EERSTE DEEL
Reading edition
Hij die vooraan reed, was niet jong meer, getuige de grijzende knevel en bakkebaarden die het mannelijk gelaat sierden. Donkergrijze oogen zagen u scherp en toch vertrouwenwekkend aan; een lange reeks jaren in de open lucht doorgebracht, hadden de gelaatskleur gebruind; en zou dit misschien bij een deftige zwarte kleeding misstaan hebben, boven het wit der half jas, half kabaja kwam het voordeelig uit. Slechts bij een zeer nauwkeurig opnemen bespeurde men dat de ruiter in zijn voorkomen iets had, dat Indisch bloed verried; aan zijn uitspraak van het hollandsch, noch aan eenig gebaar zou men het bemerkt hebben.
Deed degeen, die op hem volgde, niet in lichaamsgestalte voor den heer Messner onder, wie hem in de oogen zag, gesteld dat het u gelukte zijn blik langer dan een gedeelte van een seconde op te vangen, voelde onwillekeurig een huivering, iets dat hem als het ware noopte waarschuwend uit te roepen: pas op den deze! Zag men die oogen niet, wier blauw uit een donkeren en een lichten kring bestond, dan moest men erkennen, dat Korman eveneens een knap voorkomen had. Hij had den naam van groote doortastendheid en energie, en beide eigenschappen stonden hem op ’t gelaat geteekend, maar die oogen.… men moest er aan wennen; en dat deed men te gemakkelijker, daar hij u altijd tegen zijn linker of rechter wang liet praten.
Zij verschilden aanmerkelijk in leeftijd, Messner had de vijftig reeds achter den rug, terwijl Korman eerst even acht en dertig jaar oud was. Lang geleden hadden zij elkaar ontmoet; zij waren toen in betrekking op een koffieland, en de aanleiding tot hun vriendschap was éénzelfde gedachte geweest, die hen beide beheerschte: eigen zaken doen. De oudere had daartoe willen geraken door te sparen; langzaam maar zeker groeide zijn kapitaaltje aan, maar ach hoe langzaam! De jongere had geen geduld; hij wilde dadelijk beginnen; ieder jaar was er één, waarom zou men het verspillen? Hij overtuigde eindelijk zijn ouderen vriend dat zij met de duizenden van deze, vermeerderd met de honderden van hem zelf, gevoegelijk een zaakje konden opzetten. Wel bedroeg hun beider schat niet veel, niet genoeg voor een koffielandje hoe klein ook, maar.… men kon het eens in de tabak probeeren, daar had men meer voorbeelden van réussite bij gezien.
Twaalf jaar hadden zij samen gewerkt, om aan het einde daarvan nog even ver te zijn als toen zij begonnen, of eigenlijk nog niet eens zoover; want toenmaals hadden zij hun geld boven den grond, en thans zat het er in, zonder dat zij veel kans zagen het er ooit weer geheel uit te krijgen. Toch kon men niet zeggen dat zij ongelukkig waren geweest, maar hun kapitaal was te klein; met hard werken was er van te leven, doch van overhouden was geen sprake. Daartoe moest men met veel, heel veel geld werken, of zij hadden twintig jaar eerder moeten beginnen, zooals hun buurman, die naar men zeide, óók met niets begonnen was en onlangs met een paar millioen „naar huis was gegaan”. Ja, die oude heer Benoit had geboft; en ook weer niet, want hij kon het Europeesch klimaat niet verdragen en had daarom hals over kop moeten terugkomen naar Indië, en zich in een mooi huis opgesloten te Soerabaja, om er te blijven wonen in betrekkelijke ontbering, niettegenstaande al zijn geld!
Op zekeren dag kwam Korman ’s avonds in de gezamenlijke woning thuis, liet zijn zonnehoed door het vertrek gieren en viel op een stoel neer onder den uitroep: „Ik verdom het langer.”
„Wat?” vroeg zijn compagnon, die ook pas terug van het werk, in een luierstoel lag uit te rusten.
„Zóó te werken,” was het antwoord. „Heb ik daar niet den heelen middag achter den ploeg moeten loopen, omdat die uilskuikens het maar niet kunnen leeren! Ik ga morgen naar Soerabaja.”
„Ga voort,” verzocht Messner.
„Ik ga den ouden Benoit opzoeken en om werkkapitaal vragen. Weigert hij, dan ga ik liever weer in betrekking; maar dit is niet uit te houden; ik herhaal het, ik.…”
„We weten het,” zeide Messner. „Nu, ’t idée is zoo kwaad niet; probeer het, en lukt het niet, dan kunnen wij nog altijd zien. Voor één is in dit zaakje nog wel brood te verdienen.”
„Neen,” zeide Korman, „geen brood; dit kun je in Holland verdienen; hier is het nauwelijks droge rijst.”
Met schoenen aan, die hij ontwend was, en vreeselijk transpireerende in een kleeding die hij in geen jaren gedragen had, kwam Korman den eersten avond bij den heer Benoit. Nog drie avonden herhaalde hij zijn bezoek, doch zonder te spreken over hetgeen hem op dezen tocht gedreven had, toen Benoit hem eindelijk zelf op de zaak bracht.
„Je komt om duiten, hè?” vroeg hij aan Korman.
„Ja meneer,” zeide deze. Hij kende den ouden heer, en wist dat men hem tot veel kon overhalen, mits men hem flink aandurfde zoodra hij genoeg had nagedacht over hetgeen men van hem verlangde. En dat laatste moest Benoit zelf als ’t ware uitvinden; want als men het hem in ronde woorden vroeg of voorstelde, dan sprak de oude zonderling de twee eenige woorden uit die hij van het latijn kende: Non possumus! en daarbij bleef het.
„Dat begreep ik; iedereen komt om duiten bij mij, maar je krijgt ze niet.”
„Geen latijn,” dacht Korman, en overluid zeide hij, „Ik wel.”
„Haha!” lachte Benoit. „Neen vriend, je vergist je. Dat wil zeggen, als ik iemand aan geld zou willen helpen, dan zou jij dat zijn. Ik heb je zien werken, jou en dien ander.… Ik heb nooit zoo hard gewerkt; dat is waar! Maar de tabak staat me niet aan; dat is een te gevaarlijke zaak.”
„U hebt er toch zelf goede zaken mee gemaakt,” merkte Korman aan.
„Juist daarom weet ik er alles van. Met dobbelen kun je ook geld verdienen, en veel hooger schat ik tabakplanten niet. Neen man, ik wil mijn geld niet wegsmijten. Een solide koffieonderneming zou me wel lijken; als jij dát kon …”
„Ik ken het,” zeide Korman. „Ik kwam uit de koffie, en zou nooit iets anders begonnen zijn, als we maar meer kapitaal hadden gehad.”
„Zie je nu wel,” zeide Benoit. „Daar geef je me al gelijk! Met een snertbeetje geld gauw en veel verdienen, rouge ou noir, va banque, jawel, dat is het. Maar als jij dat zelf zoo goed wist, hoe durf je mij dan aankomen om duiten voor je tabak?”
Korman vergat zijn leven lang het oogenblik niet dat hij thans doorleefde. Zou hij …? Tijd tot bedenken was er niet … hij moest! Met een gevoel of hij plotseling in een koud water sprong, loog hij:
„Ik kwam niet om geld voor tabak. Veel liever hing ik me op, dan u daarom te vragen. Te goed weet ik zelf wat u daareven zei. Ik vraag geld om een koffieonderneming te beginnen.” En hij martelde zich om gedurende twee minuten den ouden heer recht in de spottende oogen te zien.
Korman bleef nog drie dagen en toen was alles geregeld.
„Apropos,” had Benoit nog gevraagd, „neem je dien compagnon van je mee?”
„Natuurlijk meneer,” antwoordde Korman. „Wij werken al sinds zooveel jaren samen; zou ik hem nu in den steek laten? Hij zal mijn rechterhand zijn, en later onderadministrateur.”
Maar de oude heer had het hoofd geschud.
„Neen,” zeide hij. „Dat gaat nooit goed. Jelui hebben altijd evenveel te commandeeren gehad en hij is de oudste … Is hij zelfstandig geheel te vertrouwen?”
„Te vertrouwen in allen opzichte wat zijn eerlijkheid betreft, doch eenige contrôle op zijn werk kan hij velen,” gaf Korman ten antwoord.
„Zoek een driehonderd bouws voor hem uit, niet te ver van je vandaan,” zeide Benoit. „Jij kunt dan voor superintendent spelen.”
Korman kwam bij zijn compagnon terug, een geheel ander mensch dan een week geleden. Hij deelde Messner mee wat hij met den heer Benoit had afgehandeld; althans voor zoover hij dat kon en wilde.
„Zie je,” zeide hij, „de oude wil van mijn land iets maken waarop hij geuren kan. Daarom moet het zóó groot zijn, dat hij er als ’t ware alle anderen de loef mee afsteekt. Hij wou ons niet samen laten werken: dus moest jij een ander land zoeken. Enne … dat is waar ook, hij wilde absoluut dat je administratie over mij tot hem kwam … zoo’n beetje superintendeeren. Ik weigerde eerst en zei dat het omgekeerd beter zou gaan, enzoovoort, maar hij werd eindelijk boos en zei „Nu, doen of niet doen?” Toen heb ik maar voor je aangenomen; dat begrijp je. Je vindt het immers goed?”
„Och ja,” zeide Messner, die te blij was met deze uitkomst, om veel te letten op het krenkende dat voor hem in die bepaling lag opgesloten.
En nu waren zij op weg naar de woeste gronden, die Korman voor zich had uitgezocht.
De wedhono had even het hoofd bewogen ten teeken dat hij het gehoord had, en wachtte geruimen tijd eer hij nader blijk gaf dat de gesproken woorden betrekking hadden op den tocht van heden. Toen zeide hij, zich tot Korman wendende:
„Daar begint het land van mijnheer.”
„Kijk!” zei Korman, toen zij daar even halt hielden, „hier is een vlak terrein, zeer geschikt voor woningen en établissement.—Vindt de wedhono dat ook niet?” vroeg hij, om deze beleefdheidshalve niet uit het gesprek te houden.
De wedhono zag rond, en nog eer hij kon antwoorden klonk weer een stem uit het gevolg.
Korman trok de schouders op. „Is de wedhono dan niet bang?” vroeg hij schertsend.
Tot eenig antwoord reikte het inlandsch hoofd hem zijn rijzweepje toe, dat Korman met een onnoozelen blik bekeek.
„Kom,” stelde Korman voor, wien het gesprek verveelde, „laat ons nu dien loengoer gaan opzoeken van waaruit men den boel overzien kan.”
Het gezelschap trok verder tot zij eindelijk den bergrug bereikten, die een vergezicht aanbood over den geheelen omtrek, aangezien er geen bosch, doch alang-alang op groeide.
Van daaruit wees Korman den wedhono aan, welk gedeelte hij wilde aanvragen. Het strekte zich in de breedte uit over drie bergruggen, uitloopers van den hoogen piek die zich achter hen verhief, en liep in de lengte van af de plaats waar het bosch zoo even begonnen was, tot nog ver boven de plaats waar zij nu stonden.
Het inlandsch hoofd vond dat „mijnheer goed gesproken had.”
„Is er ook een pad dat oostwaarts loopt, om of over den hoogen loengoer dien wij daar zien?” vroeg Messner daarop.
Ja, dat was er, loopende van een hoog in ’t gebergte gelegen dessa, die rijk was aan koffietuinen, naar de standplaats van den assistent-wedhono, alwaar ook het gouvernementspakhuis was.
„Ik zou niet te veel praten over die bijzonderheden,” mompelde Korman; „anders krijg je ’t nooit.”
Messner haalde de schouders op, met een onwillige uitdrukking in zijn gelaat. Toen wendde hij zijn paard, en men reed den weg terug dien men gekomen was, om straks bij het koffiepakhuis linksaf te slaan naar de gronden die Messner voor zich zou aanvragen.
Het was avond geworden eer men terug was op Wonosarie, waar de wedhono woonde. Op diens erf stond de américaine te wachten waarmee de beide aanstaande administrateurs van koffieondernemingen, of zooals zij zich zelf met een meer vulgaire uitdrukking betitelden: koffieboeren, naar de stad zouden rijden om er te overnachten.
Voor zij weggingen, had Messner den wedhono apart genomen.
Een donkerder tint overtoog het bruine gelaat van den inlander toen hij teekende en het geld opstreek, om daarmee.… de bevolking te gelasten, straks als de controleur kwam vragen, te antwoorden dat zij niets, hoegenaamd niets geen belang had bij de door de heeren Korman en Messner aangevraagde perceelen.
In de américaine, die door een span Kedoeërs getrokken, licht en vlug over den weg stoof, maakte Korman zijn vriend een compliment over de wijze waarop deze het zaakje met den wedhono geregeld had.
„Och,” antwoordde Messner; „om je de waarheid te zeggen, deed ik zulke dingen liever niet. Met veel meer genoegen betaalde ik aan de inlanders zelf uit, wat hun rechtmatig en billijk toekomt. Doch begin er eens aan! Je hebt dan dadelijk tegenwerking van den wedhono, die den boel natuurlijk in de war stuurt, en, zoogenaamd opkomende voor het belang van den kleinen man, direct het geheele Binnenlandsch Bestuur op zijn hand heeft.”
„Jawel,” zeide Korman, „uit een standpunt van hoogere moraliteit beschouwd, is het misschien niet al te mooi; maar ik heb schik in je handigheid en zal het onthouden om er bij voorkomende gelegenheid van te profiteeren. Wat drommel, als het gouvernement zelf dergelijke toestanden in de hand werkt, kan men ons arme planters niet kwalijk nemen dat wij er ons voordeel mee doen.”
Na een uur rijdens bereikten zij de stad en namen hun intrek in het logement, om na het avondeten, doodelijk vermoeid van den zwaren tocht, hun kamers op te zoeken en zich door een langen nacht slapens voor te bereiden op het werk dat hen morgen weer wachtte. En dat was voor beiden bij lange na niet het gemakkelijkste van alles wat er tot voorbereiding van hun toekomstige werkzaamheid moest worden verricht. Het betrof niet meer of minder dan het invullen der requesten en die persoonlijk te gaan aanbevelen bij den resident.
Persoonlijk—bij den resident! Er zullen er zijn die lachen als zij vernemen dat juist dit het moeielijkste was voor Messner en Korman. Het zijn dezulken die niet weten wat eenige jaren van afzondering uitwerken, zelfs op de meest conversabele menschen. Zij kennen dat gevoel niet waarmee de binnenlander, na een jaar niets dan inlanders om zich heen te hebben gezien en hoogstens tweemaal in dat jaar het gezicht van een medeplanter te hebben aanschouwd, de stad betreedt waar men een taal spreekt die hij ontwend is, onderwerpen behandelt die hem vreemd geworden zijn, waar hij telkens het gevaar loopt dames tegen te komen! Dames … waarvoor hij op den loop gaat, of die hij, als ’t niet anders kan, zenuwachtig groetend en met een verhoogde gelaatskleur passeert.
En later als de arme fortuin heeft gemaakt en in de omgeving van een hollandsche stad weer is herleefd, weer is geworden wat hij in zijn jeugd was, aangenaam en gemakkelijk in den omgang, dan verwondere men zich niet aan zijn zijde een halve wilde te zien, een vrouw waarvan men zich afvraagt: hoe is ’t in ’s heeren naam mogelijk dat zóó’n man aan zóó’n vrouw komt!—maar men bedenke dat die man eenmaal tot haar opzag als tot een wezen uit een hoogere wereld; dat zij eenmaal met haar vriendinnen den spot dreef met dien onhandigen verlegen koffieplanter, die haar waarachtig eens in ’t maleisch had toegesproken—uit vergissing.
Zij zagen wat bleek toen zij er vandaan kwamen en hun gang richtten naar de sociëteit, waar zij een paar bekenden aantroffen met wie zij op het succes hunner nieuwe onderneming klonken en dronken, tot hun angstige stemming geheel was verdwenen en Korman bij het naar huis gaan verklaarde bereid te zijn de eerstvolgende dansreceptie van den resident bij te wonen, en „er geen donder van te zullen hebben.” Waarmee hij bedoelde dat hij niet bleu zou zijn.
Het laatste was een gunst, die in den tijd dat Messner en Korman begonnen, dikwijls aan serieuze ondernemers werd toegestaan, opdat zij niet zouden behoeven te wachten tot de stukken den langen weg hadden afgelegd naar Buitenzorg en terug, waarmee twee tot soms vier jaar gemoeid waren.
Korman zond bericht aan zijn geldschieter, den heer Benoit te Soerabaja, er bij voegende dat Messner en hij van den gunstigen tijd des jaars geen dag wilden laten verloren gaan, en derhalve wanneer deze brief den heer Benoit bereikte, zij reeds vertrokken zouden zijn, elk naar zijn perceel.
Het was den avond vóór den dag waarop zij voor het eerst van elkaar zouden afscheid nemen op langeren tijd, dat Messner en Korman in de voorgaanderij van hun bamboe-huis, de laatste schikkingen met elkaar zaten te bespreken.
In de voorgaanderij was het laatste papier geborgen en de laatste afspraak gemaakt. Zij lagen in hun luierstoelen tegen de kepang te staren waarmee het afdak was beschoten, elk in zijn eigen gedachten verdiept. Dezelfde vraag die Li Nio al babbelend geuit had, was ook bij Korman opgerezen. Hij had zijn huishoudster een half jaar geleden moeten wegzenden om het alsnog zonder te stellen; maar dat kon zoo niet blijven als hij ginds alleen zat, midden in de wildernis. Hij had er tot op dit oogenblik niet aan gedacht en morgen in de vroegte moest hij weg. Zaken als deze beslissen zich niet in een paar uur, dus zou hij het nu moeten opgeven; dat besefte hij, doch het deed hem onaangenaam aan dat hij er niet eerder aan gedacht had.
„Li! schenk papa nog eens in,” riep Messner.
Het meisje kwam en bediende hen beiden. Toen zij het glaasje bitter aan Korman toeschoof, viel diens blik onwillekeurig op het handje dat het voortbewoog, en toen op de geheele figuur van het meisje. Hij schrok van de ingeving die hij kreeg, gewaar wordende wat hem tot nu toe verborgen was gebleven, dat het kind dat hem papa noemde, dat hij steeds als een dochtertje had beschouwd, gerijpt was tot jonge maagd en dat zij reeds nu bij hem, Korman, een zeer goede plaatsvervangster zou kunnen zijn voor de njai, die hij had moeten wegjagen.
Hij greep een harer handen en trok haar naar zich toe, op zijn knie.
„Je moet nog eens bij mij komen zitten, Li,” zeide hij. „Morgen gaat Papa”—het kostte hem eenige moeite dit woord thans uit te spreken—„morgen gaat Papa alleen weg, en moet van Li afscheid nemen; voor heel lang.”
Het meisje gaf niet dadelijk antwoord. Met haar fijne vingertjes krulde zij zijn baard op, ernstig en bedroefd op het gebruinde gelaat starende van den man die haar mede had opgevoed, dien zij niet alleen den vadernaam gaf, maar ook als een vader liefhad.
Op eens klaarde het lieve gezichtje op, verhelderd door een gelukkig denkbeeld.
„Ik ga met Papa mee,” zeide zij, en toen, vleiend tegen hem aanleunende, ging zij voort: „Ja papa, ik mag mee niet waar? Li zal voor u zorgen en goed oppassen. Zeg dat Li mag, papa!
„En ik dan, Li?” vroeg Messner.
Zij scheen een oogenblik te weifelen, doch het duurde niet lang.
„U heeft zus om op u te passen, en ik zal dikwijls bij u komen,” meende zij; „zoodra de weg klaar is, die u laat maken om bij papa Korman te kunnen komen.”
„Wat ze zegt is nog zoo dom niet,” viel Korman in. „Ik zal daar beroerd alleen zitten; ik had er in de drukte zelf nog niet aan gedacht. Alleen geloof ik niet dat Li het lang uithoudt; ze zal haar zuster niet kunnen missen en wel gauw weer verlangen bij haar te zijn.”
„Hm,” deed Messner. „Maar.… ga nu naar binnen, Li.”
„Mag ik dan mee met papa?” zeurde zij.
„Jawel,” zeide Messner, en juichend liep het kind naar binnen om het groote nieuws aan haar zuster te vertellen.
„Wat ik zeggen wou, Korman,” zeide Messner; „onthoud wat we met elkaar hebben afgesproken; als zij bij je wil blijven, en je krijgt later employés en zij wordt wat ouder, dat je haar nooit voor huishoudster afstaat. Dan is het mij wel.”
„Dat beloof ik je,” zeide Korman.
„Het zou zonde zijn van het kind,” mijmerde Messner hardop. „Ze moet op haar tijd trouwen met een harer landslui, een goeden als die te vinden is.—Kom, nog een halfje, dan gaan we eten.”
Alles wat de koelies aan huisraad, rottan, taliedoek, kepang en verder gereedschap hadden meegebracht werd nu op een hoop gelegd en terwijl Korman een gedeelte der koelies in het bamboe-bosch stuurde dat vlak bij te zien was, ging hij met de rest het terrein langs de kalie af om een plek te zoeken waar niet te veel zware boomen stonden. Hij vond er weldra een; de medegekomen modin sprak eenige onverstaanbare formules uit die dienen moesten om de booze geesten te verjagen, en toen gebood Korman de koelies om te beginnen. Met een gejuich of geschreeuw, zooals men het noemen wil, werd dat bevel opgevolgd, en weldra zag men het struikgewas vallen, om door de achterste koelies te worden weggetrokken en te worden gebracht naar de kalie, die het welwillend afvoerde.
Het werk zoover gevorderd zijnde, nam Korman een troepje koelies met zich mee verderop, en werd een tweede, iets ruimere plek schoongemaakt evenals de eerste. Hier moest de koelieloods komen.
Op de eerste plek begon intusschen het karkas van een woning te ontstaan. In ’t midden een hoog juk; er omheen een rij bamboe-stijlen met een doorloopenden bamboe-ligger er op, alles wèl bevestigd met het meegebrachte taliedoek, dat door gaten in de rechtopstaande bamboe getrokken, over de horizontale bamboe was heengehaald, die twee dusdoende stevig aaneenbindende. Dit karkas van de dikke, zoogenaamde betong vervaardigd zijnde, werden nu de daksparren van bamboe apoes, een zeer taai maar dunner soort, aangebracht.
Zij die de bamboe spleten waren onderwijl aan het vervaardigen gegaan van ramen van doorgestoken bamboe-latten, een vlechtwerk met mazen van een voet wijd, die hoewel met een touwtje opgemeten, naderhand toch bleken te passen op de vlakken van het dak dat met hoekkepers was gemaakt, of, om den javaanschen naam te gebruiken, een limassan dak was.
De bedekking was versch gesneden alang-alang, met touwtjes uit den bast der reeds genoemde bamboe-apoes vastgebonden op het latwerk. Ten slotte groeiden de omwandingen, van gespleten bamboe ineengevlochten, onder de handen der ijverige koelies als ’t ware bij de minuut aan. Opgezet en aan de binnenzijde met kepang beschoten, voltooiden zij de woning die, met een op dezelfde wijze als de omwandingen behandeld tusschenschot in tweeën verdeeld, een deur aan den voorkant als eenige toegang rijk was.
Op een achttal na, dat het huisraad en de kisten en koffers binnenbracht, verhuisden de koelies nu naar de plek waar zij voor hun eigen onderdak moesten zorgen. Dit volbrachten zij nog eer het geheel donker was.
Een ondernemende warong-houder had den troep vergezeld en rijst gekookt. Toen de loods gereed was had hij opgeschept; en bij het schijnsel van een vuur, dat gevoed werd met de restanten der bouwmaterialen, zaten de koelies in een lange dubbele rij, met den modin aan het hoofd, hun eerste maal te doen op de onderneming Watoeombo.
Li had zich den geheelen tijd bezig gehouden. Eerst had zij met belangstelling den voortgang van het werk gevolgd, maar spoedig daarop moest zij gaan zorgen dat ook Korman en zij dien avond iets te eten kregen. Met behulp eener oude vrouw, die Korman als kokkin had geëngageerd, zette zij eenige pannetjes te vuur en ging aan het uitpakken der meest benoodigde zaken, welk werk zij voortzette toen de woning gereed was.
Het bedje van Li had hij niet opgezet, maar was aan het trekken van lijntjes begonnen in kladboeken waarin hij ’s avonds het werkvolk en den gedanen arbeid moest opteekenen, een bezigheid die hem aanleiding gaf aan Li te verklaren dat hij het te druk had, toen deze hem kwam zeggen dat zij klaar was, en vragen of hij haar bed ook even in elkaar wilde schroeven.
„Waar moet Li dan slapen?” vroeg het meisje.
Hij zag rond als zocht hij naar een plekje.
„Soedah,” zeide hij toen, „Li slaapt vannacht maar bij mij.”
En hij begon te vertellen hoe hij den nacht wakende had doorgebracht, hoeveel moeite hij nog had gehad met de geesten, die niet verhuizen wilden, tot zij eindelijk waren geweken voor de wonderkracht zijner spreuken en voor den invloed der door hem begraven voorwerpen. Of mijnheer dien vreeselijken slag niet had gehoord, op ’t oogenblik van hun vertrek?
„Jawel zeker,” verklaarde Korman; „ik ben er van wakker geworden.” Daarop overhandigde hij den modin de som die voor dát werk was bedongen, en gaf hem zijn afscheid.
Uit de loods waren intusschen de koelies aangekomen, nog gewikkeld in hun kains, die zij echter bij het naderen van Korman’s woning—de lodjie!—behoorlijk om deden. Een langdurige bespreking volgde nu over het werk dat Korman hen wilde laten doen. waarvan de uitslag was dat een deel aannam nog eenige huizen te bouwen, een ander deel om het bosch om te hakken en enkelen, na afbetaald te zijn, vertrokken.
Alvorens met de aanstaande boschkappers mee te te gaan, ten einde hen de te vellen gedeelten aan te wijzen, ontbeet Korman.
Voorts had Korman, naarmate hij meer volk kreeg, meer bosch laten hakken. In ’t eerst ging dat langzaam, doordat het terrein bij de kalie vlak was en dit vóór alles tot het aanleggen van een definitieve kampong moest worden schoongemaakt, en ook om er beddingen te plaatsen, zoogenaamde pépinières, tot het kweeken van jonge plantjes. Doch toen men op het effen terrein, boom voor boom kappende gereed was, werd het hellende onder handen genomen. En dat ging gemakkelijker; want van onderen af beginnende, hakten de boschkappers de boomen half door, en zoo opgaande tot boven aan. Zoolang zij daarmee bezig waren zag men geen vooruitgang, en als de dreunende bijlslagen niet het tegendeel hadden verkondigd, zou men niet licht gedacht hebben dat eenige bouws dicht bosch daar op vallen stonden. Eindelijk kwam het oogenblik dat zij boven waren. De laatste rij werd doorgehakt, meer en meer, gelijk op, dikwijls de eene partij boschkappers geholpen door die het perceel er naast hadden aangenomen, en dan kraakte het en brak het en donderde het, de eene boom den ander die onder hem stond meesleepende in zijn val, al vlugger en vlugger, eindigende in een geweldigen slag die de aarde deed dreunen; en er waren weer zooveel bouws van het statige ruwe oerwoud veranderd in een wildernis, die wachtte op het vuur dat straks die gevallen reuzen in een vruchtbaarmakende aschlaag zou omzetten.
Het weder was gunstig. Behalve een paar buien in de eerste weken van Kormans verblijf op Watoeombo, had het niet meer geregend; en onder den strakken grijsblauwen hemel, waarin de zon ronddoolde als had zij het zelf te warm en te eenzaam zonder een enkel wolkje, droogde alles uit wat geveld was en brandde weldra op; de zware stammen nog lang nasmeulende op de zwarte vlakte, en tegen de hellingen ’s nachts een gratis vuurwerk leverende, zoo schoon als men het maar wenschen kon.
Maar daarvoor had Korman geen oog; wat hem aantrok was alleen de vlugheid waarmee het werk vorderde en de goedkoopte van de aannemingssommen; want alles ging op taak, tot het ompatjollen van den grond voor de pépinières toe, en het aanleggen van het vlakke bamboe-dak daarover, gedekt met alang-alang. Nog eer deze gereed waren, hadden de wegwerkers den loengoer bereikt, en was een witte vlag uitgestoken tot een aanwijzing voor het volk van Messner.
Bij de vlag stonden den ganschen dag twee inlanders op wacht—één alleen durfde niet vanwege de wilde honden die men er gezien had—met strikt bevel om zoodra zij iets bespeurden van de nadering van Messners volk, naar huis te hollen en Korman te waarschuwen. Want deze wilde om der wille van zijn verhouding tot Li niet door zijn vriend verrast worden.
Reeds tweemaal was hij zelf den weg afgereden, niet zoozeer omdat hij de daar geposteerde inlanders niet vertrouwde, doch uit ongeduld. Hij moest toch langs dien weg zijne jonge koffieplantjes, kêpêlans, ontvangen, die door de bevolking geleverd zouden worden uit de gouvernements-koffietuinen die dicht bij het land van Messner lagen. En dat had haast, wilde hij nog in den komenden westmousson planten.
Eindelijk, Korman zat juist aan de rijsttafel, kwamen de twee koelies op hun dooie gemak aanslenteren en brachten het zoo lang gewachte bericht. In allerijl eindigde Korman zijn maal, liet zijn paard zadelen en reed heen, na Li gezegd te hebben dat hij misschien op Donowarie, het land van Messner, bleef overnachten. Hij zette toen zijn paard aan, zooveel als de weg toeliet.
Achter de koelies bespeurde hij de hooge gestalte van Messner, met blijkbaar ongeduld wachtende tot de laatste hindernis zou zijn weggeruimd. Korman was reeds lang geleden afgestegen, en nu, zijn paard bij den teugel nemende, leidde hij het tot vlak voor de plaats waar de koelies juist een opening gemaakt hadden.
Op het reeds gebaande gedeelte van den weg wachtte Messner hem op, met een glimlach van teleurstelling op het gelaat.
„Dat is mis,” riep hij Korman toe. „Bonjour; hoe maak je het? Ik had je willen komen verrassen.”
„Jawel, dat snapte ik,” zei Korman. „Maar daar komt niets van in. En nu ga ik met je mee; vooruit maar! Ik ben verlangend je vrouw eens te zien; is ze wèl?”
Messner gaf nog eenige orders aan het werkvolk, en leidde toen den weg.
„Jongens,” zei Korman toen zij iets verder waren, „je hebt het dadelijk mooi gemaakt. Lange gemakkelijke zigzageinden en breed uitgekapt … ik ben maar zoo gewoon weg naar boven gekropen; zooals het viel zoo viel het. Later zullen we het wel eens opknappen.”
„Dat is mij te duur,” antwoordde Messner. „’t Geeft dubbel werk en nagenoeg ook dubbele kosten, want zóóveel is het verschil niet tusschen een slechten aanleg en een goede.”
Maar Korman was dit niet met hem eens, of liever hij wilde niet toegeven aan iemand die.… hm, in zekeren zin toch onder hem stond. Vroeger was dat anders; toen was hij de jongere compagnon, die alles wat hij wist van Messner geleerd had; maar thans was hij administrateur van het ruim duizend bouws groote Watoeombo en superintendent van het landje van Messner!
Zij bleven er over doorpraten—of liever Korman ontwikkelde zijn meening, daar de ander reeds lang met een ongeduldig schouderophalen gezwegen had—tot zij aan Messner’s woning kwamen. Hier was Korman geheel en al verbazing. ’t Was een groot huis, met een breede voorgaanderij, doorloopende binnengaanderij en links en rechts kamers.… in één woord een geacheveerd huis, netjes gewit en de vloeren belegd met een fijn vlechtwerk van bamboe-woeloeh, die de dikte van een vinger heeft en een uiterst dunne bast. Waarlijk, het was mooi en smaakvol, ieder deel er van, tot zelfs de hekwerkjes, die de voorgaanderij omsloten en met in pijlvorm gesneden stukjes bamboe versierd waren.
Zus, want dien naam droeg de huishoudster van Messner in den huiselijken kring, kwam de ruiters vóór het huis te gemoet. Haar eerste vraag was naar Li; waarom was zij niet meegekomen?
„Verbeelje,” riep Korman lachend uit; „de weg is nog niet eens klaar. Neen Zus, de volgende keer, hoor. Alleen ben ik bang,” ging hij tot Messner voort, „dat zij niet meer terug zou willen komen in onzen tampat als ze eenmaal dit huis gezien heeft. Ik maak je mijn compliment. Waar ben je den eersten nacht onderdak gekomen?”
„In die kamer, links,” zeide Messner. „Die heb ik eerst gezet, en toen de rest aangebouwd.”
„’t Is wel aardig,” vond Korman. „Alleen wat mooi voor een tijdelijke woning.”
„Tijdelijk?” riep Messner uit. „Ik hoop van beter. Neen man, daar blijf ik in zoolang ik op de onderneming zal zijn. Ik moet niets hebben van die steenen paleizen, die voor niemand waarde hebben, en waarover toch maar rente betaald moet worden; dank je hartelijk! Misschien dat ik er later eens wat dakijzer op leg; hoewel—ik vind alang-alang aangenamer: ’s nachts warm en overdag koel.”
„Nu, elk zijn meug,” zeide Korman. „Ik ben aan het zagen en bekappen van hout voor mijn huis. Voorloopig trek ik het van hout op, gedekt met gegalvaniseerd dakijzer, en later metsel ik er muren in—zoodra de eerste picols koffie verscheept zijn. Kom, ik ga me lekker maken.”
Dit laatste volvoerde hij door in een der kamers zijn kleeren uit te trekken en een slaapbroek en kabaja van Messner aan te schieten. In de kamer alleen zijnde balde hij de vuist. Die dit en datsche vent, zoo’n sinjo, die daar weer alles beter in orde had dan hij zelf, en hem met een uitgestreken gezicht zijn moois vertoonde, alsof hij het er niet alleen om gedaan had om hem, Korman, de oogen uit te steken! Maar morgenochtend zou het blijken wie meer werk had afgedaan; dit was maar larie, op het werk daar buiten kwam het aan; huisjes bouwen en weggetjes mooi maken was geen koffieland ontginnen.
„Het is prachtig, ik moet het nòg eens zeggen,” zeide hij naar buiten komende, waar Messner hem reeds met een bittertje zat op te wachten. „Je zoudt den resident zelf kunnen logeeren.”
„Wie weet,” zeide Messner. „Ik heb al een vraag van den controleur, wanneer ik hem kan ontvangen. Hij heeft nog nooit een particulier land zien beginnen, schrijft hij, en zou gaarne eens een kijkje komen nemen.”
„Beroerd volk, die ambtenaren,” mompelde Korman, „ze komen alleen omdat ze overal hun neus in willen steken. Komt hij bij mij ook?”
„Als je hem liever niet hebt, dan zou ik hem kunnen zeggen dat je huis nog niet is ingericht,” opperde Messner. „Dan kom je er met een voorbijgaand bezoek af.”
„Hm, doe dat maar. Hola! vergis je niet.”
Deze uitroep gold de bitter, die Messner bijna in Kormans glaasje gedruppeld had. Korman dronk altijd klare jenever; hij begreep niet waartoe men er bitter in deed, en nog minder waarom sommigen deze preparatie fatsoenlijker vonden dan het zuivere vocht; eindelijk was hem de manipulatie van het inschenken te lastig; als men dat een keer of vijf zes moest doen in den korten tijd vóór het eten, dan kon men wel aan den gang blijven, vond hij. Want het traditioneele tweetal met een halfje na, dat eigenlijk een heel is, overschreed hij zonder eenig gemoedsbezwaar. Een mensch moest niet meer drinken dan hij verdragen kan; kon hij er echter zes velen, dan lette hem niets die te drinken, als hij er trek in had.
Aan het avondeten ondervroeg Messner’s huishoudster den gast naar haar zusje. Hij moest of hij wilde of niet in details treden, en zelden had Korman in zulk een korten tijd zooveel gelogen als hij dat halfuur deed. Intusschen gelukte hem één ding, namelijk dat hij zoowel Messner als Zus overtuigde dat zijn huis van dien aard ongeriefelijk was, dat zij een bezoek moesten uitstellen tot de definitieve administrateurswoning gereed zou zijn. Hij wist wel dat het toch eindelijk moest komen, maar met al zijn slimheid had hij nog geen plan weten te beramen om de alsdan noodzakelijke botsing, en wie weet welke verwijtingen over zijn gedrag ten opzichte van het kind, dat aan zijn hoede was overgelaten, zoo zacht mogelijk te doen zijn.
Eén belofte had hij gegeven—die om Li mee te zullen brengen, zoodra hij weer eens te Donowarie kwam. En dat kon hij uitstellen, of wel hij kon probeeren Li aan ’t verstand te brengen dat zij over hun sexueele verhouding moest zwijgen. Dit laatste idee kreeg hij eerst toen hij in bed lag, kort na het eten, want vroeg naar bed, om vroeg te kunnen opstaan is in de koffie een regel, waarop men niet dan noode inbreuk maakt.
Vroeg was het dan ook toen Messner en Korman zich den volgenden morgen op weg begaven teneinde het op Donowarie verrichtte werk te inspecteeren. Voor den leek moge het een treurig schouwspel zijn als hij de verwoesting aanziet door het boschkappen teweeggebracht, voor den koffieplanter echter is dat een geheel ander iets. De open plekken die hij van den weg af bespeurt, de verwarde massa die bij ’t naderen voor hem ligt, zij roepen hem toe, dat hier straks de plant zal opgroeien, die hem het loon van zijn arbeid moet verschaffen; en de ruïne die hij ziet, weerkaatst voor zijn fantasie het beeld eener schoone buitenplaats in Holland, of van een statig huis in een der voornaamste steden van datzelfde land.
Ook Korman gevoelde die uitwerking toen hij achter Messner het pad opliep dat naar de reeds vermelde gouvernements-koffietuinen voerde, en waarlangs Messner had laten kappen; doch nadat zij geruimen tijd waren voortgestapt, werd hem duidelijk dat hij zich gister met een ijdele hoop had gevleid, toen hij meende dat zijn vriend hem ten achter zou zijn met de ontginning; en een zekere teleurstelling maakte zich van hem meester.
„Ben je van plan alles te laten kappen van ’t jaar?” vroeg hij eindelijk.
„Neen,” gaf Messner lachend ten antwoord; „de helft maar. Valt het je mee? Nu, dat doet me plezier. Ik ben zelf ook tevreden. Hier moeten we in.”
Hij had zich misschien juister uitgedrukt door te zeggen: hier moeten we op, want het tweetal besteeg nu langs eenige ruw ingehakte treden een der grootste gevallen boomen. Daarop volgde een gang dwars door de woestenij, waarbij men niet wist wat meer te bewonderen: de geoefendheid waarmee de beide Europeanen over de boomen, ja soms over vrij smalle takken liepen zonder hun evenwicht te verliezen, of het … instinct waarmee de inlanders zoo juist hadden uitgevonden wáár in dien chaos de boomen lagen die het pad vormden, zonder ooit op een plek te stuiten waar de doortocht versperd was.
Reeds een groot deel der beddingen was afgeplant en prijkte met de frissche groene rijen plantjes, niet ouder nog dan tot de ontwikkeling der zaadblaadjes.
„Hierin ben je mij vóór,” merkte Korman op, die tot nu toe geen mond had opengedaan over het werk te Watoeombo, enkel omdat zijn vriend van alles meer had afgedaan dan hij zelf, hetgeen hij uit valsche schaamte niet wilde bekennen.
Zij liepen al bukkende voort, onder het dak dat voor de hooge gestalten der beide mannen te laag was, Korman nu en dan omziende naar een stel fraaie schouders dat hij onder de plantsters had opgemerkt, en verlieten de beddingen. Hier hadden zij het gezicht op verscheidene ploegen werkvolk die boven aan de helling begonnen zijnde, het schoongebrande terrein met den patjol hadden veranderd in nette, horizontaal loopende terrassen. En waar die nog niet gemaakt waren, wezen dunne bamboe-stokjes, die op de plaatsen gesteld waren waar naderhand de koffieboomen zouden komen te staan, en door de Javanen andjirs geheeten werden, den koelies aan, hoe zij werken moesten.
„Ik wou wel dat het waar was,” zeide Messner; „maar het meten heb ik zelf moeten doen.”
„Ja,” antwoordde Korman, „dat kan je op een klein land doen, maar ik zou er geen tijd voor hebben. Enfin, ’t is mooi; ik ben zeer tevreden.”
Messner zag snel op, doch het gezicht van den ander stond strak als had hij iets doodgewoons gezegd. Wat verbeeldt zich Korman wel, dacht de oudere; ’t is alsof hij als chef tegen een mindere spreekt. Wacht, we zullen hem eens op den tand voelen!
„Als je ’t wezenlijk zoo goed vindt,” zeide hij toen overluid, „dan zou je dat misschien den ouden heer Benoit wel eens kunnen melden … het werk regardeert je wel niet, maar Benoit schijnt veel vertrouwen in je te stellen en dus.…”
Of Korman den steek voelde? ’t Was moeilijk te zeggen, want hij keek juist onder de beddingen, waar zij langs liepen op hun terugweg, of hij de eigenares der mooie schouders ook kon ontdekken.
Op eens begon Messner hartelijk te lachen.
„Wat heb je?” vroeg Korman, hem verbaasd aanziende.
„Hoorde je dat niet?” was de wedervraag. „Hij was goed!”
„O, je bedoelt wat die meid daar riep? Hm, ik begreep het niet heelemaal. Wat zei ze?”
„Ja,” zeide Messner, „al vertel ik het je, dan snap je het nòg niet. Een ui in het javaansch is zoo moeilijk in onze taal weer te geven.”
„Ik versta toch wel javaansch!” riep Korman eenigszins misnoegd uit.
„Gewoon huis- of tuin-javaansch, ja,” antwoordde Messner; „maar zóó.… hoe zal ik het zeggen … de volkstaal, zooals zij die onder elkaar spreken, met woord- en klankspelingen, met naïeve dubbelzinnigheden, neen Korman, die versta je niet, en die leer je ook niet, al bleef je nog eens zoolang in Indië als je er al bent, tenzij je onder het volk ging leven, heelemaal en famille meeleven, zooals ik destijds.”
Bij de laatste woorden ging een droeve trek over Messners gelaat, als ware de herinnering aan die tijden van groote armoede en ontbering hem onaangenaam, en zwijgend liep hij voort, den weg dien zij gekomen waren terug, over de boomstammen en door het bosch, niet eer sprekende dan toen zij weer thuis waren en hij Korman eenige papieren overhandigde.
„Hier is de kasstaat,” zeide hij toen. „Ik heb hem in duplo opgemaakt, dan kan je er één opzenden aan Benoit.”
„Ik was eigenlijk van plan aan Benoit enkel een recapitulatie te zenden,” zeide Korman.
„Inderdaad heeft hij ook niet meer noodig,” beaamde Messner; „doch hij schijnt van opinie te zijn dat ik mijn administratie niet al te best doe, en dus ben ik er op gesteld dat hij van het tegendeel overtuigd wordt door alleen door mij geschreven verantwoordingen te ontvangen, die, zooals deze, steeds perfect in orde zullen zijn. Begrepen?”
„Mij wel,” antwoordde Korman, „maar dan snap ik niet wat of ik eigenlijk met den rommel te maken heb.”
„Och, nazien of de optellingen goed zijn,” spotte Messner.
Korman had nog wat willen zeggen, doch hij hield het terug. Het overwicht van zijn ouderen vriend kon hij niet van zich schudden. Ja, als er iets niet in orde geweest was! Maar nu … neen! Messner zag te scherp om niet aanstonds te bemerken wat hij voorhad; en straks de zaak met Li … hij moest geen ruzie maken, en zich maar stil houden, dat was het beste.
Na de rijsttafel zette Korman zich op zijn paard, en verliet Donowarie met iets minder zelfvertrouwen dan waarmee hij er gekomen was.
De weg over zijn eigen land, waarin hij vóór dezen een soort ruwe poëzie gezien had, iets als de eerste toetsen op het doek eens kunstenaars, leek hem nu toe, wat het dan ook inderdaad was: een erbarmelijk slecht stuk werk. Maar meer nog had hij het land toen hij de plaats naderde waar zijn volk aan ’t werk was. In tegenstelling van de gelijke, waterpas loopende terrassen bij Messner, zag men hier achteloos uitgehakte trappen, de een nog scheever dan de ander, ongelijk van breedte en hoogte.
„Setrodimedjo!”
Springend en glijdend zakte een inlander de hoogte af tegenover den weg, kroop door het ravijntje en klauterde weer naar boven, om hijgend van inspanning op een pas of tien achter Korman neer te hurken. Alle teleurstelling die deze ondervonden had, uitte zich in een stortvloed van aanmerkingen, doorspekt met talrijke Gévédé’s, aan het adres van den armen meetmandoer, die niet slechter gewerkt had dan hem geleerd was en voor alles wat recht en waterpas is, juist zooveel oog had als de rest zijner rasgenooten.
Korman wond zich hoe langer hoe meer op.
Zijn stille overdenkingen werden gestoord door het ophouden van het standje en het tweemaal herhaald bevel om dichterbij te komen. Het booze gezicht van Korman ziende, naderde hij dien tot op twee pas en hurkte toen weder neer, nog even buiten het bereik van de dreigend opgeheven karwats.
Daar was niets aan te doen! Sidderend overhandigde Setrodimedjo den toewan besaar het wapen, dat onmiddellijk daarna met zware slagen over zijn rug en schouders striemde.
Zoo vlug als hij daareven gekomen was, zoo langzaam ging de mandoer weer terug naar zijn volk.
„Ja, erg,” was het antwoord. „Hij wou dat ik hier water boven op bracht om te timbangen.”
De koelie zeide een aardigheid, over een manier waarop zij met hun vijven wel wat water daar konden krijgen, en allen lachten, doch zachtjes, want Korman was nog niet ver, en in ’t gebergte wordt het geluid soms wonderlijk weggekaatst. Toen gingen zij voort met andjirs plaatsen, precies als te voren.
De strafoefening had Korman gekalmeerd. Messner kon naar de maan loopen; hij zou minstens even goede koffie krijgen, al stond ze wat minder mooi geplant; straks zou hij order geven voor meer werkvolk en dan in quantiteit vergoeden wat hij in qualiteit bij zijn vriend ten achter stond. En zoo moest het ook! Men kon duizend bouws niet ontginnen alsof het er driehonderd waren!
Vóór hem lag het stukje bosch dat was blijven staan en waaronder de woningen stonden. Dit deed zijn gedachten afdwalen naar zijn huis en naar Li, een vrij wat aangenamer onderwerp dan het werk op Donowarie! Was Li niet een allerbest vrouwtje voor hem, in alle opzichten? Zij mocht nog wat jong zijn, doch daartegenover stond haar dartelheid en vroolijkheid, die gaandeweg weer was teruggekomen; en dat had iemand wel noodig hier in de eenzaamheid, in een omgeving die toch al tot somberheid stemde. Haar opvoeding onder Europeanen had haar een zekere losheid van manieren gegeven, meer uitdrukking in het gelaat en minder placiditeit dan andere inlandsche of chineesche meisjes en vrouwen. Zie, kwam zij daar niet aan? Ja werkelijk! Nu vraag ik, zeide Korman halfluid, welke inlandsche njai zou zoo aan komen huppelen, haar toewan te gemoet? Hij moest zelf lachen om het idee.
„Dag Papa, dag Papa!” riep Li, en hij steeg af en zoende haar hartelijk, blij weer bij haar te zijn, zich niet storend zelfs aan den naam dien zij hem bleef geven, ondanks zijn bevel, omdat hij dien in deze omstandigheden niet langer passend vond.
Korman liet het paard los, dat in een drafje naar stal liep; en zijn arm om Li’s schouders leggende, wandelde hij met haar verder, vertellende van Zus en haar mooie huis, er verhalen bij fantaseerende over de honden en de kippen en wat Li verder kon interesseeren.
„Zie je wel,” zei Korman; „ik heb al tegen Zus gezegd dat ik je niet liet overkomen eer het huis hier klaar is, want dat je anders eens niet weer terug mocht willen komen.”
„Heeft Papa dan niet gezegd, dat ik nu de nonja besaar ben geworden?” vroeg Li, met een koddige uitdrukking van deftigheid.
„Neen, nog niet,” antwoordde hij. „Ik wist niet wat ze er van zeggen zouden; en, weetje, ze mochten je eens weghalen.”
„Zeker!” lachte Korman. „Als jij zelf wilt.…”
„O!” viel zij hem in de rede. „Dan is het goed. Weet u Papa, ik was bang voor Zus, maar nu niet meer; als Papa brani is, ben ik het ook. Gister.…” Hier zweeg zij plotseling als vreesde zij zich te verpraten.
„Wat was er gister?” vroeg Korman.
„Doe toch niet aan die flauwiteiten,” gromde Korman. „Je weet dat we je geleerd hebben dat het onzin is en niets geeft.”
„Eén keertje maar,” vleide zij. „’t Is ook niet voor mij.”
„Nu, voor mijn part,” gaf hij toe, denkende dat de kampong-bewoners het verlangden, en wetende dat in dit geval een weigering hem een reeks vexaties zou bezorgen.
Korman ging zelf naar de deur om de trommel in ontvangst te nemen, die de dus aangediende man medebracht, en die openende vond hij er de couranten in en brieven, die voor hem, sedert de vorige maal dat de brievenlooper naar de stad gegaan was, waren aangekomen. De onderneming had nog weinig relaties met de buitenwereld en Korman zelf ook niet veel, dus had hij het niet noodig geacht de post meer dan éénmaal in de week te doen afhalen. Toch, als de trommel kwam, was hij steeds in zijn schik; al ware het enkel maar om de couranten, die hem zoo’n beetje op de hoogte hielden van wat er buitenaf voorviel.
Ditmaal was er meer. Toen hij de boel gesorteerd had, lagen er naast het stapeltje couranten drie, zegge drie! brieven. Hij bekeek ze van alle kanten; de eerste was van Benoit, dat zag hij dadelijk, doch de andere intrigueerden hem sterk. Eén er van kwam uit Holland en toch was het niet de hand van zijn moeder.… wie drommel kon het dán zijn? En de tweede.… uit Semarang.… hand geheel onbekend.…
Hij eindigde met den brief van Benoit open te breken, die niets bijzonders bevatte, en draaide toen de beide andere in zijn handen heen en weer, besluiteloos en toch nieuwsgierig. Het was een kwaal van Korman, die velen echter met hem gemeen hebben, dat hij graag eerst wilde weten vanwaar en van wien een brief kwam eer hij hem opende. Doch ditmaal lukte het hem niet. Toen nam hij die uit Holland, als zijnde de oudste, en scheurde er den omslag af.
den Haag.…
Waarde Korman!
Van uwe moeder vernamen wij het heuchelijke nieuws, dat het God den Heer behaagd heeft u in den stand der plantage-directeuren te plaatsen. Wij hebben ons gehaast haar per keerende post onze gelukwenschen aan te bieden, gelijk wij dit bij dezen insmede aan uzelf doen.
Over de u ten deel gevallen bevordering sprekende met een onzer kennissen, die juist op de thee kwam, nadat de brief van uwe moeder door ons was ontvangen, deelde ZE., die als Oost-Indisch ambtenaar vele jaren in gindsche landen vertoefde, ons een en ander mede omtrent het leven op de plantages. Mijn zoon Henri, die zooals gij zult weten in den zeedienst is, was daarbij tegenwoordig.
Nu wilde het geval dat hem, die een werkzaam jongmensch is, het luie leven aan boord en vooral aan den wal zeer tegen de borst stuit. Vernemende dat op een plantage steeds vraag is naar fatsoenlijke jongelieden, opperde hij een denkbeeld dat, ik moet het bekennen, uwe tante en mij het eerst met ontsteltenis vervulde. Het was om Z. M. dienst te verlaten en zich bij u aan te melden.
Na gehouden ruggespraak met uwe moeder echter, zijn wij over vele bezwaren heengestapt, en hebben onzen jongen in Gods hoede aanbevolen en op de stoomboot gebracht, die hem naar u toe zal voeren. Ik kan niet nalaten u dit met een enkel woord te melden, daarbij de gelegenheid waarnemende u op het hart te drukken hem niet alleen voor te gaan in het goede, want daarvan zijn wij zeker, doch ook onzen jongen zooveel in uwe macht ligt af te houden van het kwade. Wij allen zijn zwakke vaten en Henri is de vrouwen zeer genegen, welke bijzonderheid ons mede deed besluiten hem uit de verleiding die zijn betrekking hem aanbood, weg te nemen.
U ’s Heeren zegen op uw werk toebiddende, verblijve ik
Uw Oom H. C. Rencke Sr.
P.S. Tante laat u hartelijk groeten.
„Wat duivel is dat?” vroeg Korman zich af. „Denken ze daar in Holland dat het hier een asyl is voor zoontjes die niet deugen? Zwakke vaten, jawel, we kennen dat! Wel Gévédé!”
Maar vloeken hielp niet; hij zou het neefje krijgen en daarmee uit. En ’t was niet eens een neefje! De heer Rencke was gehuwd met een halve zuster zijner moeder en had zich, dat herinnerde Korman zich zeer wel, heel weinig aan de verwantschap laten gelegen liggen. En nu die vriendelijkheid en dat gescharrel met ’s Heeren zegen … Hij vloekte nog eens en greep toen naar den tweeden brief.
Het was een fatsoenlijk epistel van den jongen Rencke, zijn aankomst te Semarang meldende. Hij deelde voorts mede hoe hij op raad van iemand aldaar de reis zou nemen, eerst per spoor tot Solo en verder per karretje. Eindelijk vroeg hij Korman’s instructies voor het laatste gedeelte van de reis, dewelke hij in het logement hoopte te vinden.
De toon van dit briefje verloste Korman van zijn driftige bui. Hij ging zitten nadenken hoe hij den jongen Rencke moest „stallen.” Zijn huis was nog niet klaar en in deze hut kon hij hem niet bergen. Enfin, er moest maar een kamer aangezet worden, want zoo’n kersversch uit Holland gearriveerd heertje zou men toch moeielijk direct in een eigen huishouding kunnen zetten. En de oude heer die zoo bang was voor Henri’s zedelijkheid!
„Verroest! dan had hij hem maar niet naar de binnenlanden van Java moeten sturen,” besloot Korman zijn gedachten.
Hij riep Li, die nog altijd met de kokki aan ’t bepraten was van de maatregelen voor de slamatan, en vertelde haar het nieuws. Zij nam het tamelijk onverschillig op, maar haar gezichtje betrok toen Korman er bijvoegde, dat hij over drie dagen zelf naar de stad ging om den nieuweling te halen.
Eerder kon hij niet, vanwege de betaling van het werkvolk; en, vond hij, die jonge snoeshaan zou van een paar dagen wachten niet bederven. Intusschen schreef hij een kort briefje, dat hij den volgenden morgen met den plajangan naar de stad zond, dezen tevens een paard medegevende om dat te stationeeren bij den wedhono van Wonosarie, waar ook de américaine stond met het span Kadoeërs, die hem en Messner toebehoorden.
Het was Zaterdag. Den avond te voren had Korman zijn volk betaald en ’s morgens, toen hij dacht te vertrekken, was er eensklaps een ploeg nieuw werkvolk op komen zetten dat ingedeeld moest worden. Dit hield hem tot aan den middag bezig. Zoodoende in zijn voornemen, om in de morgenkoelte den tocht te doen, verhinderd, achtte hij het beter tot den namiddag te wachten eer hij afreed.
Moe van de reis en blazende van de hitte niettegenstaande de duisternis reeds gevallen was, kwam Korman in het logement aan. Een door het gouvernement gesubsidieerd hôtel natuurlijk, men zag het al van verre. Want hoewel in den tegenwoordigen tijd alle hôtels op Java toonbeelden zijn van keurige inrichting en goede bediening, toen Korman zijn onderneming begon, was dat anders. Toen waren de meeste hôtels slecht, en de door ’t gouvernement gesubsidieerde nòg slechter.
In twee der laatsten werden de Kadoeërs gestald, terwijl Korman de pendoppo betrad, waar een petroleumlamp—neergedraaid, want er was toevallig niemand—hem behoedde voor struikelen over de stoelen of de nog met het tafellaken van ’s middags gedekte eettafel.
Op zijn geroep, dat weldra in een soort gebrul ontaardde, verscheen ten leste een inlander, die zich mandoer noemde, en in wiens hand feitelijk het bestuur over het logement berustte. Door hem liet Korman zich een kamer aanwijzen, of liever hij koos er zelf een uit de leegstaanden, na er een paar te hebben opgenomen met zijn neus, die hierin de beste leidsman was. Toen vroeg hij of er niet een jonge meneer was aangekomen, die Rencke heette.
Korman bedacht zich nog een oogenblik of hij zich niet vernederde door óók naar de Soos te gaan, en zoo als ’t ware zijn employé na te loopen; maar och, wat deed het er toe; op de onderneming, te midden van een arbeid waarvan het jongemensch niets verstond, zou straks zijn superioriteit voldoende uitkomen, en daarmee het vereischte prestige.
Hij wandelde dus op, en ging de sociëteit binnen. In de voorgaanderij, aan de kletstafel, zat een uitgelezen clubje, de resident, de secretaris en eenige der voornaamste ingezetenen, en ook een vreemdeling. Diep buigend—hoeden droeg men toenmaals ’s avonds nooit—wilde Korman voorbijgaan, het lokaal binnen, waar hij dacht onder het groepje levenmakers bij het biljart zijn aanstaande ondergeschikte te zullen aantreffen en op dezen door zijn verschijnen een geweldigen indruk te maken, toen hem op eens iemand achterop kwam, die zijn naam op vragenden toon uitsprak.
Zich omwendende zag hij tegenover hem den vreemdeling. Een slanke welgevormde figuur ongeveer van zijn eigen grootte; een fijnbesneden aristokratisch gelaat, versierd door heldere donkerblauwe oogen en een zwaren knevel; gekleed in een zwarte jas met weggesneden panden en grijzen pantalon waarvan de coupe den besten kleermaker verraadde.… Korman stond een oogenblik versuft, toen de ander met een klankrijke stem zich bekend maakte: „Ik ben Henri Rencke.”
„O zoo … aangenaam kennis te maken. Ik hoorde in ’t logement dat … u hierheen was gegaan …”
„U is wel beleefd,” zeide Rencke. „Had ik geweten dat u zelf komen zoudt, dan had ik u opgewacht, te meer daar ik op een eenigszins zonderlinge wijze aan u ben opgedrongen. Toen ik vertrok wist ik dat niet—men dacht in Holland dat men u een dienst bewees, doch op reis hoorde ik daarover anders spreken.”
„’t Is niets.… we zullen het samen wel vinden, hoop ik,” antwoordde Korman, die tegenover de vrijmoedige explicatie van dien jongen man geen andere woorden ter beschikking had. Intusschen werd hem daar op eenmaal een wapen uit de hand geslagen, dat hij zich voorgenomen had ter gelegener tijd te gebruiken. Bij het minste vergrijp van Rencke, had hij hem voor de voeten willen werpen dat hij een presentkaasje was; maar dat ging nu niet meer, daargelaten al of hij een zoodanige uitdrukking ooit zou durven gebruiken tegen den man die daar voor hem stond.
„Meneer Korman!” riep de resident, en de geroepene ging, gevolgd door zijn employé, naar de kletstafel.
„Komt u niet wat bij ons zitten?” noodigde het Hoofd van Bestuur. „Straks, op uw koffieland, moogt u meneer Rencke geheel in beslag nemen, maar hier hebben wij ook rechten. Ombert u?”
„Een beetje, resident.”
„Wel, dan moesten we vanavond eens een partijtje maken,” zeide de resident. „Meneer Rencke is ons hier komen leeren wat omberen was; prepareer u dus op een zwaren strijd.”
„Je bent in den pas bij den ouwe,” zeide Korman, toen hij met Rencke naar het logement wandelde om te gaan eten. „Hoe heb je zoo de kennis gemaakt?”
„Wel, ik heb dien logementsfrik uitgevraagd hoe men zich hier presenteerde … Apropos, wat kost het een moeite dat heer te spreken te krijgen! Zijn dat oostersche manieren, dat een logé naar den hotelhouder moet gaan in plaats van hem te ontbieden?”
„Ja, hij heeft het monopolie, zie je, en ’t kan hem weinig schelen. Hij is binnen.”
„Dat heb ik gemerkt! En hij is moeielijk naar buiten te lokken,” zeide Rencke, die de spreekwijze niet begreep, waarop Korman expliceerde dat „binnen” beteekende: zijn fortuin gemaakt te hebben; hetgeen de logementhouder bewerkstelligd had met de aanneming van zout- en koffietransporten.
In den naävond kreeg Korman, bij gelegenheid van het omberpartijtje, van zijn employé een lesje in dat edele spel, waaruit hij het voornemen putte, om wat hij ook mocht doen te Watoeombo tot korting der avonduren, nimmer met Rencke een partijtje te maken.
Vroeg in den morgen vertrokken zij naar het gebergte; Rencke nu ook in een wit pakje, nieuw en ongestreken, waarvan het model Korman deed opmerken dat het goed genoeg was om „boven” te worden opgedragen, doch niet geschikt om er „beneden” mee voor den dag te komen. Waarop Rencke, die trouwens op reis al had gemerkt dat zijn zoogenaamde indische uitrusting in ’t geheel niet indisch was, doch een product van hollandsche kleermakersfantasie en verkeerde voorstelling van oud-indiërs, verklaarde, als hij ooit in Europa terugkwam, de menschen te zullen inlichten omtrent hun vergissing.
„Ik vond het al vreemd,” voegde hij er bij, „dat ze mij voor alles zoo’n wijde zakkerige geschiedenis maakten. Men had mij gezegd: neem voor de witte pakjes het dikste russisch linnen; de jas gemaakt naar het gewone Colbert-model, en de pantalon zooals een gewone fatsoenlijke broek. Maar de „specialiteit in uitrustingen” lachte er om, en zeide dat het veel te warm was; dus nam hij van dit dunne goed en maakte het zoo wijd als u ziet. Thuis riepen ze: echt indisch! maar ik kon wel zien dat ze ’t niet mooi vonden, zoomin als ik.”
„Wat wèl goed is,” zeide Korman, „zijn die kappen die je daar aan hebt.”
„Het zijn oude jachtkappen,” antwoordde Rencke, „die ik bij toeval in mijn koffer heb gesmeten, en nu van morgen aangetrokken, omdat ik er u ook zag dragen.”
Naarmate zij verder reden kreeg Korman meer schik in zijn nieuwen employé. Hij vond in hem iemand waarmee te praten was, en die, begaafd met een groote mate van practisch verstand, den eenzamen weg recht gezellig wist te maken, zoowel door zijn gesprekken als zijn goed ingerichte vragen om opheldering van hetgeen zijn oog als vreemd opmerkte.
„’t Is mij hetzelfde, als hij maar loopt,” zeide Rencke, en aan de manier waarop hij de stijgbeugels pas maakte, door die te meten van de vingertoppen tot onder den oksel, zag Korman dat hij althans geen onervaren ruiter was.
Rencke steeg op; de plongko trippelde even, trachtte toen vooruit te schieten, doch door zijn rijder onmiddellijk bedwongen en met het rechterbeen zijwaarts gedrukt, kwam hij, netjes overschenkelend, naast den zwarte.
Toen zij het land naderden, en op meer geaccidenteerd terrein kwamen, fronste Rencke een paar maal de wenkbrauwen bij het opzien tegen de steilten die zij op moesten, en meer nog als de weg een sterke helling naar beneden nam. Hellingen, die naar zijn schatting den voetganger moeite zouden hebben veroorzaakt! Ziende hoe Korman’s paard, dat voor hem uitliep, het er afbracht, overwon hij echter spoedig den angst die een ieder bevangt die voor ’t eerst op bergwegen rijdt, en bewonderde hij de kracht dier kleine dieren, die hij vóór dezen met eenige minachting had aangezien.
„Daar staan hutten!” riep Rencke op eens uit. Zij waren de kalie overgetrokken en reden op de kampong aan.
„Juist,” zeide Korman, voor de eerste „hut” zijn paard inhoudende en afstijgende. „Welkom op Watoeombo!”
Rencke begreep niet hoe hij ’t had. Was dat het „landhuis” dat zijns vaders vriend hem beschreven had met de aan indisch-gasten eigen overdrijving? Hield Korman hem voor den gek? ’t Kon wel, want hij stond hem feitelijk in zijn gezicht uit te lachen. Doch neen, want daar kwam een dier wezens te voorschijn waarvoor Rencke altijd de grootste vereering gekoesterd had, een meisje, in wat hij noemde de schilderachtig romaneske flodderdracht, welk meisje Korman met „Papa” aansprak en hem kuste. Een dochter? Hij meende toch.… hm, zeker.… jawel, ze had een gelen teint.… enfin, ’t was een meisje, dus naderde Rencke met gepaste hoffelijkheid en maakte een diepe buiging.
„Een aangename verrassing, freule; uw Papa had mij nog niet verteld dat.…”
Hier bleef hij steken, want Li keek hem met haar groote oogen verbaasd aan, terwijl Korman bijna stikte in een lachbui.
„Die is goed! Ha ha,” bracht Korman er eindelijk uit. „Ga naar binnen Li.—Ahem! Ze verstaat je niet, Rencke—’t is mijn huishoudster weet je—en … je zoudt maleisch moeten spreken als je haar een compliment wilde maken, want van het hollandsch begrijpt zij niet meer dan doodgewone dagelijksche uitdrukkingen.”
„Ik zal maleisch leeren,” zeide Rencke vol vuur. „Het is een aangename verschijning, parole d’honneur!”
Korman zag hem uit de hoeken zijner oogen even aan, en ging toen voor, het huis binnen. Links, tegenover zijn slaapkamer, was een appartement aangebouwd terwijl hij weg was. Na er even in rondgezien te hebben, wenkte hij Rencke, die in het middenvertrek was blijven staan.
„Dit is je kamer,” zeide hij. „Ik heb een ledikant voor je besteld, maar dat moet uit Soerabaja komen, en dus moet je het voorloopig maar zóó stellen.”
„Dan heb ik een mooi werkje voor je,” zeide Korman tot Rencke.
„Ik ga intusschen even naar de tuinen,” zeide Korman. „Tegen dat je klaar bent, zie je mij weer terug.”
Daar zat Rencke, te midden van een volkje dat hij niet verstond, met het hem aangewezen werk zich de blanke handen bedervende en met een blik van wanhoop de massa korven overziende. Het ging hem niet vlug af; door gebrek aan oefening bekeek hij de plantjes veel te lang eer hij goed- of afkeurde, met het gevolg dat hij weldra nauwelijks meer zag wat dik of dun was, en er telkens de door Korman gegeven modellen tegenaan moest houden ter vergelijking.
De oogen deden hem pijn van de inspanning nadat hij nauwelijks een half uur aan den gang was, en reeds driemaal had hij zich gesneden aan een bamboe-touwtje dat hij open wilde trekken in plaats van draaien.
„Ik wist niet dat groen zoo vervelend kon zijn,” mopperde hij, even de oogen sluitende. Toen hij ze weer open deed schitterde er iets wits, en opziende bemerkte hij Li, die een bankje neerzettende, tegenover hem plaats nam, en met groote vlugheid de plantjes door de vingers liet glijden.
Dankbaar knikte hij haar toe en gevoelde weer nieuwen moed, toen hij de gemakkelijkheid zag, waarmee zij het werk verrichtte. Van haar afziende, leerde hij het zelf; en de eene korf na den andere verdween van het tooneel, tot de laatste toe.
Met een zucht van verlichting stond Rencke op, en trachtte een praatje aan te knoopen met zijn helpster. Maar dat mislukte; want hoewel Li hem best verstond, zij zelve kon niet anders dan in ’t maleisch antwoorden, en dát begreep hij weer niet. Toen, terwijl hij enkele voorwerpen aanwees, gaf zij hem de maleische benamingen, die hij zorgvuldig noteerde. Hiermee waren zij nog bezig toen Korman terugkwam.
„Ben je er al doorheen?” zeide hij. „Dat is vlug. Wat doe je daar?” vervolgde hij een blik werpende in Rencke’s notitieboekje. „Hm, ik zou je raden liever maar dadelijk javaansch te leeren, dan krijg je geen verwarring, en dat heb je toch het meest noodig.”
„Dat kan ook,” antwoordde Rencke. „Maar, me dunkt de klanken van het maleisch hooren gemakkelijker aan.”
„Nu, doe wat je wil, als je maar één taal tegelijk aanpakt. Trouwens, de mandoers spreken allen maleisch, dus kan je daar voorloopig wel mee terecht. Laat ons nu naar huis gaan en die lui afbetalen, dan zullen we het vandaag maar voor gezien houden.”
Dit voorstel was zeer naar den zin van Rencke, die duchtig vermoeid was van den langen rit van dien morgen, en hard verlangde naar het oogenblik waarop hij zich in een dier gemakkelijke indische stoelen zou mogen uitstrekken. En het kwam, toen de bibit betaald was en de daglijst ingeschreven.
Het werd dien avond later dan gewoonlijk. Rencke kon gezellig praten, en Korman had zooveel te vragen over alles wat er op zeker dierbaar plekje grond in de laatste jaren was voorgevallen, dat het hem gelukte na den eten zijn oogen nog lang open te houden.
„Er is niets bijzonders voor je te doen,” zeide Korman den anderen morgen. „Ga maar eens op je eigen gelegenheid naar de tuinen, en kijk rond. Het werk moet gedaan worden … zooals ze het doen; dat leer je, door het te zien, vanzelf. En eer je de taal verstaat, kan je toch niet veel uitvoeren. Als je iets onbehoorlijks ziet, rapporteer het mij dan als je thuiskomt—zoo tegen twaalven.”
Rencke ging het pad op dat hij gister Korman had zien inslaan, daarbij de voorzorg nemende van nu en dan op een zakkompasje te kijken, teneinde te weten in welke richting hij straks het huis weerom moest vinden. De wijze waarop hij in de geheimen der cultuur werd ingewijd, beviel hem niet. In zijn vroegere betrekking gewoon al zijn plichten van a tot z als ’t ware op een briefje te hebben, en haast niets te doen of het was speciaal gekommandeerd, bracht hem deze manier van doen in niet geringe verlegenheid. De opdracht die Korman hem gegeven had was hem vrij duister. Na een klim van een half uur was hij terecht gekomen bij het terrassenmaken, en daar moest hij niet zijn, dacht hij, want Korman had over „tuinen” gesproken, die hij nochtans nergens ontdekte. Enfin, er werd gewerkt, dus kon hij wel een poos toekijken.
Met dit voornemen liep hij over een der terrassen, met attentie toeziende hoe de koelies met den patjol de aarde uithakten en gelijk streken. Bij een der werklieden bleef hij even staan, wat onmiddellijk uitwerkte dat de mandoer op den man toesprong, hem den patjol uit de handen rukte, en onder veel woorden voordeed hoe hij werken moest; in welk model Rencke geen onderscheid zag met het reeds geleverde werk.
„Er schijnt toch iets onbehoorlijks geweest te zijn,” dacht hij, en kuierde verder. Doch toen hij bij een anderen koelie bleef staan kijken, herhaalde de mandoer hetzelfde spelletje, wat Rencke in twijfel bracht of er nu wezenlijk in dit schijnbaar eenvoudige werk iets verborgen was dat hij niet zag, of dat er slechts overdreven dienstijver van den mandoer achter gezocht moest worden.
Dit personage hield ten slotte een aanspraak tegen Rencke, waarvan deze geen syllabe begreep, zelfs niet toen de mandoer uit het javaansch in ’t maleisch overging. Intusschen verrijkte Rencke zijn woordenlijst met enkele nieuwe namen van dingen die hij aanwees.
Met zijn wijsvinger wees hij eerst op de schets en toen, de hand uitspreidende, maakte hij een vragende beweging in het rond. Dit deed den mandoer een licht opgaan.
„Oah, beddingan!” riep hij uit met een tweeden blik op de teekening, en toen, voorgaande, wees hij Rencke den weg aan, die naar de pépinières leidde, terwijl deze, verheugd over het gelukken van zijn middel, in de aangegeven richting verder stapte.
„Men moet zich maar weten te redden,” zeide hij bij zich zelf.
Het einde van den weg was de plaats waar de beddingen stonden. Dat was een teleurstelling! Maar van onder het alang-alang dak klonken stemmen; dus ook hier werd gewerkt, en Rencke ging er binnen. Vrouwen plantten de jonge bibit; dezelfde die hij gister zoo bloedig uitgezocht had! Hij voelde solidariteit; daar was een stuk van zijn ziel in die plantjes. Zich neerzettende op een boomstronk te midden der plantsters, nam hij den zwaren helmhoed, dien hij te Portsaid gekocht had, af en genoot èn van de schaduw èn van het toezien op het werk dat hij volkomen begreep.
Ook was er een groot onderscheid tusschen de babbelende en lachende vrouwen, en de ginds als in doffe zelfberusting werkende mannen; hier een beeld der onafhankelijke vrijheid, dáár der drukkende slavernij. Want ontegenzeggelijk draagt de Javaan der binnenlanden nog het kenmerk op zijn gelaat, dat zijn vaderen slaven waren, zoo dan niet altijd in den zin die gewoonlijk aan dat woord gehecht wordt.
Een meisje dat in Rencke’s onmiddellijke nabijheid werkte, vroeg hem iets, en hij antwoordde door haar in de wangen te knijpen, wat uitroepingen van alle kanten deed opgaan, doch de toon daarvan was niet onwelwillend of afkeurend. Rencke voelde zich volkomen thuis. Hij ging de lange rij der reeds afgeplante bedden na, en ontdekte geheel aan het eind daarvan een paar scheefstaande plantjes. Men kon van die plaats uit, de plantende vrouwen niet zien, daar er een rijzing van het terrein tusschen lag. Rencke ging een eind terug en riep „Hei, zeg eens!” waarop het meisje dat hij in de wangen geknepen had, naar hem toe kwam.
De plantjes werden behoorlijk recht gezet, al duurde het wat lang. Rencke nam toen den terugweg aan, daar het tegen twaalven liep, doch besloot aan dit gedeelte van het werk zijn bijzondere aandacht te wijden; want als het jonge plantje niet onberispelijk gezet werd, hoe kon er dan ooit een flinke koffieboom uit groeien?
Thuis gaf hij aan Korman bericht van zijn wedervaren. Bij de scène met den geschetsten bloementuin moest deze hartelijk lachen.
„Wij noemen hier een tuin,” verklaarde hij, „een stuk grond dat met koffie beplant is of worden moet, en dat tusschen vier wegen in ligt. Al naar gelang der hoogte van de hellingen, worden er twee of drie horizontaal loopende wegen in getrokken, de een boven den ander, en deze verbonden door schuin tegen de hoogte oploopende wegen. Waar de helling sterk is, en dus de weg te lang zou worden, maakt men hem met een paar slagen, de zoogenaamde zigzagweg.”
„Begrepen,” zeide Rencke. „Dank u wel. En.… die tuinen zijn zeker genommerd?”
„Ja, met dien verstande dat een groep tuinen, bij voorbeeld al de tuinen van één helling of om één ravijn heen, een naam heeft, meestal naar de een of andere eigenaardigheid van den vorm der bergruggen of zoo. De inlanders verzinnen die namen.”
„Hoe heet de tuin waar nu gewerkt wordt?”
„Die heeft nog geen naam,” zeide Korman. „Maar wacht maar, eer ze over den loengoer heen zijn is die ook gedoopt.”
En zoo geschiedde; doch op een wijze die geen van beiden vermoed had, en Rencke althans nimmer uit het geheugen zou gaan.
Vreezende dat er schoon terrein tekort zou komen voor het aanleggen van terrassen, had Korman een paar dagen na bovenvermeld gesprek, den mandoer Podrono last gegeven om met vijftig man te gaan „opstapelen en branden”. Dat beteekende: de overgebleven stukken hout bijeen halen, die leggen rondom de door het vuur gespaarde groote stammen en stronken, en daarna in brand steken.
Dit werk vereischt eenig overleg, daar men aan een zekere limite van lichtere brandstof gebonden is, en die zóó moet aanwenden dat het grootst mogelijk resultaat bereikt wordt; want na deze opruiming is er geen meer mogelijk, en moet blijven liggen wat ligt, tot het in den loop der jaren verrot. Podrono nu was een dier weinige inlanders, die overleg bezaten—misschien moet men zeggen: die hun overleg in dienst van een Europeaan willen aanwenden—en daarom had Korman hem aangewezen.
Natuurlijk was Rencke, die thans reeds beter dan eenige dagen geleden begreep „wat hij eigenlijk op zoo’n koffieland moest uitvoeren,” naar het werk van Podrono gaan kijken. Op den weg staande, overzag hij het geheel. De mandoer had zich een plekje uitgekozen, uitnemend geschikt voor zijn post als dirigent. Een dikke boom lag bijna geheel boven aan de helling. In den loop der tijden had die boom eens den top verloren, en hij had gedaan wat iedere fatsoenlijke boom doet, namelijk twee loten, straks stammen, uitgeschoten. Die stammen stonden zeer dicht bij elkaar. Zooals hij thans lag, leek hij een reuzen vork met twee tanden; de een op den grond, de ander vrij. Daarop stond Podrono, orders gevende nu aan deze, dan aan die groep van zijn volk.
Het was een levendig ventje, dat steeds zijn woorden deed vergezeld gaan van gebaren, die toen hij Rencke zag aankomen nog wilder werden dan gewoonlijk, tot groot amusement van de koelies die lachten.… en daardoor meer kracht zetten dan anders.
Dat was zijn laatste kreet.
Er was beweging in den boom gekomen. Podrono had het bemerkt en wilde er achteruit afspringen. Maar de stam waarop hij stond zakte onder hem weg, de ander van den tweeling sloeg hem in den rug, zoodat hij tusschen de tanden van den vork inraakte en voorover viel. In steeds wilder vaart rolde de boom naar beneden, en met ontzetting zagen Rencke en de koelies het lichaam, ach, het lijk! van den ongelukkigen Podrono meedraaien, breken, en toen de boom den voet der helling bereikt had met een dreunenden slag, prevelden de koelies Allah ill’ Allah en sloot Rencke de oogen, flauw en misselijk van het verschrikkelijke gezicht.
Het weinige dat er nog van den mandoer te vinden was, werd door het volk naar de kampong gebracht. Van Rencke die vooruitgeijld was, vernam Korman het gebeurde.
„Jammer van den vent,” zeide Korman. „Komen ze met hem hier? Waarachtig, daar heb je het heele zoodje! Zijn ze bedonderd?” En hij ging den stoet te gemoet. De voorsten, die het lijk droegen, liet hij passeeren, en joeg toen de rest terug met barsche verwijten. Den knapsten koelie riep hij aan, en droeg hem op tijdelijk den arbeid te surveilleeren. Toen kwam hij terug bij Rencke, die huiverend het kleine troepje, dat hem gepasseerd was, nazag.
Rencke gaf geen antwoord, zijn tanden klapperden tegen het glas.
„Kom, je moet je zoo beroerd niet maken,” raadde hem Korman. „Er gebeurt wel eens meer een ongeluk. Als je niet nog zoo kort hier was, zou ik je een standje maken dat je al dat volk uit de tuinen hebt laten gaan, maar nu.… soedah! En wat wed je nu—we hadden het er laatst over—dat die tuin, eer de zon ondergaat, zijn naam heeft?”
„Podrono!” zeide Rencke plechtig.
De weduwe van Podrono.…
Zij had een braven man verloren, die goed voor haar was, haar nooit sloeg, om wiens grappen zij altijd moest lachen, en met wien zij een heel jaar lang getrouwd was geweest.
„Ga maar eens naar de meid kijken,” zeide deze tot Rencke. „Neem de flesch met castorolie mee, en geef haar om te beginnen een flinke dosis. Hier is ze. Neen heusch,” ging hij voort toen Rencke hem gek aankeek; „ik meen het; als die lui wat van dien aard door ’t hoofd spookt, vergeten zij hun heiligste plichten.”
Rencke ging en paste de voorgeschreven geneeswijze toe, die wonderen deed. Den volgenden dag was het vrouwtje veel bedaarder, en een week later weer geheel hersteld.
In die week was veel gebeurd.
Het huis van Korman, de definitieve administrateurswoning, was gereed gekomen. Hoog gelegen op een daarvoor gemaakte uitkapping van de bergglooiing, verhief het zich boven de kampong. Van uit de voorgalerij had men het gezicht, tusschen twee uitloopers van den berg, tot in de vlakte, ja tot zelfs op den naburigen berg, die als een groote molshoop uit het groen der laaglanden verrees. Waar het oog toch ook wat wil, was de plek goed gekozen.
Eén ding was jammer, en wel dat alle boomen waren weggekapt en het huis op een kale plek stond, en wel altijd zou blijven staan, daar de onmiddellijke omgeving niet beplant werd, doch gereserveerd bleef voor later aan te leggen établissement en droogbakken. Maar wie denkt daar van te voren aan! Wie denkt er aan, dat het ook zaak ware op de loengoers de boomen te laten staan, als zij er zijn, om zoodoende windbrekers te hebben, die men er later, als de wind eenmaal vrij over de naakte ruggen strijkt, met geen mogelijkheid meer op krijgt, tot men na veel geld en moeite vermorst te hebben de loengoer-tuinen in godsnaam maar afschrijft.
Daarvoor moet men minstens eerst een koffieonderneming hebben ontgonnen; en die dat gedaan heeft is òf rijk, òf heeft geen succes gehad en krijgt derhalve geen administratie meer.
In het nieuwe huis was oorspronkelijk een kamer voor Rencke bestemd geweest, toen Korman plotseling van plan veranderde. De aanleiding daartoe was een mededeeling, die Li hem gedaan had van een praatje dat in de kampong had gecirculeerd.
„Je weet waarschijnlijk,” was Korman begonnen, op een avond, terwijl hij met Rencke aan de bittertafel zat, „dat ik indertijd een brief van je vader heb gehad.”
Rencke knikte toestemmend.
„Daarin stonden een paar uitdrukkingen … hm! ik wil niet zeggen dat ze mij een ongunstig denkbeeld van je gaven, maar … enfin, hij zeide dat je nogal veel van de meisjes hield.”
„Dat had Papa wel kunnen laten,” mopperde Rencke. „Hij is wat ouderwetsch ziet u, en meent dat een jongmensch de oogen moet neerslaan of stotteren als een dame voor hem staat. Ten minste hij scheen het altijd af te keuren dat ik me wat vrij bewoog. Maar aan u had hij waarachtig niet behoeven te schrijven … hier zou ik mij, al wilde ik, moeielijk kunnen bezondigen. Er zijn geen dames!”
„Behalve in de pépinières, hé?” zeide Korman, terwijl Rencke bloedrood werd. „Ja, ja, vriendje, we zijn hier in Indië, te midden van een bevolking die in dergelijke zaken weinig of geen geheimhouding betracht. Maar,” vervolgde hij, „waar ik eigenlijk op komen wou is dit. Ik heb wel het verzoek van je oude heer gekregen om zoo’n beetje voor Mentor te spelen, doch ik ben geen oogenblik van plan dat te doen. In mijn positie als administrateur echter, moet ik je instantelijk verzoeken hier op het land van de vrouwen af te blijven; je krijgt er zelf te avond of morgen moeite mee, en ik door jou. Weet je wat, neem een huishoudster.”
„Daar heb ik wel ooren naar,” zeide Rencke; „maar als de oude heer het hoort.…”
„Onzin! Ik zal ’t hem niet aan zijn neus hangen, en jij natuurlijk nog minder. Hoort hij het van de buitenwacht … welnu, dan zeg je òf dat het niet waar is, òf dat je in de binnenlanden niet anders kan.”
„De groote moeielijkheid zit hem in de manier er een te krijgen,” meende Rencke.
„O, dat is niets. Kijk maar eens rond; hier, of in de stad … er is wel wat te vinden. Wie hebben we daar?”
De laatste vraag gold eene donkere gestalte die in de deur was komen zitten. Het was de weduwe van Podrono, die kwam vertellen dat zij voornemens was den volgenden morgen te vertrekken, en thans vroeg om het door haar overleden man verdiende salaris, teneinde reisgeld te hebben.
Terwijl zij sprak met den gebruikelijken omhaal van woorden, die een welopgevoede javaansche ter harer beschikking heeft, had Korman haar nauwlettend opgenomen, meer bezig met een gedachte die hem beving, dan luisterend naar het verzoek van het jonge vrouwtje.
„Kijk deze eens aan,” zeide hij tot Rencke. „Hoe denk je er over? Ze is zindelijk en handig, spreekt een beetje maleisch naar ik meen, en wat haar voorkomen aangaat zou je het moeielijk beter kunnen treffen.”
„Watblief?” vroeg Rencke verbaasd. „U meent toch niet … haar man is immers nauwelijks begraven, en het verdriet.…”
„Och wat,” viel Korman hem in de rede.… „De vraag is of je wilt of niet.”
„Ik wel, maar.…”
„Dan is het goed.—Ga maar naar achter,” gelastte Korman de bezoekster. „We zullen de rekening van dat salaris dadelijk opmaken.—Li!” en toen deze gekomen was: „Praat eens met de vrouw van Podrono. Ze moest maar huishoudster worden bij meneer Rencke.”
Met een knikje van instemming vertrok Li om aan de gegeven opdracht te voldoen.
„Het zou me zeer verwonderen,” zeide Rencke, „na al wat ik van dat vrouwtje in de laatste dagen gezien heb. Ze was daarvoor te diep getroffen door haar verlies.”
„Mij wel,” zeide Rencke, die waar het een weddingschap gold, niet onder wou doen.
Het duurde heel lang eer Li terugkwam. Doch toen zij om het hoekje van de deur verscheen, streek Korman doodbedaard de twee rijksdaalders op, die op de tafel lagen, en stak ze in den zak van zijn kabaja.
„Ik ben mijn ringgit kwijt,” zeide Rencke, toen Korman hem Li’s woorden had uitgelegd. „Maar ’t is sterk!”
In dien tijd had ook de weduwe van Podrono zich bedacht, met dien gevolge dat zij, met een paar van Li geleende muiltjes en een gebreide shawl, haar toewan vergezelde, toen deze naar het tandakken ging kijken, iets wat Rencke voor ’t eerst van zijn leven aanschouwde.
De indruk dien hij er van kreeg was niet precies een gunstige. Natuurlijk had hij de „Duizend en één nacht” gelezen, en de oostersche bajadères die hij zich daarbij gedacht had, kwamen in ’t geheel niet overeen met de krijschende vrouwspersonen die hij hier zag dansen. Dansen! godbetert, hoe durven ze dat dansen noemen. In de rookerige koelie-loods was in ’t midden een groote mat gespreid over den aarden vloer. Waarvoor eigenlijk? Tegen het vuil-worden der voeten? Daar was het waarachtig niet voor noodig, want die … bah! Het speet Rencke dat hij niet schilderen kon, om in kleuren weer te geven waarnaar hij liever niet lang keek, en met het opschrift: „het voetje van een bajadère” ter ontgoocheling aan zijn hollandsche vrienden te zenden.
Neen, nu niet en later niet, toen hij gezien had wat voor het beste doorging op dit gebied, kon Rencke behagen vinden in javaansche danskunst, en hij vond al wat daaromtrent geschreven of verteld werd, gewoon opsnijderij.
„Je moet maar eens goed toezien,” zeide hem Korman, die mede acte de présence maakte, „want bij grootere gelegenheden, als de Regent eens komt of zoo, moeten we er zelf aan meedoen; en dan staat het altijd beter als je het kunt.”
Toen ging Rencke een huivering door de leden. Nooit zou hij dat met genoegen doen, nooit zou hij zich moeite geven om op te sporen wat er voor schoons in gelegen was, naar de opvatting van het volk, dat met gespannen aandacht elke beweging volgde en de tandakkende mannen goedkeurend toemompelde als zij het er goed hadden afgebracht.
„Als overmorgen de controleur komt, gebeurt het dan ook?” vroeg Rencke.
„Neen, gelukkig niet,” antwoordde Korman wien de herinnering aan dit aanstaande bezoek de wenkbrauwen deed samentrekken.
Een koelie van Donowarie had dien middag het briefje gebracht, waarin Messner schreef dat de controleur bij hem was gekomen, en, zijn terugtocht over Watoeombo doende, aldaar tegen de rijsttafel zou aankomen.
Daar kwam het weer, het gevaar van ontdekking! Zou Messner meekomen? Natuurlijk. En blijven, met Li spreken, hooren hoe deze of gene haar als nonja aansprak, vermoedens krijgen.…? Wat al vragen en even zooveel angsten! Want Korman zat er leelijk in.
Het liep beter af dan hij gedacht of gehoopt had. Eerstens kwamen zij laat en had de controleur haast; ten tweede ging Messner mee door. Zoodoende had hij niet meer dan een oogenblik tijd om Li te begroeten.
Rencke ziende, nam hij Korman even ter zijde, en informeerde of er van dien kant geen gevaar bestond, doch was spoedig gerust gesteld toen hij vernam dat de opzichter reeds „voorzien” was.
Met een zucht van verlossing zag Korman de beide heeren vertrekken.
„Een bijzonder aangenaam mensch, die meneer Messner,” merkte Rencke op.
„Vind je niet?” zeide Korman. „We hebben samen heel wat doorgemaakt.”
„Dat hoor ik. Nu, zoodra u mij eens verlof wilt geven zal ik voldoen aan de uitnoodiging die meneer Messner mij deed, om een dag ten zijnent te komen doorbrengen.”
„Na het planten,” zeide Korman. „Dan kun je zoolang verlof krijgen als je wilt.”
De employé boog. Wanneer die tijd kwam wist hij niet, doch hij wilde het nu niet vragen, om den schijn te vermijden van onbescheidenheid.
„Jawel!” dacht Korman. „Hij er heen, en in zijn onnoozelheid alles uitflappen!”
De heele zaak hinderde hem intusschen geweldig. Nu Messner vertrokken was, bedacht hij dat hij eigenlijk een groote stommerik geweest was, door zijn verhouding tot Li niet juist heden aan het licht te hebben gebracht. In tegenwoordigheid van den controleur, omstraald door de heerlijkheid van het B. B. zou Messner toch niets hebben durven zeggen; en als hij er later op terugkwam, och, dan was het al weer zooveel tijd geleden!
Het had Li’s gedachten ook beziggehouden.
„Gezien?” herhaalde Korman.…
Li stond aan den uitersten rand der voorgalerij, draaide op de hakken harer slofjes, zich vasthoudend aan het touw van een der zeilen. Zij had het hoofd afgewend, starende naar de wazige grenslijnen der donkere boommassa’s aan den overkant van de kalie. De vraag van Korman had zij voorzien, ja uitgelokt; en haar geheele houding, rechtop, in het volle lamplicht, plastisch geteekend op den donkeren achtergrond, gaf het antwoord.
Alsof een muskiet hem door de zitting van zijn stoel heen gestoken had, sprong Korman op. Li wendde zich om, en hem te gemoet tredende, sloeg zij haar armen om zijn hals, opziende met een mengeling van geluk en vrees.
Li was een mooi meisje, maar zóó mooi had hij haar nog nooit gezien. De vloek die hem op de lippen zweefde, werd ingehouden, en zacht verwijtend klonk zijn stem: „Waarom dat niet eer gezegd?”
„De kokki is gek,” verklaarde Korman.
Messner had niets gezien en niets gemerkt. En toch, toen hij thuis zat, en de inspanning, om den controleur bezig te houden, zich opgelost had in een gevoel van rust en voldaanheid, trad het korte bezoek op Watoeombo weer in zijn herinnering naar voren. Zus ondervroeg hem, en hij had zoo weinig te vertellen dat hij er zelf eigenlijk niet mee tevreden was, en zijn geheugen pijnigde om nog wat te vinden. De stoelen hadden zóó gestaan … de kleur van de hanglamp … het gezicht van den bediende …
„Ze lieten den staljongen aan tafel dienen, Zus,” deelde hij mee.
Nonja! Dat is de titel van een getrouwde chineesche vrouw … wat een stomme vent, die staljongen! Hij deelde het Zus mee, bijwijze van aardigheid. Maar Zus vond het blijkbaar geen aardigheid; zij had geen inlandsch bloed in de aderen moeten hebben om niet dadelijk een verdenking op te vatten.…
„Messner,” zeide zij voor hem gaande staan. „Messner, je bent dom; nog dommer dan die staljongen. Allah,” vervolgde zij zenuwachtig; „die staljongen praat maar na wat hij hoort; en als iedereen haar „nonja” noemt.… Messner, dat is niet goed. Je moet vragen, onderzoeken, iemand sturen.”
„Dat is niet noodig,” zeide hij, wijzende op het pad dat zijwaarts voorbij hun huis liep. „Kijk, daar komt een transport bibit.—Hei! Waarheen?”
„Naar Watoeombo, mijnheer,” antwoordde een oude vrouw die in de voorhoede liep. Gewenkt door Messner kwam zij nader.
„Wie zoekt de bibit uit?” vroeg hij.
„Is de nonja de vrouw van den toewan besaar?”
Ja juist, die bedoelde zij; een andere nonja was er niet. Messner moest haar nader uitleggen wat hij meende, en toen verklaarde de oude vrouw dat zij niet beter wist of het was zoo, maar zij wilde, als meneer het gelastte, wel eens nader informeeren.
„Dat is goed,” zeide Messner. „Kom vanavond hier even aan. En.… je bent al een vrouw op leeftijd, niet waar; die praat niet meer dan noodig is, en vertelt haar geheimen niet rond als een jonge deern.”
„Ziezoo,” ging hij voort toen de vrouw vertrokken was; „nu ben je tevreden Zus, hoop ik. Maar ik ben zeker dat je je vergist; ik kan het van Korman niet denken.”
’s Avonds dacht hij het echter wel. Zus huilde van woede en zong een schimp-litanie aan ’t adres van Korman, waar Messner, hoewel bedaarder, volkomen mee instemde. Zij spraken af, er den volgenden morgen samen heen te gaan en Li terug te halen.
Bij nadere overdenking begreep Messner dat zij dit laatste, nu de zaak toch eenmaal zoo stond, misschien beter niet deden; maar er was met Zus geen praten, dus hield hij het voor zich.
Korman zat te werken in zijn kantoortje. Nu hij Rencke had, en deze met den dag vooruitging in het vak, achtte hij het onnoodig zoo dikwijls naar het werk te gaan. Hij deed nu ’s middags zijn dutje, en ’s morgens knoeide hij zoo’n beetje aan zijn administratie. Volgens zijn eigen opvatting deed hij die keurig netjes, maar op Soerabaja werd er, telkens als de post een stuk ervan aanbracht, door den ouden Benoit en diens boekhouder hartelijk om gelachen.
Na een langdurige studie in een dik boek over het boekhouden, was hem een flauw licht opgegaan over wat men verstaat onder „boek-hoofden.” Doch hoe hij die moest vormen was hem niet duidelijk. In het model stonden: Emil Herz te Hamburg, Joseph Meier te Kopenhagen, en zoo voort; dus: iedere naam in zaken vertegenwoordigde een grootboekhoofd. Dientengevolge gaf hij er een aan Benoit, aan zich zelf, aan Rencke, ja zelfs aan den chinees die zijn boodschappen in de stad deed en zich agent noemde. Dan had hij: huizen bouwen, terrassen maken, bibitkoopen, beddingen en nog veel meer, alles grootboekhoofden! een ingewikkelde geschiedenis, die hem vrij wat moeite bezorgde eer alles „klopte.”
Te midden eener lange recapitulatie over de laatste betaling, werd hij gestoord door naderende hoefslagen. Buiten komende zag hij tot zijn schrik: voorop Zus, à la duchesse de Berry op een inlandsch paard, en daarachter Messner. Zus sprong er af, liep de drie treden van de voorgaanderij op, duwde hem opzij en liep met een strak gezicht naar achter.
Messner was minder vlug. Afgestegen, wachtte hij tot er een staljongen was toegeschoten om de paarden vast te houden. Toen ging hij langzaam naar binnen en stelde zich op tegenover Korman, wiens blik in de ledige ruimte dwaalde.
Toen kreeg Korman wat te hooren! Zus had een langen adem, en zij deed haar best; doch juist dit was haar noodlottig, want Korman had tijd van de verrassing te bekomen. Li had hem met haar groote zwarte oogen als om hulp smeekend aangezien, en hij voelde dat hier een daad van moed van hem verwacht werd. Geen moed bezittende, en zich ten sterkste bewust van zijn schuld en zijn minderheid, brak hij door dat alles heen tot dollen overmoed.
Zus was perplex. Zóó was haar nog nooit de les gelezen, zóó’n katje had zij nog nimmer gehad; en dat van Korman, in presentie van haar … man!
Li daarentegen was opgefleurd. In één bewondering was zij naast Korman gaan staan en had zijn hand gegrepen. Met fonkelende oogen zag zij haar zuster aan, gereed om, als Korman ophield, er het hare bij te voegen.
Doch dat was niet noodig. Messner maakte een eind aan het standje door beide vrouwen naar achter te zenden. Toen wendde hij zich tot Korman. Hij bracht dezen zijn onwaardig gedrag onder het oog, naar welk gedeelte zijner redevoering door Korman nagenoeg niet geluisterd werd. Voorts deelde hij Korman mede dat hij van zijn plan om Li mede te nemen was teruggekomen, en wel vanwege de positie waarin het meisje verkeerde, doch dat hij hierbij één voorwaarde stelde, namelijk dat Korman dit en eventueel volgende kinderen zou doen wettigen.
„Want anders,” eindigde hij, „kom ik weer hier en haal haar weg; bij God, dat zou ik. En je moogt daareven Zus gebluft hebben, mij zou je dat niet kunnen.”
Dat wist Korman ook, en dus gaf hij zijn woord dat hij aan de door Messner gestelde voorwaarde zou voldoen.
Gemakkelijker dan hij gedacht had, gelukte het Messner om Zus te overreden zich bij het feit, zooals dat was, neer te leggen, waartoe de vrees voor een tweede standje waarschijnlijk sterk meewerkte.
De vriendschap scheen geheel hersteld toen Messner en Zus afscheid namen na de rijsttafel. Blijven overnachten en het werk rondgaan, zooals Korman voorstelde, wilde Messner echter niet.
„Een andere keer,” zeide hij. „Vandaag ben ik niet in een stemming om lang bij je te kunnen zijn.”
Op zekeren dag gingen Korman en Rencke naar de tuinen. Reeds sedert een week hadden zich rondom den hoogsten top van het gebergte wolkjes genesteld; een teeken dat er regen in aantocht was, doch er was nog geen enkele bui gevallen.
Plotseling ontstond er een mist; het was alsof een der wolken van boven naar omlaag gegleden was. De beide europeanen konden het werkvolk niet meer zien, dat op de helling tegenover hen bezig was.
„Djawoeh!” klonk het klagend en langgerekt, en van een anderen kant, als ware het de echo: „Bawoeh!”
„Wat een lugubre geluid is dat,” zeide Rencke. „Mijn jongste zusje zou zeggen: ik vind het eng. Wat beteekent het?”
„Djawoeh is regen,” antwoordde Korman. „En het andere is een soort van weerslag. Verder beteekent het, dat we ’t best doen om maar onmiddellijk naar huis te gaan, als we niet kletsnat willen worden.”
Nauwelijks waren zij in Korman’s woning of het begon, eerst in groote droppels die als hagelsteenen klonken op het gegalvaniseerd ijzeren dak, en toen de volle regen, die een oningewijde op het denkbeeld moest brengen dat de heele rommel straks naar beneden zou komen.
„Een practische dakbedekking,” schreeuwde Rencke, luider dan hij aan boord ooit een commando had gegeven, terwijl Korman zich vergenoegde met glimlachend te knikken.
„Morgen de bedekking van de beddingen wat dunnen,” zeide hij, zoodra er kans bestond het geweld van den regen te overstemmen. „Denk er aan daarvoor een stuk of twintig koelies te geven. En ga zelf mee, want anders laten ze te veel alang-alang naar beneden vallen op de plantjes.”
De bui werd weldra door meerdere gevolgd; en na een afwisseling van regen en onweer, kwam het eerste zachte morgenregentje, den definitieven inval van den Westmoesson aankondigende.
„Heerlijk plantweer vandaag!” zeide Korman even vóór het begin van de rol bij Rencke binnenstappende.
„Weer een nieuwtje voor mij,” antwoordde deze. „Hoe moet het gebeuren?”
„Poeterans maken, een gat slaan met den patjol en planten,” expliceerde de chef.
Rencke trok de schouders op. Hij zag in dat hij dit werk weer zou moeten leeren als al het vorige: toezien en volgens zijn beste weten handelen; van Korman kreeg hij niet anders dan antwoorden die hem al even wijs lieten als te voren. Deze bepaalde er zich toe alleen dan in te grijpen, als hij vreesde dat zonder dit de boel misliep, zooals nu, daar Rencke, niet wetende wat er gedaan moest worden, het volk niet kon indeelen.
Teneinde zich op de hoogte te stellen van de dikte of lengte die voor den poeteran vereischt werd, offerde Rencke een plantje op, dat hij uittrok om te zien hoever de wortels reikten. Hij zag de koelies den penwortel, waar deze onder den poeteran uitstak, afbreken; dit was het eenige waarover hij straks om inlichting vragen moest.
Het planten … men wist in dien tijd nog niet van de moderne plantkuilen, hetgeen de koffie zeer ten goede kwam. In den plantkuil toch, die liefst een jaar te voren wordt gemaakt, om den grond te laten „verzuren” naar het heet, doch waardoor de binnenwanden als steen verharden, staat het plantje als in een bloempot; en tenzij later de koelies behoorlijk dicht onder den boom patjollen, en de wortels vrijheid verschaffen, stuiten deze overal, en krommen zich, tot de plant, na al het voedsel in den kuil te hebben verteerd, van gebrek doodgaat. Dikwerf ook rotten de wortels, daar het water in den kuil niet weg kan.
Bij de tuinen waar geplant werd, had Korman zoogenaamde gardoe’s laten bouwen. Het waren alang-alang daken op zes stijlen, met een wand aan de windzijde. Zij dienden om de bibit te beveiligen tegen plotselinge stortregens, die anders van de poeterans al heel gauw een modderpapje zouden gemaakt hebben. Met de aan dit soort van werk eigen vlugheid stonden de gardoe’s reeds, toen de eerste bezending poeterans aankwam.