Hoofdstuk IX: De Romanceros of Balladen.
S. Vos-Goudsmit translation
De Ilias zonder een Homerus.
Lope de Vega.
De naam romancero wordt in het moderne Spaansch eigenlijk uitsluitend toegepast op een bepaalden versvorm, een verhalend gedicht, dat geschreven is in zestienlettergrepige regels, die alle in eenzelfden assonant eindigen. Oorspronkelijk werd het woord gebruikt voor die dialecten of talen, die aan het Romaansch of Latijn verwant waren, de spreektaal dus van het oude Rome in hare moderne vormen. Later duidde men er slechts de geschreven vormen dezer talen mede aan, en ten slotte alleen maar den poëtischen lyrisch-verhalenden vorm, zooals wij reeds eerder opmerkten. De romancero verschilt dus van de romance hierin, dat zij in verzen geschreven is; en het blijkt uit hetgeen hierboven gezegd is, dat de naam »romance« ontstaan is in het overgangstijdperk, toen het woord werd gebruikt voor hetgeen geschreven werd in modern Latijnsch-Castiliaansch, Portugeesch, Fransch en Provençaalsch, onafhankelijk van de omstandigheid, of het proza of poëzie was. Wij hebben gezien, dat feitelijk alle echte romances—zooals Amadis, Palmerin en Partenopex—in proza geschreven waren, maar de romancero was vóór alles een verhaal in verzen. Zoo behooren de drie verhalen, die wij in het vorige hoofdstuk behandelden, tot de groep der romanceros—een versvorm, die, zooals wij zullen zien, even geliefd was bij de lagere volksklassen van het Schiereiland als de echte romance dat was bij den hidalgo en den caballero. De romancero was dus de volksballade van Spanje.
In een vorig hoofdstuk heb ik getracht de verschillende typen van de Spaansche ballade of romancero als volgt te schetsen:
1. Die, welke in vroeger tijd uit het volk zijn voortgekomen.
2. Die, welke gebaseerd zijn op gedeelten van de kronieken of cantares de gesta.
3. Volksballaden van betrekkelijk laten datum.
4. De latere balladen, die het uitvloeisel waren van een bewuste kunst.
Wij kunnen de Spaansche balladen verdeelen in twee groote groepen:
1. Die, welke uit het volk zijn voortgekomen.
2. Letterkundige producten.
Wat de eerste soort der romanceros betreft, ik heb er evenmin als Sancho Panza een oordeel over, hoe oud zij zijn. Over deze vraag zijn de tegenstrijdigste beweringen geuit, maar zooals ik reeds gezegd heb, het zou al heel verwonderlijk zijn, wanneer geen overblijfselen van het oude Castiliaansche volkslied in een veranderden vorm tot ons gekomen waren. Ik meen, dat het volkslied een even groote kans heeft, bewaard te blijven, als een oude gewoonte of een legende, en wij weten hoe deze in bepaalde streken onveranderd bewaard zijn gebleven. Ik zie dus niet in, waarom niet een zeker aantal oorspronkelijke Spaansche balladen tot ons gekomen zouden zijn in een veranderden vorm, zoodat degeen, die ze dichtte ze niet herkennen zou als zijn schepping; want ook de dichter van Tom de Rijmer, de oude Schotsche ballade, zou zijn werk niet meer herkennen, wanneer hij het in den lateren vorm weer onder de oogen zou hebben gekregen.
Welke geleerde argumenten, hetzij oudheidkundige, of taalkundige, men hiertegen ook zou aanvoeren, niemand zal mij deze overtuiging kunnen ontnemen. Voor sommige menschen is de oudheid een warm en levend iets, een wereld, waarvan zij de paden en gewoonten beter kennen dan van de wereld, waarin zij nu leven. Voor anderen is de oudheid—een museum. Ik heb niets tegen de beheerders van dat museum, en ik lees met genoegen hunne boeken, die een land beschrijven, dat door weinigen van hen bezocht is. Maar wanneer zij er op staan, een bewijs te weerleggen, dat geleverd is door een instinct, dat zij missen, dan worden zij vervelend. De oudheidkunde heeft, evenals de kunst, hare ingevingen, haar hoogere visie, en het is betreurenswaardig, dat zij, die deze intuitie missen, de juistheid hunner opvatting willen bewijzen door doode logica.
Daarom zal ik niets meer zeggen over den ouderdom der balladen van het Oude Spanje, maar wil ik slechts met Sancho Panza opmerken, »dat zij te oud zijn om te liegen.« Ik heb duidelijk aangetoond, dat voor een aantal balladen de stof werd geput uit de kronieken en cantares, een omstandigheid, die op zichzelf al pleit voor hun betrekkelijk hoogen ouderdom. Wij zullen ons hier niet bezighouden met de latere kunstmatige imitaties van Góngora en Lope de Vega en met andere producten van eenzelfde soort. Wij kunnen ten slotte slechts de Spaansche balladen nemen, zooals wij ze in de cancioneros vinden. Evenals de balladen van Schotland en Denemarken zijn de Spaansche balladen eeuwen geleden verzameld en uitgegeven, en in de bladzijden der cancioneros is oud en nieuw, volkslied en letterkundig product, zonder eenig oordeel des onderscheids bijeen gevoegd. Laat ons dus de geschiedenis dezer cancioneros eens nader beschouwen, deze schatkamer der dichtkunst van een volk, en laat ons hun ontwikkelingsgang volgen, om te komen tot de Spaansche ballade in het algemeen. Wanneer wij dit hebben gedaan, kunnen wij hun oorsprong behandelen met kritisch oordeel en met juist begrip.
De »Cancionero General«.
Met uitzondering van de fragmentarische verzameling van Juan Fernandez de Constantina, werd de Cancionero General of het »Algemeen Liederenboek«, zooals men het zou kunnen noemen, verzameld en uitgegeven in het begin der zestiende eeuw door een zekeren Fernando del Castillo. De balladen, die er in voorkomen zijn, noch naar tijdsorde, noch naar inhoud, stelselmatig gerangschikt, ofschoon de voortbrengselen der verschillende schrijvers gescheiden zijn gehouden. Er volgden verscheiden nieuwe uitgaven van dit werk, en telkens wanneer de verzameling werd uitgebreid, werd het nieuwe gedeelte achter het oude gevoegd. De verzameling bestaat voor het grootste gedeelte uit de balladen van schrijvers uit de vijftiende en het begin der zestiende eeuw, zooals Tallante, Nicolas Núñez, Juan de Mena, Porticarrero en den nog ouderen Markies de Santillana.
Het eerste gedeelte van het werk wordt ingenomen door geestelijke liederen (obras de devoción). Deze zijn eentonig en zeer fanatiek. De daarop volgende »zedelijke liederen« zijn al evenmin aantrekkelijk; zij geven zinnebeeldige voorstellingen van deugden en ondeugden volgens de opvattingen van een schoolsche filosofie. De liefdesgedichten uit de verzameling zijn meer eenvoudig dan poëtisch; er ontbreekt diep gevoel aan en er is iets kouds en kunstmatigs in het eeuwig herhalen van uitdrukkingen van vurige hartstocht en uitbundig leed over ongestild liefdesverlangen, vermengd met een pseudo filosofisch beroep op het verstand. Toch ontbreken ook de vroolijke, sierlijke liefdesliedjes niet in dezen bundel, zooals bv. »Muy más clara que de luna« van Juan de Meux, of »Pensamienti, pues mostrays«, van Diego Lopez de Haro. Maar ook deze ontaarden in een wijsgeerige verhandeling, en het teedere gevoel, waaruit zij geboren zijn, en waarvan hun aanvang getuigde, loopt uit in vervelende en onbeteekenende redeneeringen.
Boeiender zijn de canciones of lyrische gedichten, die al iets moderner zijn, en reeds een eigen karakter en metrischen vorm vertoonen. Zij bestaan gewoonlijk uit twaalf regels, en zijn in twee gedeelten gescheiden. De eerste vier regels bevatten de gedachte waarop het gedicht is gebaseerd, en die in de acht volgende regels wordt uitgewerkt of toegelicht. De Cancionero General bevat honderdzesenvijftig van deze gedichtjes, en sommige daarvan behooren tot het beste uit den geheelen bundel. Waarschijnlijk is hun beknoptheid wel de voornaamste oorzaak van hun poëtische waarde. Een daaraan verwante vorm is de villancico, een versje van gewoonlijk drie of vier regels, een invallende gedachte, een gedichtje, waarin een vluchtige ontroering is vastgelegd.
De »Romancero General«.
Van alle moderne critici is James Fitzmaurice Kelly zeker wel degeen, die het best op de hoogte is, waar het de romancero betreft. In zijn knap werk over Spaansche letterkunde voert hij ons door de belangrijkste provincies van het rijk der Spaansche dichtkunst, en wijdt hij aan de romancero ongeveer veertig bladzijden, die, zoowel om het kritisch oordeel als om de conclusies, waartoe hij komt, interessant zijn. Hij put zijn stof uit Lockhart’s Spaansche Balladen, en levert een geestige kritiek op de verzameling van den Schotschen vertaler. Een betere handleiding voor den Engelschsprekenden lezer zou moeilijk gevonden kunnen worden, want het boek van Lockhart is algemeen bekend, en werd in den tijd van Koningin Victoria in de woning van bijna elk ontwikkeld Engelschman aangetroffen. Wij zullen dus het voorbeeld van Kelly volgen, en uit de vertalingen van Lockhart de balladen, die ons het belangrijkst voorkomen, wat het onderwerp en de bewerking betreft, aan een nadere beschouwing onderwerpen. In navolging van Depping verdeelt Lockhart zijn hoofdstuk over de balladen in drie paragraphen: een Historisch, een Moorsch en een Romantisch gedeelte. Met de eerste twee groepen, of juister gezegd, met de onderwerpen daarvan, nl. Koning Roderick en Bernaldo de Carpio, hebben wij in een vorig hoofdstuk reeds kennis gemaakt.
De Cijns der Maagden.
Deze ballade heeft tot onderwerp den eisch van den Moorschen Vorst Abderahman, dat hem jaarlijks honderd Christenmaagden zouden worden gebracht. Koning Ramiro weigerde aan dezen schandelijken eisch te voldoen en trok ten strijde tegen den Moor. Twee dagen lang werd er gevochten bij Alveida en aan het einde van den eersten dag had het er allen schijn van, dat de Saracenen tengevolge van de strenge discipline die in hun leger heerschte, de overwinning zouden behalen over de Castilianen. Maar in den nacht verscheen de schutspatroon van Spanje, St. Jago, den Koning in den droom, en hij beloofde hem voor den volgenden dag zijn bijstand op het slagveld. Des morgens werd de strijd hervat, en de Heilige voerde, zooals hij beloofd had, het Spaansche leger aan, zoodat de Saracenen verslagen werden. Daarna werd de cijns der maagden nooit meer betaald.
De vertaling van Lockhart blijft ver beneden het oorspronkelijke gedicht, en Kelly wijdt er dan ook slechts weinig woorden aan.
Graaf Fernán González.
»De ontvluchting van Graaf Fernán González«, waarvoor de stof is geput uit de oude Estoria del noble caballero Fernán González, een populaire bewerking van de Cronica General (1344), is van lateren datum dan twee andere balladen, die volgens Kelly en anderen verloren zijn gegaan. Aan den naam van dezen ridder is een schat van legenden verbonden, en een reeks van romanceros werden door hem geïnspireerd. Maar moeten wij daarom aannemen, dat in elk geval, waarin een beroemde persoonlijkheid het onderwerp van balladen is, deze onveranderlijk zijn voortgekomen uit één groot heldendicht, dat zich heeft opgelost in kleinere volksliederen? Is er één zeker bewijs voor de veronderstelling, dat zulk een proces ooit heeft plaats gehad? En geeft het ontbreken van zulk een bewijs eenige zekerheid, dat het tegendeel het geval was? Praktische dichters (Voor zoover een dichter ooit praktisch zijn kan) staan eenigszins afwerend tegenover deze stelling: zij erkennen een principieel verschil tusschen den geest van het heldendicht en dien van het volkslied, en zij zijn van oordeel, dat in het geval, waarin beide hetzelfde onderwerp bezingen, de keus een toevallige was, en niet het noodzakelijk gevolg van een natuurlijk ontwikkelingsproces.
Fernán González had zijn romantische reputatie voornamelijk te danken aan zijn vrouw, die hem bij tenminste twee gelegenheden uit de gevangenis verloste. In de ballade, die deze gebeurtenissen beschrijft, wordt zij voorgesteld als een trouwe, liefhebbende gade, en een ware heldin. González was door zijne vijanden gevangen genomen en naar een vesting in Navarra gebracht. Een Moorsch ridder, die door dat land reisde, verzocht den gouverneur van het kasteel om een onderhoud met den gevangene, en daar hij hem een groote som aanbood, liet de hooge beambte zich gemakkelijk omkoopen. Toen het onderhoud geëindigd was, vertrok de ridder weer, en hij begaf zich naar het paleis van Koning Garcia van Navarra, die González had laten gevangen zetten. Een van de beschuldigingen tegen den gevangene schijnt te zijn geweest, dat hij Garcia om de hand zijner dochter had gevraagd, en het was tot deze prinses, die den gevangene heimelijk liefhad, dat de ridder de volgende woorden sprak:
De Mooren mogen juichen, maar groot is Spanje’s leed:
Zijn ridder is gevangen, die voor Castilië streed.
