← Table of contents
In de koffie

TWEEDE DEEL

Reading edition

De tijd die er verloopt, wanneer een onderneming wordt ontgonnen op de wijze als Korman dat gedaan had, tusschen het planten van de laatste bibit en het eerste vruchtdragen van den koffieboom, is vrij eentonig. Elken dag naar de tuinen gaan en altijd hetzelfde werk zien is voor den europeaan, vooral in Indië, vervelend en afmattend. Hij wil vooruitgang, afwisseling, en de natuur roept hem toe: zachtkens aan; zie, ik rijg takje aan takje, blaadje aan blaadje; alles kost mij studie en werk; alles moet zijn begin hebben en zijn langzame ontwikkeling; mij verveelt het niet, ik doe al sinds eeuwen hetzelfde werk!

Is het wonder dat zich, èn daardoor èn door het aangewezen zijn op elkaar in een kleine ruimte, de humeuren minder gunstig ontwikkelen en er standjes ontstaan uit niets?

De huishoudster van Rencke had zich veroorloofd te zeggen dat de kleine Hendrika Korman kromme beentjes had. „Moeder de vrouw” van Biezeman, tegen wien het gezegd was, oordeelde het feit gewichtig genoeg om zich te gaan overtuigen, en, zoo het waar was, Li in te lichten wat zij moest doen om genoemde beentjes recht te laten groeien. Toen zij echter kwam en de gezonde kleine ledematen zag, die Hendrika door het leven moesten dragen, liet zij zich ontvallen wat njai Rencke daarover had verteld.

Li was verontwaardigd, ten diepste getroffen in haar moederlijke ijdelheid. En als het nog waar was! Haar engel kromme beentjes? Njai Rencke werd ontboden en kreeg een standje, zóó dat zij blij was toen ze weg kon komen. Maar ze zou het „moeder de vrouw” betaald zetten, wacht maar!

Om te beginnen klaagde zij haar nood aan haar collega, die het huishouden van Brisson bestuurde, en deze vond ook dat de babbelzucht van Biezeman’s wilde echtgenoote te erg was! Welk oordeel door tusschenkomst van de vrouw van den warong-houder aan de belanghebbende werd overgebracht.

Een hatelijkheid was het antwoord, en tevens het begin van een reeks boodschappen heen en weer, meestal behelzende wat de afzendster wel zou doen met de tegenpartij wanneer die het ongeluk had haar in handen te vallen.

Eindelijk kwam er een briefje van Biezeman, waarin hij „amize” Brisson waarschuwde dat het nu uit moest zijn, of dat hij anders zou komen en den ander, al was hij nog zoo’n lange sladood, een paar blauwe oogen als aandenken nalaten.

Brisson zond het briefje naar Rencke, met het verzoek om een halven dag verlof teneinde er persoonlijk antwoord op te kunnen gaan brengen. Rencke stond dat niet toe, doch stuurde het epistel aan van Everdingen, en vroeg hem daarbij: of men het als een staaltje mocht aanmerken van den bon ton op Sabrang?

Toen was het aan den gang! Hatelijkheden en grofheden wisselden elkaar af, Sabrang en Watoeombo waren als twee vijandelijke legerkampen; en toen op het laatst van Everdingen en Rencke niet dan met groote moeite door Korman belet werden met elkaar op leven en dood te duelleeren, wist geen van beiden beter of zij streden voor een heilig recht, en niet over de zwaar belasterde beentjes van Hendrika Korman.

„Toe pa, stuur ze om de beurt eens naar de stad,” zeide Li op een avond, toen Rencke met een hoogrood gelaat was komen vertellen „dat het zóó niet langer ging!”

Korman dacht er over na, en vond er iets op. Hij liet Rencke ontbieden.

„Er ligt een aangeteekende brief op het postkantoor,” zeide hij; „’n remise van Soerabaja.”

„Die komt op tijd,” merkte Rencke op, „want we hebben niet veel meer in kas.”

„Juist,” zeide Korman. „En … Sabrang heeft ook heel wat noodig … dus wou ik je verzoeken zelf naar de stad te rijden, en het geld mee te brengen.”

„Uitstekend meneer!” antwoordde Rencke, aangenaam gestemd in het vooruitzicht weer eens „menschen” te zullen zien.

„Ga dan morgen,” zeide Korman. „Je kunt een dag over blijven, als je wilt. Er is nu toch geen bijzondere drukte. Ik denk er trouwens hard over, in het vervolg altijd een van jullie te sturen om het geld te halen. Het transport met den plajangan bezorgt me geregeld een slapeloozen nacht. Als hij er eens vandoor ging, zou ik eigenlijk niet verantwoord zijn.”

Rencke was het daarmee volkomen eens.

Hij ging, en Korman reed denzelfden dag naar Sabrang, waar hij van Everdingen eveneens zijn besluit mededeelde, dat ook bij dezen in goede aarde viel.

„En,” voegde Korman er op het laatst bij, „zie dat je overmorgen op Watoeombo komt. Rencke zal wel een hoop nieuws meebrengen.”

De nieuwsgierigheid dreef van Everdingen op den bepaalden dag naar het hoofdkwartier, hoewel hij eerst van zins geweest was niet te gaan. Doch hij bedacht dat dit van den anderen kant wel eens aan vrees kon worden toegeschreven; en dàt nooit! Alleen zorgde hij er voor, het eerst aan te komen. Het is toch altijd gemakkelijker bij zulke gelegenheden af te wachten hoe de ander zijn entrée maakt, dan dit zelf te doen.

Rencke kwam laat. De geldzakken, die hij vóór zich op den zadel had gehangen, maakten het vlugge rijden moeielijk. Het regelmatige stappen van zijn paard had hem even voorbij Wonosarie dommelig gemaakt, en de twee vorige nachten, die hij zonder naar bed te gaan had doorgebracht, deden er het hunne toe. Zoodat hij er niets van bemerkte hoe de plongko in het bosch een uurtje doorbracht met knabbelen aan de enkele grassprietjes, die op den kant van den weg kans hadden gezien door de doode bladeren heen te groeien. Het eindelijk weer voortgaan van zijn rijdier deed hem ontwaken, om met schrik te bemerken hoe weinig hij pas had afgelegd. Onwillekeurig betastte hij ook de zakken waarin het hem toevertrouwde geld geborgen was. Toen drukte hij zijn paard in een snelleren gang, de teugels tusschen de tanden, en op iederen geldzak een hand houdende.

Li had derhalve, zooals zij wel meer deed, een goeden raad gegeven; en ofschoon Korman het later bij van Os en Messner deed schijnen alsof hij op het snuggere denkbeeld was gekomen dat een eind had gemaakt aan de standjes, voor zichzelf erkende hij niettemin Li’s verdiensten.

En die waren groot, in alle opzichten. Volgens de herinnering die Korman nog had van een hollandsche vrouw, stond Li bij een zoodanige in niets ten achter. Kleur? Dat scheelde zooveel niet; er waren indische meisjes die er vrij wat donkerder uitzagen. Conversatie? Hoe weinig vrouwen hebben die! Li kon althans vroolijk babbelen over alles en niets. Als hij haar trouwde—hij begon er ernstig over te denken, te meer daar zij voor de tweede maal in positie was—dan moest ze echter hollandsch leeren. Dat zou hij eens probeeren haar zelf te onderwijzen; ja, en fransch ook …

Dit denkbeeld verder uitmijmerende, doemde voor zijn geest een tafereeltje op, dat hij had bijgewoond in de eerste dagen van zijn aankomst in Indië. Het stond hem op eens helder voor oogen; de binnengalerij van het residentiehuis te Soerabaja, waar receptie was; receptie van den Gouverneur-Generaal, die een reis naar den Oosthoek maakte.… Daar stond zij, het pittige vrouwtje van den handelschef; één en al indische gratie. De echtgenoote van den landvoogd moest haar aanspreken; daar had zij door de positie van haar man recht op. Het ongeluk wilde echter dat de hooge dame geen hollandsche was, en zich derhalve behielp met fransch of engelsch, al naar gelang iemand prefereerde. Men fluisterde onder elkaar dat de gemalin van Zijn Excellentie in alle talen verschrikkelijk knoeide.…

Het indische vrouwtje naderende dacht zij.… enfin, dat bleef haar geheim; doch zij sprak:

„Madame, quelle langue préférez vous? Moi je parle le français, l’allemand, l’anglais, l’espagnol, l’italien … et enfin: le suédois.”

Een ondeugend vuur schitterde in de donkere oogen der aangesprokene, toen zij met groote radheid antwoordde:

„Chose de préférence, Madame; moi je parle le hollandais, le français, le javanais, maleisch, madoereesch, alfoersch, soendaneesch, bataksch … et enfin, le suédois!”

Korman zag weer de verbaasde gezichten van alle omstanders; één voor één herkende hij ze, met een juistheid die hem zelf verwonderde, daar het al zooveel jaren geleden was; doch de trekken van het indische vrouwtje gingen over in die van Li, en voor zijn droomend oog geschiedde het zooeven verhaalde nogmaals, maar nu met Li als hoofdpersoon.

Zeker, waarom niet? Het lag maar aan de opvoeding. Morgen … neen dadelijk zou hij beginnen!

Heb je van je leven! Maar ’t was waar ook, de opvoeding moest nog aangevangen worden en daarmee zouden ook wel andere opvattingen geboren worden.

Met het a b c begon hij en eindigde er ook mee, want toen kwam de bevalling tusschenbeiden, die niet zoo vlot ging als de eerste maal. Week na week verliep eer Li het bed kon verlaten, en tweemaal moest de dokter gehaald worden uit de stad; een vreeselijk dure geschiedenis! Doch dat kon Korman niet schelen voor ’t oogenblik; als hij Li maar behield.

„Wil je wel gelooven,” zeide hij tot Rencke, „dat ik haar niet zou kunnen missen? Van af dat zij zoo groot was als nu Hendrika, is ze bij ons geweest; maar nooit heb ik geweten dat zij me zoo na aan ’t hart lag, als juist nu. Als zij kwam te sterven zou ik het dien kwajongen nooit vergeven.”

Gelukkig geschiedde dit niet, en mocht de kwajongen, die onder den naam van Gerard in de registers van den burgerlijken stand werd ingeschreven, zich verheugen in een groote belangstelling van de zijde zijns vaders. Meer dan ooit zijn zusje, de kleine Hendrika, die van nu af de tweede plaats bekleedde, en al jong zich leerde voegen naar de luimen, die Korman zijn zoontje stelselmatig aanleerde.

De afgebroken lessen van Li werden niet weer opgevat. Op den duur vond Korman het toch te lastig en tijdroovend. Zoodra de koffie produceerde zou hij een gouvernante aannemen, die het even goed kon doen.

Eindelijk besloot Korman die tuinen af te schrijven, doch eerst wilde hij eens een kijkje gaan nemen bij Messner en bij van Os. Bij den laatste eigenlijk alleen uit nieuwsgierigheid, want te leeren zou er niets zijn; van Messner misschien, ofschoon hij zich wel wachten zou het te erkennen.

Donowarie had zich niet zoo snel ontwikkeld als de naburige onderneming. Het gevaar kennende van groot kapitaal, dat drukkende rente met zich brengt, wilde Messner trachten een deel van zijn land vrij te werken, om daarna met de winst het verdere te ontginnen. Na de honderd vijftig bouws van het eerste jaar, had hij alleen dan laten aanleggen als hij volk te veel had, zoodat er gaandeweg niet meer dan vijftig bouws bij waren gekomen. Het verveelde Korman er dikwijls naar te gaan zien; het was altijd eender. Zijn laatste bezoeken waren slechts pro forma geweest, en hadden zich niet verder uitgestrekt dan tot de naaste omgeving van Messner’s huis. Hij kon echter aan Benoit rapporteeren dat hij er geweest was.

Toen hij ditmaal kwam, had hij moeite Messner te beduiden dat hij meer wilde zien dan anders, en wekte diens verbazing op door de inspectie voort te zetten tot in de hoogste tuinen. Er werd daar juist gewerkt.

„Wat doe je nu?” riep Korman eensklaps uit, zijn oogen nauwelijks vertrouwende.

„Labrak,” zeide Messner laconiek.

„Dat ken ik niet. Het heeft iets van het krabben met den patjol, zooals ze in de gouvernementstuinen doen. Is dat in plaats van het babadden?”

„Neen,” antwoordde Messner; „ik zal je zeggen wat het is. Maar kijk eerst eens rond. Hoe vind je dat deze tuinen staan?”

„Hm, mooi is anders,” vond Korman, „hoewel mijn loengoer-tuinen er nog beroerder uitzien. Ik denk er over om ze af te schrijven.”

„Dat was ik met deze ook van plan,” zeide Messner. „De alang-alang verstikte de koffie, de dadap wilde niet groeien, en zelfs mijn proef met sengon, als schaduwboom, mislukte. Op een goeden dag, dat ik hier voorbij kwam en me weer liep dood te ergeren, bedacht ik in eens, dat waar ik al zoo’n moeite had met die alang-alang, onze vriend van Os er nog veel erger aan toe moest zijn. Dat wil ik toch eens zien, dacht ik, en thuiskomende verleid ik Zus om er den volgenden morgen met me heen te rijden.”

„Met Zus?” vroeg Korman verbaasd. „Wist je dan niet dat van Os getrouwd was?”

„Ha ha, die is goed!” lachte Korman. „Maar … je hebt toch bij hem niet je middel tegen de alang-alang opgedaan?”

„Zeker heb ik dat. Waar hij het vandaan haalt weet ik niet, maar zooveel is zeker dat hij drommels goed weet wat hij doen moet.”

