TWEEDE DEEL (continued 3)
Reading edition
Drie dagen later kwam een brief van Korman. Hij verweet daarin Messner diens eigenwijsheid om Li op Donowarie te houden. Ten eerste was het voor hem ondoenlijk zijn plichten waar te nemen als superintendent; doch dat daargelaten, was er het treurig gevolg van geweest dat Li zich gegeven had aan dien de Leeuw—want daarvan was hem bericht geworden. Natuurlijk verviel thans de maandelijksche toelage, die hij alleen zoo hoog gesteld had om Li in staat te stellen haar goeden naam aldus te bewaren, dat zij later haar kinderen zonder schaamte te gemoet kon treden.…
Messner was in het molenhuis toen hem deze brief gebracht werd. Verontwaardigd liep hij naar huis om hem aan Zus te toonen. Halverwege bemerkte hij dat verscheiden inlanders hem volgden, waaronder zijn wachtman.
„Waar gaan jelui heen?” vroeg hij.
„Wij volgen meneer,” klonk het terug.
„Zoo; heb jelui iets?”
„Neen, meneer,” zeide de wachtman naar voren tredende, „maar die toewan ziender, dien meneer heeft weggejaagd, heeft gezegd dat hij meneer zou vermoorden. En nu passen wij op.”
„Weest maar niet bang,” zeide Messner lachend. „Is hij dan hier op het land?”
„Neen meneer; hij is in de dessa.”
Zus ontving het bericht van Korman’s handelwijze met een uitdrukking van de grootste verachting.
„Soedah,” zeide zij, „laat maar. Het zal ons kind aan niets ontbreken.” Doch Messner, hoewel in hoofdzaak het met haar eens zijnde, vond toch dat hij er eens over spreken moest met van Os. De drukte belette hem echter daarheen te gaan voor den volgenden avond zes uur, het einde van den werktijd.
Op Marialand keurde men Korman’s daad evenzeer af, en van Os nam op zich er zijn aangetrouwden neef over te onderhouden. Hielp dat niet, dan zou mevrouw er Caroline over spreken.
Blij met deze toezeggingen reed Messner, na het avondeten te hebben gebruikt, terug naar Donowarie. Voor zijn huis steeg hij van het paard, omziende naar den wachtman die het anders gewoonlijk van hem overnam. Zus die hem had hooren aankomen, opende de deur der binnengalerij.
Op dat oogenblik zag hij een vlam; een scherp gesis vlak langs zijn hoofd deed hem onwillekeurig bukken, toen een knal … eindelijk een gehuil als van een wild dier, een twintigtal passen van hem af. Hij wilde er heen gaan, toen een slag als van een vallend lichaam in de voorgalerij zijn aandacht daarheen trok.
In de deuropening lag Zus, voorover, dood.
De bedienden schoten toe, en te midden van het gejammer dat zij aanhieven, droeg Messner het lijk zijner huishoudster naar binnen.
Toen hij weer op den drempel verscheen waar zooeven Zus gevallen was, zag hij doodelijk bleek; zijn gelaat droeg een uitdrukking als van iemand die een wanhopig maar onverzettelijk besluit genomen heeft. Op het voorpleintje stond het vol menschen, maar niemand sprak. Verder op den weg verwijderde zich een groepje, dat Messner, in het licht staande van het wachtvuur, echter niet zag.
„Waar is hij?” vroeg Messner zacht, en toch zóó dat het zelfs de flegmatieke inlanders deed huiveren. „Welnu, antwoordt niemand?”
„Meneer,” zeide eindelijk de kapala-kampong, voor hem neerhurkende, „de wachtman had schuld …”
„De wachtman heeft hem gevangen; ik heb het duidelijk gehoord; die schreeuw was van hem,” zeide Messner. „Maar waar is hij?”
„Wij dachten: het is beter dat de politie …”
„Geen politie,” viel Messner haastig in. „Breng hem hier; ik zal hem richten.” En weer ging een rilling door de omstanders.
„Het is beter dat meneer niet naar hem vraagt,” zeide toen de kapala-kampong. „Zooals ik reeds aan meneer gezegd heb, de wachtman had schuld dat hij ons niet opriep. Hij zal niet voor meneer verschijnen eer die schuld is afgelost.”
„Hm,” deed Messner. „’t Is misschien beter zoo.” En hij ging weer naar binnen.
„Wil meneer dat ik kennis ga geven aan den assistent-wedhono?” riep hem het kampong-hoofd achterna.
„’t Is goed.”
In de slaapkamer stond Li, over het doode lichaam heengebogen, en Zus oproepende om tot haar weer te keeren; helaas, tevergeefs!
Messner knielde neer voor het bed en schreide.
De assistent-wedhono had het druk, den volgenden morgen. Een boodschap van Donowarie, dat er een moord gepleegd was op de huishoudster van den administrateur, een tweede bericht uit de naburige dessa dat daar een indo-europeaan was doodgeslagen door een beleedigd echtgenoot die hem in flagranti gesnapt had! Hij zond een paar beambten naar het koffieland en wachtte zelf de komst af van den gearresteerde uit de dessa.
Het was de wachtman van Donowarie. Uit het voorloopig verhoor bleek dat hij ’s nachts was thuisgekomen in de dessa, waar de oudste zijner twee vrouwen, die zijn belangen daar waarnam, een huis bewoonde, en gevonden had den verslagene, juist op het oogenblik dat de tegenweer die zijn vrouw bood, begon te verslappen. Hij had toen een aloe opgenomen en er op los geslagen.
„Heeft die man zich zelf overgegeven?” vroeg de assistent-wedhono. En op bevestigend antwoord gelastte hij den wachtman vrij te laten, op voorwaarde dat hij ter beschikking zou zijn als men hem mocht noodig hebben.
Daarop liet de politie-man zijn paard voorkomen en reed naar Donowarie. Wat hij daar vernam bracht hem in niet geringe verlegenheid. De verdachte van den moord en de doodgeslagene in de dessa één en dezelfde persoon! Zijn javaansch rechtsgevoel zeide hem dat hier een vonnis voltrokken was, dat rechtvaardig aan alle kanten, behoorde te blijven rusten; maar hoe dat te vereenigen met zijn plicht als ambtenaar? Soedah, de wedhono moest het maar weten, en aan dezen werd het rapport opgezonden. De wedhono stuurde het naar den djaksa; doch of het onderweg verongelukt is, dan wel door laatstgenoemden ambtenaar vergeten, kon niemand zeggen.
Eenige jaren zijn verloopen. Marialand, sedert lang vrijgewerkt, is door van Os verkocht, en deze vertrok met vrouw en kinderen naar Europa.
De oude heer Messner, hoewel met bijna even groot succes zijn onderneming drijvende, wil die niet overdoen. Het graf van Zus houdt hem daar. Frieda zal mettertijd een rijke erfgename worden, als zij het noodlot ontkomt dat de meeste indische fortuinen boven het hoofd schijnt te hangen.
Watoeombo steekt nog diep in de schuld, die wel ieder jaar minder wordt, maar ach zoo weinig. Korman heeft aan zijn voornemen om het land te verlaten geen gevolg gegeven. Wel heeft zijn vrouw nu het dubbele van haar vroeger vermogen en slechts twee kinderen, maar hij kan niet scheiden van de bron die zulke zoete inkomsten geeft. Bij zijn knoeierijen, waarvan Caroline echter niet weet, helpt hem Brisson, een treurig vervallen sujet. Behalve deze zijn er geen volbloed-europeanen op Watoeombo. Bedouin Starke en Biezeman vonden elders betrekkingen.
Aan de andere zijde van het gebergte zetelt Rencke als administrateur. Hij nam de helft van het land over en hoopt daarmee fortuin te maken. En wie weet, er is een trek naar gronden in zijn buurt, misschien verkoopt hij de vijfhonderd bouws, die hij op speculatie aanvroeg, wel voor een goede som.
Li steunt Messner bij zijn pogen om Frieda op te voeden, en wordt door allen die met haar in aanraking komen hoog geacht.
En Benoit, die eenmaal zeide: „Ik werk liever met een pinteren gladakker dan met een eerlijken stommerik,”—zou hij bij die opinie gebleven zijn?
EINDE.