De Mooren overstroomen als een rivier het land,
Vervloekt de Christenkoning, die bindt González hand.
In het holst van den nacht stond de Infante op en zij begaf zich geheel alleen naar het kasteel, waar González gevangen zat; daar bood zij den gouverneur zulk een groote som aan, dat hij voor de verzoeking bezweek en het zijn gevangene mogelijk maakte te vluchten. Maar de handen van den held waren nog steeds geboeid, en toen het paar werd aangehouden door een jager-priester, die dreigde hun verblijfplaats aan de houtvesters van den Koning te verraden, indien de Infante zich niet aan hem gaf, was González niet in staat, hem te straffen zooals hij dat verdiende. Maar toen de ellendeling de prinses omhelsde, greep zij hem bij de keel, en González raapte de speer op, die hij had laten vallen, en doodde hem daarmede. Eenigen tijd daarna ontmoetten zij een afdeeling van zijne eigen manschappen, en hiermede eindigt de nacht, die zoo rijk was aan gebeurtenissen.
De Infantes van Lara.
Er zijn weinig Spaansche romanceros, die een treffender en tragischer onderwerp behandelen dan den moord van de ongelukkige Infantes of Prinsen van Lara, door hun verraderlijken oom, Ruy of Roderigo Velásquez. Fitzmaurice Kelly veronderstelt, dat één dezer romanceros is ontstaan uit een verloren heldengedicht, dat tusschen 1268 en 1344 werd geschreven, »of misschien wel uit een verloren imitatie van dit verloren heldengedicht.« Het lijkt mij vreemd toe, dat al deze gedichten verloren zouden zijn gegaan. Verder beweert hij, dat Lockhart van »krachtiger« balladen gebruik had moeten maken om een juisten indruk te geven van deze legende, maar ik vind, dat hij met deze bewering onrecht doet aan de mooie en levendige vertaling van »De Wraak van Mudara.«
O, vergeefs heb ’k gedood de Infantes van Lara,
Want een erfgenaam leeft nog, de bastaard Mudara,
’t Is het jong van de afvallige, ’t heidensche broed:
O, moge mijn speer eens vergieten zijn bloed!
Wanneer ik deze regels lees, komt de herinnering tot mij, aan een groote, rustige kamer, waarvan de kleine vensters uitzien op een wildernis van tuinheesters, die gebaad zijn in die onwezenlijke gele kleur, die slechts de avondschemering geven kan. Op de tafel van wormstekig rozenhout ligt een deel van de Spaansche Balladen, in een beschadigden leeren prachtband uit de dagen, waarin zulke boeken nog ten geschenke werden gegeven, en slechts voor pronk dienden. Als kind van tien jaar was ik deze kamer binnen geslopen, dit hemelsch verblijf van rozenbladeren en snuisterijen; en toen ik zonder een bepaald doel het boek opende, viel mijn oog op bovenstaande dichtregels. Voor het eerst in mijn leven werd ik getroffen door de schoonheid van het rhytme, van muziek in woorden. De verzen hechtten zich vast in mijn brein. En terwijl ik het boek doorbladerde totdat de duisternis viel, scheen het mij toe, dat er niets mooiers denkbaar was, dat er geen verzen konden bestaan, waarin zulk een heerlijke gang zat. Maar ik had eenmaal uit dezen beker gedronken, en mijne dagen en nachten werden een hunkeren naar woorden, die tegelijk muziek zouden zijn. Het duurde geruimen tijd voordat ik iets ontmoette, dat het heerlijke rhytme van »De Wraak van Mudara« overtrof of zelfs evenaarde. De jaren hebben mij in aanraking gebracht met veel schoons, waarnaast mijn eerste ontdekking verbleekte, boeken van een fijneren geest, die mij een diepe ontroering gaven; maar geen enkel dichtwerk was mij ooit zulk een openbaring als deze bladzijde van dit onvergetelijke boek in die onvergetelijke kamer.
De eerste der balladen, waarin Lockhart het onderwerp van de Infantes van Lara behandelt, (want het gedicht, waarvan zooeven sprake was, volgt op deze ballade) is getiteld: »De zeven Hoofden«, en beschrijft den moord van de ongelukkige prinsen. Uit de Historia de España van Juan de Marinia (1537–1624) leeren wij, dat in het jaar 986 Ruy Velásquez, Heer van Villaren, te Burgos in het huwelijk trad met Donna Lombra, een jonkvrouw van hooge geboorte. Deze gebeurtenis werd met schitterende feesten gevierd, en onder de gasten bevonden zich Gustio González, Heer van Salas en van Lara, en zijne zeven zonen. Deze jongelingen uit het geslacht der Graven van Castilië, waren bekend om hun grooten moed en ridderlijkheid, en allen waren zij op denzelfden dag tot ridder geslagen.
Nu wilde het ongeluk, dat er een twist ontstond tusschen González, den jongsten der zeven broeders, en een zekeren Alvarez Sanchez, een familielid der bruid. Donna Lombra achtte zich beleedigd, en toen de jonge ridders haar te paard naar het kasteel van haar gemaal geleidden, gaf zij, om zich te wreken, één harer slaven het bevel, González een wilde komkommer, gedoopt in bloed, naar het hoofd te werpen, een zware beleediging en een hevige smaad, volgens de toenmaals in Spanje heerschende gewoonten en opvattingen. De verborgen beteekenis van deze beleediging doet hier niets ter zake. Maar wat ook de bedoeling ervan moge geweest zijn, de jonkvrouw, wier oogen gesloten waren voor de ruwheid van de eeuw, waarvan zij een sieraad was, vernederde zichzelf door deze daad van groote onbeschaafdheid meer, dan dat zij het haar vijand deed. Nadat de slaaf haar bevel had opgevolgd, zocht hij bescherming tegen de woede der jonge ridders aan de zijde zijner meesteres. Maar het hielp hem niets, want de beleedigde Infantes doodden hem »in de plooien van het feestgewaad der bruid.«
Ruy Velásquez, die in vreeselijke woede ontstak over hetgeen hij als een beleediging zijn bruid en dus ook hemzelf aangedaan, beschouwde, besloot tot een vreeselijke wraakneming. Maar hij verborg zijn plan op listige wijze voor de jonge edellieden en gedroeg zich tegenover hen, alsof er niets ernstigs gebeurd was. Eenigen tijd daarna belastte hij Gustio González, den vader van de zeven jonge ridders, met een zending naar Cordova. Het doel dezer reis was schijnbaar geld voor hem in ontvangst te nemen van den schatplichtigen Moorschen Koning dezer stad; maar Velásquez gaf Gustio een brief mede, die in het Arabisch geschreven was, een taal, die hij niet lezen kon, en waarin den Saraceenschen bevelhebber verzocht werd, den boodschapper te dooden. Maar de Moor was blijkbaar menschlievender dan de Christen, en inplaats van te voldoen aan het verzoek, zette hij den niets kwaads vermoedenden afgezant in de gevangenis.
Om zijn verdere plannen ten uitvoer te brengen, deed Velásquez een schijninval in het Moorsche rijk, waarbij hij zich liet vergezellen door de Infantes van Lara en tweehonderd hunner volgelingen. Met waarlijk duivelsche slimheid slaagde hij erin, hen in een hinderlaag te lokken. Aan alle kanten omringd door Saraceensche troepen, besloten zij hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen. Zij stonden rug aan rug, en richtten een gruwelijk bloedblad onder de Mooren aan; en één voor één vielen zij, verslagen maar niet overwonnen. Hunne hoofden werden door den Moorschen Koning aan Velásquez gezonden als een pand van vriendschap, en zij werden in het openbaar vertoond voor de oogen van hem en den rampzaligen vader, die was vrijgelaten, opdat Velásquez zich zou kunnen verheugen in den aanblik van zijn smart. Toen hij op deze wijze voldaan had aan zijn wraaklust, gaf hij den wanhopigen vader toestemming naar zijn eenzame haard terug te keeren.
Maar Ruy Velásquez zou zijn gerechte straf niet ontgaan. Terwijl Gustio González zich in Moorsche gevangenschap bevond, had hij liefdesbetrekkingen aangeknoopt met de zuster van den Koning van Cordova, en uit deze verbintenis was een zoon, Mudara, geboren. Toen de knaap den leeftijd van veertien jaren bereikt had, ging hij, op aandringen van zijn moeder, op zoek naar zijn vader; en toen hij hem, die nu reeds een man op hoogen leeftijd was, gevonden had, hoorde hij, door welk een verraderlijken daad zijne zeven broeders om het leven waren gekomen. Vastbesloten tot wraak, wachtte hij rustig zijn tijd af, en toen hij ter gelegenheid van een jachtpartij Ruy Velásquez ontmoette, doodde hij hem met eigen hand. Daarna verzamelde hij een troep dappere mannen om zich heen, en omsingelde met hen het kasteel Villaren; hij nam een vreeselijke wraak op Donna Lombra, die hij liet steenigen en op den brandstapel ter dood brengen. Na verloop van tijd werd hij door de echtgenoote zijns vaders, Donna Sancha, als haar zoon aangenomen, en zij erkende hem als erfgenaam van zijn vaders bezittingen.
Wij hebben reeds gewezen op de boeiende manier, waarop de »Wraak van Mudara« werd beschreven. De ballade uit Lockhart’s verzameling, waarin de rampzalige vader de zeven hoofden zijner vermoorde zonen aanschouwt, staat lang niet op dezelfde hoogte, wat betreft de kracht van uitdrukking.
»Mijn lieve, dappre jongens,« sprak Lara diep bedroefd.
»Hoe vreeslijk wordt uw vader op dezen dag beproefd;
De zeven liefste knapen, die Spanje ooit bracht voort
Zijn door die laffe handen verraderlijk vermoord.«
— — — — — — — — — — —
Zacht streelde hij de hoofden, ze kussend keer op keer,
En op de blonde lokken vielen zijn tranen neer;
Hij sloot hun doode oogen met sidderende hand,
Kuste de bleeke lippen, door droefheid overmand.
»Waart gij naast mij gevallen in glorierijken strijd,
Uw vader had geen tranen van zwakheid dan geschreid.
O, waart gij toch gestorven den schoonen heldendood,
De speer omhoog geheven, van Moorenbloed nog rood!«
Het Huwelijk van Jonkvrouw Theresa.
»Het Huwelijk van Jonkvrouw Theresa« is een half-historische ballade, waarin de gedwongen verbintenis behandeld wordt van een Christelijke jonkvrouw met een Moorsch vorst. Alfonso, Koning van Leon, wenschte zijn bondgenootschap met de heidenen duurzaam te maken, en hij besloot daarom zijn zuster, Donna Theresa, op te offeren aan zijne politieke doeleinden. Hij baande den weg tot dit verraad door haar de verzekering te geven, dat Abdalla, de Koning der Mooren, tot den Christelijken godsdienst was overgegaan, en door haar te wijzen op de groote voordeelen, die voor haar verbonden waren aan een huwelijk met den Saraceenschen vorst. Misleid door deze valsche voorstelling van de situatie, stemde de jonkvrouw in dit huwelijk toe, en zij vertrok naar Toledo, waar deze echt met groote praal voltrokken werd. Maar op den trouwdag kwam Theresa tot de ontdekking, dat haar broeder haar schandelijk bedrogen had, en toen zij met den Moorschen vorst alleen was, wees zij hem af, en verklaarde, dat zij weigerde anders dan in naam zijn vrouw te zijn, zoolang hij en zijne onderhoorigen niet tot het Christendom zouden zijn overgegaan. Maar Abdalla lachte haar uit en maakte misbruik van haar hulpeloozen toestand. Zooals zij voorspeld had, werd hij voor deze schanddaad gestraft met een vreeselijke ziekte. Doodelijk verschrikt zond hij Theresa, overladen met geschenken, naar haar broeder terug, en zij trok zich terug in het klooster St. Pelagius in Leon, waar zij hare verdere levensdagen in gebed en vrome werken doorbracht.
Verslagen hoorde zij ’t bericht van de overeenkomst aan,
Het wreede vonnis, dat haar dwong tot ’t vreemde volk te gaan,
En hoe zij, hooggeboren maagd, haar Christengodsdienst trouw,
Moest trekken naar het heidensch land als Moorsche Koningsvrouw.
Maar ach, geen smeeken baatte hier, noch bittre tranenvloed,
Toen ging zij, zielsbedroefd en bleek, haar meester tegemoet.
Deze ballade dateert uit de zestiende eeuw en schijnt op de historie te berusten. Maar Kelly wijst er op, dat de schrijver aan den éénen kant Almanzor verwart met Abdalla, den gouverneur van Toledo, en aan den anderen kant Alfonso V van Leon met zijn vader, Bermudo II, waardoor hij eenige chronologische moeilijkheden schept.
Wij zullen de balladen van den Cid overslaan, daar wij aan dezen held reeds genoeg aandacht geschonken hebben en dus komen wij nu aan
Garcia Pérez de Vargas.
Van deze ballade maakt Kelly zich met enkele woorden af, ofschoon het mij toeschijnt, dat zij onze aandacht wel waard is. De Vargas onderscheidde zich door groote dapperheid bij het beleg van Sevilla in 1248. Toen hij op zekeren dag langs de oevers van de rivier reed, door slechts één metgezel begeleid, werd hij aangevallen door zeven Moorsche ruiters. Zijn metgezel vluchtte, doch Pérez sloot zijn visier en wachtte de Saraceensche krijgslieden af. Toen deze bemerkten wien zij tegenover zich hadden, maakten zij haastig rechtsomkeert. Terwijl hij terug reed naar zijn kamp, ontdekte Pérez, dat hij zijn ceintuur, het onderpand zijner geliefde, verloren had, en hij keerde oogenblikkelijk om, om haar te zoeken. Maar ofschoon hij zich ver in de gevaarlijke zone waagde voordat hij zijn eigendom gevonden had, ontweken de Mooren hem voortdurend, en hij bereikte veilig het Spaansche kamp. In de ballade ontrukt Pérez de ceintuur aan de Mooren, die haar gevonden en »op een speer gestoken« hadden.
»Halt, roovers! halt, gij dieventuig! geeft mij mijn gordel weer!«
Riep hij, en woedend velde hij de Moorenbende neer.
— — — — — — — — — — —
Toen hij in ’t Spaansche kamp verscheen als overwinnend vorst,
Bedekte de herwonnen schat zijn trotsche heldenborst.
Bloot was zijn hoofd, rood was zijn zwaard, en als een krijgstrophee
Bracht hij het afgeslagen hoofd van zeven Mooren mee.
Pedro de Wreede.
Wij zijn nu gekomen bij de balladen, die de boeiende maar bloedige geschiedenis van Pedro den Wreede verhalen. Men heeft menigmaal getracht te bewijzen, dat Pedro volstrekt niet zulk een onmensch was, als de balladeschrijvers hem ons hebben voorgesteld; maar het is waarschijnlijk, dat de zangers het in dezen bij het rechte eind hebben, en niet de moderne geschiedschrijvers, die alles gedaan hebben om den verafschuwden naam van Pedro te zuiveren. Zijn eerste daad van wreedheid was die, welke in »De Meester van St. Jago« beschreven is, en die betrekking heeft op zijn natuurlijken broeder. Bij den dood van dien edelman vluchtte zijn vader, die het wraakzuchtige karakter van Pedro kende, naar de stad Coimbra in Portugal. Maar daar hij vertrouwde op de plechtige verzekering van Pedro, dat hij hem geen geweld zou aandoen, nam hij diens uitnoodiging aan, om naar het Hof van Sevilla te komen, waar grootsche tournooien zouden worden gehouden. Zoodra hij echter was aangekomen, werd hij heimelijk ter dood gebracht, naar men gelooft, op aandringen van Pedro’s minnares, Maria de Padilla.
De ballade verhaalt, hoe Pedro later de valsche Maria de Padilla gevangen liet zetten, maar er is geen enkel zeker bewijs, dat zij de aanstichtster was van de misdaad, of dat zij ervoor gestraft werd. Fitzmaurice Kelly is van oordeel, dat de romance ontegenzeggelijk dramatische kwaliteiten bezit; indien hij gesproken had van melodramatische kwaliteiten, zouden wij ons beter met zijn oordeel kunnen vereenigen.
»Het staat vast, dat Pedro schuldig was aan den gewelddadigen dood van de jonge en onschuldige Prinses Blanche de Bourbon, die hij gehuwd en dadelijk na het huwelijk verlaten had,« zegt Lockhart. Maar of hij wèl of niet zijn koningin vermoordde, zijn bijzit, Maria de Padilla, was in geen geval medeplichtig aan deze misdaad, waarvan de ballade haar beschuldigt; en het is duidelijk, dat de verzen, die op haar betrekking hebben, geschreven zijn met oneerlijke politieke bedoelingen. Mariana, die betrouwbaar geacht mag worden, verhaalt, dat Pedro’s gedrag tegenover zijn koningin de verontwaardiging opwekte van velen zijner edelen, die een geschreven protest bij hem indienden. Pedro met zijn heftig en bloeddorstig karakter, ontstak in woede over hetgeen hij beschouwde als een ongepaste inmenging in zijne persoonlijke aangelegenheden, en hij gaf oogenblikkelijk bevel, zijne ongelukkige echtgenoote in de gevangenis door vergif om het leven te brengen. De ballade beschrijft echter, hoe Pedro en zijn minnares te zamen den moord op de ongelukkige Koningin beramen.
In »De Dood van Pedro« krijgen wij de bloedige beschrijving van den vreeselijken strijd tusschen de koninklijke broeders. Pedro, die door Henrico van Trastamara, zijn natuurlijken broeder, is gevangen genomen, wordt op laffe wijze door dezen beleedigd, en vliegt hem, in een uitbarsting van dierlijken moed en koninklijke woede, naar de keel. Met stomheid geslagen bij den aanblik van het gevecht op leven en dood tusschen vorst en overweldiger, kijken Henrico’s mannen, onder wie de beroemde Du Guesclin, toe. Pedro houdt den Heer van Trastamara tegen den grond, en hij heft zijn dolk op om toe te stooten. Maar Du Guesclin wendt zich tot den page van Henrico: »Laat gij uw meester zóó sterven, gij, die zijn brood eet!« roept hij schamper uit. De schildknaap werpt zich op Pedro, omklemt zijne armen en trekt hem van Henrico weg, zoodat deze zich kan opheffen, en een opening kan zoeken in het pantser van den Koning. Dan stoot hij zijn dolk diep in het wreede hart. De moordenaar, de vriend van Joden en Saracenen, is gedood. Zijn hoofd wordt afgeslagen, en zijn trotsch lichaam door paardenhoeven vertrapt.
Zóó dreigend staren Pedro’s doode oogen nog zijn broeder aan,
Zóó onheilspellend, of hij tot de wrake op zal staan!
Daar staat de broeder met het Cainsteeken, bloedig rood;
Ach Pedro waar’ zijn Cain, had’ hij hem niet eerst gedood.
zegt de ballade. »Zijn deze wreede oogen werkelijk dood? Zie ik er geen dreiging in? Mijn handen zijn rood van het bloed mijns broeders, maar het is slechts toeval, dat de zijne niet bevlekt zijn met mijn bloed.« Dit gedeelte van het gedicht is treffend om de atmosfeer van doodelijke kilte, die volgt op het oogenblik van den moord—beangstigend, beklemmend. Ook de diepe droefheid der minnares van den Koning is goed geteekend:
Wanhopig blikt zij dan omlaag, haar wangen brandend heet,
Eerst ziet zij naar Henrico’s kroon, en naar zijn vorstlijk kleed;
Dan staart zij op ’t verscheurd gewaad, dat nauwelijks bedekt
Het lijk van Pedro, marmerkoud, vertrapt, met bloed bevlekt.
De Moor Reduan.
Wij slaan »De Heer van Brutayo« en »De Koning van Arragon« over, en komen dan aan de ballade, die tot titel heeft: »De Moor Reduan«, een gedicht, dat betrekking heeft op het beleg van Granada, de laatste vesting der Mooren. Het is de eerste van een groep balladen, die romanceros fronterizos of »grensromances« genoemd worden, en die, zooals wij reeds opmerkten, sterk onder Moorschen invloed staan. Het is zelfs zeer goed mogelijk, dat zij in meerdere of mindere mate een nabootsing waren van de Moorsche dichtkunst, of dat zij zelfs de gegevens eruit putten. In zijn verhandeling over de romancero zegt Kelly: »Men kan er Lockhart natuurlijk geen verwijt van maken, dat hij de ballade getrouw uit het oorspronkelijke vertaalde; van ieder schrijver, die op het oogenblik een nieuwe vertaling ervan zou willen geven, zou hetzelfde verlangd mogen worden. Maar hij zou het zeker noodig oordeelen, in een noot het resultaat neer te leggen van de onderzoekingen, die in den tijd van Lockhart nauwelijks begonnen waren. Het is nu wel zeker, dat Pérez de Hita twee romanceros door elkander werkte, en dat de verzen van het vierde gedeelte van Lockhart’s vertaling:
»Zij trokken met ontplooide vaandels door Elvira’s poort«,
thuis hooren in een ballade, die betrekking heeft op de veldtocht van Boabdil tegen Lucena in 1483. Lockhart wist zeer goed, dat het gedicht niet homogeen was; want hij zegt: »Het volgende is een vertaling van bepaalde gedeelten van twee balladen, maar hij schijnt niet te hebben geweten, dat één dezer gedeelten handelde over de tocht van Boabdil. En juist dit gedeelte behoort tot het allerbeste uit het gedicht.
Tulbanden groen en sierlijk, en kaftans hel getint,
De pluimen en de veeren, ze wapp’ren in den wind;
De kromme zwaarden schitt’ren, ’t is glans, waarheen men ziet.
De dapp’re harten zingen een heerlijk strijderslied.