Note 31 — TWEEDE DEEL (continued 2)
Reading edition
De wachtman deed zijn ronde, de laatste vóór den morgen. In de nabijheid van Li’s huis gekomen, hoorde hij het kindje schreien. Dat was niets bijzonders, de kleine Frieda koos dikwijls de stilte van den nacht uit om haar longen te oefenen, doch deze inlander, zoo door zijn geheele natuur als door zijn betrekking gewoon meer dienst van zijn zintuigen te hebben dan elk europeaan, hoorde in het schreien ditmaal iets buitengewoons. Want een kind drukt daarmee meer uit dan de meesten weten. De wachtman hoorde dat de moeder het niet in de armen had, en meenende dat Li wellicht doorsliep, klopte hij even tegen den wand. Doch er kwam geen antwoord. Dat vond hij nog vreemder, en omloopende bemerkte hij de geopende deur. Onder het waarschuwend geroep van „Nja, Nja!”31 naar binnen gaande, bereikte hij de slaapkamer waar het kind alleen was. Op den grond lag een vuil notitieboekje. De wachtman kende het; elken morgen zag hij daarin den opzichter schrijven, als de toewan besaar hem iets gelastte. Hij ging Messner wekken.