„Bah!” zeide Korman. „Een man die met zijn koelies soldaatje speelt!”

„Als ik kans zag mijn volk zoo te drillen, deed ik het hem na,” zeide Messner. „Doch dat is tot daaraantoe; ga maar eens bij hem kijken, en laat je uitleggen hoe en waarom hij zoo werkt. Ik kan dat niet zoo.”

Korman keek op, voelende dat hij voor den mal gehouden werd; doch Messner had zijn trekken goed in bedwang. Zij waren al sprekende den weg afgegaan, en hadden zich van de plaats waar gewerkt werd verwijderd. Korman bemerkte dit te laat, zich verwenschende dat hij zich tot praten had laten verleiden. Het was een zwak van hem, dat als hij praatte, hij niets zag; althans niet opmerkzaam genoeg; en nu was hem feitelijk geheel ontgaan wat het volk voor zijn oogen had staan doen.

„Ik zal er morgenochtend heen gaan,” zeide hij, „van hier uit. Maar … geef me straks een koelie voor een briefje. Ik wou liefst vooruit waarschuwen, want hij houdt er een hond op na …”

„Die enkel gladakkers aanvalt,” voleindigde Messner.

„Watblief? Heeft hij je dat gezegd,” vroeg Korman woedend.

„Neen zeker niet,” haastte zich Messner te antwoorden. „Ik heb van Rencke gehoord in welke verlegenheid dat gezegde hem gebracht heeft. Trek het je dus niet aan.”

Het briefje werd verzonden, en Bello lag behoorlijk aan den ketting toen Korman op Marialand arriveerde.

De ontvangst aldaar was hartelijk, als bereid aan een te lang uitgebleven vriend. Korman werd er bijna verlegen onder; en wat hem vooral hinderde was de onafgebroken tegenwoordigheid van mevrouw van Os, die heden alles in den steek liet, haar kinderen, haar keuken zelfs, om den gast te onderhouden. Zoolang zij er bij was, schaamde zich Korman om met het eigenlijke doel van zijn bezoek voor den dag te komen; doch de tijd verstreek …

„Het is mij opgevallen zoo weinig alang-alang je in de tuinen, waar ik langs ben gekomen, hebt overgehouden,” zeide hij ten laatste. „Hoe heb je ’m dat toch geleverd?”

Nauwelijks had hij dien zin geuit, of mevrouw van Os werd door een dringende huishoudelijke bezigheid weggeroepen.

„Een Malangsch recept,” zeide van Os. „Ten minste ik geloof dat ik het in die buurten alleen gezien heb. Hoe diep denk je dat de alang-alang wortels zitten?”

„Fameus diep,” meende Korman. „Ik heb plaatsen waar zij ruim anderhalf voet diep in den grond zitten.”

„Omdat jij ze er zoo diep hebt ingewerkt,” betoogde van Os. „Hier zitten ze geen halve voet diep, doordat ik met dangirren niet verder laat gaan dan zoo veel. Feitelijk doen ze bij mij niet meer dan even het vuil omhakken.”

„Maar daarmee geef je geen lucht genoeg aan de wortels van den koffieboom,” riep Korman uit.

„Ik wil me aan die theorie niet wagen,” antwoordde van Os. „Ik voor mij geloof dat de wortels van iedere plant hun eigen weg wel weten te vinden in de aarde, en het losmaken van den grond zich niet verder behoeft uit te strekken dan tot den bovenkorst, die door den invloed van weer en wind verhardt. Is deze open, dan kan alles wat er in moet, doordringen.”

„Enfin,” zeide Korman, de schouders ophalende. „Maar wat heeft dat alles met de uitroeiing van de alang-alang te maken?”

„Nogal duidelijk,” vond van Os. „Ten eerste werk ik de wortels niet in den grond, en ten tweede kost het schoonmaken mij zóó weinig, dat ik het dikwijls kan laten doen. Wat betaal jij voor het dangirren?”

„Tachtig cent de honderd boomen, op gemakkelijk terrein.”

„Kijk! en ik dertig à veertig cent. Dus kan ik het tweemaal laten doen, tegen jij eens. Daarbij doe ik niet aan babadden, doch laat in de plaats daarvan maar weer labrakken—zoo noemden ze het in Malang.”

„Dat woord gebruikte Messner ook,” zeide Korman.

„Zoo? Ja, hij was een poos geleden hier, en zeide in eenige tuinen op Donowarie mijn methode te zullen toepassen. Maar ter zake; doordat mijn kebons dusdoende nagenoeg altijd schoon zijn, en de alang-alang geen tijd heeft om veel blad te schieten, kwijnt zij natuurlijk weg, of verbastert tot een soort kruipend gras. Hoewel, voor het laatste wil ik niet instaan; ik ben geen botanicus en kan dus niet zeker zeggen of het werkelijk een verbastering dan wel een supplantatie is. Daarover gesproken, weet je wat ik ergens in het Solosche gezien heb?”

„Nog niet.”

„Wel,” vervolgde van Os, „daar was er een die beweerde dat alang-alang verdrongen werd door een ander onkruid: djowirono? Ken je het?”

„Zeker,” zeide Korman. „Bij het afsnijden stinkt het net als rotte pieterselie.”

„Hetzelfde. Nu, deze vriend verzamelde daarvan het zaad—je weet wel, precies als dat van die dingen in Holland, die we als kinderen altijd uitbliezen, paardebloemen geloof ik. En als hij gedangird had liet hij het uitzaaien.”

„Hielp het?” vroeg Korman.

„Ik weet het niet,” zeide van Os. „Waar het stond, groeide geen alang-alang; maar voor de rest was hij er pas mee begonnen, en wachtte zelf den uitslag af.”

„Je hebt veel gereisd, naar het schijnt,” was de opmerking van Korman, die aan het gesprek een andere wending gaf, daar van Os onmiddellijk een afkeurend oordeel uitsprak over het eeuwige thuiszitten van de planters op Java, het alleen voor zichzelf voortknoeien, en het angstvallig vermijden van iets na te doen van elkaar, alsof er één was die meer kon dan gissen en raden naar de beste werkwijze.

Dit was een onderwerp waaromtrent Korman met hem van oordeel verschilde. Hij ontkende wel niet dat men nieuwe vindingen kon doen die doeltreffend waren, doch hield vol dat er een aantal vaste regels bestond volgens welke men vroeger altijd gewerkt had en … rijk geworden was. Die regels had hij door de practijk, in vorige jaren werkende bij een ervaren chef, leeren kennen en daarop zou hij geen inbreuk plegen. Hij vergeleek ze bij de Mozaïsche wet der tien geboden, die op zichzelf ook goed was mits men er zich letterlijk aan hield, en er niet aan knoeide met uitleggingen die het heldere stuk verduisterden, en Mozes zelf het meest zouden verbazen als hij ze kon hooren.

Hieruit ontstond een geschikte aanleiding om de jurisprudentie in het algemeen, en die van Nederlandsch-Indië in het bijzonder, eens flink over den hekel te halen. Niet dat één hunner er iets van afwist—och neen; maar dat belet niet, en in Indië minder dan ergens anders, er een meening over te hebben, en die te defendeeren door dik en dun. Doet men dit laatste met de noodige brutaliteit, dan verkrijgt men allicht, evenals Korman dien dag bij de familie van Os, de reputatie van „toch een drommels knap mensch te zijn.” Jammer dat hij geen advokaat geworden was! Want—en daarmee was mevrouw van Os het nu ook eens—in de koffie deugde hij niet.

Het oordeel van Korman over van Os, dat hij bij het naar huis rijden bij zich zelf opmaakte, was evenwel nog strenger. Van Os deugde voor niets. Voor militair niet eens; want waarom zou men hem anders als kapitein gepensionneerd hebben? En wat zijn kennis van koffieplanten aanging, dat was heelemaal niets. Wat ’n onzin, dat labrakken! Waar de koffie en de dadap goed waren opgegroeid, daar verdween de alang-alang vanzelf, omdat zij niet tegen schaduw kan. En als de koffie niet groeide, dan zat dit in iets anders, in den grond of zoo; want de plantjes waren overal dezelfde geweest.

Zijn besluit om de loengoer-tuinen af te schrijven had door die twee bezoeken geen verandering ondergaan.

De derde westmousson, na dien waarin de eerste bouws van Watoeombo beplant waren, was aangebroken. Eenige dagen regen hadden het stof van de bladeren afgespoeld, en tusschen het donkergroen schitterde het helderwit. De dadap, die in den oostmousson een groot deel van de bladeren had verloren, maakte nu weer jong groen, dat zich ontwikkelend de teedere bloesem der koffie beschermde. Een heerlijke geur als van jasmijn vergezelde het schoone schouwspel dat de lagere tuinen van Watoeombo opleverden.

Hoogerop was nog weinig, doch dat was geen nadeel, want de boomen waren niet groot en sterk genoeg om aan de uitputting van een zware dracht weerstand te kunnen bieden.

Eigenlijk was de schatting van Korman ook niet oorspronkelijk. Een paar dagen te voren had hij een briefje ontvangen van Messner, waarin deze hem mededeelde dat hij ongeveer veertig picols dacht te zullen oogsten, Korman verzoekende dit bij gelegenheid aan Benoit te schrijven. Als Messner zooveel maakte, meende Korman, dan zou hij wel evenveel krijgen, en met de vroegrijpe tuinen van Sabrang nog een beetje meer.

Het was hem te vergeven. Niets toch is moeielijker dan de eerste kleine oogst van een koffieland te taxeeren. Later, als de tuinen geregeld produceeren, heeft men punten van vergelijking, en op een oogst van duizenden picols mag men zich gerust met een paar honderd vergissen; dat valt niet zoo op als enkele picols bij een kleine hoeveelheid.

Op een morgen, in het laatst van den westmousson, liet Korman een zestal koelies van de rol weghalen; en toen Rencke met zijn rapport naar de administrateurswoning ging, vond hij den chef bezig met het uitzetten van twee langwerpige vierkanten, door middel van bamboe stokjes, terwijl de koelies op zijn bevel den grond ompatjolden, de afgezette stukken tevens een weinig ophoogende met de aarde die zij uit de goten haalden, die er omheen werden aangelegd.

„Gaat u bouwen?” vroeg Rencke, nadat hij een oogenblik had toegezien.

„Nog niet,” zeide Korman. „We zullen het van ’t jaar zoo eenvoudig mogelijk doen. Dit worden droogbakken.”

Het denkbeeld, uitgedrukt in het woord „bak,” kon Rencke niet terugvinden in wat hij vóór zich zag; doch wetende dat vragen hem hier niet veel wijzer zou maken, trok hij een gezicht alsof Korman’s antwoord hem geheel voldeed en op de hoogte gebracht had.

„Morgen al het volk, eer het naar de tuinen gaat, even hierheen sturen,” gelastte Korman verder. „Zij moeten de aarde aantrappen.”

De employé voldeed den volgenden morgen aan deze opdracht, en nu werd hem ook duidelijk wat de bedoeling van Korman’s constructie was. De twee vierhoeken werden door de koelies hardgetrapt, geheel op dezelfde wijze als op den eersten dag de vloer van de tijdelijke woning. In het midden, overlangs, waren zij hoog, en liepen met een zeer flauwe helling naar de kanten af.

Na het trappen werden de oneffenheden bijgewerkt; en aldus geschiedde voortaan elken morgen, tot de beide stukken zoo hard als een stoep en zoo gelijk als een dansvloer waren. Dat zij dienen moesten tot het in de zon laten drogen der koffie begreep Rencke, hoewel hij de benaming „bakken” gek bleef vinden.

In de tuinen was intusschen de bloesem overgegaan in groene boontjes, en deze zwollen als bij den dag, om daarna geelachtig en eindelijk rood te worden toen de regens langzamerhand ophielden.

Behalve de droogbakken was er een kleine loods gebouwd, was er een soort laag juk op elk der bakken opgezet, waren er kleine vierkante draagbare stukjes dak van bamboe en alang-alang gemaakt, en eindelijk ontving Korman een dertigtal manden uit de stad, waarvan er tien naar Sabrang werden gezonden. Daar was ook een aanleg gemaakt evenals te Watoeombo.

Was Rencke nog steeds in gespannen verwachting van wat er met dit alles moest worden gedaan, van Everdingen wist ten naaste bij, door Biezeman voorgelicht, wat hij had te doen zoodra de koffie rijp was om geplukt te worden.

Die dag kwam. ’s Avonds te voren was Rencke bij Korman komen aanloopen.

„Ziet u eens, meneer!” riep hij uit, niet zonder verontwaardiging in den toon zijner stem, terwijl hij zijn zakdoek op tafel uitspreidde.

„Nu, wat zou dat?” zeide Korman, den inhoud van Rencke’s zakdoek bekijkend, die bestond uit een hoopje koffie van de roode schil ontdaan.

„Dat heb ik zóó op den weg gevonden,” zeide Rencke. „Wat een baldadigheid! Het moet door een der grassnijders zijn gedaan, want van het volk zijn er geen dien weg afgekomen.”

Korman schoot in een luiden lach.

„Li!” riep hij. „Kom eens hier. Kijk eens, Rencke verdenkt onze grassnijders deze koffie geplukt te hebben!”

Li bezag de koffie en glimlachte.

„Toch koffie?” vroeg Rencke.

„Wel zeker,” zeide Li, „maar eerst door de loewaks opgegeten. Ik hoorde dat gister ook voor het eerst.”

„De loewak is een soort bunsing,” verklaarde nu Korman, „die de boonen opeet, doch alleen de roode schil verteert en de rest weer uitwerpt. Daar hij de rijpsten uitkiest, krijgt men uit de taik loewak de mooiste koffie.”

„Dat begrijp ik,” zeide Rencke. „Wel, wel, daar heb ik me voor niets boos gemaakt. Men moest die beestjes kunnen dresseeren om hier de koffie neer te leggen.”

„Ja, dat was niet kwaad,” antwoordde Korman. „Intusschen is het voor ons een teeken dat we met plukken beginnen moeten. Laat in de kampong zeggen dat morgen een stuk of twintig vrouwen aan het werk kunnen gaan. We zullen ze maar in daghuur laten werken; voor taakwerk is er nog te weinig.”

De koffie die de vrouwen den volgenden middag aanbrachten, werd gemeten in een ledige jeneverkist. Het verpakkingsmiddel van de vierkanters is de traditioneele maat voor de koffie. Men is het vrijwel eens, dat zes dier kisten roode koffie één picol bereide opleveren; hoewel hieromtrent ook verschil van opinie bestaat.

„Dit is nu de onvervalschte Westindische bereiding,” zeide Korman.

„Oostindische, bedoelt u zeker?” vroeg Rencke.

„Neen,” was het antwoord, „die bestaat niet, of liever men noemt die gewone bereiding. Het verschil bestaat in het laten drogen met of zonder de roode schil. Het eerste duurt langer, de stroop droogt er in en maakt de koffie zwaarder, de kleur van de bereide koffie wordt iets groener en de prijs er van op de markt is lager. Nu weet je er alles van.”

„Nagenoeg,” zeide Rencke, „en ik begrijp dat men die Westindische bereiding slechts op een gedeelte van den oogst zal kunnen toepassen.”

„Waarom?”

„Wel,” meende Rencke, „om maar één ding te noemen: de vrouwen zouden van dat trappen binnen korten tijd zeere voeten krijgen.”

„Dat hebben anderen vóór dezen ook al bedacht,” zeide Korman, „en daarom een molen uitgevonden die dat werk doet. Naar ik hoor is er zelfs hier op Java een beter systeem gemaakt dan dat in de West. Enfin, het volgend jaar zal ik er eens op uitgaan.”

De koffiepluk ging van dien dag af geregeld door, doch weldra begon Korman bevreesd te worden dat hij het getal picols, dat hij getaxeerd had, en wat erger was, aan Benoit opgegeven, niet zou bereiken. Op Watoeombo kon het echter niet veel verschillen, doch Sabrang haalde nauwelijks de helft.

Meer nog dan dit feit hinderde hem een moeielijkheid in zijn administratie. De verwarring was ontstaan door de opeenstapeling van nieuwe boekhoofden, bij gelegenheid van den koffiepluk en de bereiding. Het vervolgde hem om zoo te zeggen dag en nacht, en met schrik zag hij het einde van de maand naderen en het oogenblik dat hij zijn verantwoordingsstaat zou moeten opmaken en afzenden aan Benoit. Voor de eerste maal niet in orde! Maar dat kon, dat mocht immers niet.… Dan maar van den beginne af weer eens nagecijferd, zooals hij al zoo dikwijls gedaan had met het resultaat, dat het telkens anders uitkwam.

Een lange gestalte onderschepte het licht in de deur van het kantoor, en deed Korman van zijn papieren opzien. Toen hij zag, dat het Brisson was, sloeg hij zich voor het hoofd. Hoe dom er niet aan te denken dat hij een gewezen boekhouder in zijn dienst had!

„Je komt als geroepen,” zeide hij. „Maar … zeg me eerst wat je had.”

„Ik ben al bij meneer Rencke geweest,” zeide de employé, „en die heeft me naar u toe gezonden. Er is namelijk vanmorgen een inlander uit Plèrès bij mij gekomen.”

Plèrès was de naam van de dessa die boven Donowarie lag, en vanwaar de jonge koffieplantjes kwamen.

„Zoo, en wat had die?” vroeg Korman.

„Hij bood koffie te koop aan,” antwoordde Brisson.

Alsof hij den jongen man wel had willen omhelzen, zoo stond Korman op.

„Meneer Rencke.…” begon Brisson, de beweging van den ander misduidende.

„Wat vroeg hij voor de picol? Je hebt hem toch aangehouden?” zeide Korman hem in de rede vallende.

„Zeker meneer, hij wacht bij mij thuis. Hij zeide dat als wij zuiver wogen of maten, hij voor tien gulden de picol wilde leveren. En we konden ook van anderen krijgen, zooveel wij wenschten.”

„Te drommel, wat wordt er dan in ’t gouvernementspakhuis beknibbeld,” riep Korman uit. „Daar krijgen zij veertien gulden—dat wil zeggen: het gouvernement betaalt zooveel. Maar als zij bij ons liever voor tien gulden willen brengen, dan wordt er flink gestolen. Ik wist wel dat het erg was, maar dit frappeert me toch.”

„Ja,” stemde Brisson toe. „Ik wist ook eerst niet wat ik hoorde. Tien gulden! Het zou zonde zijn dit te laten voorbijgaan.”

„Dat zullen we ook niet,” zeide de chef. „Ga dadelijk naar huis en zeg den man dat het goed is. Maar ik heb dit jaar niet meer dan … laat zien, er is bij de gouvernementskoffie meer tweede qualiteit dan eerste … enfin, twintig picols zoowat. Hij moet ze bij jou afleveren. Als je dat gedaan hebt, kom dan terug; ik heb hier een werkje voor je.”

Deze kwam spoedig terug met het bericht dat alles in orde was.

„Mooi zoo,” zeide Korman. „Kom nu eens mee in ’t kantoor. Ik heb soesah met de administratie; ze moesten dat geduvel niet door de administrateurs laten doen, die buitenaf werk genoeg hebben. Enfin, kijk eens.”

Brisson keek en had werk zijn lachen te houden. Korman legde hem uit hoe hij zijn posten boekte, en zag gelukkig niet op, eer het Brisson gelukt was de wanhopig komische uitdrukking van zijn gelaat te doen verdwijnen.

„Jawel meneer, ik begrijp het,” zeide eindelijk Brisson. „Mag ik het nu even alleen doorloopen?”

„Ga je gang,” zeide Korman. „Ik rijd intusschen naar Sabrang; tegen dat ik terug ben zal je het wel gevonden hebben.”

Zoodra Brisson alleen was gaf hij lucht aan een zoolang ingehouden lachbui. Deze voorbij zijnde ging hij het geknoei van Korman met aandacht na, en slaagde in korten tijd in het vinden van diens fout, of liever fouten. Toen, de posten groepeerende, maakte hij een recapitulatie, de oude boekhoofden behoudende, doch de laatst door Korman uitgedachte in één hoofd: „Pluk en Bereiding” samentrekkende.

Hij was daarmee gereed lang voor Korman’s terugkomst, en niet willende leegzitten, begon hij, vóór in het boek, op een meer practische wijze de administratie om te werken.

Korman vond van Everdingen op zijn werk.

„Ik heb een vondst gedaan!” riep hij hem al uit de verte toe. „Hoeveel koffie heb je al?”

„In mijn goedang staan vier picols,” zeide van Everdingen, „gereed om te worden gestampt; en op de bakken nog anderhalf picol, denk ik. Veel zal er niet meer bijkomen.”

„Neen,” antwoordde Korman, „dat zie ik. Maar daarom niet getreurd. Ik zei al dat ik een vondst gedaan had … je zult de tien picols vol maken, en nog een paar op den koop toe.”

En hij deelde hem mede wat Brisson dien morgen had aangebracht.

„Voor dit jaar is het niet noodig,” eindigde Korman, „dat je zelf opkoopt. We zullen dat op Watoeombo maar afhandelen. Alleen moet je inboeken, alsof je gekocht had.… dat wil zeggen alsof je had laten plukken en bereiden; ik zal je de manier nader opgeven.”

Doch van Everdingen schudde het hoofd. Koffie van het gouvernement stelen, gefingeerde uitgaven boeken.…

„Is die koffie-opkoop geoorloofd?” vroeg hij.

„Natuurlijk niet; je moet ook een beetje voorzichtig zijn,” antwoordde de chef.

„Neem mij niet kwalijk, meneer,” zeide van Everdingen; „maar ik heb er veel op tegen.”

„Och kom,” zeide Korman; „iedereen doet het als hij er kans toe ziet. En daarbij behoef je het niet zelf te doen; laat Biezeman er voor zorgen.”

„Dat nooit!” riep van Everdingen uit. „Als er risico aan verbonden is, dan behooren, dunkt mij, zij dien te dragen die er het voordeel van trekken. Doch het is onnoodig dat we er verder over praten; ik doe het niet.”

Korman had een ruw woord op de lippen, maar hij hield het in. Lang praatte hij nog, trachtende van Everdingen te overtuigen dat er geen gevaar in stak en ook geen schande. Geen enkel koffieplanter zag er die in. Die enkele picols zouden het gouvernement niet ruïneeren; daarentegen hielp men den armen inlander, die anders voor niets werkte en zwoegde.

„Je moet weten,” zeide hij, „hoe schandelijk dat volk wordt afgezet. Eerst brengen zij hun koffie naar het pakhuis, waar op de brutaalste manier overwicht wordt genomen en de qualiteit afgekeurd. Ik heb het eens gesnapt; dat zal ik je vertellen. Het was in de eerste jaren dat ik in het land was. Een kennis van mij, een aspirant-controleur, moest onverwachts een koffiepakhuis opnemen, en vroeg mij of ik trek had mee te gaan. Wel, om kort te gaan, we keken de staten na in het dagboek, wogen den voorraad koffie; alles klopte op een haar. De aspirant was wanhopig, want hij was pas aangesteld en vermeende dat hij uitgezonden was met de serieuze bedoeling om den pakhuismeester te snappen. Op eens valt mij iets op. In de dagstaten stond telkens als laatste inbrenger: Wongsodikromo. Hé, denk ik, dat is vreemd; en nauwkeuriger kijkende bevond ik dat genoemde Wongsodikromo altijd heel veel koffie inbrengt. Begin je het te begrijpen?”

„Een gefingeerde naam?”

„Juist. Nu, ik wou den aspirant niet wijzer maken; je weet nooit hoeveel soesah je je zelf er mee bezorgt. Maar toen hij even naar buiten ging, wees ik die posten met den vinger aan, zonder iets te zeggen, alleen den mantri aanziende. De vent werd groen van schrik.”

„Dat had u vlug uitgevonden;” merkte van Everdingen op.

„Och,” zeide Korman, „als men z’n volkje kent, zie je.… Maar, dat was dus het overwicht. Hoeveel er voor tweede qualiteit werd ingekocht, doch als eerste geboekt, is moeielijk te bepalen. Wat echter wel kan worden gezien, door iemand die wil althans, is dat de menschen die het pakhuis verlaten, worden staande gehouden en heel gemoedelijk van het grootste gedeelte van hun geld ontlast. Naar het heet is dat voor de padjek, de belasting weet je; maar hoeveel maal of de stakkers die betalen weet de hemel.”

„Foei!” riep van Everdingen uit. „Dat zijn russische toestanden.”

„Nog sterker: javasche,” zeide Korman. „Begrijp je nu dat je een edele daad verricht door die menschen van hun koffie af te helpen?”

„Volkomen,” zeide van Everdingen lachend. „Ik beloof u dat ik het iedereen zal aanraden.”

De ironische toon waarop de laatste woorden werden uitgesproken deed Korman van verder aandringen voorloopig afzien. Maar zoodra hij, op den weg naar huis, van Everdingen uit het gezicht verloren had, maakte hij een dreigende beweging met zijn karwats.

„Dat heb je nu Gévédé van die compagnieschap!” mompelde hij. „Als hij een gewoon employé was, zou het spoedig met hem gedaan zijn.”

„Nog aan ’t werk?” riep hij thuiskomende Brisson toe. „En waarom heb je geen paitje genomen? Het stond er voor.”

„Dank u meneer,” zeide Brisson. „Ik drink nooit bitter. Het staatje is klaar, hier is het.”

Korman doorliep de door Brisson opgemaakte recapitulatie.

„En wat zat je nog meer te doen?” vroeg hij.

„Ik meende, meneer,” zeide Brisson aarzelend, „dat u wel wat veel boekhoofden heeft aangelegd. Daardoor komt allicht verwarring, en dacht ik dat een vereenvoudiging misschien niet kwaad zou zijn. Zóó bijvoorbeeld.” En hij liet zijn werk aan Korman zien.

„Het zal wel goed zijn,” zeide Korman; „maar van het jaar kan ik er niet aan denken je dit werk op te dragen. Voor den volgenden oogst moet er een employé speciaal voor het établissement en de boekhouding zijn; dan kunnen we eens praten.—En wat zeg je, drink je nooit een bittertje? Ben je er vies van?”

„O neen, meneer,” antwoordde de employé; „alleen kan ik alles wat alcohol is niet te best verdragen.”

„Dat is ongewoonte,” besliste Korman. „En een verkeerde ongewoonte. De dokter zeide mij laatst nog dat het slecht was in Indië in ’t geheel niets te gebruiken. Je moet er maar aan wennen—altijd matig natuurlijk. Dus,” vervolgde hij een tweede bittertje inschenkend, „begin er maar dadelijk mee. Proost, frisschen morgen!”

Brisson nam het hem opgedrongen glas aan en ledigde het, doch langzaam, met kleine teugjes, zoodat het strekte tot Korman zich reeds voor de vijfde maal had ingeschonken. En toch, het was verwonderlijk, werkte de kleine hoeveelheid bij hem meer dan hem lief was. Gewoon goed uit te drukken wat hij wilde zeggen, zijn volzinnen afrondende en behoorlijk eindigende, verliep hij zich thans in bijzinnen die elkaar in groote verwarring opvolgden, staken, trapten, in den weg zaten, om na de uiterste krachtsinspanning van Brisson als droog zand uiteen te vallen. Zijn blauwe oogen puilden daarbij uit het hoofd; den mond half open knikte hij Korman toe met een wezenlooze uitdrukking; het was een onaangename verandering.

„Breng het paard van meneer voor,” riep Korman naar achter. Hij had gezien dat Rencke uit zijn huis kwam en naar allen schijn zich gereed maakte om in de administrateurswoning een praatje te gaan maken.

Nauwelijks zat Brisson in den zadel of hij diende zijn rijdier een harden zweepslag toe, en vertrok ventre à terre. Rencke moest opzij springen om niet te worden aangereden, en met verontwaardiging ving hij, in plaats van het verwachte excuus, een luid sarrend lachen op.

„Heb je ooit zoo iets gezien?” vroeg hem Korman.

„Is er iets voorgevallen?” was de wedervraag, waarbij in Rencke’s stem de toorn duidelijk hoorbaar was.

Korman vertelde het hem:

„Wat een ongelukkig gestel,” zeide Rencke. „Nu begrijp ik ook waarom hij nooit bij me wilde komen, zoo ’s avonds. ’t Is gelukkig dat hij zich weet te onthouden, anders kwam er niet veel van hem terecht.”

„Hij moest zich wennen om iets te kunnen verdragen,” meende Korman. „Is er iets bijzonders?”

„Neen meneer.”

Daarop deed Korman hem het verhaal van de wederwaardigheden van dien morgen, niet nalatende zich sterk te beklagen over de weigering van van Everdingen. Rencke luisterde toe: van Everdingen’s handelwijze keurde hij volkomen goed; ook hij zou niet genegen worden bevonden zich voor Korman’s belangen aan de wet te vergrijpen. Toen hij eindelijk bemerkte dat het laatste niet van hem geëischt zou worden, aangezien Korman geen koffie-opkoop wilde doen plaatsvinden op het hoofdkwartier, verdween zijn ongerustheid en gaf hij toe: „dat een compagnon een lastig wezen is.”

In de nu volgende dagen reed Korman dikwijls naar de afdeeling van Brisson. Picolsgewijs kwam daar de koffie binnen, reeds geheel bereid. Dat behoefde geen verwondering te baren, daar de inlander zoo vroeg plukt, zoo vroeg als hij durft, om te voorkomen dat zijn buurman anders dat werk voor hem verricht. Het spreekt dat de qualiteit van de koffie door dit onrijpe plukken lijdt, en er onder de gewone gouvernementskoffie slechts weinig voorkomt, wat een consciëntieus planter tot de „eerste qualiteit” brengt; althans onder het merk van zijn onderneming. Dat er toch slechts een betrekkelijk klein verschil van tijd was tusschen het afgewerkt zijn van deze koffie en die te Watoeombo, was te wijten aan den langeren duur der inlandsche bereiding.

Toen de twintig picols vol waren, liet Korman den opkoop staken en bracht de koffie over naar het hoofdkwartier, in een der leegstaande kamers van zijn bijgebouwen. Daar stonden ook reeds zakken vol van eigen product, doch nog in den hoornschil, daar men vermeent dat de kleur der koffie, als zij geheel is bereid, spoediger verdwijnt dan wanneer dit omhulsel haar nog voor den invloed van licht en vocht beschermt.

Op een morgen oordeelde Korman dat het tijd werd de koffie van den hoornschil te ontdoen en te laten sorteeren. Op de bakken lag nog slechts weinig; voor ’t grootste gedeelte opraapsel, waarvan wat de qualiteit betreft geen groote verwachtingen werden gekoesterd. Hij stuurde een boodschap naar Sabrang, om den volgenden dag ook de daar aanwezige koffie te laten stampen en ongesorteerd over te zenden. Op Watoeombo werd reeds dien dag begonnen.

Daartoe waren kegelvormige mandjes gevlochten, met de punt vastgezet in zware stukken hout. In deze mandjes werd de koffie gestort, en gestampt met de gewone aloe die ook voor het rijststampen gebezigd wordt. Zoodra een flinke hoeveelheid gereed was, namen de vrouwen die dat werk verrichtten, een weinig op een tampah en begonnen door deze op en neer te bewegen, staande in den wind, de koffie te wannen tot de stukgestooten hoornschil was weggewaaid en alleen de blauwgroene boonen overbleven. Daarna gingen zij naar de hiervoor ontruimde voorgalerij van de administrateurswoning, en zochten op aanwijzing van Korman, en onder toezicht van dezen, Rencke en Li, de soorten uit.

Het eerst de mannetjes-koffie. Dit zijn boonen waarvan er slechts één in een roode schil zitten, in tegenstelling van de anderen die twee aan twee aldus omhuld zijn. Door den ronden vorm daarvan was deze sorteering zeer gemakkelijk. De koffie werd naar één kant van den tampah gestreken en deze schuin gehouden onder een zacht schudden, waardoor de ronde boontjes vanzelf naar beneden rolden.

Daarna de sorteering op kleur en gaafheid. Dit is een werk waartoe men enkel vrouwen kan bezigen. Mannen toch, zooals Rencke bij zijn proef persoonlijk ondervond, missen het noodige geduld, terwijl zij tevens geen memorie hebben van de standaardkleur en het hun weldra voor de oogen gaat schemeren.

Tot de eerste qualiteit behooren gave, goedkleurige boonen. Gevlekte of halve boonen zijn tweede qualiteit, en zwarte koffie of gruis derde soort.

Korman was even naar buiten gegaan, op de droogbakken. In de goot die daar om heen liep bespeurde hij ettelijke koffieboonen.

„Rencke!” riep hij. „Stuur even een vrouw hierheen.”

Juist kwam er een troepje uit de stamploods.

„Eén mensch naar den toewan besaar!” riep Rencke hen toe.

Een der vrouwen gaf haar tampah over, en voldeed aan het bevel. Zij was in vergevorderde positie.

„Hola!” riep Rencke haar toe. „Ik zei immers één mensch!”

„Er komt maar één vrouw,” zeide Korman opziende, en zich verwonderende over Rencke’s aanmerking.

„Je bent net als Messner,” mompelde Korman, toen hij het eindelijk begreep. „Die loopt ook altijd zoo hoog met z’n javaansche uien.”

Den volgenden morgen werd met hetzelfde werk voortgegaan, en was men de koffie van Sabrang wachtende, toen eensklaps van Everdingen zelf verscheen.

Hij zag er bleek en vermoeid uit. Op zijn hoofd droeg hij een mandoers-hoed; schoenen en kousen had hij niet aan; een verkreukelde kabaja en een slaapbroek dekten zijn leden.

„Wat is er gebeurd?” riepen Korman en Rencke tegelijk uit.

„Afgebrand!” was het antwoord. „Kijk,” vervolgde hij, een zwarte punt van zijn kabaja toonende, „ik ben er zelf nauwelijks uit gekomen.”

„En de koffie?” vroeg Korman met blijkbare spanning.

„Weg,” zeide van Everdingen dof. „Alles is weg; koffie, geld, mijn kleeren, alles! Ik heb niet meer dan wat ik hier aan ’t lijf heb.”

„Maar vertel dan toch geregeld,” zeide Korman.

„Kassian!” riep Rencke uit. „Hij is er heelemaal suf van. Heb je al ontbeten?”

Een hoofdschudden was het eenig antwoord.

„Ga dan mee naar mijn huis,” sloeg Rencke voor. „Hier is zooveel drukte. Je kunt dan tevens een pak kleeren van mij aantrekken.”

„Ja, doe dat,” zeide Korman. „Ik ga intusschen eens kijken op Sabrang. Waar is Biezeman?”

„Bezig met opruimen en zien of er nog iets gespaard is,” zeide van Everdingen.

Terwijl Korman zijn paard liet zadelen en wegreed, gingen de beide employé’s naar Rencke’s huis. Een flink ontbijt en een glas bier hadden van Everdingen weldra weer op zijn verhaal gebracht, en hij deed toen aan Rencke een verslag van het gebeurde.

Den vorigen middag had hij de koffie in zakken laten overstorten en alles klaar gezet tot spoedige afzending. Of nu daarbij een der koelies gerookt, en zijn strootje tusschen de zakken had laten vallen, of hoe dan ook, maar ’s nachts was hij door de angstkreten van zijn huishoudster gewekt. Overal zag hij vlammen, terwijl de splijtende bamboe een helsch lawaai maakte. Het venster openrukken, zijn huishoudster er uit tillen en zelf naspringen was het werk van eenige seconden; nog juist bijtijds, want spoedig daarna stortte de rommel in.

„Ik kan me voorstellen dat je geschrokken bent,” zeide Rencke. „Hoe laat was het ongeveer?”

„Wel, tegen den morgen.”

„Dan,” meende Rencke, „geloof ik niet dat die brand ontstaan is door een strootje dat gisteren is weggeworpen. Zóólang zou het niet kunnen smeulen bij deze droogte. Het moet aangestoken zijn. Wat zeiden je bedienden?”

„Die hebben het te druk gehad met hun eigen boeltje uit de bijgebouwen te redden,” zeide van Everdingen. „En voorts heb ik me nog weinig moeite gegeven om de oorzaken op te sporen.”

Op Sabrang wees een zwarte hoop de plek aan waar van Everdingen’s woning gestaan had. Met een zestal koelies was Biezeman bezig op te ruimen; voorzichtig liet hij stuk voor stuk de verbrande en geblakerde bamboes van den hoop halen en op het voorerf opstapelen. Reeds zag men hier en daar den vloer van het huis, toen Korman opreed.

„Waarom ben je daar zoo voorzichtig mee?” vroeg hij.

„Om te kijken wat er mogelijk nog ligt,” antwoordde Biezeman. „De jonker had een geldkistje, ziet u, en nu zou het kunnen zijn dat ze het vonden en wegmoffelden.”

„Hoe groot was het?”

„Zóó, zoowat,” zeide Biezeman, de handen ongeveer een voet van elkaar houdende.

„Zat het kasboek er ook in?” vroeg Korman gejaagd.

„Dat weet ik zoo net niet. Maar de jonker bewaarde er zijn geld in; en al was hij nou nog zoo rejaal, er zal wel wat van zijn tractement zijn overgeschoten.”

Korman bleef toezien tot bijna alles was opgeruimd.

„Daar zie ik wat!” riep eensklaps Biezeman uit, en een stuk van een kastdeur wegschoppende ontblootte hij een zwart geblakerd doch oogenschijnlijk ongedeerd miniatuur brandkastje. Het was nog warm, zoodat hij eerst water liet halen om het af te koelen, tot groote ergernis van Korman die als op heete kolen stond om een antwoord te bekomen op de vraag die hij zooeven gedaan had.

Doch Biezeman ging met groote bedaardheid en overleg te werk. Toen het kistje voldoende koud was liet hij het opnemen. Aan den onderkant hing een kegel vuil—althans zoo meende Biezeman, die het er met zijn stok trachtte af te slaan. Doch hij ontmoette iets hards. Door de trilling van den slag liet de droge aarde los en de kegel vertoonde wit schitterende plekken.

„Wat duivel is dat?” riep hij uit, en gelastte de koelies het kistje omgekeerd neer te leggen.

Met hun beiden bekeken zij den uitwas, tot Korman eensklaps uitriep:

„Het geld is gesmolten!”

Zoo was het. In den bodem van het brandkastje bevonden zich twee gaten, bestemd om muurschroeven door te laten. Daardoor had de hitte toegang gekregen tot den inhoud en deze kunnen vernietigen, tot het gesmolten zilver den uitgang weer verstopte.

Korman was gerustgesteld. Waar het metaal gesmolten was, zou er van het kasboek, als dat er zich in bevonden had, niet veel over zijn, en kon hij de laatste afgifte van geld, waarover nog geen verantwoording bestond, in eens boeken. Het kon dan besteed zijn aan het onderhoud der tuinen zoowel als aan pluk en bereiding; in één woord: het was niet meer na te gaan hoeveel picols Sabrang gemaakt had.

Nu zijn attentie niet langer uitsluitend op het afgebrande huis gevestigd was, zag hij ook naar andere dingen, en bemerkte dat onder de koelies die Biezeman gebruikt had, zich ook de man bevond met wien hij indertijd op den weg zoo’n lang gesprek had gehouden.

„Hoor eens, Biezeman,” zeide hij, dezen apart nemende. „Heb jij eenig idee hoe deze brand is aangekomen?”

Biezeman schudde het hoofd.

„De jonker is zoo’n best mensch, dat ik niet zou weten wie.”

„Hm, baldadigheid misschien,” zeide Korman. „Is die eene … daar, de voorste van die bij het kistje staan, niet een vaste opgezetene van hier?”

„Ja, meneer,” antwoordde Biezeman. „Een van de oudsten zelfs; hij heet Tjokro.”

„Laat hem dan het kistje opnemen en ergens in veiligheid brengen. Zoodoende krijgen we hem alleen en zal ik hem eens ondervragen.”

„Ik heb het huis daar aan ’t eind, voor den jonker laten ontruimen,” zeide Biezeman. „Moeder de vrouw is bezig er ’t een en ander in te dragen en op orde te maken met Minah … de barones, weet u.”

„Goed, dan maar daarheen,” zeide Korman, zich aan zijn snor trekkende om niet te lachen over deze mooie titulatuur.

„Tjokro,” begon hij, zoodra zij in het kampong-huis waren, „je ziet er uit alsof je nogal pinter bent.”

„Je begrijpt zoo goed als ik en een ander, dat het huis van meneer in brand gestoken is.”

„Noeninggih!”

„Hier heb je twee ringgits. Als je mij de daders kunt aanwijzen krijg je meer.”

„Noeninggih, koelo noewoen!”

„Heb je eenig vermoeden wie het gedaan zou hebben?”

„Dat is alles wat wij kunnen doen,” zeide Korman, en na nog eenige vragen gedaan te hebben het werk op Biezeman’s afdeeling rakende, vertrok hij.

Dien avond schreef Korman aan zijn geldschieter over het ongeval. Wat het meest te betreuren was, meende hij, waren de ruim tien picols koffie, die mede verbrandden. Gelukkig dat Watoeombo een gelijk getal boven de taxatie produceerde; dat verzachtte het feit eenigszins, hoewel het niettemin zeer te bejammeren viel. In allen gevalle was het een les om geen te groote zuinigheid te betrachten in de constructie van latere gebouwen waarin het product moest worden opgeschuurd, en die in eens maar van hout en met zink gedekt, op te stellen.

Ook van Everdingen was huiverig geworden voor alang-alang bedekking, en zeide dit aan Korman, toen er eenige dagen na den brand sprake was van wederopbouw van zijn huis.

„Ja,” zeide Korman, „ik heb er al over gedacht, om nu wij toch bouwen moeten, een houten huis te zetten. Kostte dat lamme djatihout maar niet zooveel geld! Want wildhout, je ziet het aan mijn huis, trekt, en werkt en barst tot de boel er zoo onooglijk uitziet dat je het wel omver zoudt willen halen. Enfin, het volgend jaar metsel ik alles in; maar om nu op Sabrang ook al een steenen huis te zetten.…”

„In Holland heb ik wel eens gehoord,” zeide van Everdingen, „dat men hout moest vellen bij donkere maan. Dan trekt het niet, zegt men.”

„Daar had ik me bijna verpraat!” dacht hij toen van Everdingen vertrokken was. „We zullen wel djatihout koopen waar ze thuis niets van weten, maar als die Everdingen er de lucht van krijgt, maakt hij maar weer capsies.”

Rencke wist niet wat hij er van denken moest. De door hem gezonden inlander was zeer betrouwbaar; het stond dus vast dat die Tjokro zich zoo had uitgelaten; maar kon het waar zijn, wat hij beweerde? Hij dacht er over om naar Korman te gaan, en het dezen te vertellen, doch schrikte hiervoor terug omdat hij hem niet geraadpleegd had alvorens zijn mannetje te zenden. Van Everdingen te waarschuwen vond hij niet fair.…

„Soedah!” besloot hij; „als het waar is dat die Tjokro de zaak rondbazuint, dan komen er ook anderen achter. Het gaat mij in zekeren zin niet eens aan. Ik zwijg derhalve.”

De komst van den bediende van Korman met een dik pak papieren gaf aan zijn gedachten een andere richting. Het waren passen voor het vervoer der koffie naar de stad, één voor iederen picol. Zij waren geteekend door den secretaris der residentie, en werden beschouwd als een panacee tegen het vervoer van clandestiene koffie. Want, meende de resident, als nu ieder, die zonder zulk een pas koffie transporteert, wordt aangehouden, hoe zou dan nog diefstal aan iemand nut zijn, als hij de verkregen waar niet zonder groot gevaar bij de afnemers kan brengen?

Dit was immers juist geredeneerd! Het gaf een hoop schrijfwerk en meer werkte het niet uit; want van Watoeombo gingen den volgenden morgen als eerste zending dertig picolpaarden, waarop minstens tien picols koffie die rechtens aan het gouvernement toekwamen.

Toen deze oogst weg was, werd het tijd aan de voorbereidende maatregelen te denken voor dien van het volgend jaar. Zonder aarzelen schatte Korman die op duizend picols; wat er tekort kwam wist hij nu gemakkelijk aan te vullen. Doch er moest een installatie gekocht worden, en daarvoor zou hij zelf naar Soerabaja gaan.

Eer hij vertrok bezorgde hij twee dingen. Vooreerst de benoodigde metselsteenen, waartoe hij een steenbakker liet komen, die aan den overkant der kalie de geschikte aarde vond om zijn bedrijf uit te oefenen, en daar weldra aan den gang was met vormen.

Ten tweede het hout. Hij was vast besloten zooveel mogelijk stijlen van djatihout te gebruiken voor de permanente gebouwen der installatie. Een deel daarvan moest hij inkoopen, om geen achterdocht te verwekken; doch de rest, en tevens het hout voor van Everdingen’s nieuwe woning, bezorgde hij zich op de volgende manier.

Voor eigen gebruik, dat wil zeggen voor hun huizen, mogen de javanen djatihout kappen. Zoodoende vindt men in de dessa hier en daar een huis waarvan het geraamte uit de zoo gewilde houtsoort bestaat. Het is niemand verboden zulk een woning te koopen en naar elders over te brengen. Doch er zit niet veel hout in. En toch ontvangt de kooper zooveel balken als hij wil, die allen uit dat fameuse huis heeten te komen.

Het eigenaardige van de transactie bestaat in de aanstellerij van kooper en verkooper. Geen van beiden spreekt het woord uit, dat de zaak aanwijst die moet worden uitgevoerd.

„Kromo,” zegt de eerste. „Ik wil je huis koopen; ik kan echter zoo op het oog niet schatten hoeveel hout er in zit; breng het bij mij op de onderneming, en daar zal ik het opmeten; ik betaal zooveel per voet.”

Kromo antwoordt op dit alles met het stereotype noeninggih ’ndoro. Hoogstens bedingt hij een hoogeren prijs dan de gebodene. Eindelijk wordt hem gevraagd of er wel balken van zekere afmeting in voorkomen, en wordt hem de maat met een grassprietje of een touwtje duidelijk gemaakt. Dan trekt hij een bedenkelijk gezicht.

„Ja, zie je,” gaat de kooper voort. „Die moet ik absoluut hebben. Maar ik geloof wel dat zij er zijn, ten minste achterin heb ik eenige balken gezien, die nog nieuw waren. Men zou haast zeggen dat zij eerst kort geleden gekapt waren.”

Dan gaat hij hakken en brengt bij één ouden balk, twintig nieuwe, waaraan een poeroesan gefabriekt is, die elk eerzaam timmerman een stuip zou bezorgen van het lachen als hij hem zag.

Op zijn reis naar Soerabaja, den dichtstbijgelegen houtaankap aandoende, bestelde Korman eenig houtwerk; voornamelijk daksparren en andere stukken van kleinere afmeting, die hij op de onderneming moeielijk kon laten aanmaken, daar zij gezaagd moesten worden, en de inlandsche timmerlieden die hij had, slechts konden bekappen.

Nauwelijks was hij weg, of Li maakte zich op om aan een beleefdheidsplicht te voldoen. De huishoudsters van de employé’s hadden haar allen bezocht, doch Korman had haar nimmer toegestaan contra-bezoeken te gaan brengen. Het ging haar aan het hart, want Li was van nature zeer fijn van manieren, doch waar hij gebood moest zij volgen; dat beschouwde zij als haar eerste plicht. Nu echter was er gelegenheid het verzuimde in te halen, en zij maakte er dadelijk gebruik van.

Als de hoogste in rang ontving Minah—de barones, zou Biezeman zeggen—het eerste bezoek, dat van ’s morgens tot in den vooravond duurde. Toen zij kwam ontving Minah haar met gebak, maar niet de gewone inlandsche kwee-kwee, neen, echt gebak zooals dat in de groote steden werd gemaakt door hollandsche dames. Ook onderwees zij Li in de kunst het te bereiden, met gist die zij zelf kweekte en waarmee zij ook brood bakte. Brood! Dat zag men op Watoeombo slechts eens per week, als de plajangan kwam, en dan nog oudbakken. Li moest dadelijk weten hoe Minah dat deed.

En deze wees haar hoe zij een kopje meel nam, er een dooier van een ei doorheen werkte en wat zout, het daarna aanmengde met klapperwater en door de kokki liet kneden, of eigenlijk slaan op een plank, tot het genoeg was, wat zij dááraan zag dat het deeg in draden kon worden getrokken die taai waren, en hoe fijn ook, niet braken. Dan nam zij voor de eerste maal een weinig deeg er van af, en bewaarde dit in een stopflesch tot den volgenden dag; dan werd de helft er van in het nieuw te maken brood gebruikt en van het geknede deeg weer een weinig bijgevuld in de stopflesch. Na vier of vijf dagen was daarin een soort gist gekweekt en door het gebruik daarvan rees het brood elken dag mooier.

Aan de rijsttafel was van Everdingen tegenwoordig, en volmaakte de ontvangst die Minah aan Li bereid had, door zijn vele attenties. Toch, toen Li naar huis ging was zij niet in haar schik. Zij kon zich geen rekenschap geven van wat het was, maar Minah had op haar een ongunstigen indruk gemaakt. Zou het jaloezie wezen? Vrouwen zijn soms zonderling, en gunnen den man dien zij verstooten hebben aan geen ander.

Li had er spijt van dat zij Minah den volgenden dag bij zich genoodigd had; doch het was niet te herroepen, en Minah kwam.

Toen zij weer vertrokken was wist Li wat haar gevoel beteekende. Minah was een valsch, gevaarlijk wezen. Li had moeite gehad zich bedaard te houden, en dat moest toch, wilde zij zonder gevaar voor haar zelve en haar kinderen het kwaad voorkomen dat stond te gebeuren.

Zij hadden samen gepraat—Minah bracht het gesprek er op—over de positie van een huishoudster. Dat Korman haar kon wegzenden, wist Li; doch natuurlijk zou hij dat nimmer doen, tenzij zij zich misdroeg; en o! de gedachte zelfs daaraan was haar vreemd. Zij was immers zijn vrouw, de moeder zijner kinderen.…

Dat had Minah van alle kanten goed bekeken. Zoodra de heeren het betalen konden, namen zij een vrouw en kon de huishoudster haar matje oprollen. Tenzij zij pinter was. Want er waren middelen om de heeren te dwingen! Die assistent-resident onder anderen, die naast hen woonde in de stad.… Minah was nog jong toen het gebeurde, maar zij had het verhaal dikwijls gehoord van de oude tante van haar moeder, die bij hen inwoonde, en zelf de obat had geleverd. Die mooie meneer dacht zoo stilletjes met verlof naar Holland te gaan. Maar het behoefde niet! Want een poosje te voren werd hij ziek en dacht dat hij ging sterven. En zijn huishoudster had verschrikkelijk geschreid en zich aangesteld alsof zij zich de haren uittrok van verdriet, kermende en klagende dat zij en haar kinderen naar de kampong verwezen waren, omdat die arme schapen niet gewettigd waren. Toen was er een ambtenaar gekomen van de secretarie en zij waren getrouwd, om de kinderen. En de njonja assistent trok kousen en schoenen aan en een zwartzijden japon, en mocht voortaan als er visite was binnenkomen; want.… de assistent-resident werd beter! Wat hadden haar moeder en de tante van haar moeder er dikwijls om gelachen! Maar zij, Minah, had het zich in het geheugen geprent; en eer zij met haar zuster was meegegaan naar hier, om huishoudster te worden bij van Everdingen, wist zij uit welke planten de obat was getrokken die zulk een heerlijke uitwerking had.

Li nam zich voor om Korman dadelijk te waarschuwen als hij thuis kwam. Op het oogenblik durfde zij niets, want zoo’n schepsel was tot alles in staat als zij wist dat Li haar verraden had.

Korman bleef langer uit dan hij oorspronkelijk van plan geweest was. Toen hij bij den fabrikant kwam om te bestellen, vroeg deze hem ten eerste hoeveel koffie hij per etmaal wilde pellen, en ten tweede over hoeveel water hij beschikken kon. Op de eerste vraag kon hij natuurlijk dadelijk antwoorden, zoodat de fabrikant hem aanraadde op Sabrang, op beide afdeelingen, een paar pulpers te plaatsen, door koelies uit de hand te draaien; evenzoo op de afdeeling van Brisson; doch op Watoeombo zelf moest andere beweegkracht aangewend worden en dadelijk een grootere installatie opgesteld. Als de drijfkracht water was, dan moest de fabrikant weten hoeveel daarvan kon verkregen worden, teneinde de grootte van het waterwiel te kunnen berekenen.

„Wel, een kalie vol!” riep Korman uit.

De fabrikant kon evenwel met die opgave niet volstaan.

„Ik moet twee dingen weten,” zeide hij. „De hoeveelheid water en het verval. Het eerste bepaalt men ruw weg, door de kalie over een lengte van vijftig meters op afstanden, van bijvoorbeeld vijf meter, te peilen en aldus de gemiddelde diepte te berekenen. Dan meet men op dezelfde wijze de gemiddelde breedte. En eindelijk laat men aan het begin van het gemeten vak een licht voorwerp, een kurk of zoo, in het water vallen en neemt nauwkeurig op in hoeveel seconden het den weg aflegt tot aan het einde.

„Voor het verval moet ik weten hoe hoog u, na afdamming der rivier, het water kunt krijgen boven de plaats der installatie. Dat geschiedt door eenvoudig waterpassen.”

„Wilt u dat eens opschrijven,” verzocht Korman, „dan zal ik mijn eersten geëmployeerde opdragen een en ander ten spoedigste te doen.”

Zoo geschiedde, en Korman moest wachten tot hij de opgaven van Watoeombo had ontvangen. Ook schreef hij aan Messner, die hem opdroeg voor hem een viertal pulpers te bestellen, die met de hand bewogen konden worden, doch later eventueel ook op een waterwiel te gebruiken waren.

In den tijd die er verliep tusschen het afzenden van zijn brief en het antwoord daarop, verveelde Korman zich vrij wel in de groote stad, daar hij bijna niemand kende. ’s Avonds bezocht hij meestal de Sociëteit, waar Benoit hem een introductie bezorgd had; maar te eenkennig om zich aan dezen of genen voor te stellen, zat hij uit den treure de prentjes te bekijken in de leeszaal.

Eens meende hij een bekende luidklinkende stem te hooren, en opziende bemerkte hij zijn buurman van Os. Snel sloeg hij de illustratie die voor hem lag, dicht en hield zich als wilde hij het gebouw verlaten, zich echter met opzet naar de zijdeur begevende om van Os tegen te komen.

„Hallo!” riep deze uit. „Ben jij ook hier? Dat treft! Laat mij om te beginnen de heeren eens aan elkaar voorstellen. Kaptein Kool van de genie, mijn technisch raadsman—meneer Korman, administrateur van het monsterland Watoeombo.”

Beiden vonden de kennismaking aangenaam, althans zij verklaarden zulks.

„En wanneer ga je weer naar boven?” vroeg van Os.

„Over een paar dagen,” zeide Korman, en vertelde waarop hij wachtte.

„Dan konden wij wel samen gaan—dat is te zeggen met ons drieën,” opperde van Os. „Want mijn vriend Kool zal me het genoegen doen van ziek te worden en berglucht noodig te hebben tot herstel van gezondheid.”

„O zoo!” zeide Korman lachend, den kapitein aanziende, die een toonbeeld van gezondheid was.

„Van Os spot er mee,” zeide deze. „Doch ik ben werkelijk ongesteld. De zaak is deze: als ik om dezen tijd niet eens naar een koel klimaat ga, dan word ik ziek en moet toch naar boven.”

„Dus bij wijze van voorbehoedmiddel?”

„Geraden! Voor den dienst is het precies hetzelfde of ik gezond dan wel ziek een maand absent ben, maar voor mij persoonlijk maakt het een groot verschil. En nu kan ik tegelijk mijn vriend van Os een genoegen doen door eens naar zijn bouwerij te kijken; waarom zou ik het dus laten?”

„U heeft volkomen gelijk,” zeide Korman. „En … mag ik vragen, heeft u ondervinding van den aanleg van koffie-établissementen?”

Er was onmiskenbare ironie in den toon van zijn stem. Kapitein Kool voelde het, en fronste de wenkbrauwen.

„Hoe kan je dat vragen!” riep van Os als verwonderd uit. „Heb je meneer zijn naam niet goed verstaan?”

„Ja wel,” stotterde Korman; „kaptein Kool …”

„Van de genie,” vulde van Os aan. „Juist; en ken je dan het werk niet dat de kaptein heeft samengesteld?”

„Neen …”

„Wel voor den dokter! Hoe is het mogelijk?! Kijk bij gelegenheid eens in de laatste aflevering van de Indische Gids; die heeft er nog een recensie over.”

„Hoe heet het?” vroeg Korman geheel overbluft.

„Hm,” deed van Os, „ùche, ùche. Hoe duivel … o ja…, Koffie-établissementen, in Oost- en West-Indië. Is ’t niet, Kool?”

„Ja,” zeide deze met een quasi zedige gelaatsuitdrukking. „Met houtsneden.”

„Juist. Er staan teekeningen achter.”

„Wel,” zeide Korman, „dan zal ik er morgen dadelijk een exemplaar van koopen. Het is hier toch te krijg?”

„Ik geloof dat Thieme & Co het heeft,” zeide kapitein Kool. „Hoewel … het is in Holland uitgegeven.”

„Kom, laat ons nu wat gaan biljarten,” stelde van Os voor, zijn glas ledigend.

„’n Goed merk; alleen een beetje verwaand,” zeide van Os.

Korman ging den volgenden morgen naar Thieme & Co en vroeg naar het boek van kapitein Kool. De employé die hem te woord stond, raadpleegde den Catalogus voor den Boekhandel, doch vond het er niet in.

„Het is zeker een pas uitgekomen werk. Ik zal er over schrijven en het u toezenden. Mag ik uw adres weten?”

Korman gaf het en ging toen terug naar zijn logement, waar hij tot zijn groote vreugde brieven van Watoeombo en Donowarie vond met de verlangde opgaven.

De zaken wikkelden zich nu spoedig af. De fabrikant maakte zijn becijferingen, en daarna een teekening voor het metselwerk dat Korman had laten doen. Voor de opstelling van het ijzeren waterwiel en de overbrengende beweging, zou een deskundige te Watoeombo komen.

Zooals was afgesproken maakten zij de terugreis met hun drieën, in Korman’s reiswagen.

Op Watoeombo komende bevond Korman dat er reeds een flinke massa hout was aangekomen, zoowel van den houtaankap als uit de dessa. De steenbakkers hadden een oven opgebouwd van twintigduizend steenen, en er juist den brand in gestoken, zoodat men over een week de gare metselsteenen kon verwachten. In de stad had hij kalk en portland-cement besteld; zand leverde de kalie in elke hoeveelheid.

Rencke, die in zijn schooltijd aan rechtlijnig teekenen gedaan had, zette, na eenige studie op de teekening van den fabrikant, de fundaties heel aardig uit; tot stille tevredenheid van Korman, die gevreesd had met vragen te zullen worden lastig gevallen over al die strepen en lijnen waarvan hij niets begreep.

Zoodra zij zoover waren dat op het terrein zelf de grootte van de molenloods kon aangegeven worden, werd deze opgetrokken. Djatihouten stijlen op steenen voetstukjes droegen het dak, dat met gegalvaniseerd ijzer gedekt werd. De helft der loods werd ingenomen door de molens; de andere helft, die ongeveer anderhalf meter hooger uit den grond was, werd bevloerd en gepleisterd, terwijl een laag halfsteensmuurtje er omheen liep.

Toen men dit gereed had, en aan den buitenkant ook de fundeering voor het waterwiel, schreef Korman aan den fabrikant dat hij gereed was, en stuurde koelies en paarden naar de stad, om het daar, bij zijn chineeschen agent, bewaarde ijzerwerk af te halen.

Ver boven de kampong was een dammetje in de kalie gelegd, even hoog genoeg om een gootvol water af te leiden. Een mandoer, dezelfde die indertijd van Korman een pak slaag had gekregen, omdat hij de terrassen niet waterpas kon maken, was daar aan het werk; en nu hij water had bewees hij als een echte javaan daarmee de zuiverste waterpasse leiding te kunnen maken. Bijna veertig voet boven de molenloods kwam de waterleiding uit, waarin men desverkiezende de geheele kalie had kunnen aftappen.

Van Soerabaja kwam nu de deskundige, de monteur der fabriek, die de installatie geleverd had. Hij bracht een inlandsch werkman mee. Deze twee, geholpen door een zestal koelies van de onderneming, zetten het ijzeren waterwiel, dat uit segmenten bestond die aan elkaar geschroefd werden, in korten tijd op de fundatie, en daarvan uitgaande, brachten zij een as dwars door de loods aan, die zes riemschijven droeg, één voor elken pulper. Ten slotte liet de deskundige een draaibare sluis maken, om, al naar men noodig had, het water in het wiel te kunnen leiden of het te doen afstroomen naar de kalie. Toen dit alles gereed was, waarmee ongeveer twee weken waren gemoeid geweest, liet hij den boel draaien. Daarbij bleek dat alles in orde was, althans de beweegkracht en de transmissie; de pulpers zouden eerst gekeurd kunnen worden als er koffie was. Doch het systeem was reeds elders beproefd en goedbevonden, dus gaf Korman zonder aarzelen een kasaanwijzing af op Benoit voor den prijs der installatie en de onkosten van het monteeren, waarmee de deskundige vertrok.

Op de afdeelingen, en eveneens op Donowarie, was het eenvoudiger toegegaan. Daar stonden de molens onder een bamboe-loods en daarnaast de gemetselde waschbakken. Water voor de pulpers en voor het wasschen werd met bamboe-leidingen uit de kalie getrokken.

De molenloods te Watoeombo stond dicht bij de administrateurswoning, en vandaar tot aan de kampong werd nu het geheele terrein getransformeerd in droogbakken; in vorm gelijk aan de primitieve aarden bakken, doch nu netjes bevloerd met metselsteenen en geheel met portland-cement bepleisterd. In de specie die voor pleisteren gebruikt wordt, mag geen kalk bijgemengd worden, daar deze zich door de inwerking van de natte koffie oplost.

Lang voor de koffie geplukt kon worden waren op Watoeombo de installaties gereed. Op Marialand was men niet zoo vlug.

Kapitein Kool was daar den dag na zijn aankomst begonnen het terrein, dat van Os voor zijn installatie bestemd had, van alle kanten te bekijken en op te meten. Toen had hij teekengereedschap te voorschijn gehaald en zich gedurende een week beziggehouden met het vervaardigen van schetsen, die hem echter geen van allen schenen te voldoen.

„We moesten eens beginnen, ouwe,” zeide van Os op een morgen.

„Dat zullen we ook,” was het antwoord. „Maar mijn stelregel is: eerst met het hoofd, dan met de handen. En met het hoofd ben ik bezig, ja bijna klaar. Kijk eens hier.”

Terwijl van Os de hem voorgelegde schets bekeek, legde de genieofficier hem die uit.

„Dat is drommels mooi!” riep van Os eindelijk uit. „Weet je wat, ik zeg niets meer; ga jij je gang, al moest het nog een maand duren.”

„Overmorgen ben ik klaar,” beloofde Kool. „Laat straks even een plank voor mij afschaven, dan zal ik de werkteekeningen maken. Overmorgenochtend kan je laten beginnen met uitgraven; ik zal het morgen uitzetten.”

Kapitein Kool bleef een maand, en toen hij weg ging, wist van Os hoe hij het werk moest afmaken. Een zestal werkteekeningen wezen het als vanzelf aan, duidelijk en gedétailleerd als zij waren.

Eindelijk was ook hij zoover dat de monteur kon komen, niet echter om een waterwiel op te stellen, doch een kleine stoommachine.

De administrateur van Marialand had namelijk één principe consequent doorgevoerd. Zijn woning, de kampong en het établissement lagen precies in het centrum der onderneming. Dat had hij geacht het meest in het belang van de zaak te zijn, en daar moest zoo mogelijk alles zich naar regelen. Hij kon nu wel een waterleiding maken naar het établissement, doch de kosten daarvan zouden zeer hoog geloopen zijn; dus koos hij een stoommachine als motor voor zijn pulpers en maakte een gewone buisleiding van bamboe voor het waschwater. En om dit laatste nog zoo goedkoop mogelijk in te richten, liet hij de leiding slechts uit één bamboe aanleggen en een verzamelbassin metselen, dat ’s nachts vol liep, en zoodoende voor het werk overdag genoeg uitleverde.

Het opstellen van de kleine stoommachine duurde niet lang, doch bij het proefstoomen draaide zij zeer langzaam, en toen de pulpers werden aangekoppeld weigerde zij formeel den dienst. De monteur, een gewezen machinist van een stoomboot, zocht een week lang naar de fout, en verklaarde eindelijk dat die moest zitten in een te kleine uitholling van de stoomschuif, waardoor de afgewerkte stoom niet spoedig genoeg ontwijken kon en zoodoende een tegendruk veroorzaakte.

Van Os zat met de handen in het haar. Tot overmaat van ramp kreeg hij de tijding dat er twee nichtjes van hem in Indië waren aangekomen en te Batavia zouden komen inwonen bij hun oom, een andere broer van van Os. Dit ware nu op zichzelf genomen zoo erg niet, maar broer kon hen om de een of andere reden niet dadelijk bergen, en had hen daarom tijdelijk in het logement bezorgd, om hen per eerstvolgende boot naar Soerabaja, adres van Os, op te zenden. Hij moest dus naar Soerabaja om hen te halen.

„Hoor eens,” zeide hij tot den monteur, toen de tijd drong; „loopt dat ding nu of niet? Ik bedoel vandaag nog.”

„Neen meneer,” was het antwoord. „Er is een gebrek aan de.…”

„Ja wel, dat weet ik,” viel van Os in. „Er zit iets in de stoomschuif het achterste voren, of zoo. Ik wou alleen zeggen dat ik morgen naar Soerabaja ga. Wil je meegaan of wachten tot je chef hier komt; want dien breng ik mee.”

„Ik zou liever hier blijven,” zeide de monteur. „Als de ingenieur dan komt, wou ik er graag bij zijn.”

„Goed,” besloot van Os.

Korman had gehoord dat van Os met zijn installatie tobde. Hoe en wat, wist de inlander die het vertelde niet te zeggen. Daarom besloot hij er eens heen te gaan. Op het briefje, dat hij vanwege den kwaadaardigen hond den dag te voren verzond, kreeg hij echter antwoord van mevrouw van Os dat haar man plotseling op reis was gegaan. Hij stelde den tocht dus uit.

Na een week kwam van Os terug, zijn nichtjes en den ingenieur medebrengende. De laatste was een dier weinige Engelschen, die men in het buitenland aantreft vrij van de ruwe vlegelachtige lompheid en stijve aanstellerij, die de kenteekenen zijn van exemplaren van dat ras, zoodra zij hun eigen land verlaten hebben.

Hij was daarenboven zeer conversabel en bewegelijk, sprak bijna onberispelijk hollandsch, en had de reis vooral voor de jonge dames met veel tact en geest weten op te vroolijken.

De nichtjes, Caroline en Saartje, twee en twintig en twintig jaar oud, waren beiden zeer blond, opgewekt, beschaafd, muzikaal en pas van de kostschool.

De monteur haastte zich zijn chef te begroeten.

„Halloh Stevens,” zeide deze; „won’t she go? Wat mankeert er aan?”

Door van Os vergezeld gingen zij naar de machine. En hier veranderde op eens de geheele manier van doen van den engelschen ingenieur. Kalm en met een ernstige beradenheid bezag hij de opstelling, en knikte een paar maal goedkeurend.

„Well done!” zeide hij tot Stevens, die herademde. Toen, de hand aan het vliegwiel der machine slaande, trachtte hij dit, doch vergeefs, om te draaien.

„Laat dien riem even afnemen,” gelastte hij. „Heb je al stoom?”

„Pas twintig pond meneer,” antwoordde Stevens met een blik op den manometer.

De riem die de machine aan de overbrengende beweging verbond was er intusschen afgenomen. Nog eens herhaalde de ingenieur zijn proef, en toen hij met alle kracht het vliegwiel nauwelijks een duim verder kon draaien, vroeg hij om een schroefsleutel. Hiermede draaide hij de moeren van de kussenblokken een weinig losser, en ging voorts ook die der werkbussen na. Eindelijk lichtte hij de klepjes van de oliekoppen op, en draaide voor de derde maal aan het vliegwiel, dat nu zonder eenige moeite rondging.

Toen zette hij de waterkraantjes van den cilinder open, liet nog één blik over het geheel gaan en draaide langzaam aan de smoorklep.

Statig zette het kleine ding zich in beweging. Pf, pf, deden de waterkraantjes, maar nadat deze gesloten waren, hoorde men niets meer.

„She ’s allright,” verklaarde de ingenieur.

„Ja wel,” zeide van Os, „zoo ging het laatst ook, maar dat is te langzaam, en als de molens aangezet worden staat hij stil.”

De ingenieur zeide niets, doch met een handige beweging wierp hij den riem over het draaiende drijfwiel. De machine bleef bijna even vlug doorloopen. Nog een zetje aan de smoorklep, en alles snorde full speed.

„Prachtig!” riep van Os uit. „Wacht, ik ga de dames roepen.”

Van zijn afwezigheid maakte de ingenieur gebruik om den armen Stevens, die er met open mond bij stond, een ongezouten standje te maken. En deze kon niets anders tot zijn verdediging aanvoeren, als dat hij aan boord gewoon was geweest met stijf aangeslagen metalen te werken.

„Dat is waar,” zeide zijn chef. „Maar als je je zelf aanbiedt om landmachines te monteeren, dan behoor je ook daarvan verstand te hebben. Never mind, het overige is in orde, wees in ’t vervolg attenter.”

De dames vonden het natuurlijk heel mooi; maar van Os was in de wolken. Morgen moest er geplukt worden, en hoezeer zijn vrouw ook tegenstribbelde en beweerde dat zij nooit klaar zou komen, wilde hij invitaties rondzenden aan alle heeren in de buurt om in den namiddag te komen en vervolgens een klein maalfeest mede te vieren.

Dat zij allen aan de uitnoodiging voldeden behoeft wel geen betoog, en eenstemmig was de bewondering over de practische inrichting van het établissement.

Aan den rand van het boschje, waarin het woonhuis stond, lag een vrij gelijkmatig hellend terrein. Bovenaan waren drie terrassen uitgekapt. Op het hoogste stond een loods, met steenen vloer, welke vloer van hout was voortgezet en met een dikke pleisterlaag bedekt tot over het tweede terras heen, alzoo daarop een bovenverdieping vormende. Deze bovenverdieping was, met het hoogste terras, de ontvangloods der roode koffie. Door gaten in den vloer, die in trechters uitkwamen, liep de koffie door water gestuwd en medegevoerd in de pulpers, die beneden stonden op het tweede terras, waar een kleine afgescheiden ruimte ook de stoommachine en ketel inhield. Het derde terras bestond uit vier waschbakken. Dit alles was onder dak en omsloten door een traliewerk van zoogenaamd volièregaas. Nog lager waren de droogbakken, terrasvormig vóór en naast elkander, door een vernuftig gotenstelsel gescheiden, waarlangs men de koffie, als die gewasschen was, met een waterstraal op de bakken kon doen loopen. Behalve de stoker voor de machine, waren twee man voldoende om de geheele installatie te doen werken.

Toen de gasten verzameld waren, leidde van Os hen naar de molenloods en nam het ontvangen van de koffie een aanvang. Door een mandoer en een amboneesch opzichter geleid, liep dit, dank zij de tucht die bij alles op Marialand heerschte, zeer spoedig af. Daarop ging men het trapje af naar de machinekamer. Slechts de dames en de administrateurs konden hierin een plaats vinden, de anderen stonden in de ruimte bij de pulpers.

Op de smoorklep was een bloemruiker gebonden; en terwijl een bediende champagne presenteerde, noodigde de ingenieur mevrouw van Os uit de machine in beweging te stellen.

„Ik durf niet,” zeide zij. „Laat Caroline het maar doen.”

Caroline durfde wel. Zij trad naar voren en draaide op aanwijzing van den ingenieur aan het wieltje. Daarbij had zij uit vrees voor olievlekken de mouw van haar japon hoog opgetrokken en vertoonde een buitengewoon fraaigevormden arm. Trouwens het heele tooneeltje, toen de machine begon te draaien en de aanwezigen een luid hoera deden opgaan, had iets zeer frisch en levendigs, geaccompagneerd als het werd door het geklater van het vallende water en het knarsen van de koffie in de pulpers.

Men had eindelijk genoeg gekeken en allen begaven zich naar het woonhuis, om zich met een bittertje of een glas port voor te bereiden tot het diner. Aan tafel werd toast na toast geslagen. Doch toen Messner den gastheer prees over zijn practischen blik bij de inrichting van de installatie, nam deze het woord en verklaarde dat de eer daarvan geheel aan zijn vriend Kool toekwam.

„’t Is waar ook,” zeide Korman. „Dat boek … ik heb het niet kunnen krijgen. Heb jij het?”

„Neen,” antwoordde van Os. „Dat was een ui.”

„Hoe flauw!” mompelde Korman. Doch hij werd niet boos; daartoe was hij op het oogenblik niet in een stemming. Er was met hem sedert het laatste uur iets zonderlings voorgevallen. Eerst wist hij niet wat het beteekende en meende dat hij koorts had. Een extra bittertje, anders voor hem een afdoend middel, hielp ditmaal niet; doch toen hij aan tafel zat en links van zich Caroline van Os vond … o, toen zag hij plotseling weer dien arm aan de smoorklep en een hevige begeerte maakte zich van hem meester om dien meer, altijd! te mogen zien, hem tevens te kunnen verbergen voor de onbescheiden blikken van ieder ander. Hij dacht niet aan Li, aan zijn kinderen, aan niets als aan dien blanken arm, dien hij detailleerde in zijn vormen en lijnen tot het kuiltje toe in den elleboog.…

Na tafel speelden de dames op de piano, en later op den avond werd dit instrument voor het raam der binnengaanderij geschoven om den dans te accompagneeren der jongelui in de voorgalerij. Korman stond in de deuropening, zich verwenschende dat hij niet kon dansen en geen oogenblik de bevallige gestalte van Caroline uit het oog verliezende, woedend als nu Rencke, dan van Everdingen, dan Brisson haar omvatten.…

En het verliet hem niet meer, ook niet toen de gewone gang van het werk hem tot bedaarder nadenken dwong. Li was wel goed, maar men kon toch zijn heele leven niet tegen zoo’n bruin gezicht blijven kijken, en ook vond hij het nu eensklaps jammer om het geslacht der Kormans voorgoed in de donkere kleur te converteeren. Wat een verschil toch! In het gezicht mocht het minder opvallen, maar op zoo’n arm! En verder! Hoe echter moest hij het tot stand brengen? Li wegzenden … wat zou Messner doen? En toch, niettegenstaande alle moeielijkheden die hij voorzag, wilde hij het niet opgeven.

De meisjes blijven een maand of drie, had van Os gezegd; welnu, die tijd was lang genoeg om alles voor te bereiden, en eindelijk zou hem wel een denkbeeld invallen om met fatsoen Li weg te krijgen en Caroline in haar plaats. Intusschen zou het zaak zijn dikwijls naar Marialand te gaan; een voorwendsel was gemakkelijk te vinden … een digestiebezoek om te beginnen.

Doch in de eerste dagen kwam er niet van. De pluk was begonnen. Brisson werd op het hoofdkwartier ontboden en belast met het toezicht op het malen en de verdere behandeling der koffie. In zijn vrije oogenblikken liet Korman hem aan de boeken werken, die nu van den beginne af opgehaald, in behoorlijken vorm werden ingericht.

In Brisson’s plaats werd voorloopig de hoofd-mandoer van Rencke gezet, terwijl Korman een oproeping in de couranten had laten plaatsen voor een nieuwen opzichter. Aan beide europeanen gaf deze regeling, vooral in de eerste dagen, veel werk.

Eén zaak baarde Korman veel zorg. Hij moest dit jaar een paar honderd picols gouvernementskoffie koopen, en als het wat lang duurde eer hij een employé had voor de afdeeling van Brisson, zou de hoofd-mandoer dien inkoop moeten leiden. Dat was de kat op het spek binden, met andere woorden den man in sterke verleiding brengen ten eigen bate te ruim te meten en er zoo een duitje uit te knoeien.

Korman besloot een laatste poging aan te wenden om van Everdingen tot andere gedachten te brengen wat betrof den opkoop van koffie.

Voor de eerste maal sedert het feest op Marialand ging Korman van Watoeombo weg. Nauwelijks had hij de kampong achter zich, of weer hield datgene zijn gedachten bezig dat er sedert zijn ontmoeting met Caroline van Os nooit geheel uit was geweest. Alleen, waar het een zaak betrof die hem persoonlijk aanging, kon hij nooit in geregelde volgorde nadenken. Steeds nam hij sprongen van de voorbereiding eener zaak, als hij al zoover kwam, tot op het geheel gereedzijn en de gevolgen daarvan voor hem zelf. Zooals nu, op zijn rit naar Sabrang, moest hij tot drie, viermaal toe zijn gedachten terugdringen van het punt dat zij bereikt hadden, namelijk het huwelijksleven met Caroline, tot de vraag hoe van Li af te komen en hoe Caroline … aan te klampen, zooals hij dat bij zichzelf uitdrukte.

Hij stond voor van Everdingen’s woning vlugger dan hem lief was, ja eigenlijk hinderde het hem dat hij niet nog wat had kunnen doorrijden en zich bij zijn overdenkingen houden, te meer daar hij nu niet gereed was met zijn argumenten in de zaak waarover hij van Everdingen had te spreken.

Maar hij was er, en dus steeg hij af, zich echter verwonderende van Everdingen niet voor den dag te zien komen. Op het werk waar hij langs gereden was, had hij hem ook niet gezien; waar duivel zat de vent?

„Waar is meneer?” vroeg hij op ongeduldigen toon.

„Tobat,” klaagde Minah; „meneer is uit. Hij is in de laatste dagen altijd uit, en komt soms niet eens rijsttafelen.”

„Is hij bij meneer Biezeman?” vroeg Korman.

„Neen,” zeide Minah verbaasd. „Op Soemberpetong. Om teekeningen te maken van den molen daar. Hij zeide dat de toewan besaar het gelast had.”

Op Soemberpetong! Minah gebruikte hier den inlandschen naam voor het land van van Os.

Korman stond als versteend. Soemberpetong! Marialand! En dat terwijl hij zijn tijd met nietsdoen verknoeide! Een beeld, van Everdingen vrijende met Caroline, teekende zich in zijn gedachten af en deed hem de vuisten ballen. Vervloekt! En toen herinnerde hij zich op eens wat Li hem bij zijn terugkomst verteld had van Minah …

„Op mijn last, haha!” stootte hij uit. „Heeft hij je dat wijsgemaakt, domoor? Ja wel, op mijn last! Oók als hij straks een der jonge dames als zijn vrouw hier in huis brengt zeker?”

Een donkerder tint overtoog Minah’s gelaat, haar borst ging hevig op en neer, en een stap nader komende greep zij met haar rechterhand den opslag van Korman’s jas.

Hij maakte dat bevestigend keelgeluid, in Indië gebruikelijk, en nam tevens haar hand van zijn jas weg, om op een heel anderen toon voort te gaan.

„Pas op,” zeide hij; „als iemand het zag!” Doch haar hand hield hij vast, haar zachtjes voortduwende tot in van Everdingens slaapkamer.

„Soedalah!” zeide Minah. „Als hij mij ontrouw is, waarom zou ik hem trouw zijn.”

„En nu,” gebood Korman bij het weggaan, „mondje dicht, hoor! Ook over dat andere dat ik je gezegd heb.”

Op den terugweg ontmoette hij van Everdingen. Hij schrok er van; dat was op het randje af!

„Zoo, verliefde ridder!” begroette hij hem. „Ik hoor dat je op Marialand geweest bent; vues hè?”

„Ja,” zeide van Everdingen, insgelijks lachend. „Op de installatie van ginds. Ik dacht, waarom zouden wij niet van het goede voorbeeld profiteeren, en heb meneer van Os gevraagd of ik zijn inrichting mocht opmeten en nateekenen. Toen heeft hij mij toegestaan zijn eigen teekeningen te copieeren; doch bij hem aan huis; hij wilde ze niet uit handen geven.”

„Niet kwaad bedacht,” vond Korman. „Heb je tijd om vanavond op Watoeombo te komen?”

„Zeker!”

„Kom dan vóór den eten, en deel in onzen pot.”

Bij den zijweg, dien van Everdingen afgekomen was, hield Korman zijn paard een oogenblik in, als dacht hij er over naar Marialand te rijden.

„Neen,” zeide hij halfluid en zijn paard wederom aanzettende, „nog niet.” En met groot leedvermaak dacht hij aan den poets dien hij van Everdingen gespeeld had. Ook de uitnoodiging van hedenavond zou een steentje bijdragen; Minah moest immers gelooven dat van Everdingen weer naar Marialand ging! Wat een leelijk gezicht zou hij trekken als hij, in plaats van Caroline, de bruine Minah naar het bureau van den burgerlijken stand moest geleiden!

Het gelukte hem intusschen niet van Everdingen dien avond te bewegen tot het opkoopen van koffie. De tuinen op Sabrang stonden goed, meende deze, en zouden voldoende opbrengen om hun langs eerlijken weg een gezonde verdienste te bezorgen.

Korman drong niet sterk aan, hoewel hij in van Everdingen’s gevoelen niet deelde, althans wat de tuinen van Watoeombo betrof. Hij had een flauw besef dat die niet voldoende produceerden, dat Messner naar gelang van zijn aanplant meer maakte, om niet te spreken van Marialand waar de koffie in alle tuinen haast even mooi stond, zonder schrale plekken. Alleen door opkoop van gouvernementskoffie was het goed te maken; zonder die hulp zou Benoit al heel gauw vragen doen die minder aangenaam waren.

Even na het avondeten kwam de plajangan. De trommel openende vond Korman die vol brieven.

„Wat een schep!” zeide hij. „Heb je lust ze te lezen?”

„Hoe zoo?” vroeg van Everdingen.

„Het zijn sollicitaties, ingekomen op onze advertentie,” lichtte hem Korman in. „Je kunt merken dat de tijden veranderen; een jaar of wat geleden kon je je blind zoeken naar een employé; nu is er overvloed. Vier en dertig!” riep hij uit, de brieven tellende. „Hier, pak aan!”

Zij lazen, elkaar de brieven overreikende, en toen zij gereed waren bleven beiden eenige oogenblikken zwijgen.

„Er zijn er bij die je zóó opzij kunt leggen,” merkte Korman eindelijk aan.

„Ja, de meesten zelfs!” stemde van Everdingen toe. „Die van sinjo’s en gepensionneerden bijvoorbeeld. Weet u wie mij het meest lijkt?”

„Die … waar is de brief … die maar een paar regels schrijft, bedoel je?”

„Ja.”

„Hier heb ik hem,” zeide Korman. „Hm … ja; ’n flinke hand en weinig omhaal … Lamers heet hij. Vooruit dan maar! Hij kan komen.”

Nog dienzelfden avond schreef Korman aan Lamers, blij in het vooruitzicht dat die plaats nu spoedig vervuld zou zijn en hij zelf meer tijd zou hebben om voor zijn bijzondere belangen te zorgen.

Intusschen begrijpende dat niets zijn zaak meer schaden kon dan zich niet te vertoonen en den ander vrij spel te laten, zette hij zich den volgenden middag te paard en reed naar Marialand.

„Ik kom nog eens op mijn gemak kijken naar je installatie,” zeide hij na gegroet te hebben.

„Dat is goed,” zeide van Os. „Alleen zal je mij moeten excuseeren; morgen gaat de post en ik heb heel wat te schrijven. De meisjes zullen je wel gezelschap houden.”

„En Caroline kan meneer de noodige ophelderingen geven,” voegde Saartje er bij. „Zij studeert voor machinist.”

„Trekt u dat vak werkelijk aan?” vroeg Korman, terwijl zij opwandelden. „Ik wil zeggen …” stotterde hij, „de kennis van … ahem … de werktuigkunde.”

„O neen,” lachte zij. „Het is enkel nieuwsgierigheid. Ik kon niet goed velen dat het machinetje voor mij zooveel geheimzinnigs bleef behouden.”

„Nu jokt zij heusch,” zeide Saartje. „Oom had van den ingenieur een boekje gekregen, moet u weten, om van buiten te leeren. Als dan de inspecteur van het stoomwezen kwam kon oom zijn examen doen … verbeeld u, voor stoker! Toen oom er één avond in had zitten lezen, werd hij wanhopig van al die vreemde namen van dingen die hij niet vinden kon. Caroline is daarop met onuitputtelijk geduld aan het zoeken en vergelijken gegaan, tot zij op een goeden dag oom alles kon uitleggen en aanwijzen.”

„Dat is knap,” vond Korman.

„Saartje overdrijft,” zeide Caroline. „Ik heb eenvoudig den inlandschen drijver uitgehoord, die al die namen kende; het eenige moeielijke was de woorden te herkennen, zooals hij die radbraakte.”

Zij gingen door de takker-loods, waar de amboneesche opzichter bezig was de koffie te ontvangen en de machinekamer in. Korman bespeurde dadelijk een verschil met de vorige maal dat hij hier geweest was. Het was schooner. De vloer zoowel als de machine. Langs het latwerk was een plank gespijkerd en daartegenaan hingen in keurige orde de schroefsleutels, oliekannen; pakking en andere waarlooze stukken. Zelfs het brandhout was netjes opgestapeld.

Met zichtbare deferentie groette de inlandsche drijver—een maleier—de binnentredende jonge dame, en deelde haar mede dat hij door den opzichter aangezegd was over een kwartier stoomklaar te zijn.

„Hoe vindt u mijn studeerkamertje?” vroeg Caroline.

„Prachtig,” zeide Korman. „Ik wist niet dat het in een machinekamer zoo zindelijk kon zijn. U is nu zeker op de hoogte van alles?”

„O ja,” antwoordde zij. „Erg moeielijk is het niet.”

Zij praatten nog wat door, tot het sein op een miniatuur kenthong boven weerklonk en het malen een aanvang nam.

Caroline zette zelf de machine in beweging, doch als Korman ditmaal gehoopt had nogmaals den fraaien arm te zien, dan had hij mis gerekend, want de jonge dame was nu aan het werk gewoon.

Over één zaak was hij echter tevreden. Het kostte hem namelijk volstrekt geen moeite meer om met de meisjes te praten; de woorden kwamen als vanzelf; hij vond zich zeer onderhoudend en hoopte dat de anderen die meening deelden. Het scheen wel zoo, want bij het naar huis gaan zeide Caroline:

„Foei, wat hebben we gebabbeld; meneer Korman heeft haast geen tijd gehad om iets te zien.”

„Toch wel,” zeide Korman overluid, en toen zich naar Caroline overbuigende, fluisterde hij haar in: „Ik heb u immers gezien?”

Het was te donker, maar anders had Korman kunnen zien hoe Caroline te gelijk een kleur kreeg en een onwillige beweging maakte.

Voor heden echter was voor Korman dit de finale geweest van zijn hofmakerij. Op het laatste eindje van den weg liet hij Saartje de kosten van het gesprek dragen, en was blij toen hij onder de vleugelen van van Os in de voorgaanderij zat, en een bittertje hem deed herstellen van de doorgestane moeite.

Het avondeten liep vlug af, en daarna gingen van Os en Korman naar de voorgaanderij, doch de dames bleven achter.

„Hè,” zuchtte van Os; „ik ben blij dat die schrijverij achter den rug is. Het spijt mij dat ik je alleen moest laten, maar na tafel is het mij onmogelijk een letter op papier te zetten.”

„Och,” zeide Korman, „ik heb me uitstekend geamuseerd. Veel gezien heb ik natuurlijk niet, want het was een gepraat zonder eind.”

„Dat begrijp ik,” lachte van Os. „Ja, op den duur zou ik de meisjes hier niet kunnen hebben. ’t Is te lastig; je moet ze bezighouden, weet je, en dat kost meer tijd dan ik missen kan. Apropos, we komen eerstdaags eens bij jou.”

„Doe dat niet!” riep Korman verschrikt uit. „Mijn huiselijke omstandigheden …”

„Poeh!” deed van Os. „Ze zijn in Indië geboren—de meisjes bedoel ik.”

„Ja wel, maar …” zeide Korman. „Hoor eens. Als je in den knoei zat met het een of ander waar je geen raad mee wist, wat zou je doen?”

„Dat hangt er van af,” zeide van Os verwonderd. „Je zoudt iemand anders kunnen raadplegen, bijvoorbeeld; hoewel dat gewoonlijk niet veel helpt.”

„Misschien in mijn geval wel,” meende Korman.

„Aha, gewichtige mededeelingen. Dat is een buitenkansje,” spotte van Os. „Kom maar over de brug; maar laat ik je eerst nog ’n grogje inschenken.”

„Ziezoo. Wat heb je nu?” vervolgde hij nadat dit gewichtige werk volvoerd was. „Soesah met je geldschieter?”

„Neen, daar behoef ik niet bang voor te zijn,” zeide Korman. „Het is iets anders. Ik zou je er niet over gesproken hebben, als je daar even dat plan niet geopperd had … het is eigenlijk nog wat vroeg … hm, ik kan, dat begrijp je, niet altijd ongetrouwd blijven …”

Van Os begon te begrijpen. Zachtjes fluitend bleef hij vlak voor zich uit staren, met de strakke uitdrukking van iemand die eerst meer hooren wil alvorens zijn goed- of afkeuring te laten blijken.

„Sinds de vorige keer dat ik hier was,” ging Korman voort, „heb ik gemeend dat … hoe zal ik het zeggen … dat ik er niet te lang mee wachten moest; en dat je nichtje Caroline … Zie je, eigenlijk kan ik nog niets zeggen; maar toch zou ik niet graag hebben dat zij in aanraking kwam met … je weet wel.”

„Dat is duidelijk,” zeide van Os. „Je kunt moeielijk zeggen: ‚Kijk, daar heb je nu mijn huishoudster. Zou je zoo vriendelijk willen zijn haar plaats in te nemen?’ Bedoel je het zoo niet?”

„Juist!” antwoordde Korman. „Daarbij komt dat ik in een heel bijzondere positie verkeer, doordat ik kinderen heb. Anders zou je, als je dergelijke plannen hebt, tegen je huishoudster kunnen zeggen: ruk uit! En mocht het mislukken, dan neem je een ander. Maar ik kan dat niet doen. Nu dacht ik de zaak uit te stellen … dat wil zeggen mij te bepalen tot een vriendschappelijken omgang en later je nicht na te reizen. Als jij me intusschen een handje helpen wou …”

„Ik? Hoe bedoel je dat?” vroeg van Os.

„Wel … het is natuurlijk de vraag of je er vóór bent.”

„Gesteld dat het zoo is.”

„Me dunkt dat het dan niet moeielijk is. Ik kom hier af en toe, en jij plaagt haar een beetje …”

Notes in this chapter

Note 1 · Zijn entrée was netjes. Och, hij had de heele ruzie in die drie prettige dagen vergeten! Er had sans mots een verzoening plaats, die onmiddeNote 2 · „Li, wat zou je er van zeggen als wij eens betoel2 trouwden?” vroeg hij.Note 3 · „Sama djoega,”3 meende Li.Note 4 · Behalve de tuinen die onmiddellijk aan de loengoers grensden, en waarover de wind vrij heen streek, beloofde de aanplant van Watoeombo zijn Note 5 · „Natuurlijk wist ik dat. Ik was er immers vroeger al geweest,” zeide Messner. „Maar mevrouw van Os had het zelf gevraagd. Het is een volbloeNote 6 · Toen de bloesem zich geheel ontwikkeld had, noodigde Korman zijn geëmployeerden uit een dag ten zijnent door te brengen, en gezamenlijk met Note 7 · „Er is gister ook al een beetje gevonden door den kapala kampong,” zeide zij. „Ik heb het op een tampah7 te drogen gelegd. Het is taik8 loewNote 8 · Nadat Korman de hoeveelheid had genoteerd, liet hij de vroeger vermelde manden halen. In elk dezer werd wat roode koffie gedaan, en op het bNote 9 · Het kon iemand toch meeloopen! Daar was hij in eens van alle zorg ontheven. Brisson zou hem door zijn boekerij heen helpen, en de inhaligheiNote 10 · Een inlander kwam hem te gemoet, eerbiedig den tjaping11 van het hoofd nemende. Korman herkende in hem een der vaste opgezetenen van SabrangNote 11 · De oostmoesson was voor het drogen der koffie zeer gunstig geweest. Slechts een paar maal had men overdag de koffie naar het midden van de bNote 12 · Maar de vrouwen hadden die echt javaansche geestigheid gevat, en lachten dat zij schudden, elkaar toeroepende, en verklarende dat de toewan Note 13 · „Noeninggih!”15Note 14 · Met een uitgestreken gezicht verklaarde de inlander dat hij er niets van wist. Doch hij zou meneers bevelen opvolgen, het geld besteden aan Note 15 · „Onzin, boerepraatjes,” riep Korman uit. „Neen, we moeten zien op een goedkoope manier aan djatihout te komen. Er bestaat, geloof ik, een beNote 16 · Rencke zat in zijn voorgalerij, in diep nadenken. Zooeven was de inlander bij hem geweest, dien hij had afgezonden naar Sabrang, den dag vanNote 17 · Een uitdrukking van groote slimheid verspreidt zich over Kromo’s trekken, en het noeninggih klinkt haast hartstochtelijk. Hij begint te begrNote 18 · Minah noemde haar een onnoozel halsje. Zij wist dan beter wat er in de wereld te koop was. De heeren namen een huishoudster op een goedkoopjNote 19 · „Wat heb je dien meneer te pakken gehad,” zeide kapitein Kool toen hij met van Os in een kossong22 naar huis reed. „Wat voor een soort menscNote 20 · „Hei, djongos!”23 riep hij naar binnen gaande. Geen jongen, doch Minah verscheen. Met haar slofjes klikklakkende over de bamboe-mat draaide Note 21 · „Apa betoel?”24 vroeg zij.
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings