepend alle geesten als beschermers dezer oorden:

Sabitu, Baphomet, Siduri, met zijn tooverwoorden,

En macht hun gevend tot in eeuwigheid.

En toen de maan verduisterde aan de lucht,

Toen is de toovenaar dit paradijs ontvlucht;

Hoe hij zijn rijk verliet, heeft niemand ooit gehoord,

En nimmer keerde hij terug naar ’t zalig oord.

Maar nog zien herders in het morgenschemerlicht,

Gestalten zweven, witter dan de neev’len dicht,

En altijd hooren zij nog bij het vallend duister,

Een teeder zuchten en een lispelend gefluister.

Voordat hij het toovereiland verliet, had Prins Apolidon er een gouverneur aangesteld, en hij had bevolen, dat wie er niet in slaagde, door den eereboog te gaan en toch het geweldige trompetgeschal overleefde, zonder vorm van proces van het eiland zou worden gegooid; maar dat hij, die de proef glansrijk doorstond, ontvangen en gediend zou worden met groot eerbetoon. Ook besliste hij, dat, wanneer het eiland een nieuwen heerscher zou krijgen, de betoovering zou worden opgeheven.

Het Versterkte Eiland.
Het Versterkte Eiland.

Het Versterkte Eiland.

Toen de betoovering van het eiland ongeveer honderd jaar had geduurd, ontmoette Amadis, die teeder afscheid van Oriana had genomen en op avontuur was uitgetrokken, een jonge maagd, die hem van de wonderen van het Versterkte Eiland vertelde, dat, zooals zij zeide, nauwelijks twee dagen zeilen verwijderd was van de plaats, waar hij zich toen bevond. Amadis zeide, dat hij niets liever wilde dan zijn geluk te beproeven, en de vader der jonkvrouw, een machtig ridder, stemde erin toe hem te vergezellen op zijn gevaarlijke onderneming. Toen zij bij het Versterkte Eiland aankwamen, zagen zij het paviljoen, waarvan de muren behangen waren met de schilden van hen, die vergeefs getracht hadden, daar binnen te gaan; want ofschoon het verscheidenen gelukt was, onder den boog door te gaan, was nog niemand tot het paviljoen doorgedrongen. En toen Amadis zag, dat zoovele dappere ridders gefaald hadden, ontzonk hem de moed.

Amadis gaat onder den boog door.

Amadis was vergezeld van Agrayes, den zoon van koning Languines van Schotland, en deze besliste, dat zij dadelijk zouden trachten onder den boog door te gaan. Toen hij door de poort trad, deed de trompet, die door het tooverbeeld werd omhoog geheven, zachte klanken hooren, en hij ging het paviljoen binnen. Toen naderde Amadis den overdekten gang, en de trompet blies nog luider en melodieuser dan zij eerst gedaan had. Beide ridders richtten nu hunne schreden naar de afgesloten kamer; zij zagen de plaat van Jaspis, waarop geschreven stond: »Dit is Amadis van Gallië, de ware minnaar, zoon van koning Perion.« Terwijl zij dit lazen, kwam Ardian, de dwerg van Amadis, op hem toeloopen met de mededeeling, dat Galaor en Florestan, zijn broeders, getracht hadden onder den boog door te gaan, maar dat zij van alle kanten door onzichtbare handen waren aangevallen, en nu voor dood waren achtergelaten. Amadis en Agrayes keerden dadelijk op hunne schreden terug en vonden de jonge ridders in een toestand van diepe bezwijming. Terwijl Amadis zijne broeders zoo goed mogelijk hielp, trachtte Agrayes de afgesloten kamer binnen te treden, maar ook hij ontving zulke slagen, dat hij het bewustzijn verloor.

Toen Galaor en Florestan zich eenigszins hersteld hadden van de uitwerking der slagen, die zij van onzichtbare aanvallers ontvangen hadden, vond Amadis, dat hij het aan de eer zijner geliefde verplicht was, de groote onderneming te wagen, en te trachten de gesloten kamer binnen te gaan, waarin nog geen ridder was binnengedrongen. Hij raapte dus al zijn moed bijeen, overschreed den tooverlijn tusschen de zuilen en voelde zich oogenblikkelijk bestookt door de onzichtbare krijgslieden, die zijne metgezellen ook hadden aangegrepen. Hij hoorde een verschrikkelijk geweld van stemmen, alsof alle ridders der geheele wereld tegen hem schreeuwden, en de slagen daalden met verdubbelde kracht en woede op hem neer. Maar de gedachte aan zijn geliefde maakte hem sterk en hij hield stand. Zoo nu en dan kreeg hij stompen tegen de knieën, en éénmaal werd het zwaard hem uit de hand geslagen; maar hij worstelde verder, totdat hij de kamerdeur bereikte, die vanzelf openging, om hem als het ware tot binnentreden te noodigen. Er werd hem een hand toegestoken, die hem naar binnen trok, en een stem riep uit: »Welkom, Gij ridder, die hier heerschen zult, want gij overtreft in dapperheid hem, die deze plaats onder betoovering gebracht heeft, en die in zijn tijd zijn gelijke niet had.« De hand die hem leidde, was groot en hard als die van een ouden man, en de arm was bedekt door een groen satijnen mouw. Zoodra Amadis in de kamer was verdween de hand, en hij gevoelde zijne krachten terugkeeren.

Toen Florestan en Galaor en de geheele bevolking van het eiland hoorden, dat de onderneming eindelijk geslaagd was, stroomden zij naar het paleis, waarvan de betoovering nu verbroken was, en zij bewonderden alle pracht en heerlijkheid ervan. Het was vol van de wonderbaarlijkste schatten en kunstwerken, maar niets was heerlijker te aanschouwen dan de standbeelden van Apolidon en Grymenysa.

Oriana’s wreedheid.

Toen Amadis, na afscheid van Oriana te hebben genomen, Brittanje verlaten had, zond hij zijn dwerg Ardian naar het paleis terug, om de stukken van een zwaard te halen, die hem door een jonkvrouw gegeven waren met de bede den dood te wreken van haar vader, die door de hand van een laffen moordenaar gevallen was. Amadis had als een goed ridder beloofd het gebroken zwaard te bewaren, totdat hij den doode gewroken had. Toen Oriana den dwerg zag, vroeg zij hem naar de reden van zijn terugkomst, en Ardian zeide haar, dat Amadis een jonkvrouw beloofd had, een zeker zwaard altijd te bewaren, en dat hij nu gekomen was, om het te halen. Toen nam hij het zwaard, en liep er vlug mede heen. Oriana maakte een verkeerde gevolgtrekking uit de woorden van den dwerg, en daar zij Amadis verdacht van ontrouw jegens haar, schreef zij hem een wreeden brief, dien zij een page ter hand stelde, met de opdracht, niet terug te keeren, voordat hij Amadis gevonden had. Na een lange reis vond hij Amadis op het Versterkte Eiland, en overhandigde hem den brief.

Toen Amadis de koude en bittere woorden zijner geliefde gelezen had scheen hij waanzinnig van droefheid. De page deelde hem mede, dat Oriana geen antwoord van hem verwachtte. In zijn groote droefheid liet Amadis Ysanjo, den Gouverneur van het eiland bij zich komen, en verzocht hem, als een trouw ridder te zwijgen over alles wat hij zien zou, totdat zijne broeder den volgenden morgen de Mis zou hebben gehoord. Toen beval hij Ysanjo stil de poort van het paleis te openen, zoodat hij ongemerkt zijn paard en zijne wapens zou kunnen krijgen. Vergezeld door den braven Ysanjo, dien hij zeer was gaan achten, begaf hij zich op weg naar een dichtbij gelegen kapel van de Heilige Maagd; daar bad hij innig, dat zij zijn voorspraak zou zijn bij haar Goddelijken Zoon, opdat hij hem genadig zou zijn, want hij gevoelde, dat zijne dagen geteld waren. Daarna nam hij hartelijk afscheid van den Gouverneur, besteeg zijn paard, en reed zonder schild, speer of helm, heen.

Gandalin, de schildknaap van Amadis, en de zoon van den Schotschen ridder Gandales, die bij al deze avonturen zijn meester nooit had verlaten, raadpleegde Durin den page, die den wreeden brief van Oriana naar het Versterkte Eiland gebracht had, en zij besloten, den wanhopigen ridder te volgen, opdat hem geen kwaad zou overkomen. Zij vonden hem spoedig in diepen slaap naast een bron, uitgeput door zijn smart, en zij stoorden zijn slaap niet. Maar bij het vallen van den nacht ontwaakte Amadis, en toen zijn groot leed weer tot hem doordrong, barstte hij uit in droevige klachten over zijn rampzalig lot. De schildknapen verborgen zich, maar Amadis ontdekte Gandalin, en hij was zeer verstoord, dat deze hem gevolgd was. Om hem uit zijn neerslachtigheid op te wekken, vertelde Gandalin hem, dat een ridder, die evenals hijzelf door zijn geliefde verlaten was, in de bosschen rondzwierf, dreigende, dat hij iedereen, die hem in den weg kwam, zou dooden. Amadis wilde niets liever dan sterven en dus sprong hij te paard en begaf zich met Gandalin op weg, om den woedenden wreker te zoeken. Zij ontmoetten den onbekende dan ook spoedig, en Amadis daagde hem in driftige bewoordingen uit. Er volgde een woedend gevecht, waarin Amadis zijn tegenstander tenslotte zulk een hevigen slag toediende, dat deze bewusteloos ter aarde viel. Amadis liet den gewonden ridder over aan de zorgen van Durin en reed verder, nog steeds gevolgd door Gandalin.

Toen Galaor, Florestan en Agrayes hoorden, in welk een wanhopenden toestand Amadis het eiland verlaten had, besloten zij, hem te volgen. Intusschen reed hij doelloos verder, en volgde onder tranen en klachten de paden, waarlangs zijn paard hem voerde. Terwijl de zorgzame Gandalin sliep, ontvluchtte de wanhopige minnaar hem, en trok door de meest verlaten gedeelten van de woeste streek, waarheen hij was afgedwaald. Spoedig kwam hij aan een vlakte aan den voet van een berg, waar hij een kluizenaar ontmoette, wien hij verzocht, bij hem te mogen blijven. De kluizenaar groette hem vriendelijk en Amadis stortte zijn hart bij den goeden grijsaard uit, die hem vertelde, dat hij op een hooge rots woonde, die meer dan zeven mijlen in zee vooruitsprong. En de kluizenaar noemde hem Beltenebro, of »de Schoone Sombere Ridder,« omdat hij even beminnelijk als bedroefd was.

De Kale Rots.

Na verloop van eenigen tijd bereikten zij het strand, en nadat hij zijn paard aan de zeelieden had gegeven, ging Amadis met den kluizenaar aan boord van een schip en voer naar de Kale Rots, zooals de monnik de plaats zijner afzondering noemde. Daar deelde Amadis het leven van ontbering van den kluizenaar, »niet uit godsvrucht, maar uit wanhoop, niet denkende aan zijn roem als krijgsman, en verlangende naar den dood—dit alles om de wreedheid eener vrouw!«

Durin, de page van Oriana, reisde terug naar het Britsche Hof, en vertelde zijn meesteres, hoe Amadis haar brief had ontvangen, en hoe schitterend haar ridder de proef van het Versterkte Eiland had doorstaan. Toen wist Oriana, dat Amadis haar niet ontrouw kon zijn geworden. Toen zij hoorde, dat hij in de woestijn was gegaan om te sterven, kende haar schaamte en angst geen grenzen, en zij schreef haren minnaar een berouwvollen brief, waarmede zij één harer kamervrouwen, die »de Maagd van Denemarken« genoemd werd, en een zuster was van Durin, naar hem toezond.

Nadat zij vertrokken was, kwam de ridder, dien Amadis overwonnen had op den avond van den dag, waarop hij Oriana’s wreeden brief had ontvangen, aan het Britsche Hof, de wapenrusting van Amadis brengende, die hij eenigen tijd na zijn ontmoeting met hem, op den rand van de bron gevonden had. En toen Oriana zijn verhaal had aangehoord, was zij zoozeer overtuigd, dat haar minnaar dood was, dat zij zich diep bedroefd opsloot in hare vertrekken, en niet getroost wilde worden.

Intusschen dichtte Amadis, onder den indruk van zijn groot leed, de volgende versregels:

Vaarwel, o roem! vaarwel, o krijgsmanseer en ridderspel!

Waarom te leven met een smart, oneindig groot?!

Roemvoller is een eed’le heldendood.

De trouwe dood, in zijn barmhartigheid

Zal eens mij brengen de vergetelheid.

Het graf zal van mijn wanhoop mij bevrijden,

Waar liefdeloosheid van een jonkvrouw mij deed lijden,

Die in haar trots niet slechts mijn leven heeft bedorven,

Maar ook den krijgsmansroem, in dapp’ren strijd verworven.

Deze uitbundigheid in de liefde, hoe overdreven die ons ook moge toeschijnen, is teekenend voor de laatste helft van de middeleeuwen. Dat Amadis bezwijmde, alleen reeds door den aanblik van iemand, die zijn geliefde gediend had, schijnt ons belachelijk toe, en dat hij zich voor zijne geheele verdere leven zou terugtrekken op een kale rots, omdat zijn geliefde hem wreed bejegend had, doet menschen van onzen tijd, op zijn minst genomen, eenigszins vreemd aan.

Moet ’k, door liefdesmart geplaagd,

Sterven om een schoone maagd?

Maar wij moeten de opvattingen van het verleden zoo voorzichtig hanteeren als het verkleurde borduurwerk onzer overgrootmoeders, dat in stukken zou vallen, wanneer wij het ruw behandelden. Wanneer wij denken aan de wijze, waarop Dante en Petrarca uiting gaven aan hunne vereering voor de vrouw, en hoe de Hoven der Liefde het werk hebben voortgezet, dat zij begonnen waren, kunnen wij er ons niet over verwonderen, dat mannen, opgevoed in dergelijke opvattingen, en de vereering van de vrouw beschouwende als bijna even belangrijk als de Godsvereering, in staat waren zich over te geven aan zulke hartstochtelijke uitingen van wanhoop, wanneer het voorwerp hunner aanbidding hen griefde of verliet. Daarenboven is door alle eeuwen heen de mannelijke geest uiterst gevoelig geweest voor vrouwelijke ongenade. Zooals wij bv. duidelijk kunnen zien, wanneer wij levensbeschrijvingen lezen van groote mannen, zooals Goethe.

Het genie heeft bijna altijd iets vrouwelijks en is geneigd tot dweepzucht, zooals blijkt uit de Sonnetten van Shakespeare en de verzen van Lovelace, en van vele andere dichters. Het mist het zuivere, nuchtere verstand van den middelmatigen man, en door de combinatie van mannelijke en vrouwelijke eigenschappen, is hij gedoemd, de gevoelens van beide sexen te doorleven.

Maar wanneer deze vereering van de vrouw in het algemeen, en van de besten onder haar in het bijzonder, binnen de grenzen van het normale blijft, moet zij beschouwd worden als één van de groote stuwende krachten der menschheid, iets, dat misschien meer dan iets anders heeft bijgedragen tot de beschaving en den vooruitgang der wereld. En juist in een romantisch werk, dat in ieder geval toch de aangewezen plaats is voor zulke overdreven uitingen, behoort het jongere geslacht met waardeering de teedere schoonheid en de groote bekoring op te merken van een eeredienst, die, al is hij nog niet geheel dood, dan toch zeker stervende is. Ik eisch niet van de moderne jeugd, dat zij deze overdreven uitingen zal meevoelen; maar ik vraag haar een open oog te hebben voor den fijnen geest, de groote ridderlijkheid, en bovenal voor de ingetogenheid en het gevoel van eigenwaarde, die deze uitingen kenmerkten. Het is een verblijdend teeken des tijds, dat de beide sexen elkander beter leeren kennen. Maar wij moeten ons hoeden voor een gemeenzaamheid, die leidt tot een gebrek aan waardeering. Wij moeten nog iets overhouden van de ernst en de schoonheid van den vroegeren omgang tusschen man en vrouw, en niet vervallen tot een gebrek aan goede vormen, waaraan wij in latere jaren ongetwijfeld met een gevoel van ergernis en zelfverwijt zullen terugdenken.

Toen Amadis uit zijn bezwijming ontwaakt was, overhandigde de Maagd van Denemarken hem den brief van Oriana, en smeekte hem, tot haar terug te keeren, opdat zij hem vergiffenis zou kunnen vragen voor het leed dat zij hem had aangedaan. Hij nam dus afscheid van den goeden kluizenaar, en voer met het schip, waarmede de Maagd van Denemarken gekomen was, naar het Versterkte Eiland, waar hij eenigen tijd bleef, want hij was nog te zwak om de lange reis naar Engeland te ondernemen. Maar na verloop van tien dagen nam hij Enil als zijn schildknaap in dienst, en hij begaf zich met Durin en diens zuster op weg naar het Engelsche Hof.

De Berouwvolle Oriana.

Intusschen hadden Galaor, Florestan en Agrayes tevergeefs naar Amadis gezocht, en zij kwamen in een zeer gedrukte stemming te Londen aan. Toen Oriana van hun mislukten tocht hoorde, begaf zij zich naar het kasteel Miraflores, dat eenige mijlen van de stad verwijderd was. In de eenzaamheid der oude tuinen kwam zij tot de overtuiging, dat Amadis nog in leven was, en vol berouw over de wijze, waarop zij hem behandeld had, besloot zij, dat er geen nieuwe schaduw op hun liefde zou vallen. De beschrijving, die de romance geeft van Miraflores is zeer bekoorlijk, en de indruk, dien wij krijgen van Oriana, wandelende in de rustige en schaduwrijke lanen, kan het best worden weergegeven in verzen.

Miraflores, waar ontspringen

Zilvren beekjes, vogels zingen,

En het hoog en statig hout

Slechts een deel schijnt van het woud,

In de stilte uwer lanen,

In de schaduw der platanen

Wacht ik zijn vergiffenis,

Die mijn troost en redding is.

Miraflores, naam van pracht!

Moge ik leeren dag en nacht,

In uw zoet doorgeurde dreven,

Wat het hoogste is in ’t leven:

Mij in ’t goede te verblijden,

Booze woorden te vermijden,

Zoodat ik, in deemoed klein,

Zijn vergeving waard zal zijn.

Nu kwam er een heraut tot Koning Lisuarte te Windsor, die hem uitdaagde namens Famongomadan, den reus, Cartadaque, zijn neef, den reus van den Verdedigden Berg, Madanfaboul, den reus van den Vermiljoenen Toren; namens Quadragante, den broeder van Koning Abies van Ierland, en Archelaus den Toovenaar, die zich allen vereenigd hadden tegen Brittanje tot hulp van koning Cildadan van Ierland, die met Lisuarte in vijandschap leefde. De ridder stelde echter een zeer vernederende voorwaarde, waarop de vrede bewaard zou kunnen blijven; hij deelde nl. mede, dat de vijandelijke bondgenooten niet tegen hem zouden optrekken, en bereid waren in hun eigen land te blijven, wanneer Lisuarte erin toestemde, zijn dochter Oriana als dienstmaagd te geven aan Madasima, de dochter van Famongomadan, of als vrouw aan Basagante, zijn zoon. Lisuarte wees deze vredesvoorwaarde echter met rustige waardigheid af.

Amadis had koning Abies lang geleden verslagen, en het was dan ook zucht naar wraak, die deze eigenaardige combinatie tot de oorlogsverklaring had gedreven. Florestan was bij het onderhoud aanwezig, en hij daagde den afgezant der reuzen uit tot een tweegevecht. De ridder, Landin geheeten, beloofde met hen te zullen strijden, wanneer de oorlog een uitgemaakte zaak zou zijn, en zij wisselden dus den handschoen.

Toen de ridder vertrokken was, riep Lisuarte zijn dochtertje Leonora met hare speelgenootjes tot zich, om voor hem te dansen, iets, wat hij niet meer gedaan had sedert het bericht van de verdwijning van Amadis. En hij vroeg haar een lied te zingen, dat Amadis eens in scherts voor haar gemaakt had. Het kind en hare makkertjes zongen dus het volgende liedje:

Leonora, scheppings roem!

Witte, smettelooze bloem,

Rein als de dauw in een voorjaarsmorgen,

Waarom in lentetijd

Geurt gij in eenzaamheid,

Stil in uw schaduw van eenvoud verborgen?

Wilt gij, o bloesem rein,

Dan niet de mijne zijn,

Dat ik u koesteren kan en dragen.

Geef dan uw zoeten geur,

Bloei dan in teere kleur,

Als lieve troost in mijn droeve dagen.

Gandalin reisde naar Miraflores om Oriana mede te deelen, dat Corisande aan het Hof was teruggekeerd, en dat zij met Florestan gelukkig hereenigd was. Zij was verrukt over dit bericht, maar kon toch niet nalaten het geluk der gelieven te vergelijken met haar eigen droevig lot, en zij barstte in tranen uit. Maar juist op dit oogenblik trad de Maagd van Denemarken binnen. Oriana luisterde met kloppend hart naar het bericht, dat zij bracht, en toen de jonkvrouw haar den brief van Amadis met diens ring overhandigde, bezwijmde zij bijna van vreugde.

Amadis vertoefde in een afgelegen klooster, waar hij herstellende was van de gevolgen van het groote en langdurige leed, dat hij doorstaan had. Toen hij weer aangesterkt was, stak hij zich in een groene wapenrusting, opdat hij niet herkend zou worden, en begaf zich op weg naar Londen. Op den achtsten dag van zijn reis ontmoette hij een ridder, den reus Quadragante, één van de verbonden vijanden van Koning Lisuarte. Amadis wierp den geweldigen strijder uit het zadel, en dwong hem, zich gewonnen te geven, en zich te onderwerpen aan Lisuarte.

Amadis verslaat Famongomadan.

Amadis vervolgde zijn weg en kwam bij eenige tenten, die in een weiland waren opgeslagen, en bewoond werden door een gezelschap van ridders en jonkvrouwen, die in dienst waren van prinses Leonora. De ridders drongen er op aan, dat hij een lans met hen zou breken. Hij wierp hen allen uit het zadel, en vervolgde zijn weg. Terwijl hij zich eenige mijlen verder aan een bron verkwikte, viel zijn oog op een wagen, vol geladen met ridders en maagden, die geketend waren. Gezeten op een groot, zwart paard, reed een geweldige reus voor den wagen uit, vreeselijk om aan te zien, en Amadis herkende hem als Famongomadan, die den ridder gezonden had om Lisuarte uit te dagen. Amadis was zeer vermoeid door het gevecht met de ridders, en hij gevoelde dus weinig lust, hem op dit oogenblik te ontmoeten, maar toen hij zag, dat Leonora en hare maagden ook in den wagen waren, sprong hij op zijn paard, en met den blik gericht op Miraflores, waar Oriana was, wachtte hij den aanval van den reus af.

Toen Famongomadan hem zag, overrompelde hij hem als een menschelijke lawine; zijn groote speer doorboorde het paard van Amadis, maar de ridder stak zijn lans dwars door de ribbekast van het monster, en het wapen brak in het lichaam af. Toen zijn zoon Basagante dit zag, snelde hij te hulp, maar Amadis werkte zich onder zijn gevallen paard vandaan, trok zijn zwaard, en hieuw één der beenen van zijn tegenstander af. Maar zijn zwaard sprong in stukken door de kracht van den slag, en er volgde een verwoed gevecht om de strijdbijl van Basagante, maar Amadis ontrukte zijn vijand de bijl en sloeg hem het hoofd af. Daarna doodde hij Famongomadan met diens eigen speer, bevrijdde de ridders uit hunne ketenen, en verzocht hen de lijken der verslagen reuzen naar Koning Lisuarte te brengen, met de mededeeling, dat zij gezonden waren door een onbekenden ridder, Beltenebros genaamd. Toen besteeg hij het groote, zwarte paard van Famongomadan, en draafde weg.

Eindelijk kwam Amadis in Miraflores aan, waar hij Oriana aantrof, en zij waren zielsgelukkig in hun liefde. Acht dagen bleef hij bij zijn geliefde in het kasteel; toen vertrok hij, om Lisuarte bij te staan in zijn strijd tegen Cildadan van Ierland, die, zooals wij gezien hebben, den Koning de heerschappij betwistte. Cildadan en zijne bondgenooten de reuzen, werden overwonnen, en de Iersche Koning werd daarenboven ernstig door Amadis verwond.

Eenigen tijd daarna bezocht Briolania, de jonkvrouw, die Amadis het gebroken zwaard had gegeven, Oriana, en vertelde haar, dat zij verliefd was op Amadis, maar dat hij haar gezegd had, dat hij haar niet liefhad. Deze mededeeling vermaakte Oriana zeer. En het geheele Hof wist nu, dat Beltenebros en Amadis dezelfde waren, en men was zeer verwonderd over de macht van dien éénen arm.

Maar Amadis, die wist, dat een avontuurlijk leven de bestemming en het lot van den ridder waren, wenschte weer weg te trekken, en bij hem voegden zich tien ridders, vrienden en verwanten. Lisuarte was hierover zeer verstoord, want naijverige hovelingen stookten den Koning tegen Amadis op, zeggende, dat hij de beste en dapperste ridders op deze wijze van het Hof verwijderde.

Intusschen had Briolania zich naar het Versterkte Eiland begeven, waar zij zeer verontrust werd door onheilspellende voorteekenen. Zij slaagde er in, onder den Boog der Trouwe Minnaars door te gaan, maar toen zij trachtte, de verboden kamer binnen te treden, werd zij met geweld teruggedrongen, en bedroefd keerde zij naar haar eigen land terug. Korten tijd daarna kwam Amadis op het eiland aan, tot groote vreugde van alle bewoners.

Dan volgt in het gedicht een en ander over de ligging en de geaardheid van het Versterkte Eiland, dat negen mijlen lang en zeven mijlen breed was, en dicht bedekt met dorpen en prachtige woonhuizen. Apolidon had zelf vier kostbare paleizen op het eiland gebouwd; één ervan heette Het Paleis van de Slang en de Leeuwen; het tweede was Het Kasteel van het Hert en de Honden. Het derde heette Het Draaiende Paleis, want driemaal daags en drie keer per nacht draaide het met groote snelheid rond, zoodat zij, die zich binnen de muren bevonden, dachten, dat het verbrijzeld zou worden. Het vierde was Het Paleis van den Stier, want elken dag stormde een wilde stier uit een overdekte laan te voorschijn, en wierp zich tusschen de menschen, alsof hij ze wilde dooden. Dan holde hij een toren binnen en kwam weer te voorschijn met een ouden aap op den rug, die hem door harde slagen weer naar zijn verborgen verblijf terug joeg.

Er kwam bericht op het eiland, dat Gromadaza van het Kokende Meer, de vrouw van Famongomadan, den oorlog had verklaard aan Lisuarte; maar deze had hierop geantwoord met de bedreiging, hare dochter Madasima en andere Maagden van het geslacht der reuzen te laten onthoofden, wanneer zij hem hare kasteelen niet overgaf, en geen afstand deed van haar koninkrijk. Amadis en zijne ridders keurden het in Lisuarte af, dat hij tegenover vrouwen zulke maatregelen nam, en twaalf hunner trokken naar het land der reuzen, om de bedreigde vrouwen te beschermen. Natuurlijk gaf deze daad aan het Hof van Lisuarte voedsel aan de kuiperijen tegen Amadis, dien men ten val wilde brengen. Maar Lisuarte was een veel te hoogstaand mensch, om zich daardoor te laten beïnvloeden, en bij de komst der ridders stelde hij de jonkvrouwen in vrijheid.

Amadis twist met Lisuarte.

Maar het noodlot en de inblazingen van kwaadwillige menschen zijn dikwijls sterker dan de goedheid van koningen. De raadslieden van Lisuarte overreedden hem tot het beleg van de laatste vesting der reuzen, het Eiland Mongaza, dat slechts door vrouwen verdedigd werd. Amadis en zijne ridders beschouwden deze onderneming als een onridderlijke daad, en toen dit oordeel Lisuarte werd medegedeeld, ontstak hij in toorn, en zond een oorlogsverklaring aan Amadis op het Versterkte Eiland. Amadis antwoordde, dat, aangezien Madasima, de dochter van Famongomadan, gehuwd was met Galvanes, een vriend zoowel van Lisuarte als van hemzelf, het eiland niet meer bewoond werd door vijanden van Lisuarte, en dat hij het dus met alle macht verdedigen zou. En zoo scheepte hij zich dus in naar het eiland, met een groot en goed uitgerust leger. Daar vonden zij een garnizoen, dat in naam van Lisuarte de heerschappij had opgeëischt; het gelukte hun deze overweldigers spoedig te verdrijven.

Amadis liet een flinke strijdmacht op het eiland achter, en vertrok zoo spoedig mogelijk naar Gallië, omdat hij zich ongerust maakte over Oriana. Toen hij met zijn schip een haven binnenliep om levensmiddelen op te doen, was hij in de gelegenheid zijn broeder Galaor en Koning Cildadan te verlossen uit de macht van een reus, die hen in een hinderlaag gelokt had. Bij zijn terugkomst in Gallië begroette Amadis zijne ouders, die hij in verscheidene jaren niet gezien had. Intusschen was Lisuarte op het eiland Mongaza geland, waar hij het leger van Galvanes, den rechtmatigen vorst, versloeg; maar hij betoonde zich edelmoedig tegenover zijne overwonnen vijanden, en stelde zich tevreden met de openlijke onderwerping van Galvanes en zijn vrouw Madasima.

Nu leidde Amadis eenigen tijd een leven van ontspanning: hij jaagde, vierde feest, en was tevreden met de goede berichten, die hij van zijn geliefde kreeg. Door dit leven van werkeloosheid verloor hij den roep van groote dapperheid, ofschoon de onbevooroordeelde lezer misschien zou vinden, dat hij genoeg roem had geoogst om gedurende zijn verder leven op te kunnen teren. »Jonkvrouwen, die een beleediging, haar aangedaan, door hem gewroken wilden zien, vervloekten hem, omdat hij in de beste jaren van zijn leven de wapenen ontrouw geworden was.«

Maar Amadis had zijne goede redenen om zoo te handelen; want een brief van Oriana had hem in kennis gesteld met het feit, dat zij hem een zoontje geschonken had, en zij smeekte hem, Gallië niet te verlaten, voordat hij nader van haar gehoord had. Zij berichtte hem niet, dat het kind verdwenen was, maar hierover zullen wij later meer hooren. Na eenigen tijd schreef Oriana hem, dat zij hem verzocht, niet de wapenen tegen haar vader te voeren, en Gallië slechts dan te verlaten, wanneer hij zich aan de zijde van Lisuarte schaarde. Amadis besloot dus Lisuarte bij te staan tegen den Koning der Eilanden, met wien hij in oorlog gewikkeld was, en die zijn Koninkrijk was binnengevallen.

De Maagd van Denemarken had het zoontje van Amadis en Oriana des nachts door een donker woud weggevoerd, om hare meesteres voor schande te bewaren. Toen zij het kind een oogenblik verlaten had, was een leeuwin er mee weggeloopen, die het bij een kluizenaar gebracht had, Nasciano geheeten; deze had het kind Esplandian genoemd, en het met zijn eigen neefje opgevoed als jager; en het opmerkelijke bij dezen jongen was, dat een leeuwin hem overal met groote liefde volgde, zoowel in huis als op de jacht.

Intusschen had Amadis, die zich de »Ridder met het Groene Zwaard« noemde, besloten, het leven van werkeloosheid, dat hij den laatsten tijd geleid had, op te geven. Hij nam Ardian, den dwerg, met zich mede, en begaf zich naar Duitschland, waar hij gedurende vier jaren een avontuurlijk leven leidde, zonder eenig bericht van Oriana te ontvangen. Daarna vertrok hij naar Bohemen, waar hij eenigen tijd aan het Hof vertoefde.

Op zekeren dag ging Koning Lisuarte met de Koningin en zijne dochters op de jacht, en kwam bij den berg, waar de kluizenaar Nasciano woonde; daar ontmoette hij Esplandian, en hij besloot den knaap tot zich te nemen. De kluizenaar toonde hem een brief, die aan Esplandians hals gebonden was, toen Nasciano hem vond, en die door Urganda geschreven was. De brief was bestemd voor Koning Lisuarte zelf, en bevatte den raad, den jongen met liefde te behandelen, daar hij hem eenmaal uit een groot gevaar zou verlossen. Lisuarte besloot dus, Esplandian en zijn pleegbroeder Sargil als zijne schildknapen aan te nemen, en toen de kluizenaar hem vertelde, dat het kind door een leeuwin bij hem gebracht was, begreep Oriana, dat het haar zoon moest zijn; want men had haar gezegd, dat de kleine jongen op den drempel van het klooster was neergelegd, en dat een wild beest hem had weggevoerd.

Bij één zijner vele gevaarlijke en wonderbaarlijke avonturen, was Amadis ernstig gewond door een monster, dat hij verslagen had, en hij werd toen verpleegd door een jonkvrouw, Grasinda geheeten, die hij, uit dankbaarheid voor hare vriendelijkheid en hulp, beloofd had, op haar verlangen elk avontuur te zullen ondernemen. Ongeveer in denzelfden tijd besloot El Patin, de Keizer van Rome, aanzoek te doen om de hand van Oriana. Toen Koningin Sardamira van Sardinië, die El Patin lief had, dit hoorde, reisde zij in gezelschap van de afgezanten van den Romeinschen Keizer naar Brittanje, waar zij Oriana ontmoette, wie zij bericht bracht over Amadis en wie zij vertelde, hoe hij eenmaal El Patin in een hevigen strijd had overwonnen, en hoe de Keizer hem dus een doodelijken haat toedroeg. Galaor, die vermoedde, dat Amadis en Oriana elkander lief hadden, ging naar Lisuarte, en gaf hem den ernstigen raad, niet zijne toestemming te geven tot een huwelijk tusschen zijn dochter en den Keizer; daarna reisde hij naar Gallië, in de hoop, daar eenig bericht over Amadis te krijgen. Tegelijkertijd begaf Florestan zich naar het Versterkte Eiland, om Agrayes in te lichten over de moeilijkheden, waarin Oriana zich bevond, en hem tevens bericht te brengen van zijne geliefde Mabilia, die zeer naar hem verlangde.

De »Grieksche Ridder.«

Maar het noodlot wilde, dat juist op dit tijdstip Amadis, die zich nu den »Griekschen Ridder« noemde, met jonkvrouw Grasinda in Brittanje aankwam. Hij wenschte incognito te blijven, en gaf daarom het strenge bevel, dat zijn gevolg zijn naam niet mocht openbaren. Toen hij hoorde, dat Oriana op het punt stond te worden uitgehuwelijkt aan den Keizer, besloot hij, zijne maatregelen te nemen. Grasinda echter, gedachtig aan zijn belofte, zich terwille van haar in elk avontuur te zullen begeven, dat zij voor hem zou uitkiezen, zond een brief aan koning Lisuarte, met de mededeeling, dat zij zichzelf schooner achtte dan welke jonkvrouw dan ook van zijn Hof, en dat, wanneer een ridder van een ander oordeel mocht zijn, hij zou moeten strijden met haar kampioen, den Griekschen Ridder. De Romeinsche afgezanten vroegen Lisuarte op deze uitdaging te mogen ingaan, en dit werd hun toegestaan.

Er volgde dan ook een hevig gevecht tusschen Amadis en de Romeinsche ridders, welke laatsten een volkomen nederlaag leden. Maar de dag brak aan, waarop Lisuarte volgens afspraak Oriana naar den Keizer zenden moest, en ofschoon zij bezwijmde bij de gedachte, naar Rome te worden gevoerd, bracht haar vader haar aan boord van het schip, nam hartelijk afscheid van haar en staarde de Romeinsche galei na, die zijn dochter wegvoerde van het witte strand van Brittanje.

Zoodra Amadis van de plannen van den Koning gehoord had, begaf hij zich aan boord van zijn eigen schip, en wachtte de komst af van het Romeinsche vaartuig, dat zijn aangebedene wegvoerde. Hij viel de Italiaansche galei met woede aan, overrompelde de opvarenden, bevrijdde Oriana en zeilde oogenblikkelijk met haar naar het gouden strand van het Versterkte Eiland.

Na een reis van zeven dagen liep het schip van Amadis de haven van het Versterkte Eiland binnen. Intusschen was jonkvrouw Grasinda daar aangekomen en trad naar voren, om Oriana te verwelkomen, die zij zoozeer wenschte te leeren kennen, omdat haar roem over de geheele wereld verspreid was. En toen zij Oriana aanschouwde, »kon zij niet gelooven, dat eenig sterfelijk wezen zóó verblindend schoon kon zijn.«

Oriana en de andere jonkvrouwen werden ondergebracht in een toren van het paleis, dat de toovenaar Apolidon geschapen had, en op haar verzoek mocht geen ridder dezen toren binnentreden, totdat haar vader haar weder in genade had aangenomen. Amadis begreep zeer goed, dat de ontvoering van Oriana ernstige gevolgen zou hebben, en hij zond dus afgezanten naar zijne vele vrienden over de geheele wereld, met het verzoek hem, zoo noodig, tegen Lisuarte en den Keizer te willen bijstaan.

De trotsche Ridderschap.
De trotsche Ridderschap.

De trotsche Ridderschap.

De twist, die tusschen zijn beide oude tegenstanders Amadis en Koning Lisuarte gerezen was, bood den sluwen Archelaus een kans, die hij niet ongebruikt wilde laten voorbijgaan. Daarom riep hij verscheidene andere onruststokers te zamen en stelde hun voor, wanneer de oorlog uitbrak tusschen Amadis en den Britschen Koning, zich met hun strijdmacht te verbergen in de nabijheid van het slagveld, en wanneer één der strijdende partijen de overwinning behaald had, zouden zij de overblijfselen van beide legers aanvallen en hen op deze wijze verdelgen. Dit onwaardige plan van den toovenaar vond grooten bijval bij de ontevreden vorsten en kleinzielige koningen, en zij besloten, het ten uitvoer te brengen.

Oorlog met Lisuarte.

Intusschen had Amadis een deputatie naar het Hof van Lisuarte gezonden, om hem de hand zijner dochter Oriana te vragen. Maar de koppige oude Koning wees het aanzoek driftig af en zond hem een oorlogsverklaring. El Patin, de Keizer van Rome, was nu ook in Brittanje aangekomen, en maakte zich gereed tot den strijd met Amadis. Spoedig had hij een groot leger gevormd, en hiermede trok hij op, om de troepen van Amadis te vinden, die zonder tijd te verliezen, een uitval had gedaan in Brittanje, en nu voorwaarts trok, om de strijdmacht van Lisuarte en den Keizer te ontmoeten.

De vrienden van Amadis hadden hem niet in den steek gelaten. In de eerste plaats was zijn vader, Koning Perion, hem ter hulp gesneld met de geheele troepenmacht van Gallië. Ierland had een groot contingent geleverd, en zijne oude vrienden, de Koning van Boheme en de Keizer van Konstantinopel hadden hem goed uitgeruste legioenen gezonden, die alle onder de bekwame leiding van Koning Perion stonden. Daarenboven werd het leger begeleid door Oriana, Grasinda en de andere jonkvrouwen en prinsessen, die naar het Versterkte Eiland waren gekomen, en hare tegenwoordigheid spoorde de ridders aan tot daden van grooten moed. De toovenaar Archelaus en zijne bondgenooten volgden als een schaduw de troepen van Lisuarte, in de hoop hem te kunnen overvallen, wanneer zij teruggeslagen werden.

Eindelijk kregen de legers elkander in het oog. De plaats van samentreffen was een groote vlakte, en mijlen ver zag men niets dan schitterende wapenrustingen en kleurige kleederdrachten, wuivende vederbossen en banieren, en het geheele grootsche vertoon, dat de ridderschap kenmerkte. Twee volle dagen hielden de vijandelijke legers elkander in het oog zonder voorwaarts te gaan; toen maakten zij aanstalten tot den aanval met zulk een geweld van trommels en cymbalen, trompetten en klaroenen, dat het mijlen in het rond werd gehoord. Zij vielen met donderend geweld op elkander aan, en het gekletter der zwaarden op de wapenrustingen was gelijk aan het geraas van duizend hamers op even zoovele aambeelden.

Aan het hoofd van het leger reed Amadis. Op een uitdaging van Gasquilan, den trotschen Koning van Zweden, viel hij hem aan, en wierp hem met zulk een kracht uit het zadel, dat hij voor dood bleef liggen; maar door den schok viel Amadis van zijn paard. Quadragante, die zich in zijn nabijheid bevond, lichtte een Romeinschen ridder uit het zadel, en gaf diens strijdros aan den held, die, gevolgd door Gandelin en andere paladijnen, een krachtigen aanval deed op de flank van het Romeinsche leger. Intusschen hield Quadragante geweldig huis aan het vijandelijke front, en slechts weinigen onder zijne tegenstanders, konden zijn reuzenkracht weerstaan.

De Romeinsche troepen begonnen achteruit te wijken, maar op hetzelfde oogenblik kwam de Keizer met een versterking van vijfduizend man aangerukt. Hij leidde zelf den aanval, roepende: »Rome! Rome!« en hij zwaaide een reusachtig zwaard. Hij stuitte echter op Quadragante, die hem zulk een vreeselijken stomp toediende, dat hij terug moest wijken om bescherming te zoeken bij zijn eigen soldaten.

Amadis was echter omringd door zijne dapperste paladijnen, en verrichtte zulke wonderen van moed, dat zijne vrienden zoowel als vijanden verbaasd waren over zijne heldendaden. De Romeinen begonnen terug te wijken voor de vreeselijke slagen, die hij naar alle kanten uitdeelde, en ten slotte verbraken zij de gelederen en vluchtten. Hij was echter zóó uitgeput door den hardnekkigen strijd, dat hij ervan afzag, zijne overwonnen vijanden te vervolgen, ook al, omdat het leger van Lisuarte nog niet in het veld was geweest, zoodat hij het beter oordeelde, de krachten zijner soldaten te sparen voor de ontmoeting met Lisuartes troepen.

Den volgenden dag voerde Koning Lisuarte zijn leger aan, en nu bracht Koning Perion zijne troepen, die tot nog toe in de achterhoede waren gebleven, in het veld; de strijd had echter nog niet lang geduurd, toen Amadis den Romeinschen Keizer ontmoette, dien hij afmaakte met zulk een slag, als hij nog nooit iemand had toegediend. Bij den aanblik van hun verslagen leider, begonnen de Romeinen en Britten te vluchten, en toen Lisuarte dit zag, trachtte hij zijne troepen in goede orde terug te trekken. Maar Amadis merkte deze pogingen op, en daar hij vreesde voor de persoonlijke veiligheid van Lisuarte, maakte hij gebruik van de invallende duisternis, en riep ook zijn eigen strijdmacht terug, inplaats van den Koning te vervolgen; en zoo werd dezen de gelegenheid gegeven voor een ordelijke terugtocht.

Toen de vrome kluizenaar Nasciano hoorde van de groote oneenigheid tusschen de koningen, besloot hij alles in het werk te stellen, om verderen strijd te voortkomen; en ofschoon hij oud en gebrekkig was, slaagde hij erin, het kamp van Koning Lisuarte te bereiken. De beide veldslagen, die wij juist beschreven hebben, waren echter reeds geleverd. Hij maakte zich bij den Koning bekend, en openbaarde hem dat Oriana een geheim huwelijk had gesloten met Amadis, en dat Esplandian hun zoon was. Bij het hooren van dit bericht was de Koning diep bedroefd, en hij keurde het stilzwijgen der gelieven ten zeerste af, terecht opmerkende, dat vele kostbare levens gespaard zouden zijn gebleven, wanneer zij hem hun vertrouwen hadden geschonken. Hij verzocht den kluizenaar de vredesonderhandelingen te leiden; de goede monnik was gaarne hiertoe bereid, en vergezeld door Esplandian, begaf hij zich naar het kamp van Amadis, waar hij op hoffelijke wijze ontvangen werd. De kluizenaar openbaarde eerst de identiteit van Esplandian aan den vader van den jongen, en Amadis omhelsde zijn zoon hartelijk. Maar de monnik vergat zijn vredelievende zending niet, en voordat hij Amadis verliet, had hij alle moeilijkheden tusschen hem en den ouden trotschen Koning uit den weg geruimd, en er was besloten dat hunne vertegenwoordigers te zamen zouden komen on een duurzamen vrede te sluiten.

Het verraad van Archelaus.

De wraakzuchtige toovenaar Archelaus en zijn ontevreden bondgenooten hadden in groote spanning den gang van zaken gevolgd, en toen hunne spionnen hun mededeelden, dat de vijandelijkheden tusschen Lisuarte en Amadis geëindigd waren, besloten zij, het leger van den ouden Koning onverwijld aan te vallen. Maar Esplandian was getuige van den opmarsch hunner troepen, toen hij op weg was naar Lisuartes hoofdkwartier, en hij reisde oogenblikkelijk terug naar Amadis, om hem te waarschuwen, dat er onraad dreigde. Bij dit bericht begaven Amadis en Koning Perion zich dadelijk op weg, om de uitgeputte troepen van Lisuarte bij te staan. Maar voordat Amadis en zijne ridders het leger van Archelaus konden aanvallen, waren Lisuarte en de weinige troepen, die hem gebleven waren, reeds overrompeld door de strijdmacht van den toovenaar en zijne bondgenooten, die hem een geweldigen nederlaag bezorgd hadden. De oude Koning was genoodzaakt, zoo goed mogelijk een heenkomen te zoeken, en hij vluchtte naar een naburige stad, waar hij zich gereed maakte tot een laatste wanhopige verdediging tegen zijn meedoogenlooze vijanden. De stad werd hevig bestookt door Archelaus, maar werd niet minder krachtig verdedigd door Lisuarte en de ridders, die hem gevolgd waren. Maar toen de toovenaar op het punt stond de stad stormenderhand te nemen, verschenen Amadis en zijne paladijnen, die hem na een bloedig gevecht verjoegen. Archelaus en zijne bondgenooten werden in boeien geslagen, maar werden, zeer onvoorzichtig, weer in vrijheid gesteld, nadat zij beloofd hadden, zich in de toekomst van elke vijandelijkheid te onthouden.

De ontmoeting tusschen Amadis en Lisuarte was buitengewoon hartelijk, en het bleek duidelijk, dat hunne oude vriendschap spoedig weer geheel hersteld zou zijn. Lisuarte riep zijne baronnen en edelen te zamen, en toen zij allen aanwezig waren, deelde hij hun plechtig de verloving van Amadis en Oriana mede.

Eenige dagen daarna reisde het geheele gezelschap, waaronder Lisuarte, Perion en hunne Koninginnen, Florestan, Galaor, Agrayes en vele anderen, naar het Versterkte Eiland, waar het huwelijk van Amadis en Oriana met groote praal zou worden voltrokken. Bij hun aankomst op de betooverde plaats, werden er vorstelijke voorbereidingen getroffen voor de plechtigheid, want niet alleen zouden Oriana en Amadis in het huwelijk treden, maar velen hunner vrienden zouden tegelijkertijd in den echt worden verbonden. Temidden dezer voorbereidingen verscheen de goede fee Urganda, gezeten op den rug van een grooten draak, en allen, over wier geluk zij met zooveel zorg gewaakt had, heetten haar met groote hartelijkheid welkom.

Het huwelijk van Amadis en Oriana.

Toen alles gereed was en de huwelijksdag eindelijk was aangebroken, besteeg een schitterend gezelschap hunne paarden, en reed naar de kerk, waar de kluizenaar Nasciano de mis zou bedienen. Na de plechtigheid verzocht Amadis den Koning, vóórdat de feestelijkheden een aanvang zouden nemen, Oriana toe te staan, de proef af te leggen van den Boog der Trouwe Minnaars, daar de betoovering nog van kracht was, waar het jonkvrouwen betrof. De Koning gaf hiervoor zijn toestemming. Toen Oriana naderde, hief het beeld zijn trompet omhoog, en blies zulk een welluidende wijs, als nog nooit op het Eiland gehoord was, en uit den mond der trompet vielen rozen en andere bloemen in zulk een menigte, dat de grond eronder bedolven werd. Zonder een enkele aarzeling trad Oriana op de verboden kamer toe. Toen zij tusschen de zuilen doorging, voelde zij onzichtbare handen, die haar met kracht tegenhielden, en drie keer werd zij teruggeduwd. Maar door haar onovertroffen trouw en schoonheid gelukte het haar toch, ondanks alle tegenwerking, het betooverde portaal te doorschrijden, waar de hand, die Amadis had binnengeleid, ook naar haar uitgestoken werd. Toen betrad zij de kamer, terwijl de stemmen van onzichtbare zangers teedere liederen zongen, ter verheerlijking harer schoonheid en standvastigheid.

Nu betrad het geheele gezelschap, dat getuige was geweest van dit laatste wonder, de kamer, waar het feestmaal werd aangericht. De langdurige beproeving van Amadis en Oriana was voorbij, en nu zij ten slotte met elkander en hun zoon Esplandian vereenigd waren, gingen zij een toekomst van het hoogste geluk tegemoet, zooals die slechts ten deel valt aan stervelingen in oude romances.

Zoo eindigt dan dit oude heldengedicht, waarin vroegere gewoonten en opvattingen beschreven worden, die zóózeer verschillen van de hedendaagsche, dat zij ons slechts bestaanbaar toeschijnen op een andere planeet. De gedragingen der ridders en jonkvrouwen zijn wellicht eenigszins overdreven; hoe onzinnig een belofte ook was, hoe fantastisch de omstandigheden ook waren, waaronder die belofte was afgedwongen, zij werd toch als bindend beschouwd; en al bewonderen wij den romantischen geest van zulk een wetboek, wij kunnen toch niet nalaten te glimlachen over den ernst, waarmede gebaarde ridders en machtige koningen weken voor de kinderachtige praktijken van toovenaars, om wier listen en lagen elke hedendaagsche schooljongen lachen zou. Niettemin krijgen wij bij het lezen dezer geschiedenis een sterken indruk van den eenvoud en de eerlijkheid van het streven der schrijvers.

Ik moet den lezer, die mij gevolgd heeft langs de paden van deze betooverende romance, vergeving vragen voor het weglaten van menig bekoorlijk en treffend gedeelte; ik had mij echter tot taak gesteld, de groote lijn van het verhaal te volgen, de voornaamste gebeurtenissen te beschrijven, en mij slechts te bepalen tot het boeken van de wederwaardigheden en daden der hoofdpersonen, om den lezer een algemeenen indruk te geven. Het zou mij gemakkelijk zijn gevallen, de schoonheid en leesbaarheid van mijn verhaal te verhoogen, wanneer ik mij ertoe bepaald had, afzonderlijke avonturen te beschrijven, en slechts een relaas te geven van de meest treffende gebeurtenissen, waarvan de romance overvloeit. Maar het was, zooals ik reeds zeide, mijn bedoeling, den lezers, wier tijd te beperkt is, om den oorspronkelijken tekst te bestudeeren, een verkort verhaal van den geheelen inhoud te geven. Tevens heb ik ernaar gestreefd, den geest der romance te behouden, en wanneer mij dit niet gelukt is, moet dit ten deele worden geweten aan de omstandigheid, dat het geen gemakkelijke taak is, deze uitgebreide stof te verwerken in een beknopten vorm. Terecht zegt hij, die ons Amadis in dichtvorm gaf:

Wilde ik beschrijven, al wat op dit feest men zag,

Dan moest ik spreken heel een langen zomerdag.

’k Vertel niet, wie in ’t steekspel brak zoo menig lans,

Wie ’t meeste uitblonk in den zang of bij den dans.

Wie in het spreekgestoelt’ heeft naar den prijs gedongen,

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings