← Table of contents
In de koffie

TWEEDE DEEL (continued 2)

Reading edition

„Dankje,” zeide van Os, „dat doe ik niet. Ik wil je wel van dienst zijn, maar niet op die manier. Je moet zelf zien of je het met Caroline vinden kunt; daar bemoei ik mij niet mee. Om je te bewijzen dat ik je niet ongenegen ben, zal ik je al dadelijk iets vertellen wat je nuttig kan zijn. Weet je waarom mijn broer de meisjes hierheen gestuurd heeft?”

„Nog niet.”

„Ik weet het eigenlijk niet zeker, maar ik ken hem en heb zoo mijn vermoedens. Nauwelijks waren de meisjes hier, of ik las in de courant dat hij zijn pensioen zou aanvragen. Nu is mijn broer altijd een erge duitendief geweest, en zou hij nooit zijn pensioen hebben genomen als hij niet voor het mindere inkomen een aequivalent had gevonden. Begin je hem te snappen?”

„Neen,” zeide Korman, met een onwillekeurige blik op de brandyflesch, waaruit van Os al sprekende een derde grogje prepareerde.

„Je weet toch wel wat een aequivalent is?” vroeg van Os.

„Ja wel,” zeide Korman. „Een ding dat, als ze het niet vinden kunnen, de regeeringsmannen belet noodige veranderingen en verbeteringen in te voeren.”

„Je wordt nog uiig op den laten avond,” zeide van Os. „Welnu, mijn broer heeft dat gevonden in het fortuin van de meisjes. Begrijp je het nu?”

„O!” riep Korman uit. „Hoe kon ik dat weten!”

„Dat is waar,” stemde van Os toe. „Daar had ik niet aan gedacht. En … weet je wat … ik vind het een nobele streek van je dat je daar in ’t geheel niet naar gevraagd hebt. Ik zal je helpen, kerel; dat beloof ik je nu. Haha! en mijn broer een kool stoven. Hij, die dacht dat de binnenlanden veilig waren, en zeker van hier uit de meisjes ergens heengebracht zou hebben waar op geen tien paal afstand een vrijer te vinden was! ’t Zou mij niets verwonderen of hij ging naar Holland.”

„Dus zou ik haar hier nog moeten vragen?”

„Natuurlijk,” zeide van Os. „Ik zal er met mijn vrouw over spreken, en kom wel eens op Watoeombo: Heb zoolang geduld.”

Toen Korman op den weg naar huis was, bedacht hij plotseling dat hij geheel vergeten had over van Everdingen te spreken. Soedah! dien zou toch spoedig de lust vergaan; en zoo niet, dan was Saartje er ook nog. Want het was zonderling, nu hij wist dat de meisjes fortuin hadden, was het alsof de persoonlijke voorkeur die hij Caroline gegeven had sterk verminderde, verbleekte door den goudglans die haar omstraalde. Het eenige was dat Saartje zooveel jonger was. Een vrouw moest niet te jong zijn; zij behoorde zich rekenschap te kunnen geven van wat zij deed als zij trouwde, om niet naderhand te gaan zaniken over verloren illusies en dergelijken. Want het te jonge trouwen der meisjes in Indië was voor driekwart de oorzaak der vele echtscheidingen in dat land, meest een jaar of twee drie na het huwelijk. Als halve kinderen die zij zijn, verrast hen de huwelijksaanvraag; hopende getrouwd nog meer vrijheid te hebben dan thuis, rijker te kunnen leven, nieuwsgierig naar den omgang met een man, zeggen zij ja, om na korten tijd te bemerken dat hun nieuwe toestand niet beantwoordt aan het door hen gedroomde ideaal. En dan is de man de schuld van alles, tot zij zich verbeelden door hem bedrogen en misleid te zijn en hunkeren van hem ontslagen te worden, om in een vrije positie te kunnen doen en laten wat zij willen.

Het was over tienen toen hij thuiskwam. Naast het geraas van de kalie weerklonk nog dat van het waterwiel, niet ongelijk aan het geklepper van een raderstoomboot. Korman verkleedde zich eerst en ging toen naar de molenloods, waar hij Rencke en Brisson vond, de eerste om den ander wat gezelschap te houden bij het eentonige opzicht over het malen.

„Veel binnengekomen?” vroeg Korman.

„Honderd dertig kisten,” antwoordde Brisson; „behalve de taik loewak.”

„Mooi zoo, dat begint goed te gaan. En is er nog wat bereide koffie ontvangen?”

„Pas drie picol. Ze vroegen het hier te mogen brengen, maar dat wilt u immers niet hebben?”

„Neen, zeker niet,” zeide Korman. „Waarom is dat? Knoeit die vent?”

„Ik geloof het niet,” zeide Brisson. „Maar zooals u weet, de eene inlander vertrouwt den ander niet.”

„Binnen een week kan Lamers, de nieuwe opzichter, hier zijn. Zeg hun dat, en laat hen tot zoolang maar scharrelen. Hoe is het, ben je bijna klaar?”

„Ja, meneer, ’t is zoo gedaan.”

Een oogenblik later hield het geknars van de molens op, en gingen zij ieder naar zijn huis. Korman om aan de zijde van Li te liggen droomen over zijn huwelijksplannen.

Geduldig wachtte hij nu tot van Os kwam. Dit gebeurde echter in de eerstvolgende week niet. Intusschen was de nieuwe opzichter gekomen en aan het werk gezet.

Lamers voldeed echter niet aan de verwachting die Korman, afgaande op zijn brief, van hem gekoesterd had. Dat schrijven toch had een zekere beschaving doen veronderstellen, die de man geheel en al miste. Ruw in voorkomen en manieren maakte hij een ongunstig verschil met de andere jongelui van Watoeombo. Op zijn werk was echter in den eersten tijd geen aanmerking te maken; hij ging op zijn tijd naar de tuinen, kon goed met het volk omgaan, was netjes op zijn administratie en.… kocht veel koffie op.

„Jongens, meneer,” zeide Brisson op een morgen tot Korman, „wat zet die Lamers een vaart! Hij is nog geen tien dagen hier en heeft al over de zestig picols.”

„Is hij razend?” riep Korman uit. „Dat moet niet; op zoo’n manier komt er niets in het gouvernementspakhuis, en zouden wij in ’t oog loopen. Stuur hem eens een boodschap.… of weet je wat, laat hem dien inlander, die zoo’n beetje den baas speelt bij den aanvoer, eens hierheen zenden.”

Terwijl Brisson om aan dezen last te voldoen zich naar zijn schrijftafel begaf en een briefje aan Lamers opstelde, wandelde Korman het kantoor uit, de voorgalerij in. Er waren nu twee weken verloopen sedert zijn gang naar Marialand, en nog hoorde of zag hij niets van van Os. Door uitvragen van den man die het rapport van Sabrang ’s morgens bracht, was hij te weten gekomen dat van Everdingen er in dien tijd nog driemaal geweest was. Waar moest dat heen? Hij beschuldigde zichzelf van groote domheid dat hij tegenover van Os zoo openhartig geweest was. Die hield hem natuurlijk voor den gek, terwijl hem tevens de gelegenheid was afgesneden om zelf zijn belangen te behartigen.

Plotseling ondervangt een witte stip, op den weg tegenover hem, zijn starenden blik. Waarachtig, het was van Os! Korman’s hart klopte tot in zijn keel; in groote spanning wachtte hij den komende af.

„Zoo, old fellow!” riep de oudkapitein afstijgende, terwijl hij Korman, die hem te gemoet kwam, de hand drukte. „Ja, ja,” vervolgde hij de drie treden van de voorgaanderij opstappende, „ik praat al engelsch ook. Dat komt er van als je nichtjes te logeeren hebt die pas van de kostschool komen.”

„Sst,” deed Korman; „er zit iemand in ’t kantoor.”

„Maak je niet ongerust,” zei van Os. „Ja wel—ik zal straks eens naar je molens kijken, maar eerst wat te drinken hebben. Ik heb het wel aan je verdiend!”

Korman riep den bediende.

„Een potje bier?” vroeg hij, en toen van Os toestemmend knikte, gelastte hij den jongen dat te brengen.

Te gelijk met het gevraagde kwam ook Li voor. Zij begroette den gast, die haar handje in de zijnen nam en haar eenige oogenblikken als medelijdend aankeek, tot groote ergernis van Korman.

Op zijn dooie gemak dronk van Os zijn glas bier, daarbij Li vragende naar de kinderen en vertellende van zijn dochtertjes, als schepte hij er genoegen in Korman zoo lang mogelijk te laten wachten. Eindelijk stond hij op en begaven zich de beide mannen naar de ledige molenloods. In een hoek daarvan was een klein kantoortje afgescheiden, waar zij plaats namen.

„Nu ouwe,” begon van Os, „je kansen staan goed. Maar ’t heeft kracht gekost! Je boft er mee dat mijn vrouw Caroline zoo goed mag lijden en haar graag hier in de buurt zou hebben.”

„Heb jullie het haar gezegd?” vroeg Korman.

„Zoo mal niet,” was het antwoord. „Neen, we hebben dat erg pinter aangepakt. In de eerste dagen hebben we de lui zoo eens de revue laten passeeren, om te zien of zij ook wou aanbijten. Maar zij was ons te slim af. Ten laatste heeft mijn vrouw haar alleen onderhanden genomen, en haar afgeschilderd wat haar wachtte bij mijn broer, en hoe leuk het zou zijn als ze hier kon blijven. En wat denk je dat ze geantwoord heeft?”

„Zeg het maar.”

„Dat employés toch ook dikwijls van de eene onderneming naar de andere trokken. Slim hè? Ze liet zoodoende mijn vrouw uit den hoek komen, want die moest jou toen wel noemen. Jij of van Everdingen, zei ze. Nu, die had bij ons zitten vertellen dat hij in stilte geëngageerd was in Holland, dus bleef jij alleen over. Toen kwamen je kinderen op de proppen; en zij kon zich toch ook niet op een bordje aan je laten presenteeren … Enfin, het eind van de geschiedenis was dat zij zei: als je haar vroeg, dan zou zij erover denken; maar in ieder geval de voorwaarde stellen dat je de kinderen naar Europa stuurde. Ik heb er een dag of vijf over heen laten loopen eer ik hier naar toe kwam, en nu moet jij nog een paar dagen wachten eer je op Marialand komt; want ik wil om den dood niet dat zij merkt dat ik of mijn vrouw je een handje geholpen hebben. Oef! is dat lang praten! Laat ons nu een bittertje gaan pakken.”

„Wacht nog even,” zeide Korman. „Kan ik nu dadelijk met haar spreken?”

„Wel verduiveld,” barstte van Os uit. „Wou je dat ik de vrijerij ook nog voor je deed?”

„Neen, liever niet,” zeide Korman lachend. „Enfin, ik begrijp het al. En … ik kan mijn huishouden voorloopig zoo laten?”

„O ja, tot je haar vraagt. Kassian, ik heb wezenlijk met dat arme ding te doen. Als ik er zoo een gehad had geloof ik niet dat … soedah, jij moet het weten; dat zijn mijn zaken niet.”

„Blijf je eten?” vroeg Korman, toen zij terugwandelden naar het huis.

„Dankje. Eén paitje, en dan ruk ik uit. Ze behoeven thuis niet te weten dat ik hier ben geweest.”

Toen van Os weg was bleef Korman zitten nadenken. Een gevoel van spijt maakte zich van hem meester, dat hij zoo voorbarig gehandeld had ten opzichte van van Everdingen. Hij durfde hem nu niet meer waarschuwen. Minah zou, als hij het deed, natuurlijk alles vertellen, en hij wist dat hem den zedelijken moed ontbrak om tegenover haar vol te houden dat zij loog. Trouwens, die meid kon hem nog in een lastig parket brengen. Als hij met Caroline getrouwd was, zou zij dan haar mond houden? Hm, als hij haar niet in den weg stond, wel, en anders niet. Dan moest de zaak maar loopen zooals zij wilde.

„Zeg, Brisson!”

„Ja, meneer,” riep de employé terug, en kwam in de voorgaanderij.

„Moet je geen bittertje hebben? Niet? Jongen, het staat toch zoo mal! Je moest het maar eens doorzetten. Ik heb nogal wat met je te bepraten, zoo af en toe, en dat doe ik liever niet onder werktijd. Maar ik vind het schrikkelijk saai om met je aan de bittertafel te zitten en alleen wat te gebruiken. Je moest ’s avonds thuis eens beginnen, tot je er aan gewend bent.”

„Ik zal het probeeren,” zeide Brisson.

„Doe dat. Schiet je op met de boekerij?”

„O best, meneer; ik denk over een dag of wat geheel „bij” te zijn. Maar ik ben een raar ding tegengekomen. Zoudt u eens even willen zien?”

Korman volgde hem in het kantoor.

„Hier,” zeide Brisson, hem een kladstaat voorleggende, „sluit ik op 31 Maart met meer uitgaven dan er geld in kas was. Op 4 April klopt het weer.”

„Hoe komt dat?” vroeg Korman, en toen hij zich over het staatje heenboog kleurde hij sterk. „Ik zie het al,” zeide hij daarop; „er is een betaling tusschen.”

„Ja,” zeide Brisson, „dat heb ik ook gezien. U schijnt ’n vergissing te hebben in den datum van ontvangst der remise.”

„Neen, dat kan niet,” zeide Korman. „Ik heb waarschijnlijk geld van mij zelven gebruikt; ik meen mij zoo iets te herinneren …”

„Zal ik dan de laatste posten van Maart maar overbrengen in April?” vroeg Brisson. „Of, omdat u de staatjes naar Soerabaja gezonden heeft, is het misschien regelmatiger dat ik de kas bezwaar met een voorschot van uwentwege?”

„Ja, dat is beter,” besliste Korman, zich omdraaiende.

De employé oogde hem na met een wonderlijke uitdrukking, om daarna een notitie te doen op een blaadje van zijn zakboekje, waar bovenaan het volgende opschrift stond: „Vermoedel. door K. gecharg. posten.”

Een paar dagen later stond Korman juist gereed naar Marialand te rijden, toen een inlander, in wien hij den chef van het koffietransport uit de dessa Plèrès herkende, op de bovenste trede van de trap der voorgaanderij neerhurkte.

„Wat heb je?” was de vraag waarmee Korman het eerbiedig koelo noewoen beantwoordde. „Meneer Lamers heeft je hierheen gezonden, niet waar?”

„Meneer moest hem niet kwalijk nemen.… meneer Lamers had hem niet gestuurd. Hij was uit eigen beweging gekomen om de hulp af te smeeken van den toewan besaar. Zijn picolpaard met koffie stond in de kampong van meneer Lamers, doch met dezen had hij niet kunnen spreken, want hij was dronken, heel erg dronken. Hij gooide met stoelen naar ieder die hem naderde.”

„Hoor je dat?” riep Korman Brisson toe.

„Neen meneer,” antwoordde deze het kantoor uitkomende.

„Die vent vertelt dat Lamers stomdronken is. ’n Mooi geval! Ga jij.… neen toch niet.… loop even achterom naar tuin Podrono III, daar zal je meneer Rencke vinden. Verzoek hem door te gaan naar Lamers en de zaak te onderzoeken.”

Brisson ging en intusschen sprak Korman met den inlander.

„Voor wat meneer vreesde,” zeide deze, „was volstrekt geen gevaar. In het gouvernementspakhuis werd niet minder geleverd dan vroeger. De koffie die hij bracht kwam van den anderen kant van het gebergte, langs een pad dat sinds jaar en dag alleen gebruikt werd om opium van de kust en clandestien zout te vervoeren.”

„O zoo,” zeide Korman, „dan is het goed.” En hij gaf den man zijn afscheid, hem zeggende dat meneer Rencke wel gezorgd zou hebben voor zijn koffie.

Korman bleef wachten op Rencke’s terugkomst. Het duurde niet lang of deze kwam.

„Een misselijk geval,” rapporteerde hij. „De man is door het dolle heen. Hij is, geloof ik, wat we aan boord een kwartaal-zuiper noemden. Hij ziet wezens die hem te lijf willen, en zoo voort. Eerst dacht ik dat hij mij ging attaqueeren, maar hij kwam tot betere gedachten. Toen schold hij op u en Brisson. Ik zou daar geen melding van maken, als die dronkemanspraat niet iets had ingehouden dat.… enfin, hij dreigde met bij de eerste gelegenheid de beste aan den resident bericht te zullen zenden van den koffie-opkoop hier.”

„Dat hem de duivel hale!” riep Korman woedend. „Hij moet onmiddellijk weg. Kan je dat alleen aan?”

„O ja wel,” zei Rencke glimlachend; „als u maar tijd laat tot hij zijn roes heeft uitgeslapen. Zou u het niet raadzaam achten hem zijn salaris uit te betalen?”

„Dat is goed,” zeide Korman. „Vraag maar geld aan Brisson, die heeft de kas.”

Korman reed heen.

„Tante, daar komt mijn vrijer!”

Mevrouw van Os en haar nichtjes waren in den tuin bezig, toen deze plotselinge uitroep van Caroline allen deed opzien. Tusschen de boomen door bespeurden zij de gestalte van den naderenden Korman, waarop mevrouw de vlucht nam naar binnen, terwijl de beide meisjes in een vroolijk lachen uitbarstten.

„Bello!” riep mevrouw in de verte, en „Bello, Bello! waar is de hond?” herhaalde Caroline.

Onwillekeurig hield Korman zijn paard in, wat de pret der meisjes nog deed vermeerderen.

„Foei!” fluisterde Saartje. „Pas op, straks gaat hij nog op den loop!”

„Morgen dames! Mag ik meelachen; waarover is het?” vroeg Korman.

„Caroline zei,” begon Saartje, „kijk, daar komt …”

„Zal je zwijgen!” viel Caroline in, kleurend tot in haar hals.

„.… daar komt meneer Korman.”

„Ik ben zeker dat uw zuster iets anders gezegd heeft,” plaagde Korman. „Wil ik eens raden?”

„Dat is goed; maar … ééns.”

„Nu dan: daar komt die aardige, gezellige …”

„Ho, mis!” riepen beide meisjes.

„Dan.…”

„Neen, ééns mocht u raden, niet meer,” zeide Caroline. „Komt u binnen? Tante is zich gaan opknappen en oom is naar de tuinen,” vervolgde zij het huis binnengaande. „Dus is u aan onze genade overgeleverd. Wacht, ik zal de honneurs eens waarnemen.” En den zwaren basstem van haar oom imiteerende sprak zij met koddige deftigheid: „Daar doe je wèl aan, ouwe! Ga zitten. Wat zal je gebruiken? Een potje bier?”

„Steek eens op!” voltooide Saartje, die een sigarenkoker uit de binnengalerij gehaald had.

„Bravo, dames!” zeide Korman, een manilla opstekend. „Ik zal thuis eens nazien of ik nog niet een paar complete heerenkostumes heb.”

„O graag,” riep Caroline uit. „We zullen ze u netjes gestopt terugzenden.” En hierbij fixeerde zij een hersteld plekje op Korman’s witte jas.

„En de rafels afknippen,” voegde Saartje er aan toe, als toevallig haar blik op den onderkant van Korman’s pantalon richtend.

„Op alle punten geslagen!” zeide Korman. „Maar hoe kan het anders; twee tegen één?”

„Tante roept,” zeide Saartje opstaande, en ondanks den wanhopigen blik van haar zuster verdween zij.

Er ontstond een stilte. Caroline keek zenuwachtig voor zich, wetende dat Korman, als hij wezenlijk plannen had, van deze gelegenheid gebruik zou maken; Korman verrast door het plotselinge alleenzijn met Caroline, vergetende wat hij had willen zeggen. Dit vergeten hield zijn geest zoo bezig, dat hij niet in staat was iets anders te bedenken, en eindelijk het feit zelf ter hulp nam.

„Juffrouw Caroline,” begon hij, „ik had gehoopt vandaag een oogenblik met u alleen te kunnen spreken, en mij voorbereid op wat ik zeggen zou. Maar nu, ’t is vreemd, weet ik niets meer, behalve het doel dat ik voor oogen had. Dat is … dat ik u vragen wou … of u … mijn vrouw wilt worden.”

Zij hield haar oogen neergeslagen, en hij, hierdoor moediger wordende, greep haar hand. En hij sprak door, wetende dat men van een vrouw veel gedaan krijgt met kalm te praten, het doet er niet toe wat, als het stemgeluid slechts onafgebroken voortrolt in niet al te sterke variaties van toon. Want dat zou haar aandacht afleiden en die naar den spreker trekken, terwijl de bedoeling is dat zij, zich verbeeldende na te denken, verhinderd wordt door het spreken om zulks logisch te doen, en zachtjesaan medegevoerd wordt op den klank, om, als de spreker ophoudt met een intonatie van zalig verlangen, een antwoord te geven dat als het ware een voortzetting en slot is van wat hij zeide.

Korman kweet zich hiervan meesterlijk. Caroline’s zacht uitgesproken „ja” volgde zonder komma of punt op zijn laatste woord; eerst toen hij haar naar zich toe trok en haar een zoen gaf, kwam zij tot besef van wat zij gedaan had, en dat zij geheel vergeten had haar condities te noemen, zooals zij zich had voorgesteld te zullen doen als Korman haar vroeg.

„Bravo, bravo!” en hiermee sprong van Os over het zijhekje van de voorgaanderij, vlug genoeg om Caroline op te vangen eer zij door de middendeur weg kon komen.

„Zoo juffertje!” zeide hij haar gezichtje tusschen zijn handen nemend. „Laat jij je zoenen in een open galerij! Kijk me eens aan, als je durft. Brutaal als de beul!” liet hij er op volgen, toen de blauwe kijkers van Caroline hem ondeugend tegenflikkerden. „Zeg, Korman, jij liever dan ik hoor!”

„Ik hoor tante’s slofjes klepperen,” zeide Caroline ontsnappend. „Pas maar op, oom!”

„Zoo’n rakker!” riep van Os. „Intusschen gefeliciteerd, ouwe! Dat heb je hem knap geleverd. Hei, jongens, minoeman! Ik heb trek in een paitje, en jij?”

„Ik ook, alleen weet ik niet of.…”

„Kom, stel je niet aan. Daar ben je niet jong genoeg meer voor,” zeide van Os. „En.… verwen haar niet, pas op!”

Er werd besloten het engagement voorloopig nog geheim te houden. Ten eerste moest Caroline aan haar oom te Batavia schrijven, en voorts had Korman eenigen tijd noodig om zijn „huishoudelijke inrichting” te regelen, met andere woorden Li weg te zenden en voor de kinderen in Holland een onderkomen te zoeken.

Het laatste was niet het gemakkelijkste. Jong uit Holland vertrokken had hij daar geen vrienden meer; die relaties waren verjaard of afgestorven. Zijn moeder was de eenige, doch deze had hem op zijn mededeeling van de geboorte van Hendrika kort en beslist geantwoord dat zij geen „wilde” kinderen van hem erkende. Alleen wanneer hij die „heidensche” vrouw tot het christendom kon overhalen en haar trouwde op de eerlijke hollandsche manier, zou zij er notitie van nemen. Tot zoolang verzocht zij verschoond te blijven van berichten hetzij over „dat mensch”, hetzij over de kinderen.

Geen uitleggingen van Korman hadden gebaat; zij bleef bij haar eerste woord.

Het toeval gaf hem een middel aan de hand om in deze zaak te voorzien. Ongeveer een week nadat hij het jawoord van Caroline ontvangen had, moest Korman voor zaken naar de stad. In het logement ontmoette hij een hoofdingenieur van den Waterstaat, die naar aanleiding van irrigatieplannen, daar eenigen tijd bleef vertoeven.

„Een heel werk,” merkte Korman op, toen de ingenieur hem had uitgelegd hoever zich de plannen uitstrekten. „Als het uitgevoerd wordt blijft u zeker hier?”

„In geen geval,” was het antwoord. „U weet nog niet hoeveel tijd er gewoonlijk verloopt tusschen een opname en de uitvoering van een werk.”

„Ik kan het mij eenigszins voorstellen,” zeide Korman, „als ik naga hoelang het geduurd heeft eer wij de papieren voor onze erfpacht gekregen hebben.”

„Nu, en over twee maanden heb ik mijn pensioen verdiend,” zeide de ingenieur. „Zoolang zal mijn werk hier wel duren; dus hebben we ons huishouden te Soerabaja opgebroken, om zoo gauw mogelijk naar het vaderland te kunnen gaan.”

„Is mevrouw dan ook hier?” vroeg Korman en op dit oogenblik schoot hem zijn idee te binnen.

Hij schoof zijn stoel dichter bij dien van den ouden heer.

„Neem me niet kwalijk,” zeide hij, „als ik u een voorslag doe. We zitten hier in de binnenlanden zoo hulpeloos.… Enfin, de zaak is dat ik een gelegenheid zoek om mijn twee kinderen naar Europa mee te geven.”

De ingenieur trok de wenkbrauwen samen.

„Als u er eens met mevrouw over sprak,” vervolgde Korman. „Ik heb er een bankje van duizend gulden voor over.”

„O!” riep de ingenieur uit, terwijl de uitdrukking van zijn gelaat plotseling veranderde. „Dan behoef ik er mijn vrouw niet over te spreken—dat is te zeggen, voor den vorm natuurlijk … ik wou maar … ik bedoel dat u op een toestemmend antwoord kunt rekenen. Morgenavond bijvoorbeeld. Dan hebben wij een dag bedenktijd; voor den vorm, ziet u.”

„Mijn moeder woont in Utrecht,” hernam Korman. „Zij is oud en verplaatst zich moeielijk. Dus moeten de kinderen bij haar aan huis bezorgd worden.”

„Dat is niets,” verklaarde de ingenieur. „Dat zijn bijzaken. Ha, daar is mijn vrouw; mag ik u voorstellen.…”

Twee dagen daarna reed Korman naar zijn land terug met het prettige gevoel van de grootste moeielijkheid te boven te zijn gekomen.

Ongeveer halverwege de onderneming trok een stoet die hij in de verte zag aankomen zijn opmerkzaamheid. Het was een dier bamboe draagstoelen, eigenlijk een huis in miniatuur, door twaalf koelies gepikeld, terwijl een ander twaalftal er omheen liep ter aflossing.

„Het ging niet langer,” zeide hij. „De dokter moet maar eens zien wat hij er van maken kan.”

„Wat scheelt er aan?” vroeg Korman verschrikt.

„Koorts en pijn in de rechterzij. Biezeman zegt dat het leverziekte is. Is dat gevaarlijk?”

„Gevaarlijk niet,” zeide Korman. „Vraag aan den dokter of hij je temoe lawa wil geven. Dat is de eenige afdoende inlandsche medicijn.”

„Ik zal het onthouden,” beloofde van Everdingen. En hij stak Korman de hand toe, die deze met een huivering aanvatte.

Korman vertoefde slechts een oogenblik op Watoeombo, om dadelijk door te gaan naar Sabrang. Bij het huis van van Everdingen hield hij even stil. Er was niemand. Op weg naar Biezeman, trof hij dezen in de tuinen aan.

„Een leelijk geval, meneer, met den jonker,” merkte de employé op.

„Wat denk jij dat het is?” vroeg Korman.

„Ja, wat zal ik daarvan zeggen. Ik ben geen dokter,” verklaarde Biezeman. „En die kunnen een mensch toch ook niet in zijn binnenste kijken, zoodat ze wel raden moeten en net zoolang probeeren met hun likkepotjes totdat er een pakt. Maar om op ons aperpo terug te komen—ik heb nogal genie in wat moeder de vrouw er van zegt; die zegt alsdat het den jonker zijn lever is; en dat is ’n leelijk ding als je dat in de kou krijgt.”

„We willen er het beste van hopen,” zeide Korman. „Kan je het werk alleen af?”

„Dat houdt niet over, meneer. Dat sakrementsche malen.… als ik daar iemand voor krijgen kon.”

„Goed,” zei Korman. „Ik zal den hoofd-mandoer van Watoeombo zoolang hier sturen. Je hebt het huis van meneer van Everdingen afgesloten, heb ik gezien.”

„Ja meneer,” antwoordde Biezeman; „en de barones is bij ons ingekwartierd. Die deed niks als grienen en wou absoluut mee naar de stad; om den jonker obat te geven, zei ze. Maar dat ging natuurlijk niet; en op die inlandsche obat heb ik in ’t geheel geen fidutie meer.”

„Zeg dat niet te gauw!”

„Neen, ik weet best wat ik zeg. U kent dien ouden vent wel, dien toovenaar die bij meneer Messner is?”

„Ja wel,” zeide Korman.

„Nu, dien heb ik laatst hier gehad. En weet u wat die zei? Hij zei dat javaansche medicijn allemaal larie was, behalve als je ze uit het goede adres hebt.”

„En dat is?”

„Doet hij dat met een boek?” vroeg Korman, die altijd behagen schepte in het gepraat van Biezeman.

„Ja, maar ik heb hem in de kaart gekeken. Dat boek is geschreven met arabische letters, maar het is gewoon javaansch. Als je nou wat hebt, zooals ik laatst, toen ze kains van moeder de vrouw gestolen hadden, dan vraagt hij je heelemaal uit: op welken dag, hoe laat zoo wat … afijn, alles. En dan kijkt hij in zijn boek en vertelt je precies hoe de dief het gedaan heeft, of het een man of een vrouw is, welken kant zij uit zijn gegaan en waar je ze vinden kunt. Weet u wat ik geloof? Dat hij eerst de dieven inlicht hoe ze stelen moeten en dan later op een haar na weet hoe hij ze vangen moet.”

„Dat kon wel,” lachte Korman. „Nu, als je wat hebt, dan stuur je maar een boodschap. Goeden middag.”

Korman was dien avond te moe om nog naar Marialand te gaan. Op een luierstoel in de voorgaanderij lag hij behagelijk uitgestrekt, toen Li, die de kinderen in bed bezorgd had, bij hem kwam zitten, op haar geliefd plekje, de leuning van zijn stoel.

„Ben je moe, pa?” vroeg zij zijn voorhoofd streelende.

„Ja,” zeide hij, de oogen half sluitende. „Hoor eens Li, ik heb in de stad een familie van Soerabaja ontmoet, die over twee maanden naar Holland vertrekt. Zoo met hen pratende kwam mij de gedachte in het hoofd, dat onze kinderen toch eindelijk eens naar Europa moeten, vooral Non… om te leeren, weet je. En toen hebben wij de zaak besproken, zoodat alles in orde is … als jij het goedvindt.”

Li’s oogen verduisterden zich en twee groote tranen rolden haar over de wangen. Zich naar Korman overbuigende vleide zij haar hoofd aan zijn borst.

„Zij zijn nog zoo klein!” snikte zij. „Laat hen nog een poosje hier.”

„Kom Li, wees niet kinderachtig,” zei Korman. „Het moet immers toch gebeuren, en niet gemakkelijk vinden wij weer zoo’n beste gelegenheid. Grootmama zal goed voor hen zorgen, en over een jaar of wat zijn zij weer terug. Je hebt nog ruim een maand tijd om er aan te wennen …”

„Straks zei je twee maanden!”

„Nu ja, eer zij van Soerabaja vertrekken. Maar je begrijpt dat de kinderen er dan zijn moeten, en dat zij wel een week noodig hebben om kleertjes te koopen. Zie je, ik heb het met die mevrouw zóó afgesproken, dat zij de kinderen al meeneemt als zij naar Soerabaja gaat.”

„Als je het zoo beschikt hebt … dan is het goed,” zeide Li met oostersche gelatenheid. „Ik ga maar naar bed … ik kan toch niet ophouden met huilen.” En zij kuste hem goedennacht.

Toen Li weg was haalde hij een étui uit den zak van zijn kabaja en opende het. Een gouden armband, uit zware platte schakels bestaande, blonk hem tegen. Hoe goed zou die staan op Caroline’s blanken arm! Het had geld gekost; soedah! ’n spiering om een kabeljauw te vangen, dacht Korman, terwijl hij opstond en het kleinood in de brandkast wegsloot. Tot morgen; dan kon hij weer eens naar Marialand rijden en zijn meisje opzoeken. Zij zou natuurlijk blij zijn dat hij al zoover gevorderd was. Eigenlijk was het jammer dat hij nog zoo lang moest wachten. Hoeveel zou zij hebben? Hij durfde er niet naar te vragen. Eén ding stond echter vast, zij moesten buiten gemeenschap van goederen trouwen. Dan hadden zij ten eerste haar fortuin, en vervolgens al wat hij zoo gaandeweg had achtergehouden en overgelegd met meer te boeken dan er was uitgegeven. En Benoit kon nooit aan het geld komen dat op naam van zijn vrouw stond, en wat hij nog meer achter die „schuine deur” zou bergen! Zoodoende zou de koffieonderneming althans aan één persoon voordeel bezorgen. Want of zij ooit rendeeren zou, dat stond te betwijfelen. Nu Brisson de boeken had bijgewerkt, bleek hem meer en meer, dat het ideale „vrijwerken” nog in een heel ver verschiet lag. Het land was te groot; hoogstens zou het goede rente afwerpen van het daarin gestoken kapitaal; doch daarvan profiteerde Benoit in de eerste plaats, en hij mocht zich met het overschotje tevreden stellen. En kreeg hij dat dan nog maar in handen! Maar neen, dat verdween in de boeken, ter aflossing van schuld. Zijn kleinkinderen zouden er misschien een mooi kapitaal door bezitten, maar dat lag niet in zijn bedoeling. Het eenvoudigste was om er uit te halen zooveel als doenbaar was, alles te zetten op naam van Caroline, en er eindelijk uit te scheiden met een grooten beer aan Benoit, waar deze naar „fluiten” kon.

Den volgenden morgen kwam Rencke, dadelijk na afloop van de rol, in de administrateurswoning.

„Ik heb uw briefje van gisteravond ontvangen,” zeide hij. „Maar ik kan den hoofd-mandoer niet naar Sabrang zenden; hij neemt den boel van Lamers waar.”

„Daar had ik in ’t geheel niet meer aan gedacht,” zeide Korman. „Stuur maar een ander; het is enkel om op het ontvangen en malen van koffie te letten. Hoe is het met dien Lamers afgeloopen?”

„Vrij kalm,” antwoordde Rencke. „Hij was erg beteuterd en beloofde beterschap. Maar uw orders waren te stellig, dan dat ik er iets aan durfde veranderen.”

„Neen, op den duur zou ik hem toch niet graag gehouden hebben,” vond Korman. „Maar wat heeft Brisson?” vervolgde hij wijzende op dezen, die blootshoofds, met haastigen stap naderde.

Zenuwachtig reikte hij Korman een papier toe. De administrateur herkende dadelijk het nette regelmatige schrift van den ontslagen Lamers. Lezende, overtoog een toornige trek zijn gelaat.

„Leg het maar in het kantoor,” gelastte hij, Brisson het briefje teruggevende, „’n Dreigbrief van Lamers,” zeide hij daarop tot Rencke. „Het beteekent niets. Ga je gang dus met Sabrang; wien je ook stuurt, het is altijd goed.”

En toen het kantoor binnengaande voer hij hevig uit tegen Brisson.

„Had je je bezinning verloren?” raasde hij. „’t Is Gévédé of je een klein kind bent, om onderteekende briefjes te sturen over den koffieopkoop.”

„Het is er maar één,” bracht de employé in het midden. „Dien morgen, toen u zoo’n haast had …”

„Eén is voldoende,” viel Korman hem in de rede. „Juist dat ééne briefje kan je voorgoed ongelukkig maken. Hij vraagt er tweehonderd vijftig gulden voor, niet waar?”

„Ja meneer.”

„Dan zou ik maar zelf naar de stad rijden en het met hem afmaken. Ik zal je het geld geven—in voorschot natuurlijk, want het is je eigen stommigheid, en dus niet meer dan billijk dat je het zelf draagt.”

„Alsublieft meneer,” zeide Brisson. „Mag ik vandaag nog gaan?”

„Ja zeker. En morgen terug. Kijk meteen op het postkantoor of er brieven zijn.”

Hoewel Korman zich groot hield tegenover zijn ondergeschikte, zat hij niettemin geducht in angst over de zaak. Wel is waar gaf dat briefje van Brisson geen enkel bewijs tegen hem, doch het kon een waarschuwing aan het Binnenlandsch Bestuur voldoende motiveeren; en dan was het uit met den opkoop van koffie—althans in de eerste jaren. Hij hoopte slechts dat Brisson het er goed af mocht brengen en het gevaarlijke papiertje in zijn bezit krijgen.

Intusschen belette hem dat alles om heden naar Marialand te gaan. Het stond niet, om Watoeombo te verlaten, nu er drie employé’s mankeerden en er volop werk was. Tegen den middag uit de tuinen terugkeerende, zond hij een koelie met een brief naar Caroline, haar het treurige en het goede nieuws meldende.

Brisson kwam den volgenden middag thuis.

„Ik heb het, meneer!” riep hij triomfantelijk uit. „En de tweehonderd vijftig pop nog in mijn zak.”

„Dat is een felicitatie waard,” zeide Korman. „Hoe heb je dat klaar gespeeld?”

„Ik heb hem onder tafel gedronken,” antwoordde Brisson.

Korman schoot in een luiden lach.

„Jij hem!” riep hij uit. „Vertel nu toch geen stukjes.”

„Op mijn woord,” verklaarde de employé. „Gisteravond, na den eten, zaten we samen voor mijn kamer te praten, te onderhandelen. Hij had het eigenlijk op u gemunt, zeide hij, en raadde mij aan u de tweehonderd vijftig pop nooit terug te geven. Ik ging maar een beetje met hem mee, dat begrijpt u. Zoo tegen half tien presenteerde ik hem iets. Hij nam jenever met suiker en water. Ik heb de grogjes wat sterk laten maken, terwijl ik zelf een glas wijn bleef drinken. Om half twaalf gaf hij het op. Ik liet hem liggen en doorzocht zijn koffer tot ik mijn briefje vond. Toen heb ik hem met behulp van een der wakers in zijn bed gelaveerd, en ben van morgen vroeg vertrokken. Hier is het geld weerom, op tien gulden na die ik noodig had voor extra uitgaven. En een brief voor u van den dokter. Meneer van Everdingen is er slecht aan toe; ik ben gistermiddag even bij hem geweest.”

Driftig scheurde Korman de enveloppe open. De dokter verzocht hem ten spoedigste in de stad te komen. Van Everdingen’s toestand was van dien aard, dat er weinig kans op herstel overbleef. Hij wenschte eenige beschikkingen te maken en had verlangd dat Korman daarbij tegenwoordig zou zijn.

„Roep meneer Rencke,” gelastte Korman. „Hé, paard zadelen! Li, waar ben je? Van Everdingen gaat dood.”

„Kassian!” zeide Li. „Ga je naar de stad pa?”

„Ja; maak een rolletje kleeren voor me klaar. Het kan natuurlijk een paar dagen aanhouden; stuur dus een koffertje met goed morgen met den plajangan mee. Zoo, Rencke, heb je ’t al gehoord?”

„Ja meneer. Die arme kerel!”

„Ik moet weg; daar is niets aan te doen; je moet het zien te schipperen …”

„Het zal wel lukken,” meende Rencke.

In het logement, in de kamer die het verst van den grooten weg verwijderd was, lag de zieke. Het had hem aan oppassing en gezelschap niet ontbroken. Ieder mocht den stillen, beschaafden jonkman gaarne lijden, en nauwelijks had de dokter op de sociëteit verteld hoe het met hem stond, of hij werd bestormd met aanbiedingen om te waken, ziekenkost te laten koken—wat er maar noodig was. De dokter had daarvan gebruik gemaakt, zoodat van Everdingen geen oogenblik alleen lag. Doch ondanks alle goede zorgen was de patiënt bij den dag achteruit gegaan.

Toen Korman het erf opreed zag hij den resident uit de kamer van den zieke komen en de onstuimigheid waarmee hij den neus snoot en zonder Korman te zien voorbij liep, deed dezen het ergste vreezen. In het galerijtje liep de notaris met nog een heer, beiden met strakke gezichten, en binnen was de dokter, geholpen door den houtvester, bezig voor de zooveelste maal een kunstbewerking toe te passen, die den armen patiënt toch niet hielp.

„Schei maar uit dokter,” zeide van Everdingen mat. „Daar is Korman.”

De geneesheer voldeed onmiddellijk aan het verzoek, als begreep hij zelf dat het een noodelooze kwelling was. Met een spons wiesch hij de bloedstipjes van de borst des lijders en borg zijn instrument op, terwijl hij Korman ruimte liet om het bed te naderen.

„Je gaat ons toch niet verlaten?” vroeg Korman op dien quasi-luchtigen toon van iemand die met één blik gezien heeft dat het einde nabij is.

„Ja,” zeide van Everdingen, de vraag opvattende zooals zij bedoeld was. „Ga zitten, hier bij mij. Ik wil mijn testament maken. Jij moet executeur zijn; wil je?”

Korman knikte bevestigend, zich niet storend aan het tutoyeeren, dat van Everdingen hem voor dezen nooit gedaan had. Zonderling, de naderende dood scheen de rollen om te keeren; de ondergeschikte had op dit oogenblik zijn chef kunnen bevelen wat hij wilde, en deze zou het hebben opgevolgd zonder zich te bedenken.

„Mijn moeder is erfgenaam,” ging van Everdingen voort; „maar zij moet geen last hebben van de zaak. Verkoop mijn aandeel en maak het haar over. Dat is alles wat beschreven moet worden. Maak het met den notaris in orde. Het voorlezen kan ik wel aanhooren, maar geen gepraat er over.”

Het kostte eenige moeite den notaris te overreden de zaak aldus te behandelen. Hij vond het een onregelmatigheid, en zwichtte niet eer de dokter, die er bijgeroepen werd, verklaarde dat de patiënt geenerlei vermoeienis kon verdragen.

Toen alles afgeloopen was wenkte van Everdingen Korman weder tot zich.

„Zorg voor mijn huishoudster,” zeide hij. „Koop een huisje ergens, of wat je goeddunkt. Schrijf aan mijn neef te Utrecht dat hij het aan moeder meedeelt. Deze ring.… neem een stukje papier. Noteer nu: freule E. van Stolwijk, den Haag. Aan haar zenden en schrijven, maar voorzichtig.”

„Ik beloof het je,” zeide Korman. „Maar nu moet je niet meer praten; het pakt je te veel aan.”

Van Everdingen glimlachte. „Wat doet een uur langer of korter er toe!”

Doch de vermoeidheid kreeg de overhand en hij sloot de oogen. Korman wenkte den dokter.

„Zeg eens,” zeide hij toen zij buiten waren, „wat mankeert hij?”

„De lever,” antwoordde de geneesheer. „Maar het is een zeldzaam geval. U is executeur niet waar?”

„Ja,” zeide Korman. „Waarom?”

„Hm.… in ’t belang der wetenschap.… ik kan nu alleen de uiterlijke symptomen beschrijven, maar het zou niet ondienstig zijn ook de inwendige.…”

„Houd maar op, dokter,” zeide Korman beslist. „Daar komt niets van in. Als de familie het ooit vernam.… neen, ik wil het niet hebben, en daarmee uit. Heusch, doe geen moeite. Ik vind het daarenboven weinig verkwikkelijk om over zoo iets te praten als iemand nog leeft.”

De dokter haalde de schouders op over deze leekenkoppigheid.

„Blijft u bij hem tot het is afgeloopen?” vroeg hij.

„Ja,” zeide Korman.

Van Everdingen overleed tegen den morgen.

Zoodra Korman de noodige beschikkingen had gemaakt voor de begrafenis, die ’s middags zou plaats hebben, zette hij zich tot schrijven. Eerst de brieven die de overledene hem had opgedragen en toen aan Benoit. De laatste was de uitvoerigste.

„Meneer Korman!”

De aangesprokene zag op. In de deur van zijn kamer stond een korte gedrongen figuur. Een bijna kale schedel, donkere oogen, eenigszins gebogen neus, zware donkerblonde snor, sprekende trekken.… ziedaar wat men ongeveer mocht opnoemen als men Bedouin Starke wilde beschrijven. Toch, een nauwkeurig signalement van hem te geven behoorde tot de onmogelijkheden. De bijnaam „kameleon”, die een vriend hem had trachten te bezorgen, was door alle anderen die hem kenden, bij acclamatie verworpen als te weinig zeggend. Want had genoemd diertje tien, vijftien minuten noodig om van kleur te verwisselen, Bedouin Starke veranderde zijn geheele voorkomen in minder dan een seconde. Talrijk waren de verhalen die over deze eigenschap van hem de ronde deden. Onverstoorbaar van humeur, geestig en knap, was hij overal een welkome verschijning. Zooals men zeide had hij maar één lastige karakterfout, en wel dat hij niet velen kon dat men hem te veel op de vingers zag. Daardoor had hij in het begin van zijn indische carrière zoowat elk half jaar een andere betrekking, tot hij eindelijk op een koffieonderneming was terechtgekomen aan de van Watoeombo afgewende zijde van ’t gebergte. Hier hield hij het zes jaar uit, een feit dat zijn oplossing vond in het gestadig naar Europa heen en weertrekken van den administrateur-eigenaar. Deze kwam af en toe terug; doch voor dat hij nog goed gelegenheid had om met zijn ondergeschikte standjes te krijgen, was hij al weder vertrokken, waarop dan Bedouin Starke gewoon was in de stad te komen en het weggaan van zijn chef met een „gloeiende fuif” te vieren.

Nu stond hij met een vriendelijk gezicht Korman toe te knikken.

„Zoo, Starke!” riep deze uit. „Is de baas alweer weg? Kom je hem uitluiden?”

„Neen,” was het antwoord. „Ditmaal ben ik weg. Apropos, die arme van Everdingen! Dikwijls ontmoet, dikke vrienden geworden. Ik kwam eens naar hem kijken, maar te laat. En nu moeten we hem begraven.… kan ik wat voor u doen? Niet? Enfin, ik zal een roerende speech op zijn graf houden.”

Bij de laatste woorden had zijn gelaat een zoo wanhopig droevige uitdrukking aangenomen, dat Korman het uitproestte.

„Hoor eens,” zeide Korman zich herstellende, „je haalt geen gekheid uit.”

„Ik zou niet durven,” zeide Bedouin Starke. „Waar de opgesperde kaken des doods ons tegengrijnzen, en dichtsnappend een vriend van onze zijde.…”

„Ben je bedonderd!” viel hem Korman in de rede, bleek wordende, meer van de mimiek, dan van den onzin dien de ander uitsloeg. „Je zoudt iemand van zijn stuk brengen! Vertel liever eens wat je in de stad komt doen.”

„Rentenieren.”

„Watblief?”

„Zooals ik zeide. De baas is van plan voorgoed te blijven. Hij kan de Parijsche lucht niet meer verdragen. En wat nu? Eén is voldoende om aan ’t hoofd te staan van een land. Zijn er twee dan wordt de ander natuurlijk een loop in ’t lijntje, en daar bedankten we allebei voor. Toen zijn we mekaar aan het opdringen gegaan, et me voilà!”

„Dus zoek je een betrekking?”

„Wou u mij er een aanbieden? ’t Is waar, met van Everdingen komt er een vacature.”

„Juist,” zeide Korman. „Ik kom zelfs twee lui te kort. Maar voor de eene plaats heb ik al een zekere de Leeuw.”

„Een sinjo”, merkte Bedouin Starke op.

„Wat doet het er toe; hij moet goed zijn,” meende Korman. „Welnu, wil je?”

„Ik geef daar geen antwoord op zoolang van Everdingen nog onbegraven ligt,” zeide Bedouin Starke. „Weet u wat … ’t is vandaag Dinsdag; als ik Zaterdagavond boven kom dan doe ik het. Ik moet eerst wat uitwaaien.”

„Afgesproken,” zeide Korman.

Bedouin Starke was een man van zijn woord. Op het graf van van Everdingen hield hij een aanspraak, die de meeste aanwezigen—en velen waren opgekomen—tot tranen roerde, en inzonderheid Korman een lijkkleur op het gelaat joeg; zoodat de algemeene opinie, zich uitende dien avond op de sociëteit bij monde van den aspirant-controleur, was, dat Starke bij al zijn grappen toch au fond ’n ernstige kerel, en Korman een patent chef mocht genoemd worden.

De omstandigheden noopten Korman nog denzelfden avond terug te gaan naar Watoeombo. Wel zou de nacht vallen eer hij zijn onderneming bereikte, doch het was lichte maan en wilde dieren waren in die streek zoo goed als onbekend.

In de américaine zat hij te soezen. Het scheen alsof er na de drukte en de spanning van de laatste twee dagen een reactie bij hem was ingetreden, zich oplossende in een hoogst onaangenaam gevoel van zenuwachtigheid, dat hij ten deele toeschreef aan het „geklets van dien vent”, waarmee hij bedoelde de door Bedouin Starke gesproken woorden. Langzamerhand kwam het beeld van den gestorvene hem weer voor oogen, niet zooals hij daar ziek gelegen had, doch in zijn werk, op zijn paard door de tuinen rijdende, evenals op dien dag toen hij hem ontmoette bij den zijweg naar Marialand, nadat hij … Korman bleef eenigen tijd verwijlen bij hetgeen aan die ontmoeting was voorafgegaan, en de conclusie die hij niet durfde trekken, dat het gisteren afgespeelde een gevolg was van het toen gebeurde, bezorgde hem een gevoel als van een knellenden band ter hoogte van zijn maag, die zijn longen opwaarts drukte en hem belette adem te halen.

Gelukkig, daar was Wonosarie, en het rijpaard dat hem wachtte. Hij onderhield zich slechts een oogenblik met den wedhono, en zette zijn paard dadelijk bij het afrijden in een flinken draf, dien hij volhield tot het terrein begon te stijgen en de weg een vluggen gang moeielijk maakte.

Hooger in het gebergte gekomen, bemerkte hij dat zich eenige wolken om den top samentrokken; een onwelkom iets, daar hij zich ten eerste bij het incompleet van europeanen bezorgd maakte voor de op de droogbakken uitgespreide koffie—inlanders zijn zoo nonchalant!—en ten tweede zou op het oogenblik een regenbui minder aangenaam zijn. Reeds nu deed de kou hem rillen in zijn van het transpireeren vochtige kleeren.

De weg slingerde zich om een uitlooper van den berg heen en liep toen steeds klimmend, weer de ravijnholte in. Aan het einde was een vrij scherpe bocht, zoodat Korman, die een tijdlang voortgereden was met zijn rug naar den kant der benedenlanden, bij het omslaan daarvan plotseling weer met het gezicht naar de vlakte gewend kwam. Doch die zag hij niet meer. Behalve dat het donker werd, kwam een laaghangende wolk aandrijven, hem recht te gemoet. Toen het gevaarte van waterdamp het ravijn bereikte scheen het zich saâm te trekken, als om zoolang mogelijk de botsing met de aarde te vermijden, tot de voorkant eindelijk een scherpen steven van een voortzeilend schip geleek.

Wat was het, dat Korman op eens de gedachte ingaf dat die wolk op hem af kwam? Het gevoel dat hem verlaten had bij het uitstappen van de américaine bekroop hem weer, doch nu sterker. Met wijdgeopende oogen zag hij naar het majestueuse monster, dat steeds donkerder, dreigender tint aannam. Een drukkende windstilte ontstond en toen een hel licht … het paard schrok en wierp hem af …

„Heere Jezus, vergeef het mij!” stamelde Korman ter aarde stortend. En het klonk als een vloek.

De laatste wolk schoof voorbij de maan en het bleeke licht deed den gevallene uit zijn bezwijming ontwaken. Langzaam, als op den tast, stond hij op, eerst een riem voelende aan zijn linkerarm, toen bemerkende dat het de teugel was van het paard, daarna het paard zelf ziende dat door een toeval aldus belet was geworden zich te verwijderen. Voorzichtig steeg hij op en reed verder. Het hinderde hem niet dat hij doornat was; niets hinderde hem op het oogenblik; zijn gedachten stonden stil tot hij thuis was, en daar, in het volle licht van de lamp, die Li bij zijn nadering had opgestoken, kwam hij weer tot zich zelven.

„Bah!” mompelde hij, en ging naar de slaapkamer om zich te verkleeden.

Zaterdagavond kwam, en ook Bedouin Starke. Terwijl zijn huishoudster en een dochtertje zich met de bedienden onmiddellijk naar Sabrang begaven, bleef hij op Korman’s verzoek te Watoeombo eten. Den volgenden morgen werd hij geïnstalleerd in de betrekking, die van Everdingen zoolang bekleed had.

Van zijn tegenwoordigheid op Sabrang maakte Korman gebruik om Biezeman te vragen naar Minah, en vernam tot zijn groote vreugde dat deze reeds vertrokken was, naar haar moeder. Hij besloot daarop den last van van Everdingen niet letterlijk uit te voeren, doch zond aan Biezeman tweehonderd gulden, om die als erfdeel van haar gestorven heer aan Minah over te maken.

Een paar dagen na Bedouin Starke arriveerde ook de Leeuw, die de door Lamers verlaten plaats innam.

Het malen was nu geheel afgeloopen en de laatste koffie lag op de bakken, terwijl in de stamploods dagelijks het vroolijk gebabbel der sorteerende vrouwen weerklonk. Stamploods was het eigenlijk slechts bij wijze van spreken, want in de plaats der vroegere primitieve mandjes, werd nu het werk verricht door een pelmolen, die zijn drijfkracht eveneens aan het waterwiel ontleende.

Het was in die dagen dat op een vooravond Rencke de administrateurswoning binnentrad. Dit was op zich zelf niets buitengewoons, maar er was in de uitdrukking van zijn gezicht iets, dat Korman trof, en hem vragen deed of de binnenkomende wat bijzonders had.

„Ja,” zeide Rencke, plaatsnemende. „Ik heb in de laatste tijden veel nagedacht over mijn positie hier, en ik moet erkennen dat die heel mooi is. Een hoog tractement, goede behandeling, aangenaam werk … men zou haast vragen: wat wil je meer? Voor ’t oogenblik niets. Maar in de toekomst … ik kan natuurlijk niet altijd in tractement vooruit blijven gaan … en ook … Ik zou u wel willen vragen wat eigenlijk het vooruitzicht is dat u mij kunt openen, gesteld dat ik nog jarenlang hier bleef.”

„Wel,” antwoordde Korman; „administrateur worden als ik er vandoor ga.”

„Wanneer denkt u dat te doen?”

„Als het land vrij is.”

„Wanneer, meent u, zal dat gebeuren?”

„Wie kan dat zeggen!” riep Korman uit.

„Juist, wie kan dat zeggen,” herhaalde Rencke. „Zoo heb ik er ook over gedacht. En daarbij, dat er misschien wel iets op te vinden was voor mij, om vóór dien tijd in eigen verdiensten te komen. Mag ik vragen: wordt het aandeel van Everdingen verkocht?”

„Ja … dat is te zeggen, hij wilde het zoo,” zeide Korman. „Er is nu naar zijn familie geschreven, of die het goedvindt. We krijgen telegrafisch antwoord.”

„Zoo,” zeide Rencke nadenkend. „Dus zou ik door mijn familie een bod kunnen laten doen aan de zijne.”

„Ben je heelemaal.…?” vroeg Korman.

„Hoe zoo?”

„Wel, laat den boel kalm op vendutie komen. Niemand die er wat voor biedt als hij niet tevens een betrekking er bij kan krijgen.”

„Daar is veel van aan,” vond Rencke.

„Je begrijpt,” zeide Korman, „dat ik zelf ook opbied, al was het alleen voor mijn fatsoen als executeur; maar in geen geval ga ik hooger dan de som die hij er ingestoken heeft.”

„Dank u voor de inlichting,” zeide Rencke. „U houdt mij dus op de hoogte?”

„Zeker,” beloofde Korman, doch hij wierp Rencke, toen deze wegging, een allerzonderlingsten blik achterna.

De tijd verstreek, en eindelijk brak de dag aan waarop Li afscheid moest nemen van haar kinderen.

Korman had haar verzocht geen huilpartij te beginnen met het oog op njotje’s lastig karakter en mogelijk verzet, als hij bemerkte dat het een werkelijke scheiding was van zijn moeder, die hij nog nooit verlaten had. Li hield zich dapper en zette de kinderen zelf in de tandoe, na ieder een kus gegeven te hebben.

„Mama loopt achteraan,” zeide Li, den dragers een wenk gevende. En langzaam rees de tandoe van den grond, terwijl Korman opsteeg.

Zoolang zij kon zag de arme Li haar kinderen na; en toen de stoet aan den overkant van de kalie achter de boomen verdwenen was, ging zij naar achter, om op haar bed stil te gaan liggen uitschreien. In haar leed had zij slechts één troost, namelijk dat zij voor de derde maal moeder zou worden. Aan Korman had zij hiervan nog niets gezegd; het was nog te vroeg, meende zij.

Toen de zijweg naar Marialand bereikt was, scheidde Korman zich van de tandoe af, de koelies toeroepende om vlijtig voort te loopen en dat hij hen wel zou inhalen.

In vluggen draf bereikte hij weldra het woonhuis.

„Ik kom je nog even goedendag kussen,” zeide hij tot Caroline, de daad bij het woord voegende.

„Dus zijn de kinderen op weg?” vroeg Caroline. „Kassian; was de moeder niet erg naar?”

„Och neen,” zeide Korman. „Ik geloof niet dat zulke menschen zooveel gevoel hebben als wij. Heb je al antwoord van je oom?”

„Ja,” antwoordde zij. „Vandaag over acht dagen gaan wij. Ben je vóór dien tijd terug?”

„Ik weet het niet,” zeide Korman. „Het hangt van Benoit af. Maar anders zie ik je te Soerabaja. Dat zou wèl zoo gezellig zijn.”

Doch Caroline schudde het hoofd. „Neen,” zeide zij; „dat mag niet.”

Toen hij wegreed, de kinderen achterna, vond hij dat Caroline erg koppig was. Wat kwam het er op aan! Te Soerabaja wist immers niemand hoe de verhoudingen op zoo’n koffieland waren, en zou niemand zich de tanden stooten aan hun engagement, al wist men dat Li nog bij hem in huis was. Soedah, als zij eenmaal getrouwd waren zou zij spoedig leeren zich naar zijn wil te schikken. En met deze illusie, die zooveel mannen koesteren vóór hun huwelijk, was hij voorloopig tevreden.

De reis van Korman naar Soerabaja was onverwacht opgekomen. Benoit had verlangd hem te spreken over de regeling van het aandeel van Everdingen, nadat er uit Europa bericht was ontvangen dat diens familie met de beschikking van den overledene genoegen nam. Hij had echter zijn vertrek eenige dagen uitgesteld om gezamenlijk met den ingenieur en zijn kinderen te kunnen reizen.

Nu het hem ontzegd was met Caroline te Soerabaja te mogen vrijen, wilde hij voor haar vertrek terug zijn en haastte zich derhalve zooveel mogelijk. Toen hij weer op den terugweg was vond hij dat de tocht eigenlijk overbodig was geweest. Wat de oude heer met hem besproken had, was evengoed te schrijven geweest. Benoit wilde van Everdingen’s aandeel zelf koopen, doch daar hij de geldschieter was en hij op dat aandeel een aanzienlijk bedrag had ingebracht, wilde hij in deze niet persoonlijk ageeren, en droeg Korman op door een strooman te laten bieden.

„Want, zie je,” zeide hij, „dan kan ik met mijn pretentie fatsoenlijker voor den dag komen.”

In de nieuwsbladen werd geadverteerd dat op dien en dien dag, ten overstaan van den notaris enz. enz. zou worden verkocht de onderneming Sabrang.…

Rencke was zeer teleurgesteld toen hij de tijding vernam.

„Ik wil u niet overhaasten,” zeide hij den dag na Korman’s terugkomst, „maar van nu af zal ik omzien naar een gelegenheid om zelf te beginnen, dan wel mij ergens in te koopen.”

„Dat moet jij weten,” zeide Korman.

„Tenzij,” vervolgde Rencke, „dat ik hooger kan bieden dan meneer Benoit.”

„Dat zou hij je niet goed afnemen,” waarschuwde Korman; „en in allen gevalle zou je van hem geen kapitaal krijgen.”

„Ik zal er niet om vragen,” zeide Rencke. „Hoewel ik niet begrijp hoe hij het zou kunnen nalaten. U laat uw helft in Sabrang toch niet schieten?”

„Natuurlijk niet.”

„Dus moeten we tot een accoord komen, of ik koop heel Sabrang, òf ik jaag het zoo hoog op als het waard is.”

„Ik zal er over nadenken,” zeide Korman. Nog dienzelfden avond schreef hij aan Benoit over Rencke’s voornemen.

Per keerende post kwam een uitvoerig antwoord, waaruit Korman kon opmaken wat hij te doen had. Kon opmaken—want de brief was zoo zorgvuldig gesteld dat er feitelijk niets in stond, en toch weer alles. Het eerste gevolg er van was dat de administrateur meer dan gewoonlijk op het werk kwam en Rencke allerlei aanmerkingen maakte. Hij had er nu trouwens den tijd voor. Het vertrek der dames van Os, dat in alle stilte had plaats gehad, maakte een eind aan de uitstapjes naar Marialand; de administratie was geheel in handen van Brisson, die dat netjes en goed deed, en ten slotte vond Korman dat hij vroeger veel te weinig op het werk kwam als voor een chef stond.

Ook op Sabrang werd hij dikwijls gezien. Toen hij daar voor de eerste maal kwam, reed Bedouin Starke juist uit en het was Korman onmogelijk hem in te halen, daar hij zijn paard niet durfde laten doen wat de ander van zijn rijdier eischte. Het was een trotsch gezicht om Starke te zien rijden. Bergop stapte hij, zijn paard steunende door zich aan de manen vast te klemmen, maar afwaarts ging het steeds in draf. Dan vrijwaarde hij het paard tegen het nadeelig schokken in de borst door het de achterhand sterk onder te laten brengen, bij een fiere elevatie van den nek, en sierlijk bijgebracht hoofd. Dan overwon de manegekunst de grootste moeielijkheden van het terrein, hetzij een steile helling of boomstammen dwars over den weg of een stuk waterleiding, waarover nog geen brug was. Het was zóó mooi, dat Korman, toen hij na herhaaldelijk te zijn afgestegen, eindelijk den tuin bereikte waar de opzichter halt gehouden had, niet kon nalaten hem er over te prijzen.

„Een paard heeft vier beenen,” beweerde Bedouin Starke, „en kan dus naar rato tweemaal zooveel als een mensch.”

Den tweeden keer vond Korman den ander midden in den werktijd thuis, en de derde maal ook, en toen verklaarde Starke zelfs dat hij geen tijd had mee te gaan naar de tuinen.

„Het zal toch dienen,” meende Korman, „als ik het werk kom inspecteeren.”

„Pardon,” zeide Bedouin Starke. „Vergun me hierin met u van opinie te verschillen. De quaestie is enkel of er aanmerkingen te maken zijn: zoo ja, dan behoorde ik er bij te zijn om die te ontvangen, zooneen, dan kunt u best alleen constateeren dat de boel in orde is.”

„Wou je dan beweren,” zeide Korman, „dat er op je werk geen enkele aanmerking is?”

„Zooals u zegt. Natuurlijk op dát werk dat afgeleverd en ingeboekt staat.”

„Goed!” zeide Korman. „Ik ga—maar als ik iets vind, dan zal ik het je dubbel aanrekenen.” En terwijl Starke bedaard met zijn schrijfwerk voortging, inspecteerde zijn chef het werk.

Doch hoe Korman ook rondzag, hij kon geen fout vinden die tot een gegronde opmerking stof leverde.

„Je boft vandaag,” zeide hij terugkomende. „Maar ik twijfel er aan of het op den duur goed zal blijven gaan, als je onder werktijd thuis zit.”

„Laat ik u eerst eens een bittertje inschenken,” zeide Starke; „dat praat pleizieriger. En nu zal ik zoo vrij zijn de zooeven door u gebruikte uitdrukking te wraken. Ik bof namelijk volstrekt niet; het is eenvoudig het resultaat van mijn werkwijze.”

„Dat moet je mij eens uitleggen.”

„Gaarne. Ik ga van het standpunt uit dat een inlander ook een mensch is.…”

„Hm,” bromde Korman er tusschen.

„.… en als zoodanig zich voortdurend ergert als men hem den geheelen dag op de vingers ziet. Daartegenover staat dat hij in zijn werk moet worden nagegaan, of anders knoeit en luiert hij. Sta je er nu den heelen dag bij, dan profiteert hij van elk oogenblik dat je je rug omdraait.”

„Juist,” zeide Korman; „en als je er niet bent, dan profiteert hij dubbel.”

„Behalve,” zeide Bedouin Starke, „als hij elk oogenblik denken kan: daar komt meneer! en altijd onverwacht, nu uit het Noorden, dan uit het Zuiden, steeds zóó dat ik er bij ben als ik verkeerde dingen doe. Me dunkt, als die angst er behoorlijk in zit, dan kan men gerust zijn.”

„Dat is toe te geven,” zeide Korman. „Hoewel, een javaan is slim, en heel gauw weet hij op welke tijden je bijvoorbeeld nooit komt, en dat, als je naar huis gaat, hij je in ’t eerste uur althans niet weer terug ziet.”

„Ja,” antwoordde Bedouin Starke. „’t Is daarom ook een heele studie om te zorgen dat zij nooit den draad van je komen en gaan in handen krijgen. Op het oogenblik bijvoorbeeld, weten zij dat u hier is, en gevoelen zich daardoor vrij veilig, denkende dat ik niet komen zal. Welnu”—en hiermede stond Starke op en wenkte iemand om den hoek van zijn huis—„dat hebben zij mis.”

Een staljongen verscheen, het paard, dat klaarblijkelijk te voren gereed was gehouden, vóór brengende.

„Tot straks,” zeide Starke opstijgende. „Kijkt u intusschen de illustraties eens in—daar op het knaapje—ik ben zóó terug.” En weg was hij, Korman geheel verbluft achterlatende.

„Ik zou hem op staanden voet ontslagen hebben,” verklaarde van Os, toen Korman hem het verhaal van het bovenstaande deed. „Aan den anderen kant zou ik geen aanmerkingen hebben gemaakt op zijn thuiszijn, als zijn werk—zooals je zelf zegt—het beste was van ’t heele land. In zooverre heeft hij gelijk.”

Intusschen verminderde Korman zijn tournées naar Sabrang, om des te meer Rencke lastig te vallen. Deze, in het bewustzijn van altijd naar beste krachten zijn plicht te hebben gedaan, en meer dan dat, werd kregelig, maar zweeg, tot hij op zekeren dag dat Korman het al te bont maakte en hem zelfs aanvloekte, plotseling zijn ontslag vroeg.

Van het oogenblik af dat dit woord uitgesproken was, veranderde Korman’s houding ten eenenmale. Hij werd weer vriendelijk als vroeger, en eindelijk drong hij bij Rencke aan dat deze op zijn aanvraag terug zou komen. Doch Rencke weigerde beslist, verklarende alleen te willen onderhandelen over het aandeel van Everdingen. Dit wilde Korman niet, en het einde was dat Rencke Watoeombo verliet, zijn huishoudster naar haar dessa zendende, tot nader order, en zelf in de stad zijn intrek nemende bij den houtvester, met wien hij zeer bevriend was, om af te wachten tot de dag der vendutie dezen strijd zou beslissen.

Eenige dagen voor dien gewichtigen dag bevatten de nieuwsbladen echter een advertentie, dat de aangekondigde vendutie van Sabrang was uitgesteld tot den 23en December. Het was toen de 10e November, en Rencke, zijn gastheer niet zoolang tot last willende zijn, nam een hem aangeboden betrekking aan op de onderneming waar vroeger Bedouin Starke gewerkt had. Hij had den administrateur vooraf gewaarschuwd dat zijn plan was een bod te doen naar Sabrang, en deze nam daarmee genoegen, niet twijfelende of Korman zou dat stuk zijner onderneming zelf willen behouden, en boven elk bod van Rencke een hooger doen.

Doch geen van beiden hadden zij gerekend op de duivelsche sluwheid van dien man, noch op de macht van Benoit’s geld.

„Rectificatie. In ons nummer van 8 November j.l. kwam een annonce voor over de aangekondigde veiling van het koffieperceel Sabrang, deel uitmakende enz. enz. Daarin is een fout ingeslopen. Er stond nl. 23 December; dit moest zijn 23 November. Onze lezers vinden hierachter de verbeterde annonce.”

Zoo luidde het berichtje dat Rencke’s chef ’s avonds na aankomst van den plajangan, uit zijn luierstoel deed opspringen.

„Ze hebben je te pakken gehad!” was de uitroep waarmee hij bij Rencke kwam binnenstormen.

Het was de 23e November!

Rencke’s spijt en verontwaardiging kenden geen grenzen. Hij vroeg verlof om naar de stad te mogen gaan, teneinde Korman over zijn bedrog te onderhouden, wat de chef hem gaarne toestond, mede walgend van zooveel knoeierij.

Maar Rencke vond niet wien hij zocht. In het logement wist men hem te vertellen, dat Korman dien morgen met een reiswagen naar Soerabaja vertrokken was. Bij den notaris vernam hij dat het perceel gekocht was voor twee en twintig duizend gulden door Menier de Brisson. Waarschijnlijk een strooman, meende de notaris; hij had tegen Korman opgeboden; anders was er niemand geweest.

Met dezen troost kon Rencke naar huis gaan, wat hij deed.

„Zoolang ik nog hier ben,” zeide zijn chef, „wil ik geen compagnon hebben; maar over twee jaar ga ik voorgoed naar Europa. Als je dan de helft van de onderneming van mij wilt overnemen, heb ik er niets op tegen; anders verkoop ik haar geheel.”

„Als u hierover een notarieel contract met mij maakt, neem ik uw aanbod aan,” antwoordde Rencke, en na lang praten werden zij het eens.

Brisson was na zijn heldenstuk verricht te hebben naar Watoeombo teruggereden. Van Korman had hij een boodschap meegekregen aan de andere employés, die hij echter eerst mocht overbrengen zoodra Messner op de onderneming zou geweest zijn en aldaar verricht hebben wat Korman hem opdroeg in een brief, dien Brisson hem moest toezenden.

Zoo luidde zijn instructie.

Messner kwam uit de tuinen thuis in een niet zeer opgewekte stemming. De laatste berichten in de couranten uit Midden-Java vertelden van een ziekte, die daar in den koffie-aanplant heerschte; een bladziekte, die het sterven van verscheiden boomen ten gevolge had. En op zijn rondgang heden had hij ook op Donowarie de oranjekleurige vlekken gezien, die van deze ziekte het kenmerk heetten. Wel meende hij die meer, ja altijd aan zijn boomen te hebben bespeurd, maar toch maakte hij zich ongerust en besloot eens naar Korman en van Os te gaan en met hen de zaak te bespreken.

Op tafel in de voorgaanderij lag de brief van Korman. Hij stak dien in zijn zak; onderweg zou hij hem op zijn gemak lezen. In haast trok hij andere schoenen aan en steeg toen op. Reeds had hij de eerste tuinen van Watoeombo achter zich, toen hij zich den brief herinnerde, die nog ongeopend in zijn borstzak zat. Misschien was het ook wel over de koffiebladziekte!

„Waarde Messner! Het spijt mij dat ik u niet heb kunnen spreken over de zaak die in deze regelen behandeld wordt. Een belofte bond mij. Later, als ik terug ben uit Batavia, waarheen ik afreis als ge dezen ontvangt, zal ik u alles uitleggen. Sedert eenige weken ben ik geëngageerd met mej. C. van Os en straks met haar gehuwd. De omstandigheid dat ik bij Li kinderen heb, deed haar eischen dat ons huwelijk niet hier, maar te Buitenzorg zou worden gesloten, waar haar oom thans woont. En eer Li uit mijn huis was, mocht niemand van ons engagement weten. Ge begrijpt dat het voor mij een lastige zaak was. Wil Li op de hoogte brengen. Ge kunt voor haar een huisje huren in de stad en maandelijks honderd gulden van mij ontvangen voor haar onderhoud, zoolang als zij niet trouwt of bij een ander gaat. Doe mij het genoegen een en ander ten spoedigste te regelen.

Van onze komst, die naar ik verwacht niet later dan vandaag over een maand zal plaats vinden, zal ik je telegrafisch bericht zenden.

Geloof mij

t. à. v.

W. Korman.

„Begrijpen! Of ik hem begrijp!” riep Messner uit. „Hij blijft in zijn rol tegenover dat arme kind. Op ’n smerige wijs is hij aan haar gekomen, even vuil laat hij haar glippen nu hij haar niet meer noodig heeft. Een huisje in de stad! Zeker om haar nu en dan … Neen vriend, daar zal ik voor zorgen. Dáárom moesten de kinderen dus weg! Een beroerde karrewei intusschen … enfin, dan maar dadelijk.”

Bij de administrateurswoning stond het vol meubelen. Van den zonnigen dag en Korman’s afwezigheid had Li gebruik gemaakt om alles eens een flinke beurt te geven. Binnenshuis waren koelies aan het witten, en daarbuiten appliceerden de bedienden op tafels en stoelen dat strijkvernis, dat men in Indië algemeen „politoer” noemt. Li zelf dwaalde van den een naar den ander, druk en gelukkig in het vooruitzicht van het pluimpje dat zij zeker was te zullen verdienen.

Voor den naderenden Messner was deze trouwe zorg een onpleizierig gezicht. Ten eerste om het contrast met Korman’s cynisch handelen, en voorts omdat het in die herrie heel moeilijk was Li te boodschappen dat zij door Korman weggezonden werd.

Blij hem te zien, en tevens verlegen omdat zij hem geen geschikt plekje kon aanbieden, begroette Li haar pleegvader.

„In het kantoor is alles nog in orde, papa,” zeide zij. „Meneer Brisson zit er te werken.”

„Ik heb er op het oogenblik niet noodig,” zeide Messner aarzelend. „Ben je van middag klaar?”

„O ja,” verzekerde Li. „Ik heb niet meer uitgehaald dan in één dag af kan. Morgen komt de slaapkamer aan de beurt en het kantoor, en overmorgen de bijgebouwen; als het ten minste niet regent.”

„Goed. Maak dat je tegen vier uur alles in orde hebt. Ik ga nu naar Marialand en blijf vannacht bij jou logeeren.”

„Heerlijk!” juichte Li. „Ik zal voor vanavond wat lekkers klaarmaken. Maar …” vervolgde zij hem ernstig aanziende, „heeft papa soesah? Is Zus niet wel?”

„Zou ik dan hier zijn?” vroeg hij terug. „Nou kind … misschien vertel ik het je vanavond wel. Dag!”

Met hartelijkheid werd Messner op Marialand ontvangen. Van Os apart nemende, ondervroeg hij hem over het engagement van Korman, en eindigde met hem den pas ontvangen brief te laten zien.

„Hm,” zeide van Os, „voor heel moedig heb ik hem nooit aangezien, doch ik vind dat hij dit zaakje zelf had behooren te doen. En wat de rest aangaat, heb ik hen maar zoo’n beetje laten scharrelen. Ik bemoei mij niet graag met zoo iets; pas mettre le doigt, en zoo voort.”

„Neen, je hebt gelijk,” zeide Messner. „Soedah, ’t is gebeurd, maar mijn gezicht zullen ze op Watoeombo niet gauw meer zien. Dan heb ik nog wat; je hebt zeker al van de koffiebladziekte gelezen.”

„Stapels!” verklaarde van Os. „Ik ben maar weer op mijn gewone manier te werk gegaan en heb aan alle lui op Midden-Java geschreven om inlichtingen. Na den eten zal ik je den rommel laten zien.”

Aan tafel wijdde mevrouw van Os uit over de gezelligheid die de komst van Caroline op Watoeombo voor haar zou aanbrengen; hoe jammer het was dat van Everdingen dood en Rencke weg was; dit waren nu juist twee heeren die het goede voorbeeld dat de chef gaf, konden volgen; het zou toch veel beter zijn als de jongelui minder in concubinaat leefden, iets dat op een in volle exploitatie zijnde onderneming niets tegen had; de hardships van het openen—nu, dat was voor de meeste dames geen doen.

„Als u zóó spreekt,” zeide Messner; „dan durf ik Zus niet meer hier te brengen.”

„Zus is mij altijd welkom,” zeide mevrouw van Os. „Ik doelde ook niet op u; de tijden waren, toen u begon, verschillend met thans, en ik kan mij voorstellen dat u niet meer verandert. Voor mijn gevoel is Zus evengoed aan u verbonden, en misschien met hechter band, dan menige gehuwde vrouw.”

Na tafel gingen de heeren naar het kantoor.

„Hier heb je een en ander,” zeide van Os. „Ik heb ze gesorteerd. Dit dikke pak bestaat uit raadgevingen van lui die verklaren dat het niets geholpen heeft wat zij zelf gedaan hebben, of denken te doen. Diep patjollen, goten tusschen de boomen, proefstations, en zoo voort. Dit dunne bundeltje is van dezulken die vooruitgang meenen te bespeuren; het komt echter vrijwel op dezelfde soep neer. Eindelijk deze ééne, die zegt dat zijn manier geholpen heeft.”

„Daar zou ik het meest vertrouwen in stellen,” vond Messner.

„Ik ook; alleen zijn middel is wat zonderling. Hij beweert dat het kapellen zijn die ’t hem doen, en laat die vangen.”

„Geen kleinigheid!”

„Hij schrijft dat hij in ’t begin vijftig man over zijn tuinen verdeeld had,” zeide van Os, „doch later waren zes man voldoende.”

„Dat valt me mee,” zeide Messner. „Wat denk jij te doen?”

„Afwachten, en als het hier komt, en de geleerden zijn het er nog niet over eens, dán het voorbeeld van onzen kapelvanger volgen. Maar wat leelijker is,” ging van Os voort, „dat de prijzen zoo omlaag gaan. Het scheelt allicht een paar jaar eer je land vrij is.”

„Ja,” stemde Messner toe. „Als ze zoo voortgaan, dan is een koffieland niet langer een rijkworder. Voor mij is dat niets, ik zou in Europa niet meer aarden, maar voor jelui is het naar.”

„Kom, dan laat ik mij als stafofficier aanwerven bij een vreemde mogendheid,” zeide van Os. „Wat hier in Indië gepensioneerd wordt heeft in het buitenland den naam van het beste te zijn; en mij zelven niet in aanmerking nemende, geloof ik waarachtig dat ze gelijk hebben ook.”

Met een bezwaard hart kwam Messner terug op Watoeombo. Als om zoolang mogelijk het verpletterende nieuws aan Li te besparen, hield hij zich tot aan het avondeten bezig met het bezichtigen der installatie—’n dood ding, nu alles stil stond—en met Brisson, die blij was deze aanspraak te hebben.

Al een paar maal had Messner hem scherp in de oogen gezien, en eindelijk zeide hij:

„Je ziet er niet zoo gezond uit als de vorige maal dat ik hier was.”

„De zittende levenswijze.…” meende Brisson.

„Of wat anders,” zeide Messner. „Neem je in acht jongmensch, ik heb er meer op die klip zien vergaan.”

Zooals dat meer gaat als men een lastige zaak uitstelt, werd het voor Messner hoe langer hoe moeielijker met Li te spreken. Reeds was het tafelkleed weggenomen en nog wist Li geen woord van wat haar te wachten stond. Messner dacht er over het tot den volgenden ochtend te verdagen, toen Li hem goênacht kussende nogmaals haar vraag van dien voormiddag herhaalde.

„Neen, ’t is niet om mij, noch om Zus,” begon hij, en eenmaal aan den gang deelde hij het haar mede; met veel omhaal en voorzichtigheid, maar het kwam er toch uit. De wanhopige droefheid van Li en de vreesachtige beweging waarmede zij zich tegen hem aanvleide als om bescherming te zoeken, maakten zijn toorn gaande tegen den man die van zooveel lijden de oorzaak was. En al wat hij dien dag verkropt had gaf zich lucht in een reeks scherpe verwijten aan Korman’s adres, doormengd met troostgronden voor de arme verstootene.

In ’t eerst scheen het aan Li voorbij te gaan, doch eindelijk ving zij de woorden op en luisterde. Niet lang echter, want eensklaps richtte zij zich op en stuitte Messner’s woordenstroom door hem het kleine handje op den mond te leggen.

„Sst, pa,” zeide zij, „niet doen! Dat is nog erger dan het andere. Korman is in zijn recht, hij mocht mij wegzenden. Neen.… zeg niets; het is zoo. En hij is altijd goed voor mij geweest, al die jaren.…”

Stom van verbazing zag Messner haar aan. Hij had een hoog gevoel van recht en zou niemand kwetsen als hij het kon vermijden, maar verlangde daartegenover een gelijke behandeling van anderen. Aan christelijk dulden sloeg hij geen geloof; wie hem op de linkerwang sloeg kon rekenen op gereede terugbetaling; de christenen die hij in het openbare leven ontmoet had deden evenzoo, en het bestaan van de toedraaiers der rechterwang hield hij voor een sprookje, verzonnen om navolgers te winnen ten bate der klappenuitdeelers. En daar tegenover hem stond dat kleine vrouwtje, klein in verhouding tot zijn hooge gestalte, maar groot in zielenadel, die haar uit de oogen straalde, oogen die hem aan een oude vrome tante herinnerden, kort voor haar dood.

„Eén ding bedroeft mij het meest,” ging Li voort. „Had Korman het mij maar gezegd! Maar zijn nieuwe vrouw zal van het kindje niet willen weten.…”

„Wat?” riep Messner uit. „Je bedoelt toch niet dat je in positie bent? Ja? Maar dat kan niet, dat gaat niet; ik zal hem telegrafeeren. Hij moet dat verwenschte huwelijk uitstellen.”

Tot laat in den nacht praatten zij er over, Messner ongenegen Korman iets toe te geven en zijn plannen om dezen te kwellen hardnekkig vasthoudende, Li besloten haar heer in alles ter wille te zijn en van haar kant niets te doen dat maar eenigszins op wraak geleek. Zij won het pleit, op één punt na. Terwijl zij nog een paar dagen had willen blijven om het huis geheel schoon en in orde achter te laten, eischte Messner dat zij den volgenden morgen hem vergezelde naar Donowarie.

Toen Brisson, na de rol te hebben gehouden, op het kantoor kwam, vond hij daar een kort briefje van Messner die hem opdroeg een oog te houden op de administrateurswoning tot tijd en wijle de bewoner daarin zou teruggekeerd zijn.

„Korman’s naam komt er in ’t geheel niet in voor,” merkte Brisson op. „De oude heer schijnt goed nijdig te zijn.” Daarna maakte hij zich op om naar de tuinen te gaan, want nu Rencke weg was en de drukte van den oogst voorbij, moest Brisson tijdelijk de afdeeling waarnemen.

Wat Messner den vorigen avond had opgemerkt over zijn uiterlijk was niet zonder grond. Zijn oogen, vooral in den vroegen morgen, stonden dof en de oogleden vertoonden ontstoken roode randen, terwijl zijn wangen onophoudelijk trilden en trokken. Het had lang geduurd, veel moeite gekost, doch gedurig door Korman aangezet „om toch als ’n fatsoenlijk mensch een bittertje te drinken op zijn tijd”, was Brisson daartoe overgegaan; en eenmaal den smaak er van beet hebbende ging hij, als ieder renegaat, verder dan een ander.

In vergelijking van wat andere menschen gebruikten kon men niet zeggen dat Brisson veel dronk, doch zijn gestel verdroeg zelfs geen geringe quantiteit en daarom was voor hem ieder glas te veel. Korman had voor zich reeds lang gezien wat door Messner was uitgesproken. In geen der andere employé’s zou hij het dan ook toegelaten hebben. Maar Brisson, die nagenoeg in geen aanraking kwam met het vrije dessa-volk, dat hoogst gevoelig is voor de behandeling die het van de europeanen ondervindt, kon wat dat betrof geen kwaad; en daar hij zich wel wachtte ooit onbekwaam te zijn voor het administratie-werk, liet Korman hem stil begaan, inziende dat Brisson binnen korten tijd voor ieder ander ondernemer een onbruikbaar sujet zou worden, en daardoor meer en meer zich als geheel van hem, Korman, afhankelijk beschouwen. Dan kon hij met hem doen wat hij wilde zonder de vrees, die hem nu af en toe bekroop, dat Brisson hem te eeniger tijd mocht compromitteeren door ongewenschte openbaringen aan derden.

En indien ooit, zoo was deze tijd, terwijl de chef afwezig was, gunstig om het begeerde kwaad te laten ontwikkelen. Gewend den geheelen dag gelegenheid te hebben een praatje te maken, al liep dit dan meestal slechts over koffie en geld, geld en koffie, verveelde Brisson zich gruwelijk in zijn tijdelijke eenzaamheid. De Leeuw was tegenover europeanen harkerig en zwijgzaam, hij kon een uur lang op een luierstoel liggen staren zonder een woord te uiten, ja zelfs zonder te denken! Aan hem had Brisson niets; boeken bezat hij slechts een paar.… Boeken! Had niet Bedouin Starke eens gesproken over zijn „bibliotheek” en over de tijdschriften waarvan hij heele jaargangen had?

Nauwelijks kreeg Brisson dien inval of reeds maakte hij zich op om naar Sabrang te rijden. Het was wel donker, maar de lucht stond niet naar regen, ’n mooie avond voor een toertje. Onderweg bedacht hij dat dit tevens een goede afleiding voor hem was; als hij een boek had, of het ging terugbrengen en een nieuw halen, was er zooveel te minder aanleiding tot snoepen van alcohol bevattend vocht. Want als hij er zich goed rekenschap van gaf, zag hij zelf het ellendige in van den weg dien hij was opgegaan, doch hij verbeeldde zich tevens een steun noodig te hebben om dien weer te kunnen verlaten … hm! er op te blijven stilstaan dan.

Of hij die hulp zou vinden bij Bedouin Starke? Boeken had hij, en een collectie die voor zijn smaak en ontwikkeling pleitte, maar ook een assortiment dranken …

„Zeg maar iets heel geks,” zeide hij tot Brisson, „en ik wed dat het er is.”

„Kirschwasser,” zeide Brisson, meenende dat de ander dit zeker niet in zijn goedang zou hebben.

En het kwam, tot groote verbazing van Brisson, die het echter niet lekker vond, en zich spoedig vereenigde met het voorstel van Starke om tot iets anders over te gaan.

Helaas, waar blijven toch alle goede voornemens!

„Nu een zetje, zoo!” zeide Bedouin Starke toen hij Brisson op zijn paard hielp. „Pas op, er is geen leuning aan den anderen kant. Ik zal de boeken morgen wel met het rapport meegeven. Denk om je equiliber!”

„Equi … liber!” lachte Brisson onnoozel. „De vent heeft toch altijd ’n ui.”

Het uitstapje was Brisson wel bevallen, en om het te kunnen herhalen noodigde hij Bedouin Starke den volgenden avond ten zijnent. Dit was het begin van een rumoerigen tijd op Watoeombo, die aanhield tot Korman’s terugkeer. Nu hier dan daar, doch elken avond, weer of geen weer, kwamen Bedouin Starke, Brisson en Biezeman bijeen; een paar maal werd ook de Leeuw er bij gehaald, meer om zich van zijn stilzwijgen te verzekeren, door hem medeplichtig te maken, dan om zijn aangenaam gezelschap. Hoewel dit laatste nu juist geen vereischte was bij de nachtelijke samenkomsten, die hoe langer hoe meer van vroolijke drinkpartijen ontaardden in vuile orgieën. Vooral in de kampong van het hoofdkwartier zag men geen enkele fatsoenlijke inlandsche vrouw meer, want het was gebeurd dat de opgewonden europeanen de javaansche woningen waren binnengedrongen om te zoeken wat van hun gading was.

Dat het werk er onder leed was niet te verwonderen. Op Sabrang niet, want Bedouin Starke scheen het niet te hinderen of hij geregeld de helft van zijn slaap miste, en hij stelde Biezeman voor de keus om zijn werk goed te doen, of ’s avonds thuis te blijven; doch bij Brisson zag het er allertreurigst uit. Toen hij dan ook eindelijk een telegram kreeg, vijf dagen voor de terugkomst van Korman, stelde hij voor een eind te maken aan de pret. Zoo geschiedde, en de kalmte keerde terug op de koffieonderneming, terwijl Brisson zich beijverde het slechte werk zooveel doenlijk onzichtbaar te maken. Met een tiental koelies ging hij de tuinen langs die schoongemaakt waren, en liet aan den kant van de wegen alles netjes maken, hopende dat de chef niet van zijn paard zou stijgen om het inwendige te inspecteeren.

Ook had hij eens rondgekeken in de administrateurswoning, doch toen hij een begin liet maken met het opruimen van de stof en wat de bedienden er in die dagen meer hadden laten liggen of ingebracht, kwam plotseling mevrouw van Os hem vervangen. Hij besefte dadelijk dat dit maar goed was ook, want wat hij voor brandschoon hield moest volgens die dame een extra-beurt hebben, en wie zou nu ooit op de gedachte gekomen zijn om boven op de kasten en ledikanten te kijken? En dat er tafels bijeen geschoven moesten worden om een feestdisch aan te richten! Brisson verklaarde later dat hij „gewoon perplex” was van het groote verstand, door zulk een europeesche dame aan den dag gelegd.

Toch hadden de employés er een flauwe notie van, dat men den chef en zijn vrouw feestelijk behoorde te ontvangen en in te halen. Onder aanvoering van Bedouin Starke lieten zij een pendoppo opslaan bij den zijweg naar Marialand; en daar was het dat zij op den morgen van Korman’s komst zich verzameld hadden, en van daaruit stonden de koelies en mandoers ten getale van ongeveer achthonderd aan weerszijden van den weg opgesteld, met zooveel tusschenruimte dat zij tot aan de brug van Watoeombo reikten. Ieder hunner hield een geimproviseerd vlaggetje in de hand en droeg een sjerp van groen om het lichaam, met ingestoken roode papiertjes die men verzocht werd voor bloemen aan te zien. Van de brug tot aan Korman’s woning stonden de vrouwen en meisjes, elk met een jong klapperblad in de hand, wat geen onaardig effect maakte.

Even voor den middag naderde de stoet de plaats waar de pendoppo stond. Want een stoet was het! In de stad had de resident het noodig geoordeeld den administrateur van Watoeombo, den pionier in deze streek, te complimenteeren; en daar dit den vorigen avond door de late aankomst van het jonge paar mislukt was, deed hij het dien morgen eer zij de reis naar het gebergte aanvaardden. Bij die ceremonie was ook de Regent aanwezig, en dientengevolge de mindere inlandsche hoofden. De faam hiervan was Korman vooruitgevlogen, en had bewerkt dat de wedhono van Wonosarie met gevolg, en hoogerop de assistent-wedhono, zich bij Korman en Caroline hadden aangesloten, zoodat het een heele optocht werd van netgekleede inlanders op tandakkende paardjes.

Nadat Korman en zijn vrouw waren afgestapt nam Bedouin Starke het woord:

„Meneer Korman! Te midden van de koffie, sprekende tot u, wat wonder dat mij het beeld van den koffieboom voor oogen staat; zooals deze ontkiemt, een zwak en teer plantje, dat gekoesterd en gekweekt moet worden in de schaduw, doch weldra krachtig en frisch, in de open lucht gebracht, opwast tot een boom heerlijk bloeiende en nuttige vruchten afwerpende! Zoo was het, zoo zij het ook, met de liefde die u trok tot haar, die wij thans als uw echtgenoote hier welkom mogen heeten.

„En u, mevrouw! behoeven wij het u nog te zeggen hoezeer wij naar uw komst verlangd hebben? Zie, opdat u in den roes van een nieuw geluk niet uit ouder gewoonte dezen zijweg naar Marialand zoudt inslaan, hebben wij ons hier opgesteld om u te waarschuwen; opdat op de steilten en naast de diepe ravijnen uw verdere weg gevaarloos zij, schaarden wij onze troepen als een levende heg langs uw pad; en dat de geestdrift die ons bezielt zich ook aan het werkvolk heeft medegedeeld, zult u ontwaren als u het laatste eind van dezen weg bereikt, waar de vrouwen-mandoer als een tweede Kenau Hasselaar haar vriendinnen heeft opgeroepen om in te springen waar de mannen tekort schoten.

„Heil u beiden! Welkom op Watoeombo!”

„Dankje wèl,” antwoordde Korman met hem klinkende en dit herhalende bij alle anderen. Caroline daarentegen wist ieder een aangenaam woord te geven.

Men brak op. In de met groen en vlaggen versierde administrateurswoning wachtten Van Os en zijn vrouw de komenden af, doch verder niemand.

„Waarom is meneer Messner er niet?” vroeg Caroline aan haar man toen zij aan tafel zaten.

„Ik weet het niet,” zeide Korman. „Misschien heeft hij het druk en komt van avond.”

’s Middags vertelde hij haar waarom Messner niet gekomen was en ook niet zou verschijnen. Messner was met het huwelijk niet ingenomen, maakte hij haar wijs; hij had geen sympathie voor Caroline, en achtte haar niet zoo hoog, dat hij het billijkte dat Korman om harentwille zijn huishoudster verwijderd had.

„Hij had haar opgevoed,” zeide Caroline als in gedachten. „Zoo iets vertelde tante mij. Het spijt mij erg; hij is zoo’n vriendelijk mensch.”

’s Avonds, toen het feest uit was en de gasten naar huis, deelde Caroline Korman mede wat zij van haar tante gehoord had omtrent het leven der jongelui gedurende zijn afwezigheid. Korman was woedend, en reeds vroeg liet hij den volgenden morgen zijn paard zadelen. Toen brak de bom los! Bedouin Starke durfde hij niet aan, en deze liep dus vrij, maar Brisson en Biezeman werden een voor een op het kantoor geroepen, om daar aan te hooren hoe schandelijk hun gedrag was geweest, en dat zij het alleen aan het feit dat hun werk in orde was, te danken hadden dat zij niet onmiddellijk ontslagen werden. De Leeuw was er het ongelukkigst aan toe, daar hij niet dezelfde voorzorgen had genomen als Brisson om den buitenrand van zijn tuinen bij te werken. Hij werd ontslagen.

Later scheen Korman in te zien dat de arme stakker eigenlijk niets meer misdreven had dan de anderen. Hij liet hem toen door Brisson aanraden om excuus te vragen; doch toen deze er met de Leeuw over begon, liet de sinjo hem grijnslachend een briefje zien van Messner, een aanstelling als opzichter te Donowarie bevattende.

„Vijf en twintig gulden minder dan hier,” merkte Brisson op.

„Dat is niets,” zeide de Leeuw. „Meneer Messner verkoopt geen tjandoe.”

„Begrepen. Dus wou jij dat daar doen? Pas maar op.”

„Je lijkt den baas wel,” zeide Brisson, „die laat ook alles door een ander doen.”

Toen hij aan Korman verslag deed van zijn vergeefsche poging, was hij zeer verbaasd den chef niet te zien opvliegen over het schenden der usance door Messner, die voorschreef elkaars ontslagen employé’s, niet dan na onderling beraad en met goedkeuring van hem die het ontslag verleend had, aan te nemen. Integendeel, Korman nam het goed op en liet zelfs zoozeer blijken dat het hem verheugde, dat hij een nadere verklaring hiervan aan Brisson meende te moeten geven met de woorden: „Hij kan er plezier van hebben; onder toezicht van een europeesch employé gaat het, maar alléén.….!”

Daags voor het vertrek van de Leeuw ging Korman naar diens afdeeling, naar het heette om bij de overgave aan een nieuw exemplaar van hetzelfde ras, dat Bedouin Starke „waarlooze Europeanen” doopte, tegenwoordig te zijn. Hij had met den vertrekkende een lang gesprek, waarvan de gevolgen nader zullen blijken.

Weer verlieten de regenwolken het gebergte, en sluierde zich de droge warmte over de koffielanden. Maar ditmaal bracht zij den vijand mee, waartegen op andere gedeelten van Java reeds zoolang vruchteloos werd gestreden: de koffiebladziekte. Vuilgeel en mager stonden de aangetaste tuinen op Watoeombo, het produkt verschrompelde aan de boomen, maar aan die „gekheid van kapellen vangen” deed Korman niet mee. Dat Marialand er veel minder last van had, kwam door .… nu ja, door iets anders. Op Donowarie, hoorde hij, was het ook, en Messner ving toch vlinders. En wat kon het hem eigenlijk schelen. Het vermogen dat zijn vrouw had aangebracht was meegevallen; nog een paar jaar wilde hij het volhouden om er met alle mogelijke huismiddeltjes iets aan toe te voegen, maar dan mocht Benoit zien wat hij met Watoeombo deed. In den steek laten kon hij het moeielijk, daarvoor zat er te veel geld in, en zette hij het voort, dan bleef Korman er zijn deel in behouden, dat naderhand de kinderen van Li ten goede kon komen.

Zoo troostte hij zich, en schreef zijn rapporten aan Benoit als ware er aan de ziekte niets te doen. De toestand van Donowarie verergerde hij, meer dan de schriftelijke mededelingen van die onderneming hem aan de hand gaven. Want sedert zijn huwelijk was hij er persoonlijk niet meer geweest, noch had hij met Messner een anderen dan officieelen omgang.

Hoewel Donowarie en Marialand niet geheel van de ziekte verschoond bleven, was het laatste land toch niet noemenswaardig aangetast, en het eerste telde slechts een paar tuinen die wezenlijk slecht stonden. Beide administrateurs hadden goede hoop dat zij het te boven zouden komen.

De Leeuw werkte sedert eenige maanden op Donowarie. Zijn plannen wat betreft de warong door zijn huishoudster te houden, had hij moeten opgeven, daar hij dadelijk bij zijn aankomst bemerkte dat hiervan Li het monopolie had, haar door Messner verzekerd. In een net bamboe-huisje, in het midden van de kampong, woonde zij en handelde, voor zich en haar jongste kind,—een meisje,—boven de maandelijksche toelage van Korman een ruim bestaan vindende. Messner had haar de rijstverstrekking afgestaan en voorts alle warongs of tokótjes op het land gesupprimeerd. Het kindje had hij onder den naam van Frieda als het zijne laten inschrijven.

Als de Leeuw naar zijn werk ging of thuiskwam moest hij altijd Li’s huisje voorbij, en zelden deed hij dat zonder even stil te staan en een praatje te maken. Met de haar eigen vriendelijkheid stond Li hem steeds te woord; doch toen dat eenigen tijd geduurd had werd de sinjo vrijmoediger, en Li zijn bedoelingen radende, trok zich meer en meer terug. De Leeuw schreef dit toe aan ongeduld van haar kant, en op zekeren dag vroeg hij haar of zij genegen was met hem samen te wonen. Zij kon haar warong aanhouden, wat het hare was zou het hare blijven, hèm was het enkel om haar zelf te doen.

Nu, daar had Li niets tegen te zeggen en anders dan vriendelijk kon zij niet zijn, tenzij men haar beleedigde. Twee maanden verliepen en de Leeuw scheen zijn verlangen geheel te hebben opgegeven. Het eenige wat er hem nog aan herinnerde was de bijna dagelijksche kijfpartij van zijn eigen huishoudster, die op onverklaarbare wijze er achter was gekomen dat hij haar tegen Li had willen verwisselen, en geen gelegenheid onbenut liet om hem daarover het leven zuur te maken. Doch ook aan het geduld van een man als de Leeuw komt een eind, zoodat hij op zekeren middag zijn javaansche wederhelft de deur uitschopte met verzoek er nooit weer in te komen.

Toen Li hiervan hoorde vreesde zij voor herhalingen van het vroeger gebeurde, doch zij was weldra gerustgesteld. Met kalme openhartigheid vertelde de Leeuw haar hoe het gegaan was, en dat hij eigenlijk blij was dat deze vrouw zijn huis verlaten had, want hij had een nichtje in de stad, die al lang bij hem had willen komen. Zij was baboe bij een europeesche familie, maar dat beviel haar niet; zoodra hij eens permissie kon krijgen van meneer Messner zou hij haar gaan halen. Of Li niet een goed woordje voor hem doen wilde; hij durfde het zoo in eens niet vragen.

’s Avonds was er betaling. Voor Li bracht die een groote drukte mee; want als het volk geld ontving, kwam het de schulden afdoen, die in den loop der vijf dagen gemaakt waren voor rijst en andere levensmiddelen. Zij stond dan een uur en soms langer voor de opening, in den bamboe-wand van haar toko, die met een neerslaande plank, tevens toonbank, gesloten kon worden. En aardig was het te zien hoe zij zonder iets te hebben opgeschreven, precies wist hoeveel elk der twee à driehonderd koelies schuldig was. Niet alleen de eindsom, maar was er een enkele maal geschil, dan herinnerde zij den man wat hij gister en eergister en zoo tot vijf dagen geleden gehaald had, soms voor de waarde van een of twee duiten, en altijd kwam het uit.

De Leeuw had de betaling tot het eind toe bijgewoond, Messner helpende met het oplezen der namen en het bedrag der verdiende loonen. Daarna ging hij naar huis, om een oogenblik later weer te voorschijn te komen met een zwart jasje over zijn kabaja. Even bleef hij staan kijken naar de verlichte opening, waarachter Li stond, en toen sloop hij om de opeengepakte massa der koelies heen en ongezien de deur van Li’s woning binnen.

In het midden van het vertrek, grenzende aan de warong, stond een tafel en daarop een blaadje met een theeservies. De hanglamp, laag neergedraaid, verspreidde een onzeker licht. Vlug en zonder gedruisch, daar hij op zijn bloote voeten liep, begaf zich de Leeuw naar het midden der kamer, lichtte het deksel van den trekpot op, stortte er den inhoud van een klein zakje in en wilde zich even ongemerkt verwijderen, toen hij plotseling in den hoek een oude javaansche vrouw zag zitten. Het was Li’s eenige bediende, die daar op een matje de kleine Frieda in slaap schommelde.

„Het is een liefdedrank”, fluisterde hij haar toe: „als je ’t zegt maak ik je dood.”

De oude vrouw knipte even met de oogen ten teeken dat zij gerustgesteld was, en de Leeuw haastte zich naar buiten.

Een groot uur later lag de geheele kampong in diepe rust. De wachtman vóór Messner’s huis gaf op een kleine kenthong het uur aan. Elf slagen. Toen opende zich de deur van de Leeuw’s woning, en voor de tweede maal dien nacht sloeg de opzichter den weg in naar de warong. Daar gekomen haalde hij een scherp mesje uit zijn zak en sneed de bamboe touwen door, die in de plaats van scharnieren, dienst deden aan de voordeur. Binnengekomen verving hij de doorgesnedene door nieuwe, en opende daarna de houten schuif.

Op den tast ging hij de kamer door en het volgend vertrek binnen. Op de waschtafel brandde een nachtlampje. Links een klein bedje, rechts een groot, en daarin lag Li, blijkbaar ingeslapen eer zij gewild had, want zij was nog geheel gekleed zooals zij ’s avonds in de warong gestaan had.

De Leeuw nam de slapende op en droeg haar weg. Bij het uitgaan liet hij de deur op een kier. Het was een heel werk; driemaal moest hij rusten eer hij thuis was, maar toen Li eindelijk op zijn bed lag beschouwde hij haar met glinsterende oogen. Zijn wraak was gelukt.

„Verdoemde gladakker!” Deze woorden, gevolgd door een greep in zijn haar, een ruk die hem uit het bed haalde en een hevigen slag in het gezicht, deden de Leeuw ontwaken uit zijn zoete droomen.

„Is-t-er van wegens de liefde,” stotterde hij opkrabbelende.

„Liefde, ploert?” brulde Messner buiten zich zelf van woede, en hij liet zijn hand voor de tweede maal neerkomen in het gelaat van de Leeuw; en nog eens, tot deze neerstortte. Toen trapte hij hem in een hoek, en begaf zich naar het bed.

„Li, Li!” riep hij haar schuddende. „Dacht ik het niet!” liet hij er op volgen; „zij zou het nooit gedaan hebben.” Toen nam hij Li in zijn armen en op dezelfde wijze als zij in dit huis gekomen was, werd zij er weer uitgedragen.

„Zorg dat je binnen vijf minuten de onderneming af bent,” zeide Messner in ’t voorbijgaan tot de Leeuw, die nog steeds lag waar hij gevallen was.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings