Hoofdstuk VIII: »Calaynos de Moor«, »Gayferos« en »Graaf Alarcos«.
S. Vos-Goudsmit translation
Ik neem deze drie romances te zamen in dit hoofdstuk, niet alleen omdat zij blijkbaar bij het publiek van het Oude Spanje in zulk een hooge gunst hebben gestaan, maar ook, omdat zij een juister beeld geven van den smaak en de gezindheid der bevolking, dan andere romances van dezelfde soort; wanneer zij tenminste niet op zichzelf een afzonderlijke groep vormden, wat ik altijd verondersteld heb op grond van het feit, dat in alle Castiliaansche verhandelingen over de romance, deze drie gedichten te zamen worden vermeld. Hieruit meen ik te mogen opmaken, dat deze drie romances een eigen genre vertegenwoordigden. Zij ademen dien geest van ernst en strengheid, die zoo kenmerkend is voor de zuiver Spaansche letterkunde, en tenminste in één dezer drie gedichten vindt men zoo duidelijk de atmosfeer van groote droefheid en van wreedheid, die slechts wordt opgewekt door Latijnsche en Grieksche treurspelen. Want zelfs niet de grootste meesters van het Noorden, Marlowe noch Massinger, Goethe noch Shakespeare, zijn er in geslaagd, met zulke sombere kleuren hunne tooneelen af te schilderen, als de Spanjaarden Calderon of Lope dat hebben gedaan.
Calaynos.
Calaynos, een van de beroemdste Moorsche ridders, is de held van verscheidene berijmde romances. Maar de meest bekende daarvan is de Coplas de Calainos, waarvan Lockhart zulk een goed geslaagde vertaling heeft geleverd in zijn Spaansche Balladen.
De Moorsche ridder, zoo verhaalt de romance, was verliefd op een jonkvrouw van zijn eigen ras, en om haar gunst te winnen, bood hij haar uitgebreide landerijen en ontzaglijke rijkdommen aan. Maar in haar overmoed weigerde zij deze eenvoudige hulde, en zij eischte van hem de hoofden van drie der dapperste ridders der Christenheid: Rinaldo, Roland en Olivier! Calaynos kuste haar tot afscheid en begaf zich oogenblikkelijk op weg naar Parijs. Daar aangekomen ontplooide hij de Moorsche banier voor de St. Janskerk en blies luid op zijn hoorn, waarvan Karel de Groote en zijne twaalf ridders dadelijk den klank herkenden, terwijl zij op jacht waren in het woud, dat eenige mijlen van de stad verwijderd was. Korten tijd daarna ontmoette de koninklijke stoet een Moor, en de Keizer vroeg hem uit de hoogte, hoe hij het durfde wagen zijn groenen tulband binnen de grenzen van zijn rijk te vertoonen. De Moor antwoordde, dat hij in dienst was van Calaynos, die Karel den Groote en al zijne ridders uitdaagde, en die hun aanval in Parijs afwachtte. Toen zij terugreden om met den overmoedigen heiden te strijden, stelde Karel de Groote Roland voor, dat deze Calaynos zou tuchtigen; maar de trotsche ridder meende, dat dit de taak behoorde te zijn van een of anderen saletjonker, daar hij het beneden zijn waardigheid vond met één enkelen Moor te vechten. Heer Boudewijn, de neef van Roland, blufte, dat hij den groenen tulband van Calaynos in het stof zou laten rollen; hij reed in galop vooruit en bevond zich spoedig tegenover den strengen Moorschen Vorst, die hem minachtend een plaats als page aanbood, in dienst van zijn geliefde.
Boudewijn was woedend, toen hij deze woorden hoorde; hij slingerde Calaynos zijn uitdaging in het gezicht, en riep hem toe zich gereed te maken tot den strijd. De Moor wierp zich in het zadel, richtte zijn lans op de borst van zijn tegenstander, reed in vollen draf op Boudewijn toe, en wierp hem ter aarde, waarna hij hem dwong om genade te smeeken. Maar Roland, de oom van den jeugdigen ridder, was in de nabijheid; hij zwaaide zijn geweldig zwaard en riep Calaynos toe, dat hij zich moest wapenen voor een nieuwen strijd. »Wie zijt gij?« vroeg Calaynos. »Gij draagt een kroontje op Uw helm, maar ik ken U niet.«
»Zwijg, ellendige Moor!« antwoordde Roland. »Uw laatste uur is geslagen«; en dit zeggende, reed hij in vollen draf op zijn vijand toe. De trotsche heiden viel ter aarde, en Roland sprong van zijn paard, en boog zich met getrokken zwaard over hem heen.
»Hoe heet gij, heiden?« vroeg hij, »spreek of sterf.«
»Heer,« antwoordde Calaynos, »ik dien een trotsche Spaansche jonkvrouw, die geen ander geschenk van mij wilde ontvangen dan de hoofden van de drie edelste paladijnen van Karel den Groote.«
»Zoo,« lachte Roland, »dan zijt gij een groote gek; zij kan u onmogelijk hebben liefgehad, als zij u bevolen heeft ons te trotseeren. Gij zijt hierheen gekomen om te sterven«; en met deze woorden sloeg hij hem het hoofd af, en hij vertrapte den helm met de halve maan. »Deze maan zal nooit meer opgaan boven de Seinevlakte,« riep hij uit, terwijl hij zijn zwaard in de scheede stak.
Zoo werd Calaynos bedrogen door den overmoed van een jonkvrouw en door zijn eigen trots. Deze geschiedenis is natuurlijk zeer onwaarschijnlijk, want het is niet denkbaar, dat een Moorsch ridder ooit met zulk een opdracht naar Parijs is gekomen. Maar het verhaal draagt een zeer menschelijk karakter en is niet zonder zedelijke strekking.
Gayferos.
Gayferos is een geliefde figuur in de Spaansche romantiek; zijn geschiedenis hangt samen met den cyclus van Karel den Groote, en werd opgenomen in de pseudo-kroniek van Aartsbisschop Turpinus. Ofschoon hij een Fransch ridder was, schijnt hij bijzonder aantrekkelijk te zijn geweest voor den Castiliaanschen geest, hetgeen hij waarschijnlijk te danken had aan de omstandigheid, dat hij zeven jaren heeft gezocht naar zijn vrouw, die zich in Spaansche gevangenschap bevond. Gayferos van Bordeaux was een bloedverwant van Roland, den onoverwinnelijken held uit de Chansons de gestes, en hij was gehuwd met Melisenda, een dochter van Karel den Groote. Kort na haar huwelijk werd de dame geschaakt door de Saracenen, en in een versterkte toren te Saragossa opgesloten. Gayferos was vastbesloten haar uit de macht der heidenen te bevrijden, en dus begaf hij zich op weg om zijn vrouw te zoeken. Maar na zeven lange jaren was hij er nog niet in geslaagd de plaats te vinden, waar zij gevangen zat. Hij reisde van provincie naar provincie, van kasteel naar kasteel in het zonnige Spanje, totdat hij eindelijk, ontroostbaar en terneergeslagen, naar Parijs terugkeerde. In de hoop, de herinnering aan zijn verlies te dooden, stortte Gayferos zich in de vermaken van het Hof. Op zekeren dag zag Karel de Groote hem met den admiraal des Keizers dobbelen, en hij zeide tot hem: »Hoe nu, Gayferos, verspilt gij uw tijd met kinderachtige spelen, terwijl uw vrouw, mijn dochter, in gevangenschap zucht? Indien gij even bekwaam waart in het hanteeren der wapenen als in het dobbelen, zoudt gij u haastig op weg begeven, om uw vrouw te bevrijden.« Deze terechtwijzing van den Keizer was onverdiend, want hij had juist gehoord, waar Melisenda gevangen gehouden werd, terwijl Gayferos nog niet bekend was met haar verblijfplaats. Maar toen hij van Karel den Groote den naam van het kasteel gehoord had, begaf hij zich haastig naar zijn oom Roland, en vroeg hem wapenen en een paard.
Toen Roland de verslagenheid van zijn neef zag, gaf hij hem zijn eigen beroemde wapenen en zijn liefste paard; en zóó uitgerust, reisde Gayferos ten tweeden male naar Spanje. Eenigen tijd daarna kwam hij te Saragossa aan, en daar hij bij de poorten niet werd tegengehouden, reed hij regelrecht naar het kasteel, waar zijn vrouw gevangen werd gehouden. Zij ontdekte hem van uit haar venster, en smeekte hem, indien hij een Christelijk ridder was, eenig bericht van haar aan haar echtgenoot Gayferos te brengen:
»Zeven jaren in deez’ toren heb ik Gayferos gewacht,
Die in vreugd, bij dans en spelen heeft die jaren doorgebracht,
Die zijn gade Melisenda heeft vergeten tot haar smart;
Toch draag ik zijn beeld nog immer in mijn liefdevolle hart.«
Maar hij richt zich op in ’t zadel: »Eedle Vrouwe, klaag niet meer,
Hier beneden voor uw venster staat uw echtgenoot en heer.
Spring in ’t zadel uit den toren! in mijn armen, aan mijn borst,
Voer ’k u veilig uit de landen van den wreeden Moorschen vorst.«
Melisenda sprong uit het venster in de armen van haar trouwen ridder, die haar in het zadel hief en spoorslags met haar wegreed om de poorten der stad te bereiken. Maar een Moor, die getuige was geweest van de ontvoering, blies alarm, en de vluchtelingen werden spoedig achtervolgd door zeven colonnes ruiters.
De afstand tusschen de vluchtelingen en de Mooren werd steeds kleiner, maar op het kritieke oogenblik herkende Melisenda het paard waarop zij reden als dat van Roland, en zij herinnerde zich, dat wanneer men zijn buikriem losmaakte, zijn borstharnas opende en de sporen in zijne zijden drukte, men hem zonder eenig gevaar voor de berijders over elke hindernis kon laten heenspringen. Haastig deelde zij haar echtgenoot dit mede, en toen hij op haar aanwijzing gehandeld had, stuurde hij het ros naar de stadsmuur, waar het met het grootste gemak over heensprong. Toen de Mooren dit zagen, gaven zij natuurlijk de verdere vervolging op. Kort daarna keerden Gayferos en zijn vrouw te Parijs terug, en hun verder leven was even gelukkig als hun verleden droevig was geweest.
Graaf Alarcos.
Somber, tragisch en vol afwisseling is de geschiedenis van Graaf Alarcos, een romance van een onbekend schrijver. Zij werd in het Engelsch vertaald door Lockhart en door Bowring, en beide vertalingen hebben veel overeenkomst met elkaar, daar de bewerkers grooten eerbied toonden voor den geest van het origineel. De romance begint met den eenvoud, die de ware tragedie kenmerkt. De Infante Soliza, een dochter van den Koning van Spanje, was in het geheim gehuwd met Graaf Alarcos, maar hij had haar verlaten terwille van een andere vrouw, bij wie hij verscheidene kinderen had. In haar wanhoop en schaamte over haar verleiding, trok de ongelukkige prinses zich van de wereld terug, en bracht hare mooiste levensjaren in groote droefheid door. Haar koninklijke vader, die niets van dit geheime huwelijk wist, vroeg haar naar de oorzaak van haar leed, en zij antwoordde hem, dat zij treurde omdat zij niet gehuwd was zooals andere vrouwen van haar rang.

Graaf Alarcos ontmoet zijn vrouw en kinderen aan de poort van het kasteel.
»Dochter«, antwoordde de Koning, »dat is mijn schuld niet. Heeft de edele Prins van Hongarije U niet ten huwelijk gevraagd? Ik ken in Spanje geen edelman, die zoo hoog in rang is, dat hij u zou kunnen huwen, behalve Graaf Alarcos, en deze is reeds getrouwd.«
»Helaas«, zeide de Infante, »het is juist Graaf Alarcos die mijn hart gebroken heeft, want hij had gezworen, mij te huwen en hij beloofde mij zijn trouw, lang voordat hij met een ander in het huwelijk trad.«
Geruimen tijd zat de Koning in gedachten verzonken; eindelijk sprak hij: »Groot is uw schuld, mijn dochter, want nu is het koninklijk geslacht van Spanje in de oogen van iedereen geschandvlekt.«
Toen werd de ziel der Infante bevangen door moorddadige jalousie, en zij riep uit: »Maar de Gravin kan sterven! Moet er schande over mij komen, opdat zij gelukkig kan leven? Strooi het bericht uit, dat ziekte een eind aan haar leven gemaakt heeft, dan kan Graaf Alarcos nog met mij trouwen.«
Wanhopig over de schande zijner dochter, noodigde de Koning Alarcos op een feestmaal uit, en toen zij alleen waren, begon hij over zijn misdaad tegenover de Infante.
»Is het waar, Don Alarcos«, vroeg hij, »dat gij mijn dochter trouw beloofd hebt, en dat gij haar hebt bedrogen? Luister dan goed naar mij: Uw vrouw neemt de plaats in, die mijn dochter toekomt: zij moet dus sterven. Neen, ga niet weg! Verspreid het bericht, dat zij aan een ernstige ziekte gestorven is, en dan moet gij de Infante huwen. Gij hebt schande gebracht over uw Koning, en hij eischt van u het eerherstel, dat gij bij machte zijt te geven.«
»Ik kan niet ontkennen, dat ik de Infante bedrogen heb«, antwoordde Alarcos. »Maar ik smeek u, heb medelijden, en spaar mijn onschuldige vrouw. Straf mij zoo zwaar als gij wilt voor mijn misdaad, maar tref mijn vrouw niet.«
»Het is onmogelijk«, antwoordde de strenge oude Koning. »Ik zeg u, dat zij sterven moet, en dat nog dezen nacht. Wanneer het wapenschild van een Koning bevlekt is, doet het er niet toe, of het bloed, dat deze vlek moet uitwisschen, schuldig of onschuldig is. Ga heen, en volg mijn bevel op, of gij zult uw misdaad met uw leven betalen.«
Beangst door de gedachte aan een verradersdood, want zulk een einde was het vreeselijkste, wat een Castiliaansch edelman zich kon denken, stemde Alarcos erin toe, het bevel des Konings uit te voeren, en hij reed naar huis, wanhopig, en gekweld door het vreeselijkste berouw. De gedachte, dat hij de vrouw zou moeten dooden, die hij zoo innig lief had, de moeder zijner drie mooie kinderen, maakte hem waanzinnig van smart; en toen hij haar bij de poort van zijn kasteel ontmoette, vergezeld van hare kinderen, en zoo onverholen toonende, hoe verheugd zij was over zijn terugkeer, trok hij zich uit haar liefkoozing terug, en hij kon slechts stamelen, dat hij slecht nieuws had, dat hij haar in haar kamer zou mededeelen.
Zij nam haar jongste kind bij de hand, en bracht hem naar hare vertrekken, waar het avondmaal was neergezet. Maar Graaf Alarcos kon eten noch drinken, en hij legde het hoofd op de tafel en schreide, alsof zijn hart zou breken. Toen herinnerde hij zich zijn vreeselijk voornemen, hij grendelde de deuren, en plaatste zich met overelkaar geslagen armen voor zijn vrouw, om zijn zonde te bekennen.
»Lang geleden heb ik een jonkvrouw liefgehad,« zeide hij. »Ik beloofde haar trouw, en sloot een geheim huwelijk met haar. Zij is de dochter des Konings. Zij eischt mij voor zich op, en wil, dat ik mijn belofte aan haar nakom. De Koning, wee mij, dat ik het zeggen moet! heeft bevolen, dat gij sterven moet, en dat nog dezen avond.« »Wat,« riep de gravin verschrikt, »is dit de belooning voor mijn trouwe liefde voor u, Alarcos? Waarom moet ik sterven? O, zend mij terug naar mijn ouderlijk huis, waar ik in vrede en vergetelheid leven kan, en mijn kinderen kan opvoeden, zooals ik dat tegenover uwe kinderen verplicht ben.«
»Het is onmogelijk,« antwoordde de rampzalige Graaf; »ik heb mijn woord gegeven.«
»Ik heb geen vrienden in dit land,« riep de ongelukkige vrouw uit, »maar laat mij tenminste mijne kinderen kussen, voordat ik sterf.«
»Gij moogt het kleintje, dat aan uw borst rust, omhelzen,« kermde Alarcos; »de andere kinderen moogt gij niet meer zien. Maak u gereed om te sterven.«
De veroordeelde Gravin kuste haar kindje, prevelde een Ave, stond op en smeekte haar hardvochtigen echtgenoot, goed voor de kinderen te zijn. Zij schonk hem vergiffenis, maar legde op den Koning en zijn dochter de vreeselijke vloek, die in de middeleeuwen onder het volk bekend was als Het Gericht der Stervenden, waarvan zoo menigmaal werd gebruik gemaakt door hen, die onschuldig ter dood veroordeeld waren. Door middel van deze vervloeking riep het slachtoffer zijn moordenaars op, om binnen dertig dagen met hem voor Gods troon te verschijnen, om zich voor het aangezicht van hun Schepper te verantwoorden over hun misdaad.
De Graaf worgde zijn vrouw met een zijden zakdoek en toen de afschuwelijke daad volbracht was, en zij verstijfd terneder lag, riep hij zijne vasallen te zamen, en gaf hij zich over aan zijn groote droefheid.
Binnen twaalf dagen stierf de wraakgierige Infante onder vreeselijke pijnen; acht dagen later gaf de hardvochtige Koning den geest, en voordat de maand voorbij was, overleed ook Graaf Alarcos. Wreed en tragisch als een Grieksch treurspel is de geschiedenis van Alarcos. Maar bij het lezen ervan, en onder den indruk van de diepe ontroering, die zich daarbij van ons meester maakt, kunnen wij er moeilijk een legende in zien, en wij weten niet, voor wie wij den grootsten afschuw gevoelen: voor de wraakgierige Prinses, den wreeden Koning of den laffen echtgenoot, die zijn liefhebbende en trouwe gade opofferde aan het merkwaardige begrip van »eer«, dat onder de edellieden van dien tijd heerschte, en waarvoor bijna evenveel menschen in den dood zijn gegaan, als voor iederen anderen vorm van bijgeloof of fanatisme.