EERSTE DEEL (continued 2)
Reading edition
Op het middaguur thuiskomende vond Rencke zijn chef bezig met iets wat hij in de verte aanzag voor gooien met stokken, doch nabijgekomen vernam „uitzoeken van dadap-stekken” te zijn. Deze stekken waren door javanen uit de dichtstbijliggende dessa’s aangebracht; stuk voor stuk werden zij nagezien, en al wat te dun of te droog was zoover mogelijk weggeslingerd. Dit laatste, zoo legde Korman uit, om te voorkomen dat zij ten tweeden male werden aangeboden. Na den middag werden de stekken aangepunt en naar de tuinen gebracht, om daar, één bij elke twee koffieplantjes, in den grond te worden gestoken. De dadap, die snel opgroeit, wordt nog steeds beschouwd als de beste schaduwboom te zijn.
De afwisseling in het werk deed Rencke genoegen, hoewel het meer van hem vergde. Het was hoognoodig dat hij den geheelen dag bij het planten stond, om op te passen dat dit behoorlijk geschiedde; en toen men verder en verder van huis werkte, moest hij ’s middags zijn eten in de tuinen laten brengen, teneinde zoo min mogelijk tijd te verzuimen. Kwam hij dan ’s avonds thuis, doodmoe en meestal met natte kleeren, dan had hij weinig lust nog naar de administrateurswoning te gaan, doch vond het gezellig als Korman bij hem zijn bittertje kwam drinken.
En de administrateur deed dat gaarne. Hij had in den laatsten tijd een onderwerp, waarop hij telkens terugkwam als hij alleen was met Rencke: de aanstaande bevalling van Li. Waar zij bij was, durfde hij het niet uiten, doch haar jeugdige leeftijd boezemde hem groote ongerustheid in. Hij had er over nagedacht haar naar de stad te brengen en door den dokter te laten bijstaan, maar hij was daarvan teruggekomen. Er warde iets door zijn hoofd van wetsbepalingen omtrent te jonge jaren, verkrachting, en nog veel meer, en hij vreesde dat er misschien lieden zouden zijn die zich ongeroepen met het geval bemoeiden. Aan den anderen kant wantrouwde hij de oude vrouw, die zich doekoen noemde en sedert een week in de bijgebouwen was gelogeerd. Wel vond hij bij Rencke weinig troost, doch het was hem een behoefte er over te praten.
„Is men gehouden,” vroeg Rencke eens, „de kinderen die men bij een huishoudster krijgt, te adopteeren?”
„Zeker niet,” antwoordde Korman. „Ik doe het, zieje. Ten eerste is Li van kind af bij ons geweest, en.… och, er zijn verscheiden redenen. Maar anders, neen; de meesten sturen hun ménagère weg als zij in positie komt.”
„Zooals in Holland ’n maîtresse.”
„Ongeveer; hoewel er daar niets vóór te zeggen valt.”
„Hier dan wel?” vroeg Rencke. „Hoe rekent u dat uit?”
„Dat zal ik je vertellen,” zeide Korman, zijn ledig glaasje naar het blad toeschuivend. „Een hollandsch kind, door zijn vader erkend, komt ginds op de hem toekomende plaats in de maatschappij, en behoeft voor niemand achter te staan. Alles wat aan hem in opvoeding wordt ten koste gelegd is positieve winst, en als hij een en ander derven moet, kan men gerust zeggen, dat het hem op een gemeene manier onthouden is.”
„Logisch en waar,” merkte Rencke op; „doch dat geldt mijns inziens hier even goed.”
„Neen. Dat geldt hier alleen dàn wanneer de vader in staat is het kind een supérieure opvoeding te geven, òf een fortuin na te laten. Kan hij dat niet, dan is het voor het kind tienmaal gelukkiger niet erkend te worden en inlander te blijven, dan zoo’n stakker van een arme sinjo te zijn, die overal moet achterstaan; met te weinig geld en opvoeding om ’n heer te zijn, en te veel verbeelding van zijn stand om met handenwerk zijn brood te verdienen. Geloof me, ik heb families ontmoet waarvan, door een toeval of verzuim, een deel der kinderen niet erkend was. En dan waren de inlanders altijd gelukkiger dan hun zoogenaamde europeesche broers; ja, ik heb het zelfs gezien dat de laatsten door de eersten werden onderhouden!”
„Ja, als dat zoo is, dan heeft u gelijk,” zeide Rencke. „Beter een tevreden inlander dan een ontevreden europeaan. En … niet ieder kan zijn wilde kinderen bij zijn familie introduceeren.”
„Dat hangt er van af of je geld hebt,” zeide Korman. „Ik weet niet of er landen bestaan waar men rijke menschen veel durft zeggen, doch in Holland is dit niet het geval.”
„U schijnt geen hoog denkbeeld te hebben van de maatschappij in ons vaderland.”
„Een heel laag! Herinner je je dien ouden jonkheer van Crooswijk?”
„Zeker,” zeide Rencke. „Als kinderen gingen we hem altijd feliciteeren, op nieuwjaar en op zijn verjaardag. We kregen dan geregeld iets voor onzen spaarpot. En des zomers kwam er zonder mankeeren een boodschap: of de jongejuffrouwen en de jongeheer lust hadden met den jonker naar de Grebbe te toeren.”
„Dezelfde. Nu, ik moest indertijd, bij het afscheidnemen, beloven de correspondentie met hem aan te houden. Ik heb het trouw volgehouden; en waarom? Hij antwoordde geregeld en vulde zijn brieven aan met chronique scandaleuse, die ik, toen althans, gretig las. Ik heb zijn brieven nog liggen, ze maken een curieuze verzameling uit! En als ik soms hier eens gewetenskneepjes voel over het zoogenaamde immoreele leven in de Oost, dan sla ik dien bundel nog eens op, om bij den derden of vierden brief al uit te roepen: Ik dank u Heer, en zoo voort.”
„Leest u in den laatsten tijd veel in die brieven?” vroeg Rencke ondeugend.
„Loop naar de pomp!” zeide Korman, zijns ondanks lachend. „Jij hebt goed spotten; ik wou dat je er zelf eens zoo voor zat.”
„Dat zal niet licht gebeuren,” antwoordde Rencke. „Ik zal bij voorkomende gelegenheid van uw wijze lessen gebruik maken.”
Wie zich het minst ongerust maakte was Li. Zij was blij met wat haar de bevestiging toescheen van den band die haar met Korman vereenigde, en trotsch op het geval zelf. Meer dan vroeger wandelde zij ’s avonds den breeden weg op en neer, waarlangs het steeds toenemend getal „opgezetenen” zich huisjes had gebouwd; en het gelukkigst was zij wanneer Saminah, de huishoudster van Rencke, ex-weduwe Podrono, haar onverholen meedeelde dat zij haar benijdde.
Zij liet zich de zorg waarmee Korman haar behandelde welgevallen, die beschouwende als een haar rechtmatig toekomende hulde. Alleen speet het haar dat Zus niet eens kwam kijken. Zij had haar een boodschap gezonden, maar Zus had terug laten zeggen dat zij geen tijd had.
„Kassian,” zeide Li; „zij heeft altijd verlangd naar een kindje, en Papa Messner ook. En nu krijg ik het nog vóór haar!”
„Ik wou dat het er al was,” bromde Korman.
„Alles moet zijn tijd hebben,” zeide Li, zijn ongeduld aan heel andere oorzaken toeschrijvende.
Dan kan men zich aan ’n duizend gulden of vijf, zes de vingers moe tellen, om niet te spreken van het feit dat het nooit wil uitkomen, en men zich blind staart om te ontdekken waar er maar vier geldstukken op een worp liggen, of zes, in plaats van de vereischte vijf.
Op zulk een morgen moet alles wat tellen kan meehelpen.
Korman vergat ditmaal zijn bezorgdheid voor Li, en deze telde ouder gewoonte dapper mee, lachend om Rencke die den slag nog maar niet kon beetkrijgen, niettegenstaande hij al zoo dikwijls had meegedaan.
Het liep tegen tien uur eer men klaar was. Rencke ging dadelijk na afloop naar het werk, en Korman bracht de geldzakken, elk van vijftig gulden—voor het gemakkelijk uitgeven—in zijn kantoor en in de brandkast. Daarna ging hij op zijn gewone omslachtige manier aan het inboeken.
Li was naar de slaapkamer gegaan om haar handen te wasschen. Zij had haar kabaja uitgedaan, en plaste met genot in de waschkom. Geld heeft namelijk de eigenschap om iemand een gevoel van vuil-zijn te bezorgen, dat zich veel verder uitstrekt dan de werkelijk bevuilde gedeelten, doch daarentegen weer verdwijnt als men zich die gedeelten reinigt.
Plotseling werd het haar wee om het hart. Ze had nauwelijks kracht om haar handen af te drogen en naar het bed te wankelen.
Er was gedurende eenige oogenblikken wat opschudding in het achterhuis, doch toen werd alles stil. Met de kalme zekerheid van iemand die dat werk al dikwijls verricht heeft, en betrekkelijk onverschillig is omtrent den afloop, althans niet vatbaar voor eenige zenuwaandoening, hielp de oude doekoen.
Korman was gereed met zijn inboeking. Hij ging naar het venster en bekeek de strakke grauwe lucht. Het zag er niet uit alsof er vóór den middag nog regen zou komen, dus kon hij wel eens naar de tuinen gaan. Drie, viermaal moest hij roepen eer hij antwoord kreeg, en toen was het de staljongen die om den hoek van het achterhuis naar het venster kwam.
„Laat een glas water brengen, en zadel den zwarte,” gebood Korman.
De staljongen scheen te aarzelen.…
„Ajo, Gévédé!”
Ook al goed, dacht de staljongen, en naar achter schreeuwende dat meneer water wilde hebben, ging hij naar de gedogans om den zwarte op te tuigen.
Met een glas water op een blaadje kwam de huisjongen het kantoor binnen.
„Wat?” vroeg Korman, het glas opnemende.
„Het kind van mijnheer,” was het antwoord.
Glas en inhoud kwamen den jongen in ’t gelaat … Wat is dat nu? vroeg hij zich af, de scherven oprapende. Rare lui, die europeanen … eerst zijn ze er niet bij als hun vrouw bevalt en dan, als het kind er is, doen ze alsof zij dronken zijn.…
Met vaart was Korman de kamer binnengevlogen, en vond daar alles in de beste orde afgeloopen. Li lag, licht gedekt en stevig ingespeld, op het groote ledikant met een uitdrukking van voldoening toe te zien op hetgeen er met de jonggeborene geschiedde, die met vereende krachten van doekoen en kokki tot een toonbaar menschenkind werd gemaakt.
Zich voorzichtig over haar heenbuigende gaf Korman Li een kus, en zich daarop tot de andere vrouwen wendende, verweet hij haar dat zij hem niet geroepen hadden.
De doekoen deed hem opmerken dat zij de nonja niet alleen had kunnen laten; kokki had de doekoen moeten helpen, de huisjongen had kokki moeten helpen, en de staljongen had water gehaald.
Het kind was klaar en werd aan den vader getoond.
„Gévédé, kleine deugniet, heb ik om jou zoo lang in de penarie gezeten,” zeide Korman, de kleine op het dikke wangetje streelend.
Dat was het welkom in het leven, Hendrika Korman door haar vader toegeroepen!
Want het was een meisje. Maar meisje of jongen, zijn eerstgeborene zou naar zijn overleden vader gedoopt worden, had Korman bepaald, in de stille hoop daarmee een groot gedeelte van het pleit te winnen dat hij bij zijn moeder te bezorgen had, die, dat begreep hij, zijn „oostersch huwelijk” ten zeerste zou afkeuren.
De eerste dien Korman ontmoette toen hij de slaapkamer verliet, was de huisjongen, die hem met een uitgestreken gezicht vertelde dat de zwarte gezadeld was, en vóór stond. Een draai om de ooren was zijn loon.
„Uitspannen,” beval Korman, in de voorgaanderij komende; doch toen de staljongen met het paard halverwege den stal was, riep hij hem terug.
Na een kort briefje te hebben geschreven gaf hij dit aan den staljongen, hem gelastende te paard naar Donowarie te rijden en het den heer Messner te overhandigen.
Toen Rencke ’s avonds thuis kwam vernam hij het groote nieuws. Hij verkleedde zich en ging naar de administrateurswoning om Korman te feliciteeren. Tegelijk met hem arriveerde Zus. Zij had geen kracht gehad zich langer boos te houden, en nu was zij gekomen om op Li te passen en niet eer weg te gaan voor deze weer op de been was.
Het planten was afgeloopen. Ruim honderdvijftig bouws stonden in den grond, en niet zonder voldoening zond Korman dit bericht aan zijn geldschieter. Deze was op zijn beurt ook tevreden, en schreef terug dat hij Korman in overweging gaf het volgende jaar meer europeesch personeel aan te stellen en zoo mogelijk de geheele duizend bouws aan te planten.
In de oudste tuinen was het onkruid al weder hoog opgeschoten. Hierin werd nu begonnen de aarde met den patjol om te werken, welke bezigheid men dangir noemt, en waarbij tevens de wortels van het onkruid uit den grond verwijderd worden. De order luidde, dat de omwerking een voet diep geschieden moest.
„Als je soms trek hebt eens naar Donowarie te gaan, moet je het nu doen,” zeide Korman op zekeren dag tot zijn employé. „Over een paar weken moet er begonnen worden met soelammen; en daar moet je den geheelen dag bij zijn.”
„Heel graag,” antwoordde Rencke. „Moet ik belet laten vragen?”
„Er gaat straks een koelie. Ik zal meneer Messner laten weten dat je komt. Morgen dan?”
„Ja, alsublieft. En … u noemde daareven de aanstaande werkzaamheid, soe…”
„Soelam? O, dat is de niet geslaagde bibit en dadap door nieuwe vervangen.”
„Dank u,” zeide Rencke, en naar huis gaande repeteerde hij het nieuw geleerde woord, teneinde het voorgoed in zijn geheugen te prenten.
Toch, hij had in de taal goede vorderingen gemaakt. Eenmaal het maleisch machtig, behoefde hij niet meer te vreezen dat zijne orders onbegrepen zouden blijven, want alle mandoers spraken deze lingua franca van den N. I. archipel. Daarop was hij begonnen aan het javaansch, hetwelk hij methodisch leerde.
Ten eerste nam hij geen enkel woord op of hij liet het eerst voor zich opschrijven, èn in het laag- èn in het hoog-javaansch. Hiermee bereikte hij een dubbele uitkomst, te weten dat hij de woorden zuiver uitsprak, en behoorlijke schifting hield tusschen de beide talen waaruit het javaansch bestaat. Toen hij wat verder was, bemerkte hij heel goed dat Korman dikwijls hoog-javaansche woorden gebruikte en weer andere woorden zóó slecht uitsprak, dat enkel inlanders die aan hem gewoon waren ze verstonden.
Ten tweede oefende hij zich met zijn huishoudster in het spreken van het hoog-javaansch, iets wat slechts weinige europeanen kunnen, omdat er voor hen bijna geen gelegenheid bestaat het te doen.
Eindelijk leerde hij ook schrijven, te beginnen met de mandoers-boekjes, die hij in javaansche karakters bijhield.
In den vroegen morgen reed Rencke de kampong uit. De levendige beweging van den plongko, en het vooruitzicht van een paar aangename dagen te zullen doorbrengen, gaven hem een hooggestemd gevoel. De beplante tuinen doorrijdende—zijn werk!—zag hij met welgevallen neer op de frissche bibit met haar teeder groen en lichtbruine topblaadjes; en hij liet zijn verbeelding werken, het slechte pad herscheppende in een gemakkelijken breeden weg, een gezelschap rondom zich tooverende, bestaande uit geliefde figuren in Holland, aan wie hij alles uitlegde, hij zelf chef van de onderneming, door allen bewonderd; tot hij hardop iets zeide en schrikte van het geluid van zijn stem.
Met een schok stond de plongko stil, en Rencke, nu geheel ontwaakt uit zijn droomerij, hoorde een sterk geblaas en zag tegenover zich een twintigtal honden. Het waren mooie beesten; geel, langharig, met pluimstaarten en spitse koppen. Zonder zich rekenschap te geven van wat hij deed, drukte Rencke zijn paard met de hakken. Trillend van angst nam de plongko een geweldigen sprong vooruit. Op de honden had dit een merkwaardigen invloed; zij lieten hun dreigende houding varen en slopen naar links en rechts de tuinen in, om, toen Rencke gepasseerd was en in vliegenden ren verder holde, hem een geblaas achterna te zenden als waarmee zij hem daareven begroet hadden.
Het is mogelijk dat er menschen zijn die van niets schrikken, die aan geenerlei aandoening van zenuwen onderhevig zijn; doch in den regel zal hij, die voor het eerst van zijn leven alleen staat tegenover een wild dier, zich niet op zijn gemak gevoelen. Het hart klopt sneller; een vreemd samentrekken der spieren doet het lichaam als ’t ware verstijven; men wil wegloopen, maar kan niet: de beenen weigeren eenvoudig den dienst. En niet zelden zal de jager die voor ’t eerst is uitgegaan zijn anders wisse prooi laten voorbijgaan, zonder te schieten; omdat hij niet durft.
Bij europeanen is dat wellicht sterker dan bij inlanders. Maar is het wonder? Reeds de kindermeid begint den hollandschen jongen met weergalooze brutaliteit beschrijvingen te geven van wolven, tijgers, leeuwen en wat al niet, die zij nooit van haar leven in hun werkelijken staat zag. Later leest hij romans, verre landen teekenende die de schrijver nooit bezocht, met minstens één gevaarlijke ontmoeting „in het woud,” of het reisverhaal van een engelschman, die eens een olifant gezien heeft, waarop een andere engelschman bijna eens een tijger … door een troep met pieken gewapende inlanders heeft zien afmaken. Als hij wat veel van die dingen gelezen heeft, kan hij ze zelf maken, voor een opstel op school, waarvoor de onderwijzer niet missen zal hem een extra cijfer te geven. Voorts ziet hij in Artis de slaperige, zindelijke exemplaren, die daar achter nette tralies te kijk staan; lieve zachte dieren; die hoogstens eens grommen als men ze met steentjes gooit, doch waarvoor hij, opgevoed als hij is, behoorlijk bang is.
Stuur nu zoo’n jongen in het bosch.…
Rencke was geschrokken, en hij erkende het toen de heer Messner hem vroeg of hij een plezierig ritje gemaakt had.
„Wolven?” vroeg Messner, nadat Rencke zijn verhaal gedaan had. „Die hebben we hier niet. Maar geel, en langharig … dat moeten zoogenaamde asoeh wawar zijn. Ik dacht niet dat die in deze streken voorkwamen; zij hooren meer op het Zuidergebergte thuis. Maar laat een val zetten, als je thuiskomt.”
Rencke beloofde dat hij het doen zou, en vroeg of die dieren gevaarlijk waren.
„Neen,” zeide Messner. „Een paard alleen zouden ze wel aanvallen, maar een mensch … enfin, je hebt het zelf ondervonden. Trouwens, mijn ondervinding is dat alle dieren den mensch ontloopen als zij kunnen, en althans den europeaan.”
De drie dagen die Rencke op Donowarie doorbracht, verschaften hem veel genot. Het nette huis, het vrije leven, de aangename omgang met Messner, ziedaar drie zaken die hem als ’t ware opfrischten, na al de dufheid van het geheele zijn en werken te Watoeombo. Daarbij kwam nog iets. Hem was al heel gauw het verschil opgevallen tusschen het werk op deze onderneming en die welke hij verlaten had, en in tegenstelling van de onduidelijke antwoorden die Korman hem steeds gaf als hij om inlichting vroeg, verklaarde Messner hem alles wat hij weten wilde, op een duidelijke heldere wijze, redegevend tot in de minste kleinigheden.
Met verbazing aanschouwde Rencke de mooie horizontale terrassen.
„Hoe doodeenvoudig!” riep Rencke, die met de grootste aandacht had toegeluisterd, uit; „en toch zoo afdoende. Mag ik u nog wat vragen?”
„Ga gerust je gang,” zeide Messner.
„Het is dit: ik zie bij u roode aarde op den kant en zwarte op het terras. Op Watoeombo is dat in verscheiden tuinen juist omgekeerd, òf er ligt op allebei zwarte aarde.”
„Dat begrijp ik best,” antwoordde Messner. „Als jelui terrassen maakt, ga je dan niet aan ’t uitkappen, zóó dat de andjir op het midden van het terras komt te staan, terwijl je de aarde naar beneden werkt?”
„Juist,” zeide Rencke.
„Nu, hier geschiedt dat anders. Mijn andjirs geven den rand van het terras aan. Van uit de plaats waar ze staan begint de koelie te kappen; hij spreidt de zwarte aarde naar links uit en hakt dan in den rooden grond, dien hij naar beneden, op den rand van het terras werkt; zoodoende ondergraaft hij de zwarte aarde, die straks met een plof op het terras valt. Dit laatste bespaart den koelie eenig werk, en ik houd zwarte, vruchtbare aarde op het terras, terwijl de onvruchtbare roode op den kant ligt; en, daar deze harder is, tevens den bodem versterkt en eenigermate aard-afschuivingen voorkomt.”
Het was na verscheiden dergelijke inlichtingen, dat Rencke Messner vroeg of er handleidingen bestonden over de koffiecultuur.
„Voor zoover ik weet niet,” was het antwoord. „Feitelijk is onze cultuur nog in de lange kleeren. De meeste administrateurs werken, zooals zij dat als opzichter hebben geleerd; enkelen vinden een verbetering uit en probeeren die, waarna zij langzamerhand bekend wordt en meer algemeen toegepast. Het meest wordt er geknoeid bij de gouvernementscultuur. Ik noem het knoeien, al die nieuwe probeersels van jonge ambtenaren, die nog geen voldoende ondervinding hebben om te voren eenigszins de gevolgen van hun nieuwigheden te kunnen voorzien. Maar.… ik zal me wel wachten het hardop te zeggen; het is zoo gemakkelijk voor ons om toe te zien, en te leeren hoe men het niet moet doen, en een enkel maal hoe het wèl kan gedaan worden.”
„Laat het gouvernement dergelijke beunhazerij maar toe?” vroeg Rencke.
„Och ja,” zeide Messner. „Wie is het gouvernement?”
„Wel,” meende Rencke, „in de eerste plaats de Gouverneur-Generaal.”
„Geraden!” riep Messner uit. „Je spreekt als een oud-zeeman. De commandant!—dat is „de man die het weet”, de verantwoordelijke persoon. Best! Maar, aangenomen dat een commandant van een oorlogsschip van alles aan boord verstand heeft, en het desnoods zelf zou kunnen vóórdoen—denk je dat er iemand bestaat die in bestuurszaken dezelfde positie zou kunnen innemen?”
„In zekeren zin, ja!” zeide Rencke. „Zoomin als de commandant van een schip zelf een touwtje kan splitsen, maar drommels goed weet hoe een behoorlijk gesplitst touw er uitziet, zoo goed kan een Gouverneur-Generaal weten hoe alles moet zijn wat onder zijn beheer staat, zonder het persoonlijk te kunnen aangeven. En evenals de commandant, kan ook hij een standje of straf uitdeelen als er iets verkeerd gedaan is, zonder in verdere explicatie te treden omtrent het hoe; dàt moeten de betrokkenen zelf maar weten.”
„Je vergeet één ding,” merkte Messner aan; „dat een commandant van jongsaf is opgeleid tot zijn baantje, en een Gouverneur-Generaal niet. Ja ik vraag, als er eens iemand was, die door ondervinding, van alle details in de kolonie voldoende op de hoogte was om er over te kunnen oordeelen en beslissen, hoe zou zoo iemand, die dan natuurlijk gedurende tal van jaren een zeer warrig leven moest hebben geleid, in ondergeschikte betrekkingen van allerlei aard,—hoe zou zoo iemand ooit in aanmerking kunnen komen, als men uitziet naar een Gouverneur-Generaal?”
„Maar als men het is …?”
„Dan heeft men geen tijd en geen gelegenheid. De Gouverneur kan niet vandaag op een paard gaan zitten en de binnenlanden inrijden, morgen de handelskantoren afloopen en overal inlichtingen vragen—zijn positie verbiedt hem dergelijke vrije beweging. Hij moet op adviezen regeeren en kan niet, al wilde hij nog zoo graag, door eigen oogen zien. Ook zij die hem adviseeren gaan weer af op adviezen van lagere ambtenaren; en dit daalt steeds meer, totdat … wie is nu het gouvernement?”
„Ja, als men het zoo beschouwt, juist zij die uit gebrek aan routine knoeiers zijn,” gaf Rencke toe.
Het waren slechts drie dagen die Rencke op Donowarie doorbracht, doch hij had in dien korten tijd meer geleerd dan in al de maanden die hij te Watoeombo had gesleten. De gave bezittende van te kunnen zwijgen waar het pas gaf, pronkte hij thuiskomende niet met de opgegaarde wetenschap, doch paste die toe waar hij kon, en nam zich voor die eveneens te gebruiken als hij later geroepen werd tot ontginning van nieuwe gedeelten.
Op de plaats waar hij de wilde honden had ontmoet, liet Rencke een val zetten. De vindingrijkheid der inlanders had kans gezien daarbij gebruik te maken van een levend aas, doch zóó dat dit—het was een geitje—niet het minste gevaar liep van te worden verslonden. De val was gemaakt van bamboe, en had den vorm van een doos zooals de apothekers gebruiken om poeiers in te doen. Achterin stond de geit, vastgebonden aan een der stijlen van den achterwand. De voorzijde was open, doch daarboven hing een valdeur, aan een der armen van een evenaar. Viel die deur, en ging daarmee de eene arm naar omlaag, dan trok de andere arm van den evenaar een bamboe beschotje, dat in den grond gelaten was, door een sleuf in den bodem naar omhoog, en scheidde zoodoende de val in twee compartimenten: in het kleine de geit, in het grootere het gevangen dier.
Met deze vernuftige inrichting ving Rencke twee exemplaren, waarvan tot zijn groote blijdschap één teef die, naar het uiterlijk te oordeelen, binnen weinige dagen het hare zou doen ter voorkoming van het uitsterven van het wilde hondenras. Hij doodde het andere dier. Ook de teef moest dat lot ondergaan, doch eerst nadat zij een tweetal jongen zoover had grootgebracht, dat deze het zonder haar konden stellen.
Nog eenmaal in dien westmousson moesten de tuinen schoongemaakt worden. De grond op de terrassen echter nog los genoeg zijnde, werd er nu niet gedangird, doch alleen het onkruid, waaronder zich reeds de zoo gehate alang-alang vertoonde, met den arit weggesneden; een werkzaamheid door de Javanen babad genoemd, en waartoe zoowel mannen als vrouwen werden gebruikt.
Korman had intusschen een drukke correspondentie gevoerd met den heer Benoit. Op diens voorstel over de ontginning der geheele duizend bouws had hij instemmend geantwoord, en hem verzocht in de Soerabajasche bladen een advertentie te laten zetten, waarbij sollicitanten naar een opzichtersbetrekking werden opgeroepen. Het aantal jongelieden buiten betrekking kon in dien tijd nog geteld worden; doch Benoit had zijn eigen naam onder de advertentie gezet; en de reputatie die van hem uitging, dat hij ijverige jongelui wel eens voorthielp tot eigen zaken, maakte dat er meer aanbiedingen kwamen dan anders het geval zou geweest zijn.
Uit de ontvangen brieven zond Benoit er drie aan Korman, met den raad de schrijvers er van alle drie te nemen, en inzonderheid Jhr. van Everdingen tot Aardam, met wien Benoit, naar hij schreef, reeds in nadere onderhandeling was getreden over het voorstel, dat Korman in den brief zelf zou lezen.
Op de beide andere brieven beschikte Korman onmiddellijk gunstig, zoodat Gerlings en Biezeman aanschrijving kregen om met den eersten der volgende maand in dienst te komen, doch de brief van van Everdingen, met de speciale aanbeveling van Benoit, woog hem zwaar op het hart.
Wat toch was het geval. Van Everdingen was pas in Indië gekomen, op een in dien tijd zeldzame wijze, namelijk met eenig fortuin. Hiervan bood hij aan dertig duizend gulden in Kormans onderneming te steken, mits hij er een betrekking kreeg en een aan zijn inbreng geëvenredigd aandeel.
Korman vloekte zich stijf, maar hij begreep dat er niets aan te doen zou zijn. Hij schreef aan Benoit dat hij de voorloopige regeling geheel aan hem overliet, en verzocht alleen vóór de definitieve sluiting der overeenkomst daarvan inzage te mogen hebben.
Toen zocht hij Rencke op, om bij dezen zijn gemoed uit te storten. De employé vond ook dat een dwang, als die welke de geldschieter aldus uitoefende, voor Korman onaangenaam was. Daarbij vreesde hij, en hij zeide het aan Korman, dat de komst van een compagnon hem in zijn bevordering zou achteruit zetten.
„Om den dood niet!” riep Korman uit. „Die lamme 30 mille mogen hem al een aandeel in de zaak verschaffen, maar in geen geval een hoogere betrekking, dan hij door zijn werk verdient. Maak je niet ongerust. Ik begrijp trouwens niet, dat Benoit het doet. Wat beteekent die som voor hem—in een onderneming waar minstens een half millioen in gaat? Het is om een dwarskijker te hebben, anders niet!”
„Als ik het had geweten,” zeide Rencke, „dan had ik van mijn familie ook wel een dergelijk bedrag kunnen krijgen.”
„Zwijg er over, alsjeblieft,” verzocht Korman. „Benoit is in staat en maakt van al mijn employé’s nog compagnons!”
„Het idée was misschien nog zoo kwaad niet,” vond Rencke. „U zoudt op groote ambitie staat kunnen maken; ieder zou ook voor zijn eigen belang werken.”
„Behalve als het een luilak was, die dacht: ze kunnen mij er toch niet uitzetten,” zeide Korman.
Toen hij het geconcipieerde contract las, glimlachte Korman echter. In hoofdtrekken luidde het aldus: De onderneming zou in tweeën gesplitst worden, elk deel groot 500 bouws. Tot het eerste deel behoorde al wat tot nu toe ontgonnen was, met nog tweehonderd bouws; het tweede deel was geheel onontgonnen grond. Hiervan zou van Everdingen een half aandeel bekomen voor dertigduizend gulden, waarvoor Korman’s rekening werd gecrediteerd. Benoit zou voorts werkkapitaal blijven verstrekken; ten eerste voor Korman’s aandeel, en ten tweede voor van Everdingen, tenzij deze het zelf wilde bijpassen.
„Begrepen!” zeide Korman bij zich zelf. „We drukken hem dood met de rente.” Nu hij wist waaraan hij zich te houden had, vond hij het minder erg dan in het begin.
De beide employé’s, Gerlings en Biezeman, arriveerden tegelijk. De eerstgenoemde was een jong man van korte gestalte, zwart haar, bruine oogen en een klein, mager kneveltje. Hij praatte veel en lachte steeds. Overigens toonde hij een beschaafd en welopgevoed man te zijn.
Biezeman was een gewezen matroos. Reeds lang in de koffie en in de suiker werkzaam geweest, had hij van zijn verschillende chefs de manieren overgenomen, die hem van ieder afzonderlijk het meest beschaafd voorkwamen, daardoor een potsierlijk ensemble vormende. Als hij zijn hand uitstak, dan herkende men daarin dadelijk de wijze waarop meneer A., administrateur van die of die fabriek, dat ook deed; doch waar deze met een welgevormde kleine hand een gracieuse voorwaartsche beweging maakte, daar was de imitatie dier beweging, met een groven klauw vol blauwe ankers en hartjes van Biezeman, eenvoudig koddig. Meneer B., van een koffieland in Midden-Java, droeg zijn zachten, langen baard, netjes gescheiden, in twee punten uitloopend. Wacht, zeide Biezeman, en kamde en borstelde net zoo lang, tot zijn als van rood koperdraad vervaardigde gelaatsversiering eveneens met twee harde punten pronkte. Meneer C., een derde chef, was gewoon „Amice!” boven aan de briefjes te zetten, die hij zijn employé’s stuurde, en sedert schreef Biezeman „Amize!” onverschillig aan wien.
Zoo kon men nog veel verder gaan, maar dat alles nam niet weg dat Biezeman een flink en trouw werkman was, die èn daarom èn om de komische stof die hij leverde, overal gemakkelijk een betrekking kon krijgen.
Korman zette beiden onmiddellijk aan het werk. Er moest een grensweg gemaakt worden, die de scheiding aangaf tusschen de twee perceelen waarin Watoeombo verdeeld werd. Van het midden uitgaande, werkte Biezeman de eene helft af en Gerlings de andere.
Voorloopig waren de beide nieuwe opzichters onder dak gebracht in een oud kampong-huis, terwijl Biezeman’s huishoudster ook voor Gerlings kookte. Dit huis was, met dat van Rencke, het laatste dat nog stond onder de boomen; de oude koelie-loods en andere gebouwen waren allen verdwenen; en straks, als het huis dat voor Rencke opgetrokken werd, gereed was, en deze nieuwe opzichters naar hun standplaatsen zouden vertrokken zijn, dan moesten ook de groote boomen vallen en zou daarmee het eenige schilderachtige plekje dat op Watoeombo te vinden was, weggevaagd worden.
Ongeveer veertien dagen na de aankomst van de beide opzichters, ontving Korman bericht dat van Everdingen op reis was naar hem toe. Hij gaf Rencke daarop den welkomen last om naar de stad te rijden en den nieuweling af te halen; een opdracht die Rencke daarom dubbel aangenaam vond, omdat Korman, sedert Biezeman er was, zich bijna uitsluitend met dezen occupeerde, waarbij zich het eigenaardige verschijnsel voordeed, dat hij, die in en door den omgang met Rencke zich even beschaafd als deze wist te gedragen, thans hoe langer hoe meer tot een soort van ruwe ongegeneerdheid verviel, die men Biezeman vergaf, doch in Korman stuitend was.
Rencke vond van Everdingen in het logement, in druk gesprek met een heer van buitengewoon groote lichaamsgestalte. Hij stelde zich voor en vernam dat de vreemdeling van Os heette en gepensionneerd kapitein was.
„Meneer van Os denkt overmorgen met ons mee te gaan naar boven,” zeide van Everdingen.
„Eens kijken of er nog woeste gronden zijn, geschikt voor koffie,” vulde van Os aan.
„Ik zou denken van wel,” zeide Rencke. „Is u ook van het vak?”
„Neen, ik ben pas uit den dienst. Daarom zoek ik wat in de buurt van een ander land, zieje; dan kan ik afkijken,” antwoordde van Os, terwijl Rencke moeite had zich goed te houden.
„Is die meneer wel recht bij het hoofd?” vroeg hij later, toen hij met van Everdingen naar de sociëteit liep.
„Ik geloof dat hij zich dommer voordoet, dan hij is,” antwoordde deze. „Hij heeft, naar hij zegt, verscheiden ondernemingen bezocht en bevonden dat koffieplanten geen heksenwerk is. Enfin, hij moet zelf weten wat hij doet; in alle gevallen is hij een gezellig prater, en mag ik lijden dat hij in onze buurt komt.”
Rencke en van Everdingen konden het samen al dadelijk goed vinden. Als bij intuïtie gevoelden zij dat zij in denzelfden stand thuis behoorden; en mag het al zijn dat in het moederland de edelman en de patriciër niet altijd harmonieeren, in de kolonie sluit zich een verdwaald solitair uit de upper ten thousand gaarne bij zijns gelijke aan, als hij dien bij toeval ergens tegenkomt te midden der lower millions.
Rencke had belet laten vragen bij den resident. Thuiskomende in het hôtel, vond hij een uitnoodiging om zijn bezoek uit te stellen tot den volgenden dag, en wel in den naävond, daar er dan dansreceptie was. Van Everdingen had dezelfde invitatie den vorigen dag reeds ontvangen.
Hoewel Rencke reeds na die weinige maanden den invloed gevoelde van de afzondering in de binnenlanden, was hij echter spoedig weer op dreef; en hij zoowel als van Everdingen, waren schitterende figuren op het bal. De resident, die daar bij de schaarschte aan cavaliers sterk op lette, vloeide over van vriendelijkheid jegens hen, en hield een lofrede op Korman, die zulke nette jongelui aan zich wist te verbinden.
Ook de heer van Os was op de partij aanwezig, en had zich verdienstelijk gemaakt door de residentsvrouw voor de quadrilles te engageeren, waarvoor de jongelui hem in stilte eeuwigen dank zwoeren, en niet minder door met zijn krachtvol orgaan deze dansen te commandeeren, zóó goed, dat de resident hem ten volle vergiffenis schonk voor het niet deelnemen aan de rondedansen, en hem later op den avond zijn steun toezegde als de heer van Os mocht besluiten in dit gewest gronden aan te vragen.
Een behoorlijke partij in de binnenlanden eindigt niet voor zonsopgang, zoo ook deze niet. Rencke en van Everdingen stapten dien morgen als het ware zoo uit het residentiehuis de badkamer in. Toen zij daar weer uitkwamen, en de kamer van van Os passeerden, riep deze hen aan, en ging hen voor naar binnen. Achter de deur stond een knaapje, en daarop een veldflesch, waarvan de stop tevens als kroes dienst deed.
„Ga je gang,” zeide van Os op deze artikelen wijzende.
Doch de beide jongelui trokken een vies gezicht; zij rooken de jeneverlucht, die vooral Rencke zoo vroeg in den morgen onaangenaam aandeed. Van Os was ten zeerste verbaasd.
„Niet?” vroeg hij. „’t Is anders zeer recommendabel, vooral na een nacht wakens. Als de heeren eens op expeditie waren geweest zouden ze het meer apprecieeren.”
„Dat is mogelijk,” zeide Rencke, „gewoonte doet veel, maar ik zou het nu niet kunnen verdragen.”
„Wel, vrijheid blijheid,” zeide van Os. „Als de heeren zich nog bedenken mochten, dan weten ze waar het staat.” En zijn handdoek opnemende, slofte hij op zijn beurt naar de badkamer.
Gaarne had van Os van Rencke’s aanbod gebruik gemaakt om met de américaine tot Wonosarie mede te rijden, en daarom zijn paard—een zware Makassaar—vooruitgezonden.
Zonder ander ongeval dan een losse onweersbui, zooals de kentering die gewoonlijk meebrengt, bereikte het drietal Korman’s woning.
De onverwachte gast werd met hartelijkheid ontvangen, en onmiddellijk een logeergelegenheid voor hem in orde gebracht. Het was nog in de gulden dagen der zoo geroemde Indische gastvrijheid, een deugd die overal gevonden wordt waar geld verdiend wordt, of waar men althans geen zorgen kent. Want komen er tijden, die de menschen noodzaken ieder dubbeltje driemaal om te keeren eer men het uitgeeft, dan verdwijnt ook de gastvrijheid en de behulpzaamheid, en ontvangt men den vreemdeling staande in de voorgalerij, om hem hoogstens den kortst mogelijken weg naar het logement te wijzen. En helaas, al brengt de fortuin weer blijdere dagen, de vervlogen deugden keeren nooit weerom.
Met eenige verbazing had Korman van Everdingen aangezien, en zich afgevraagd of deze bestand zou zijn tegen het zware werk op een onderneming. Want het werken in de open lucht, het loopen bergop bergaf, natworden en weer opdrogen, vereischt een sterk gestel, en daar zag van Everdingen nu juist niet naar uit. Vooral waar hij stond te midden der breede gestalten van de anderen, viel zijn smalle borst, bleek gelaat en eenigszins gebogen rug sterk in het oog.
„En u komt zoo gronden zoeken, meneer van Os?” vroeg Korman, toen allen gezeten waren. „Dan zal ik morgen wel wat koelies voor u mogen reserveeren?”
„Zeer verplicht,” was het antwoord. „Maar morgen heb ik alleen iemand noodig die hier in de buurt wat bekend is. Ik geloof namelijk al gevonden te hebben wat ik zoek. Juist beneden dit land liggen gronden, die, als ze even goede aarde bevatten als ik hier heb gezien, voor mij als geknipt zijn.”
Korman zag even naar Rencke, die bijna onmerkbaar de schouders optrok.
„Maar het is allemaal alang-alang en glagah,” merkte Korman op.
„Mag ik vragen,” zeide van Os, die de bedoeling van den ander volkomen begreep, „hoe u het onkruid betitelt, dat ik in de verte in uw tuinen zag wegsnijden?”
„Wel, alang-alang,” antwoordde Korman min of meer beteuterd. „Maar,” vervolgde hij, zich herstellend, „waar een ander alle mogelijke moeite doet het te verdrijven, zoudt u het daar gaan opzoeken?”
„Ik zou de zaak anders willen voorstellen,” zeide van Os. „U heeft zwaar bosch omgekapt, met het resultaat dat er thans alang-alang in uw tuinen staat; ik heb straks alang-alang zonder boschkappen, dat wil zeggen: zonder de groote onkosten daaraan besteed.”
„Zoo oppervlakkig zou men u gelijk geven,” zeide Korman. „Maar het is tegen alles in.”
„Tegen alle traditie,” gaf van Os toe; „maar dat bewijst niet veel. Het is mogelijk dat er in mijn redeneering en gevolgtrekkingen een haakje los is, maar naar dat haakje zoek ik; en als ik het niet vind, dan waag ik het. Zooveel heb ik op mijn rondzwerven wel gezien, dat alle koffieplanters probeeren en nog eens probeeren, en dat niemand precies zou kunnen voorschrijven wat zeker goed is en wat niet deugt. Intusschen groeit de koffie, hoe men haar ook maltraiteert.”
Van Everdingen en Rencke hadden dit gesprek met belangstelling aangehoord. De eerste zooals ieder nieuweling in een vak, in de hoop wat te leeren; de ander als iemand die reeds zelfstandig weet te oordeelen.
Rencke dacht aan de lessen die hij op Donowarie gekregen had, en zijn opinie formuleerend, mengde hij zich in het discours.
„Als het geoorloofd is,” zeide hij, „zou ik wel een stelling willen opwerpen. Namelijk deze: Koffie groeit altijd wanneer de grond goed is en schoongehouden wordt. Daarvan uitgaande, staat de methode van meneer van Os vrijwel gelijk met de onze. Wat wij in den beginne meer hebben uitgegeven aan kaploon, betaalt hij straks voor de meerdere moeite bij het dangirren, en blijft alleen de vraag open, wie nu het meeste betaalt.”
Van Os knikte goedkeurend en maakte een beweging alsof hij nog wat had willen zeggen, doch zich plotseling bedacht; Korman daarentegen schudde het hoofd over de ketterijen door zijn employé uitgesproken.
Den volgenden morgen, toen van Os vertrokken was, begeleid door een der vaste opgezetenen, installeerde Korman van Everdingen. Om aan zijn gebrek aan kennis te gemoet te komen, werd hem Biezeman toegevoegd. Met hun beiden gingen zij dagelijks uit, het boschkappen dat nu met kracht begonnen en voortgezet werd surveilleerende, en een weg slaande naar de uiterste grens van het perceel, waar zij een kalie vonden en een stuk vlak terrein geschikt voor kampong en établissement. Daar werd toen eenig volk heengebracht, en ongeveer op dezelfde wijze als vroeger Korman, vestigde er zich Biezeman, terwijl van Everdingen voorloopig bij den administrateur in huis bleef.
Gerlings, belast met het opzicht over het boschkappen op Rencke’s afdeeling, betrok een huisje dat voor hem in de kampong was neergezet, natuurlijk na zich op de bekende wijze te hebben voorzien van het noodige huisraad, waaronder een ménagère.
Een maand later achtte Biezeman, hoewel van Everdingen iederen dag naar hem toe ging, het noodig een briefje aan Korman te zenden van den volgenden inhoud:
„Amize, het huis is klaar. Laat de hoogedelen Heer nou maar komme.
verblijv met den achting Gerrit Biezeman.”
En hiermee bluschte hij zonder het te weten, een vuurtje dat in Korman’s woning leelijk aan het smeulen was.
De dagelijksche omgang had tusschen van Everdingen en Li een zekere mate van intimiteit doen ontstaan. De vroolijke losheid van manieren die de eerste bezat, zoo geheel in tegenstelling met Korman’s zwijgende geaffaireerdheid, hadden het jonge vrouwtje zeer aangetrokken; en zij hield er van met van Everdingen te stoeien en te schertsen, zonder dat zij bemerkte hoe deze gaandeweg meer werk van haar maakte dan met hun wederzijdsche positie wel in overeenstemming was te brengen.
Als Korman thuis was, nam hij van Everdingen altijd geheel in beslag, en bepaalde deze er zich toe Li met de oogen te volgen als zij in de galerij kwam, of als toevallig haar aan te raken wanneer hij haar passeerde; doch als de administrateur nog niet thuis was bij van Everdingen’s terugkomst van het werk, dan begon het spelletje, tot groot vermaak van de bedienden die reikhalzend zaten uit te kijken naar den ernst, die er volgens hen het natuurlijke gevolg van zou zijn.
Eens—Korman was naar de stad gereden en werd dien dag terug verwacht—waren zij samen aan het krijgertje spelen in de binnengalerij, die vanwege den sterken wind juist gesloten was. Na vele vergeefsche pogingen had van Everdingen de vlugge Li ingehaald en hield haar vast, terwijl zij zich lachende trachtte los te maken, toen haar slof uitschoot, hakende aan de rottan-mat, en zij achterover viel op de rustbank. Van Everdingen bleef haar vasthouden, terwijl zijn onderlip zenuwachtig trok …
Met fonkelende oogen …
Li was geschrokken; dàt had zij niet verwacht en niet gewild ook; zij was nog te veel kind om het gevaar te voorzien, dat gelegen was in het dagelijks stoeien van een jonge vrouw met een jongen man; zij vond het ten slotte jammer en vervelend.
Vervelend vooral omdat zij nu niet meer zooveel gekheid durfde maken, bang zijnde voor de gevolgen. Aan Korman zeide zij echter niets; ook niet toen van Everdingen haar een paar dagen later onder tafel herhaaldelijk aanstootte; iets wat haar echter in groote verlegenheid bracht, daar zij het hem niet kon beletten zonder dat Korman het bemerkte.
Gelukkig maakte Biezeman’s epistel er een eind aan; dat vond ook van Everdingen, die zich, toen hij naar zijn eigen woning verhuisd was, onttrokken aan de charme dier groote zwarte oogen, eigenlijk schaamde voor zichzelf.
Uit de stad bracht Korman het nieuwtje mee, dat de heer van Os werkelijk de gronden had aangevraagd aan den onderkant van Watoeombo, en spoedig aan den gang zou gaan op de alang-alang velden, die Korman spottenderwijze de „prairiën” noemde.
„Ga je mee, eens kijken wat die dolleman uitvoert?” vroeg hij aan Rencke, nadat van Os een poos aan ’t werk was geweest.
„Heel graag,” zeide deze; „men kan overal wat leeren.”
„Hm,” bromde Korman; „vooral hoe je het niet moet doen.”
Een goed half uur beneden Watoeombo vonden zij een versch in het hooge gras gekapt pad, en een voorbijgaand inlander lichtte hen in dat dit de weg was naar Soemberpetong, de oude naam voor het perceel van van Os, dat officieel echter Marialand gedoopt was, naar van Os’ oudste dochtertje.
Maar hoe stonden zij te kijken, toen zij den eenzamen weg door de alang-alang ten einde waren, en stuitten op een stukje bosch! Bosch mocht men het eigenlijk niet meer noemen. Het dunne hout was weggehakt; zorgvuldig was alle vuilnis weggeruimd onder de groote boomen; nette breede wegen liepen, schijnbaar achteloos tusschen de woudreuzen door kronkelend, naar het midden; de wegen aan den kant afgezet met een roode grassoort; aan den uitersten rand zagen zij de kampong, de erven omsloten door bamboe paggers; een inlander was bezig, nog eenigszins onhandig, met een hark, een echte hollandsche hark!, den weg te reinigen, aan welks einde, na een korten draai, een pleintje lag, reeds half getransformeerd in een bloemtuin; daarachter het huis.
„Wat bl …,” begon Korman, doch het woord stolde op zijn tong. Uit de voorgaanderij kwam een dame, den koelie die in het tuintje werkte iets toeroepend. Twee meisjes, van ongeveer zes en acht jaar, trokken de dame aan de sarong als om haar aandacht op te wekken.
„Daar komen heeren, Ma,” hoorden de twee ruiters het oudste meisje zeggen.
De dame wendde zich om, en beantwoordde den groet der bezoekers, die inmiddels waren afgestegen. Korman stond verlegen en wist niet wat hij zeggen moest, terwijl Rencke wachtte tot zijn chef het eerste woord zou gesproken hebben. Er ontstond een pijnlijke stilte, die echter maar even duurde.
„U is zeker meneer Korman,” zeide de dame.
„Ja mevrouw,” antwoordde de aangesprokene, doch verder bracht hij het niet.
„Mijn naam is Rencke,” viel toen deze in, zich vermakende met de verlegenheid van zijn chef. „Maar welk een verrassing, mevrouw. We dachten hier meneer van Os te vinden in een dier fameuse plantershutten, en zie, we treffen een feeënpaleis aan.…!”
„Nu meneer, geen overdrijving,” zeide mevrouw van Os. „Maar.… willen de heeren alsjeblieft binnen komen? Marietje, roep Sidin even, om de paarden vast te houden.”
De komst van Sidin, in een helderwit baadje met blauw afgezet, acheveerde Korman, die, blij dat hij Rencke meegenomen had, achter dezen de voorgaanderij instapte.
„Gaat zitten heeren,” verzocht de gastvrouw. „Van Os is uit, maar zal wel zóó thuis komen. Kijk, daar komt hij al aan.”
Van den tegengestelden kant als vanwaar de bezoekers gekomen waren, verscheen de groote gestalte van den oud-kapitein, evenals de anderen in het wit, met een breeden zonnehoed op het hoofd.
De komst van den heer des huizes had Korman weer op zijn gemak gezet; en toen mevrouw van Os naar binnen was gegaan om voor het gevraagde te zorgen, durfde hij weer te spreken.
„Wat is het hier mooi!” begon hij.
„Aardig prutswerk,” zeide van Os. „Och, mijn vrouw heeft er plezier in om die dingen te doen, en ik om er naar te kijken. Maar jelui wilt zeker ook eens het meer essentieele zien? Na de rijsttafel dan; ’t is nu te laat.”
Intusschen had Korman een aanknoopingspunt gevonden; hij redeneerde alleen over koffie en nog eens koffie; andere onderwerpen lieten hem koud, omdat hij ze niet machtig was. Toen mevrouw van Os weer terug was gekomen, hield hij met hardnekkigheid vast aan een quaestie over den aanleg van pépinières, zoodat Rencke zich geroepen achtte een afzonderlijk gesprek te beginnen met de vrouw des huizes.
Zij was ook uit den Haag, en kende verscheiden menschen die ook Rencke kende, totdat deze haar vroeg naar haar meisjesnaam, en toen verwonderd was over het feit dat zij, die uit een gefortuneerde familie stamde, als onderwijzeres naar Indië was gekomen.
„Al leerende kreeg ik zin in het onderwijs,” verklaarde zij. „Na de hulpacte te hebben gehaald, assisteerde ik op dezelfde kostschool waar ik vroeger onderwezen was. Toen de verplichte twee jaar om waren, ging ik terug naar den Haag, om voor de hoofdacte examen te doen. Daarin geslaagd, wachtte ik den afloop der onderhandelingen af, die Papa voor mij voerde met de juffrouw van de kostschool om die inrichting voor mij over te nemen. Maar wat gebeurt er. Eens, op visite bij een oude freule van onze kennis, ontmoet ik daar den advokaat Daatselaar.”
„Die half blinde, met zijn krukje?” vroeg Rencke.
„Ja, juist! Leeft hij nog?”
„Neen mevrouw, dat zou wat al te bar zijn. Hij is een jaar of vijf geleden gestorven.”
„Zoo. Nu, deze ondervroeg mij naar mijn plannen, en ik vertelde hem een en ander. Op eens zegt hij: „Ja ja, daar doen tegenwoordig veel meisjes aan; de dochter van mijn koetsier heeft onlangs ook haar examen afgelegd.” Ik was woedend, en—hoe het kwam weet ik niet—ik had plotseling allen lust verloren om onderwijzeres in Holland te worden. Later hoorden wij van de schitterende vooruitzichten die Indië aanbood, en … ik ging. Geplaatst te Passoeroean maakte ik kennis met mijn collega’s. En wie denkt u dat de eerste was?”
„De koetsiersdochter!”
„Dezelfde,” zeide mevrouw van Os. „Het was om wanhopig te worden. Gelukkig kwam spoedig daarna van Os. En nog gelukkiger,” vervolgde zij, eenigszins kleurende op het glimlachje dat Rencke niet geheel had kunnen onderdrukken, „konden wij het samen zoo goed vinden, dat ik zijn voorslag met een gerust hart mocht aannemen.”
Sidin kwam vertellen dat het eten opgedragen was.
Na de rijsttafel gingen de drie heeren op marsch, doch even te voren woonden Korman en Rencke een tooneeltje bij dat beiden amuseerde. Nadat de kenthong het sein gegeven had, kwamen de koelies op het middagappel, dat ter zijde van de administrateurswoning gehouden werd. Daar lagen twee lange bamboe riggels, met pennen in den grond vastgezet. De koelies hurkten neder, de hielen op de bamboe, zoodat zij dadelijk in een welgeordende dubbele rij kwamen te zitten. De mandoers bleven staan, elk bij zijn ploeg volk.
Het beviel de beide bezoekers wel, aangezien het te Watoeombo lang placht te duren eer het volk voldoende geordend was om het te kunnen tellen. Maar wat er volgde vonden zij grappig, en Korman daarenboven aanstellerig.
Nadat van Os het getal der koelies had opgenomen, dat vergeleken met de lijst van het morgen-appel en de mandoers orders had gegeven voor het werk, kommandeerde hij:
„Geeft acht!”
Als één man stonden de Javanen op.
„Ovèrrrr.… huup!”
Vrij gelijkmatig gingen de patjols of wadoengs of arits omhoog en over den schouder; bij enkelen links, en bij anderen rechts; doch zóó nauw moest men niet zien.
„Rechtsom,” en „voorwaarts marsch!” hadden ten gevolge dat de troepjes, twee aan twee, met den mandoer aan ’t hoofd, wegmarcheerden, elk naar het hun aangewezen werk.
„Ik maak u mijn compliment, meneer van Os,” zeide Rencke. „Ik heb, den korten tijd in aanmerking genomen, onzen luitenant van de mariniers met minder succes de janmaats zien drillen.”
„Het wint tijd uit,” zeide van Os. „In de eerste dagen had altijd ieder nog wat te bescharrelen eer ze aftrokken; dat verveelde mij, en heb ik het toen zóó ingepikt. De kerels hebben er zelf schik in.—Nu konden wij langzamerhand óók wel opwandelen.”
Zij bezochten een paar stukjes boschgrond, waar men bezig was de dunne boomen uit te kappen en den grond schoon te maken—trontong, zooals dit werk heet—, en op hun terugweg zagen zij een groote open plek waar beddingen werden aangelegd. Dat was alles.
De uitgestrektheid van de beddingen deed Korman verwonderd vragen, waar al die bibit zou moeten geplaatst worden. Het zetten van boschkoffie in de trontongans had hij begrepen, doch verder scheen de heer van Os geen aanleg te ondernemen.
„Wel, overal,” was het antwoord.
„Dan zal er wel spoed gemaakt mogen worden met babadden en terrassenmaken,” meende Korman, „of je komt niet klaar.”
„Terrassen?” riep van Os uit, met een uitdrukking van de hoogste minachting. „Daar doe ik niet aan. Als de eerste regenbui dreigt, steek ik een lucifer aan, en houd die tegen de alang-alang; in een ommezien is dan het heele perceel schoon en gereed om te worden beplant. Alleen in de gedeelten boschgrond laat ik doen wat jelui gezien hebt; en daarmee uit. Ik heb wel een contract met de Handelsbank, zie je, maar zij willen dat ik eerst mijn duiten, of liever die van mijn vrouw, opwerk; daarna zouden zij kapitaal fourneeren. Dat wil zeggen: ik de risico, en zij, als alles goed gaat, het voordeel. Dank je hartelijk! We zullen eens zien of we er zonder hen niet kunnen komen. Maar daarom moet ik zuinig zijn, en mij geen overbodige luxe permitteeren van terrassen als anderszins.”
Korman was het niet met hem eens en bestreed zijn theorieën, zelfs toen zij weer in huis waren en mevrouw van Os met blijkbaren angst naar Korman’s uitspraken luisterde. Rencke bemerkte het, en om een afleiding te geven, zeide hij iets over een hond, dien hij opzij van de voorgalerij zag liggen.
„Een trouw beest,” zeide van Os. „Twee jaar geleden heeft hij onze Nonni uit de kalie te Batavia gered. Bello, kom hier!”
Het was een groot dier, bastaard patrijs, met dik bruin kroeshaar en groenachtige oogen.
„Valsche oogen,” vond Korman.
Bij de laatste woorden gaf hij den hond een duwtje van zich af, in de richting van Korman’s plaats. Deze stak de hand uit om Bello aan te halen, maar eensklaps sprong de hond op, tegen Korman, de voorpooten op diens borst zettende en hem met een geweldig gebrom de tanden toonende.
Korman werd zoo bleek als de muur, en van Os, toeloopende, greep zijn hond, dien hij met een smak de galerij uit wierp.
„Wel verduiveld Bello, wat mankeer je?” riep de huisheer, en bracht, tevens om van zijn verlegenheid te bekomen, den hond naar achter, waar hij hem aan den ketting legde.
„Ik vraag wel excuus,” zeide hij terugkomende. „Ben je erg geschrokken? Ik begrijp er niets van; als het niet was om den dienst dien hij ons bewezen heeft, schoot ik hem dood.”
„’t Is niets,” verklaarde Korman, die van den schrik bekomen was. „Alleen houd ik mij gerecommandeerd dat je hem vastlegt als ik eens weer kom.”
Tegen den avond keerden Korman en Rencke huiswaarts.
„Wat een knoeier,” was het oordeel van den eerstgenoemde. „Ik heb medelijden met die vrouw en kindertjes; want hij ruïneert zich vast en zeker.”
Rencke gaf hier geen weerklank op. Hij zag niet in waarom van Os niet zou slagen, en vond dat de tijd moest leeren wie het bij ’t rechte eind had.
De eene helft der onderneming Watoeombo was spoedig geheel van bosch ontdaan, en Gerlings werd verplaatst naar een geschikt terrein op het nieuw gekapt gedeelte, waar hij een kampong liet bouwen en beddingen aanleggen.
„Die is goddank wat uit de buurt,” zeide Korman. „De vent werkt goed, maar dat eeuwige lachen bij al wat hij zegt, is onuitstaanbaar.”
Ook van Everdingen, die nu slechts zelden op het hoofdkwartier kwam, begon lucht te krijgen op zijn gedeelte. Sabrang was het gedoopt, hetgeen letterlijk: „de overzijde” beteekent, naar de gewoonte der inlanders om te spreken van de overzijde van den grooten bergrug, als zij doelden op de afdeeling van van Everdingen.
Het huis waar deze in woonde, was als een copie op verkleinde schaal van dat van Messner op Donowarie, geheel van bamboe en gedekt met alang-alang doch overigens comfortabel ingericht. Maar er ontbrak iets aan en dat „iets” wilde van Everdingen er toch niet in hebben, niettegenstaande het aanbod van Biezeman’s huishoudster, die een jonger zusje wilde gaan halen uit de streek vanwaar zij zelve afkomstig was. Hij had zijn hart achtergelaten bij een hollandsche jonkvrouw, wier ouders echter hun veto hadden doen hooren. Want het huwelijk bestaat uit twee zaken. De eerste is van geestelijken aard en wordt door de jongelui zelf met veel gevoel bezorgd; de tweede is een zuiver financieele transactie, waarvan de ouders het beleid aan zich gehouden hebben. Dikwijls nu, en in casu bij van Everdingen, weerhoudt de laatste het geheel. Toen was hij naar Indië getrokken in de hoop zijn dertigduizend gulden daar in korten tijd te zien groeien, tot de ouders zijner aangebedene er zich aan vergaapten. En hij had zijn liefde zoo geheel gegeven, dat er zelfs niet wat afval overschoot voor dat „iets” dat zijn huis in orde moest houden.
Eindelijk werd het den armen van Everdingen te kras, en was er intusschen door een halfjarig verblijf in de binnenlanden van Java ook een verandering gekomen in zijn zienswijze omtrent verschillende zaken. Wat hem vroeger van uit Holland immoreel en stuitend zou hebben toegeschenen, leek hem thans, nu het door den drang der omstandigheden werd geboden, maatschappelijk bestaanbaar en ook niet zoo heel onaangenaam meer.
„Een sigaar, Biezeman?” offreerde van Everdingen op zekeren avond na afloop van de rol.
„Alsjeblieft, jonker,” antwoordde Biezeman, wien deze titulatuur zeer voornaam leek. „O, neem me niet kwalijk!”
De aanleiding tot deze uitroep was een lucifer, die in van Everdingen’s gezicht terecht kwam. Biezeman had namelijk van hem afgezien het met een vlugge beweging wegknippen van zulk een stokje, nadat het had dienst gedaan; doch in zijn pogingen om het te imiteeren kon hij er alsnog niet de gewenschte richting aan geven, zoodat de houtjes nu eens achterwaarts, dan weer zijwaarts vlogen, maar nooit rechtuit.
„Wil je een kop thee? Of misschien liever een glas bier?” noodde van Everdingen.
„Als ik het zoo voor het zeggen heb, dan zou ik wel een glaasje bier willen; ten minste wanneer de jonker meedrinkt,” zeide Biezeman.
De ander stond op en kwam weldra met een flesch terug, terwijl de jongen glazen bracht.
„Ik moest het zelf halen,” zeide van Everdingen, „want het zit achter slot. De bedienden weten er anders te goed weg mee.”
„Dat zal waar zijn. Nu, santjes jonker,” salueerde Biezeman. „Ja, moeder de vrouw zei nog gister … of was het van morgen … nee toch gister, dat het zonde was zooals ze bij u huishouden en den boel verrinneweeren.”
„Zooveel moois is hier anders niet,” zeide van Everdingen glimlachend rondziende over de eenvoudige meubelen.
„Neen, dàt is het ook niet. Maar … o ja, nou weet ik temet waarom ze dat zei, van morgen. Uw jongen stond goed te wasschen, aan de kalie; en daar had-ie z’n eigen lorrige broek bij uitgetrokken, en een slaapbroek van den jonker bij aangedaan. ’t Was wel geen batik, zei ze, maar van dat gedrukte goedje dat de baren altijd meebrengen, en toch nog te mooi als dat zoo’n slampamper het over z’n vuile body heentrekt. Ik zei dat het jammer was dat ik het niet gezien had, want dan had ik er die dikke rottan van me eens over laten gaan. Ik dacht, de jonker zou het me niet verakkeseerd hebben als ik eens op z’n slaapbroek ranselde wanneer hij hem zelf niet aan had; wel?”
„Zeker niet,” lachte van Everdingen. „Maar je hebt gelijk, ’t is niet in den haak. Wil je wel gelooven dat ik er in de laatste dagen dikwijls aan gedacht heb, nog maar gebruik te maken van het aanbod dat je huishoudster me indertijd heeft laten doen?”
„Waarlijk? Nou daar doe je goed aan,” zei Biezeman. „Ik ga het dadelijk aan moeder de vrouw vertellen, dan moet ze morgen den marsch in.”
„Zoo’n haast heeft het niet,” begon van Everdingen, doch de ander vond dat het wel haast had, en was blij dat hij den goeden royalen jonker een dienst kon bewijzen.
Zoo ging „moeder de vrouw” er op uit, om na een week terug te keeren met het „iets” dat totnogtoe in van Everdingen’s woning ontbroken had, en Minah heette.
Minah was een stadskind. Zij had altijd gewoond bij haar moeder, die als kokki, bij een europeesche familie haar verblijf hield in de bijgebouwen; zoodoende wist Minah precies hoe het in een huishouden behoorde te gaan. Haar komst bracht een groote ommekeer teweeg; kokki was nooit meer ziek, de jongen bleef van alles af, het paard kreeg wat hem toekwam, en van Everdingen had rust en comfort in huis.
Tegen het einde van den Oostmousson verhuisde ook Biezeman naar het andere einde van Sabrang, en had nu elk der employé’s zijn eigen afdeeling van omstreeks 250 bouws.
Tik, tik, deed het op het gegalvaniseerd ijzeren dak der administrateurswoning, een geluid zoo lang niet gehoord, dat Korman, die in zijn kantoor zat te werken, zijn boeken en papieren in den steek liet om zich naar buiten te spoeden en te zien of het werkelijk ging regenen.
Een klein wolkje zweefde boven het emplacement, langzaam voortschuivende in de richting van den hoogsten bergtop, als aangetrokken door het gezelschap natuurgenooten dat daar reeds vergaderd was. Het was als een bode van den westmousson, die met eenige droppels kwam waarschuwen: hier zijn we.
Li was met haar kindje op den arm ook in de voorgalerij gekomen. Haar blik richtende naar de vlakte, zag zij op eens, een weinig linksaf, een groote rookpluim, zich statig verheffend in de blauwe lucht.
„Wat is dat pa?” vroeg zij.
Korman wendde zich om en keek in de door Li aangewezen richting. Toen haalde hij de schouders op.
„Het is die malle kerel met zijn alang-alang,” zeide hij onverschillig.
„Kan het geen kwaad voor onze tuinen?” vroeg Li.
„Te drommel ja, daar zeg je zoo wat,” riep Korman schrikkende.
Zonder de vraag van Li zou hij er niet aan gedacht hebben; doch nu drong het tot hem door, dat de brand gemakkelijk kon overslaan op de hoopen droog vuil die tusschen de koffieboompjes lagen; vooral in de grenstuinen. Onmiddellijk moesten er maatregelen worden genomen. Hij zond een boodschap naar Gerlings, en ging zelf Rencke aanzeggen om onverwijld met al het volk naar de grens te trekken. Daar gekomen liet hij kappen, tot een breede strook voor den grond lag. Het afgesneden gras werd toen naar den uitersten rand gebracht en in brand gestoken, terwijl de koelies zich in de tuinen posteerden, alle vonken en brandende stukjes die de wind daarheen voerde, dadelijk blusschend.
„Ziezoo, dat gevaar is geweken,” zeide Korman toen het vuur zich langzaam verwijderde. „Gerlings, blijf jij met vijftig man hier, zoolang als je denkt dat het noodig is.”
„Jawel meneer,” antwoordde de employé. „En, zoudt u niet denken dat het goed was vannacht een man of tien op wacht te zetten? De brand mocht eens door het bosch ginds terugkomen, hi hi hi.”
„Daar zou anders geen aardigheid aan zijn,” merkte de chef op. „’t Is goed, doe dat maar.”
„Me dunkt ik hoor schieten,” zeide Rencke.
„Dat is bamboe,” meende Korman. „Zonde van ’t mooie goed.”
„Neen,” zeide Rencke luisterende, „het was een geweerschot. Daar hoor ik er weer een … nog een.”
„Ik geloof dat je gelijk hebt,” stemde Korman toe. „Die beroerde kerel is zeker op jacht gegaan.”
„Kijk daar, een hert, hi hi hi!” riep Gerlings.
Zij zagen allen tegelijk op. Een prachtig hert was met een hoogen sprong uit de vlammen te voorschijn gekomen, en bleef toen staan, angstig snuivend, wankelend, nog eenmaal het zware gewei trotsch in den nek werpend, om tegelijk op de knieën te zinken en zieltogend neer te storten.
Eenige koelies vlogen er op af en hielpen het edele dier door een paar arit-slagen uit zijn lijden. Ook de drie europeanen liepen er heen.
„Zie, een schotwond,” zeide Rencke, wijzende op een bloedige plek nabij den schouder. „Dat is zijn dood geweest, en niet de vlammen, hoewel die hem ook flink toegetakeld hebben.”
„We zullen hem naar huis laten brengen,” zeide Korman, een mandoer wenkende. „Er zal nog wel een lekker boutje uit te snijden zijn. En om het gewei zullen we loten … of neen, ik weet beter; het is voor hem die ’t langst zijn lachen kan houden. Wat zeg jij daarvan, Gerlings?”
„Hi hi hi,” grinnikte Gerlings, terwijl Rencke zich op dat gezicht ook niet kon inhouden, maar in een luiden lach uitbarstte.
Acht man hadden er een zware vracht aan. Nauwelijks waren zij er mee heen, of de europeanen zagen langs den boschrand den heer van Os aankomen, in zwart bestoven kleeren, het geweer aan den draagriem over zijn schouder hangend.
„Bonjour heeren!” riep hij. „Jelui hebt er ook den brand ingestoken, zie ik. Een mooie jacht gehad daardoor. Vijf herten! Allen bij den ingang van het ravijntje ginds, aan den boschkant. Maar één, ’n mannetje, is mij ontsnapt. Als ik het niet zelf gezien had zou ik het niet gelooven; hij is na het ontvangen van het schot terug gerend, dwars tegen het vuur in!”
„Ik was hier om mijn tuinen te beschermen,” antwoordde Korman.
„Jongens ja,” zeide van Os. „Dat zie ik. Ik had je wel mogen waarschuwen. Neem me niet kwalijk …”
„Soedah!” zeide Korman. „Als je mee wil gaan, dan krijg je vanavond een stukje hertebout. Wij hebben namelijk den vluchteling opgevangen. Kijk, daar gaat hij.”
„Waarachtig,” zeide van Os, den stoet ziende op de hoogste slingering van den zigzagweg in de verte. „Hij komt je wel toe voor de moeite. Ik wil graag meegaan, want ik erken dat ik bekaf ben; en als je ook nog een koelie wilt sturen naar Marialand, dan zal ik je dubbel verplicht zijn.”
De zware rookwolken van den brand hadden de beide europeanen van Sabrang naar het hoofdkwartier gelokt, waar zij aankwamen toen de anderen juist terugkeerden. Korman noodigde hen uit tot ’s avonds te blijven; men kon dan een partijtje maken, waartoe toch wel weinig gelegenheid meer zou zijn, zoodra de op komst zijnde regens de drukte van het planten meebrachten.
Men zat aan tafel. Korman diende de soep, toen op eens allen opkeken. De hoefslag van een dravend paard deed zich hooren, hetgeen de komst van een europeaan meldde, aangezien inlanders hun paarden liefst in den telgang of een drieslag, die daar veel op gelijkt, rijden en bovendien geen inlander Rencke’s woning zou passeeren zonder af te stijgen.
Het was de heer Messner, voor wien, nadat allen die hem vreemd waren zich hadden voorgesteld, een plaats aan tafel werd ingeruimd.
„Ik dacht zoo waar,” helderde hij zijn laat bezoek op, „dat jelui allen waart afgebrand. Het volk wist verschrikkelijke verhalen te doen. Hier in de buurt vernam ik eindelijk de ware toedracht der zaak, en ik schold mij zelven voor een ezel dat ik dat niet eer begrepen had.”
„Nu,” zeide Korman, „als onze vriend van Os me niet reeds vroeger had meegedeeld dat het zijn plan was, zou ik ook eer aan een ongeluk gedacht hebben dan aan ernst.”
„Toch had ik het moeten inzien,” zeide Messner; en zich tot van Os wendende ging hij voort: „uw werkwijze heeft me groote belangstelling ingeboezemd, en ik ben zeer nieuwsgierig naar de resultaten, die ik voor u hoop dat goed zullen zijn.”
En hij gaf als zijn meening te kennen dat zij goed moesten zijn, tevens verklarende waarom hij zoo dacht, daarbij een wetenschap van détails tentoonspreidende, die van Os met steeds klimmende verbazing aanhoorde.
„Als ik niet beter wist,” zeide de administrateur van Marialand eindelijk, „zou ik denken dat u dagelijks bij mij geweest was om toe te zien, ja tot in mijn boeken toe uw oog had geslagen. Hoe in ’s heerennaam weet u al die dingen?”
„Och, het volk praat onder elkaar over alles en nog wat,” zeide Messner; „en dan hoort men allicht iets; temeer daar ik, zooals gezegd, veel belang stelde in wat u deed.”
Om niet onbeleefd te zijn leidde van Os het discours van zijn eigen zaken af. Hij had intusschen voor Messner een groot respect opgevat, hetgeen reeds gebleken was uit de wijze waarop hij met hem gesproken had, zoo geheel afwijkende van zijn half-ironisch antwoorden op alle vragen en beweringen van Korman. Ook was het hem aangenaam iemand ontmoet te hebben van zoo groote practische kennis, aan wien hij bij het voorkomen van moeielijke vraagstukken raad zou kunnen vragen, vooruit wetende dien ook te zullen ontvangen.
Toen het tafellaken was weggenomen, en Li zich naar achter begeven had, haalde Korman kaarten en fiches, terwijl de bediende glazen bracht en in een hoek van de binnengaanderij een voorraad flesschen neerzette, die iemand licht op het idée had kunnen brengen dat hier een nieuwe toko in dranken stond geopend te worden.
Gaandeweg werd de voorraad minoeman in den hoek kleiner, en de gezichten naar evenredigheid rooder, misschien ook door de animo van het sliekoer, zooals het getal 21 in het javaansch uitgedrukt wordt.
Na middernacht bleekten de gelaatstrekken meer en meer op, vooral als er een naar buiten geweest was, zonder dat de anderen daar veel notitie van namen, daar zij toch vroeger of later denzelfden tocht moesten doen, soms met niet geringen spoed, om zich op het voorerf „van de stomachale en cerebrale patentialiteit te libereeren,” volgens de zegswijze van zeker apothekersbediende.
Er werd met afwisselend geluk gespeeld; behalve door Korman, die steeds verloor, en door Rencke, die aldoor won. Toen de zon opging had de eerstgenoemde omstreeks driehonderd gulden aan den tweeden af te dragen, terwijl winst en verlies van de andere spelers onbeduidend waren.
Zij hielden op, en gingen zitten in de voorgalerij, op luierstoelen, zich vermakend met de grillige vormen der wolkjes in de morgenlucht, die voor hun vermoeide oogen allerlei gestalten van wilde dieren aannamen. Li was vroeger opgestaan dan gewoonlijk, op last van Korman, die wist hoe lekker een kop koffie smaakt na zulk een nacht, en liet dezen drank door de bedienden presenteeren. Daarna werd er ontbeten met een glas bier, „om op te frisschen”, en na afloop kwamen de paarden voor, om een ieder naar zijn huis terug te voeren, hetgeen deze verstandige dieren met veel tact deden.
De regens vielen dit jaar vroeg in en verrasten eigenlijk van Everdingen, die nog een kleine honderd bouws overhield, waarvan het bosch nog niet gekapt was, dan wel nog te versch om te willen branden. Toch was er goed gewerkt, hetgeen vooral te danken was aan den overvloed van werkvolk in die streek; in dit seizoen nog vermeerderd met vluchtelingen uit een naburige residentie, waar hongersnood had geheerscht.
Ware dit laatste het geval niet geweest, dan zou het Korman nooit gelukt zijn zooveel bosch in één jaar te kappen; en hij zegende de ramp, die de onvoorzienigheid van hen die tot voorzien geroepen waren, over het ongelukkige gewest gebracht had.
Toch had de aanwezigheid van dat vreemde volk voor de onderneming Watoeombo een blijvend nadeel medegebracht, hoewel de administrateur dat niet inzag; integendeel, hij noemde het een voordeel.…
De javaan die de landstreek verlaat waar hij geboren is, waar zijn ouders, zijn grootouders geleefd hebben en begraven liggen, behoort niet tot het beste deel der natie. Over het algemeen ziet dat volk in emigratie een schande; er zijn er die liever doodhongeren, en, eer dat geschiedt, de afschuwelijkste daden plegen, dan hun dessa te verlaten; kinderen zijn in zulke dagen lastposten, in wier altijd hongerige magen de schaarsche voorraad voedsel veel te snel verdwijnt, en dus gaarne worden omgezet in wat rijst.… Dat zijn echter gewone zaken, waartoe nu misschien met een bloedend hart, maar toch gemakkelijker wordt overgegaan dan tot het verlaten van den grond waaruit men als het ware gesproten is.
Was het dan te verwonderen, dat de meeste dier uitgewekenen opiumschuivers waren, die zonder dien stimulans niet werken konden? In de dessa van den assistent-wedhono stond wel een kit, doch de voorraad was daar in de eerste dagen niet voldoende; en ook ging het niet aan dat telkens een deel der koelies afwezig was, op weg om zich de zoo noodige tjandoe te verschaffen. Er één te sturen om voor allen te halen was ondoenlijk, daar de bepalingen het vervoeren van een eenigszins groote hoeveelheid verbieden.
Op zekeren dag reed Korman naar de stad en besprak de zaak met den opiumpachter. Het gevolg was, dat deze van toen af geregeld een aantal dier bekende ronde blikken doosjes zond, die één thail opium bevatten. Zij gingen wel vergezeld van stukjes papier met roode chineesche karakters beschreven, teneinde hun wettige afkomst te staven, maar toch was het tegen de wet om er meer dan één in huis te hebben. Dus zond Korman ze altijd dadelijk na ontvangst weg, naar de employé’s. Deze moesten hem voor elk doosje twaalf gulden verantwoorden, waartoe zij er honderd en twintig pessans uit lieten maken, in stukjes blad gewikkeld, die de koelies voor tien cent kochten.
Aan den pachter betaalde Korman negen gulden per thail. Het voordeel dat deze handel opleverde paraisseerde echter niet in de boeken.
Later, toen de vreemde koelies reeds lang vertrokken waren, bestond deze opiumverkoop nog. Het gebruik der tjandoe had zich geworteld; het was niet meer uit te roeien. Het gaat daarmee als met de papaverplant zelf, die eenmaal gezaaid en opgekomen, niet meer te vernietigen is; en wilde iemand voorgoed een einde maken aan alle reglementeering van de opium, en daarmee tevens aan het door moreelen en immoreelen dwang veroorzaakte opiummisbruik, hij had met een zakje papaverzaad slechts een toer te maken over Java, en overal, liefst op plaatsen die weinig bezocht worden, een weinigje te laten vallen. Eer men het bemerkte zou de plant inheemsch zijn geworden, onder het bereik van iedereen.
Het jaar naderde zijn einde. Zware regens hadden de nietige berg-kalies in stroomen herschapen, die groote steenen in hun vaart meesleepend, een geweld maakten als van een onafgebroken onweer. Schurende langs het gevelde bosch had het water ook verscheiden boomstammen meegevoerd, die aan den kant waren blijven liggen, of na het branden in het ravijntje waren gestort waardoor de kalie liep, zijnde dat de gemakkelijkste manier om ze uit den weg te krijgen. Doch thans leverden die stammen een niet gering gevaar op voor de brug aan den ingang van het perceel, onderstrooms van den breeden steen. Want hiertegen stootende, bestond er kans dat zij dwars kwamen te liggen, en een opstopping veroorzaakten, die doorbrekende, noodlottig had kunnen worden voor de brug.
Om dit te voorkomen had Korman aan weerszijden van de kalie een afdeeling koelies geposteerd, die met lange bamboes de boomen zooveel mogelijk in den stroom hielden, links of rechts van den breeden steen. Om twaalf uur wandelde hij er met Rencke heen.
De regen had opgehouden en er was een wind opgestoken sterker dan men op Java gewoon is. Zwaar kruiden de grauwe wolken in het zwerk daarboven, en beneden raasde de bandjir, het gejoel der koelies overstemmende.
Korman schreeuwde hun een bevel toe, dat niet verstaan werd en ook overbodig was. Want sneller dan een order kon uitgesproken en begrepen worden dreven de boomstammen voorbij, en bij het werk der Javanen op den oever kwam alles neer op oogenblikkelijk zien en handelen. En zij deden het goed. Als er een zware stam aankwam stonden zij gereed, met gevelde bamboe, het bovenlijf heen en weer wiegelend op de maat van een klagend recitatief, dat sneller en sneller ging naarmate de stam dichter bij kwam, en eindigde in een algemeen gehuil bij het stooten op het juiste oogenblik dat de boom voorbij schoot.
„Het mindert al,” merkte Rencke op, nadat zij er ongeveer tien minuten gestaan hadden.
„Zooveel te beter,” zeide Korman, „want als dat vannacht moest voortduren gaf ik niet veel voor het leven van onze brug.”
„Hé, dat is sterk!” riep Rencke uit, die zijn aandacht op het stroomende water bleef vestigen. En hij ging eenige passen vooruit, in de richting van de brug.
De aanleiding tot dien uitroep was het minderen der hoeveelheid water, die als plotseling tot op een derde van zooeven slonk, terwijl het geraas nu ook in vergelijking met eenige oogenblikken geleden in een stilte overging … neen, zich scheen te verwijderen. Want in de verte …
„Gévédé, Rencke! Terug!” gilde Korman. De koelies aan deze zijde weken van den oever; die van de overzijde wierpen de staken neer en holden over de brug alsof zij om hun leven liepen, Rencke meetrekkende in hun vaart.
Korman tierde en vloekte, trachtend hen tegen te houden; maar het ging niet; zij kenden het naderend gevaar, dat hen alle vrees voor den europeaan deed vergeten.
Donderend kwam het nader, een verwarde massa vluchtende boomen, vallende en weer opstaande, springende tientallen van meters ver, ledematen verliezende door de wrijving tegen elkaar, maar rennende in ijdel pogen om te ontkomen aan den vervolger: het van woede ziedende water.
Kalm wachtte de breede steen in het midden der kalie den schok af, rustig in zijn onwrikbare kracht, wetend dat voor hem alles moest wijken of tegen hem verpletterd worden.
Daar kwam het, met een slag die de aarde deed dreunen; een golf vloog over den steen weg, de luchtdruk deed de brug reeds buigen en zwiepen nog eer de massa haar bereikte …
Weer dreven enkele stammen in den bandjir, als even te voren; maar nu stonden er geen koelies meer ter bescherming van de brug, want die was weg.
Korman mopperde verschrikkelijk. Het was alsof het verlies van de brug hem half ruïneerde. Midden in die bui kwam een koelie met een briefje van Gerlings.
„Meer uitroepteekens dan woorden,” zeide Korman. „’t Is alsof hij zelfs in zijn schrijven dat lamme gegrinnik niet laten kan. Heb jij rijst over.”
De laatste vraag was aan Rencke gericht, die hoofdschuddend antwoordde.
Het was in de laatste dagen van het jaar. Korman had met Benoit een contract, waarbij bepaald was dat hij voor de gelden die hij in den loop van een jaar ontving, vijf procent rente moest betalen, onverschillig of hij die op 1 Januari dan wel op 31 December kreeg; daarna kostte het kapitaal hem negen procent ’s jaars. Om nu in het laatst van December nog een remise aan te vragen, vond hij jammer, om de vijf procent; dus stelde hij het uit tot 1 Januari, en intusschen werd het volk niet betaald. Dat kon; men kan met javanen veel doen, doch voor één ding moest gezorgd worden: rijst.
Het volk nam van huis, als zij op de onderneming gingen werken, rijst mee voor vijf dagen; bleef het langer, dan werd er rijst gekocht van den voorraad dien ieder opzichter daarvoor had liggen. De verstrekking geschiedde nagenoeg tegen inkoopsprijs, doch men woog het niet … het werd gemeten met een takkeran van vijf of tien katties, waarvan er honderd veertig in een picol gingen! De winst paraisseerde alweer niet in de boeken …
Nu had Gerlings den bodem van zijn rijsthok gezien, en vroeg om instructies. Geld om rijst te koopen was er niet, en de koelies vroegen natuurlijk om rijst. Hij had nog slechts een beetje; hoe moest hij doen?
In gewone gevallen zou Korman beter nagedacht hebben en getracht er in te voorzien, doch nu hij zijn brug kwijt was, en daardoor ontstemd, krabbelde hij met potlood een kort antwoord op het ontvangen briefje, daarop neerkomende dat hij ’t zelf niet had en het ook niet kon … hier volgde een minder kiesche uitdrukking. Gerlings moest nu zelf maar zien hoe hij het bolwerkte.
Gerlings had echter niet gevraagd om geen antwoord te bekomen. Enfin, hij zou morgen wat minder geven dan de aanvragen, en overmorgen nòg minder of niets, een weinig op zij leggen voor zijn eigen gebruik, en dan … dan moest Korman het weten. Hij had het vooruit niet geweten, en thans zijn plicht gedaan door te waarschuwen. Ultra posse nemo obligatur!
Den volgenden dag trokken de koelies lange gezichten; wat niet misstond, meende Gerlings, daar de javaan van nature een veel te kort gezicht heeft. Den dag daarna, nòg langer; en met nieuwjaarsmorgen.…
Rencke had juist rol gehouden en stond in zijn voorgalerij, gereed om naar de administrateurswoning te gaan en te feliciteeren. Korman was eerst van plan geweest de employé’s op oudejaarsavond uit te noodigen; maar die brug.…!
Een galoppeerend paard kwam door de kampong, bereden door een inlander, die Rencke’s huis voorbij zou zijn gerend, als hij niet op het laatste oogenblik gezien had dat de toewan ziender in zijn voorgalerij stond.
„Waarheen? Wat is er?” riep Rencke.
„Gévédé!”
Rencke vloekte anders nooit, maar nu flikkerden zijn oogen; met één greep had hij zijn karwarts van het rek aan den muur, en voortsnellende vatte hij de manen van het wachtende paard, sprong er op, en holde weg, in de richting vanwaar de koelie gekomen was.
Hellingen op, af, ’t deed er niet toe, vooruit maar. In verkeerden galop om een hoek, ’t zou wat, ’n indisch paard springt vanzelf over! De laatste bocht, en vóór hem lag een pleintje en Gerlings huis.
Het paard zette de ooren in den nek, Rencke’s lippen scheidden zich, de witte tanden blootleggende; maar zonder vaart te minderen, integendeel, harder nog, vloog hij de opeengepakte massa inlanders op het lijf, eer zij hem zagen.
Een paniek ontstond, en het gedrang van de in geen bepaalde richting vluchtende javanen zou Rencke hebben ingemetseld, als niet zijn paard trappend en bijtend ruimte had gehouden, terwijl hij zelf ieder dien hij bereiken kon met de karwarts bewerkte.
Eindelijk was het pleintje leeg; alle koelies waren de kampong in, waar zij zich in de huizen verscholen. Eén lag vlak vóór Gerlings huis, kermende van de pijn. Het was een der belhamels geweest, die het dak beklommen had, om dat openbrekende, een toegang tot de woning te maken. Want de aanval kon noch aan den voorkant, noch van achter geschieden, aangezien telkens als zij het probeerden een geweerloop den koelies door een of andere opening tegenblonk.
Rencke klopte aan de deur, luid roepende: „Hé, Gerlings! Waar zit je?”
„Zijn ze weg?” klonk het van binnen.
„Ja.”
„Wacht dan even, ik moet den boel opruimen.”
Rencke ondervroeg intusschen den koelie die op den grond lag. Hij was gevallen, en had pijn aan zijn been.
„Die is er uit,” dacht Rencke hardop. Hij had aan boord wel eens meer gevallen van dien aard zien behandelen; en, vertrouwende op zijn goed geluk, stond hij op, nam het been mee de hoogte in, zette zijn rechtervoet tot steun op de heup van den inlander en trok met een krachtigen ruk aan den voet, dien dadelijk daarop naar binnen buigende. De patiënt was flauwgevallen, maar het ontwrichtte lichaamsdeel was weer op zijn plaats gebracht.
Rondziende als om hulp, bespeurde Rencke den huisjongen van Gerlings, loerende langs den hoek van het huis. Hij riep hem.
„Die man is van het dak gevallen, meneer,” lichtte hem de jongen in.
„Ook al goed,” zeide Rencke. „Hier, houd den voet vast zooals ik hem nu heb. Ziezoo.”
Toen ging hij weer naar de deur terug, die na nog eenig gestommel door Gerlings werd geopend, maar voorzichtig, met de linkerhand, terwijl hij in de rechter een revolver hield.
„Kom, wees nu niet gek,” zeide Rencke met een trap tegen de deur. „Wat moeten ze wel van je denken!”
„Gelukkig dat je er bent,” zeide Gerlings, die erg bleek zag. „Ze wilden me vermoorden!” En hij maakte een beweging om, toen Rencke er in was, de deur weer te sluiten.
„Open!” beval deze. „Open, zeg ik je. En laat nu je meid een stuk goed geven om dien kerel daarbuiten te verbinden.”
Gerlings moest het zelf halen, want zijn huishoudster lag voorover op het bed, kreunende den dood af te wachten dien zij meende dat haar beschoren was, en tot niets in staat.
De javaan, die intusschen weer bijgekomen was, werd door Rencke verbonden en toen op een mat gelegd in het smalle voorgalerijtje.
„Vertel me nu eens wat er gebeurd is,” zeide Rencke.
„Van morgen, op de rol, vroeg mij een uit het volk wanneer er betaling was,” zeide Gerlings. „Ik antwoordde: zoodra als ik van den toewan besaar geld krijg. Toen zegt de vent brutaal: We willen het nu hebben; en tegelijk beginnen de anderen op te staan en te schreeuwen. Ik weg, het huis in, hi hi hi! Wat er verder buiten gebeurd is heb je zelf gezien; maar ze schreeuwden en scholden om er beroerd van te worden.…”
„Hoe heb je dien staljongen weg kunnen sturen?” vroeg Rencke.
„O, die kwam de achterdeur in juist toen ik die wou sluiten, en zei: Meneer geef mij een briefje voor den toewan besaar. Ik heb wat op het rapportpapiertje gekrabbeld, en toen is hij de achterdeur weer uitgegaan. Verder weet ik niet.”
„Hm,” deed Rencke. „Laat dan nu de kenthong slaan; we zullen die rol nog eens overhouden.”
„En als ze dan weer beginnen? Zou ik er niet eerst vandoor gaan?”
„Je blijft! Hoor eens Gerlings, als je wilt dat ik je help en je sauveer bij den oude, dan doe je nu precies wat ik zeg.”
Gerlings gaf zijn jongen last om de kenthong te slaan. Een tiental inlanders kwamen op dat sein langzaam aanzetten. Het waren de mandoers.
Voor Rencke neerhurkende, deed een hunner het woord, betuigende dat zij niet aan het geval schuld hadden; dat de koelies nu ook berouw hadden over hun daad; dat zij zoo bang waren, dat zij niet durfden komen voor meneer’s aangezicht; dat eindelijk, wat meneer wilde bevelen door hen zou worden uitgevoerd, al was het om te sterven!
Rencke glimlachte even en zag Gerlings aan. Daarop gelastte hij de mandoers om in alle kampong-huizen aan te zeggen dat er straks nog eenmaal op de kenthong zou worden geslagen. Wie dan niet verscheen zou door hem, Rencke, uit zijn huis worden gehaald, en met den zoodanige zou het slecht afloopen.
Zij kwamen als geranselde honden op de stem van den meester; zwijgend hurkten zij neer, dicht opeen, als zocht een ieder steun bij zijn buurman. Rencke telde hen af en deelde hen in, volgens de opgave van Gerlings. Voor dat hij het sein gaf tot oprukken, sprak hij hen aan.
Er heerschte groote stilte terwijl aller blikken zich vestigden op een javaan, die ongeveer in het midden zat. Deze aarzelde, maar eindelijk, gedrongen door de stomme uitnoodiging van al zijn makkers, stond hij op en ging naar Rencke toe. Zonder te hurken, terwijl een donkerder waas het bruine gezicht overtoog, wees hij met gestrekten duim op Gerlings.
„Die daar.…”
Een welgemikte oorveeg maakte een eind aan den volzin, en deed den spreker onderste boven tuimelen, midden in een plas water. Een gesmoord lachen doorliep de rijen der koelies.
„Ik heb genoeg gehoord,” sprak Rencke. „De kapala kampong zal mij straks verder inlichten, en met hem zal ik beraadslagen. Gaat nu allen heen, aan het werk.”
Zij gingen, behalve de voorvechter, die op een wenk van Rencke door het kampong-hoofd werd aangehouden.
„Dat is afgeloopen,” zeide Rencke tot Gerlings. „Maak even de rekening op van dit heer, dan zullen we hem opzenden naar den assistent-wedhono. Maar wat mankeer je, man; je staat te beven op je voeten!”
„Toen je daareven dien man sloeg, dacht ik: we zijn er bij! Het is dezelfde die van morgen begon.”
„Je hebt gezien hoe je zoo’n zaakje aan moet pakken. Drink wat.… en geef mij ook maar een brandy-soda,” zeide Rencke, die, nu alles voorbij was toch ook eenige werking van zijn zenuwen bespeurde.
Nog waren zij daarmee bezig, terwijl Gerlings op een stukje papier het bedrag had opgeteekend van het loon dat de gevangen belhamel verdiend had, toen voor de deur de staljongen van Gerlings verscheen, het paard van Rencke, den plongko, aan den teugel houdende.
„Kijk, dat is een goed idée!” zeide Rencke. „Nu moesten we samen naar Watoeombo rijden om den oude te feliciteeren.… ’t is waar ook.… gezegend nieuwjaar!”
Na den koelie onder geleide van het kampong-hoofd te hebben afgezonden, vertrokken ook de beide opzichters.
Te Watoeombo zat Korman in niet geringe spanning de terugkomst van Rencke af te wachten. Hij had van den staljongen alles vernomen, en vreesde dat de moedige jonge man het offer zou zijn geworden van zijn voortvarendheid, en meer nog, dat het oproerige volk hierheen zou komen. Hij gaf last om zijn paard te zadelen en bleef in de voorgaanderij op en neer loopen, steeds den weg die naar Gerlings’ afdeeling leidde, in het oog houdende. Plotseling bevangt hem de gedachte aan Li en zijn kind, en hij vervloekte zichzelf dat hij den plongko had weggezonden. Hoe moesten die twee nu wegkomen als het gevaar dreigde? De kleine kon hij zelf op het paard nemen.…
Gelukkig! Daar kwamen van Everdingen en Biezeman.
Toen deze twee hoorden wat er gaande was, wilden zij er onmiddellijk heen rijden. Doch Korman hield hen terug.
„Rencke is gegaan zonder mij eerst te raadplegen,” zeide hij. „Als een dolleman is hij weggehold. En nu moet de zaak in orde zijn, of je zoudt door er heen te gaan nog meer bederven. Laat ons bedaard afwachten tot er bericht komt.”
Zij behoefden niet lang meer te wachten. Korman loosde een zucht van verlichting toen hij de twee opzichters ongedeerd aan zag komen, en betuigde Rencke zijn groote tevredenheid, toen deze met weinig woorden rapport had gedaan.
„Alleen,” zeide hij, „had je niet mogen gaan zonder mij. Ik heb er genoeg over in gezeten. Maar enfin, ’t is goed afgeloopen; dus zullen we er maar over zwijgen. Ja, zooals je zegt, er moet rijst heen. Wie heeft over?”
„Op Sabrang ligt meer dan we noodig hebben,” zeide van Everdingen.
„Dan zal ik om één uur volk sturen,” zeide Korman, en zoo geschiedde.
Na de rijsttafel, toen de anderen vertrokken waren, werd er tusschen Korman en Gerlings een heftig gesprek gevoerd. De laatste weigerde eenvoudig naar zijn afdeeling terug te gaan, tenzij hij geld had om het volk af te betalen; en of Korman hem al beduidde dat er geen geld was, dat hij, nu er rijst was niets te vreezen had, dat hij de heele afdeeling op de flesch hielp door zijn lafheid, en eindelijk dat hij te kiezen had, tusschen zijn onmiddellijk ontslag of het doen van zijn plicht, Gerlings antwoordde onveranderlijk: „Ik doe het niet; ik durf niet.”
Woedend was Korman in zijn kantoor gegaan, en zat daar het ontslag van den employé te schrijven.
Door de open binnengalerij had Li het geheele gesprek aangehoord, en toen Korman zich verwijderde, kwam zij naar voren. Zij vermaande Gerlings toch te doen wat zijn plicht was.
„Geloof mij,” zeide zij; „er is geen gevaar meer. Daar! wil ik uw njai een bezoek gaan brengen en vannacht overblijven?”
„Laat meneer Korman zelf komen,” zeide Gerlings. „Me dunkt dat het hem als administrateur in de eerste plaats past zijn ondergeschikten bij te staan waar zij niet verder alleen kunnen.”
„Meneer Korman,” vond Li, „moet als administrateur op het hoofdkwartier zijn. Dáár is de plaats die den toewan besaar past.”
„Een mooie toewan besaar!” riep Gerlings uit. „Wil ik u eens wat zeggen, nonja? Hij is zelf te bang! Hi hi hi!”
Met een blik vol minachting nam Li hem op, en zonder een woord te zeggen draaide zij zich om. Juist kwam Korman weer uit zijn kantoor, een beschreven stuk postpapier in de hand.
„Nu, gaan of niet?”
„Neen.”
„Hier dan; je hebt je ontslag.”
„Liever dan vermoord te worden,” zeide Gerlings, het papier aannemende. „Ik groet u; hi hi hi!”
Een ontslag was zoo erg niet in die dagen. Men ging ergens in een logement zitten, wachtte tot er een administrateur kwam die iemand noodig had, of informeerde bij den logementhouder waar er in den omstreek een vacature was. Gerlings nam het dan ook niet erg zwaar op, doch maakte haast met zijn vertrek; want één ding wist hij: als namelijk Korman in de gelegenheid was de redenen van het ontslag op zijn manier ruchtbaar te maken, eer Gerlings een betrekking had, dan kreeg hij er geen. Men mocht in dien tijd zijn wat men wilde, mits men geen last had met het volk. Wat zijn achterstallig tractement betrof, plus de zes weken die hij daarboven te vorderen had, dat zou hij trachten te innen zoodra hij een nieuwe plaatsing bekomen had.
Rencke ging tijdelijk naar de verlaten afdeeling, doch den derden dag kon hij reeds weer op Watoeombo terugkeeren. Er was een nieuwe employé uit de lucht komen vallen!
Gerlings had dezen in het logement ontmoet. Ze hadden elkaar hun lotgevallen verteld, en het gevolg was, dat Gerlings naar de suikerfabriek ging die de andere verlaten had, en deze zijn lang mager lichaam op een picolpaard zette en zich naar Watoeombo liet dragen, waar hij omstreeks den middag aankwam.
Korman wist niet wat hij zag, toen de optocht voor zijn huis stil hield, en de aankomende zijn voeten uit de touwtjes die voor stijgbeugels dienden nam, om vervolgens het nietige paardje gewoon van onder zijn lange beenen uit, weg te laten loopen.
„Mijn naam is Menier de Brisson,” stelde hij zich voor.
„De boekhouder van Sonokling?” vroeg Korman.
„Geweest, meneer. Misschien wist u dat meneer van Sloten naar Holland gaat?”
„Ja, en Parser wordt administrateur.”
„Juist meneer. En met dezen heb ik eens standjes gehad over de indeeling van de wachten, ’s nachts, in den maaltijd,” zeide Brisson. „Toen heeft hij ongelijk gekregen. Maar hij heeft het mij nooit vergeven; en nu hij baas wordt begrijpt u.…”
„Jawel, dat spreekt. Dus kom je om een betrekking. Wel, je treft het, Gerlings is een paar dagen geleden weggegaan.… Ben je moe?”
„Dat is minder,” lachte Korman. „Ik zal je iemand meegeven naar de afdeeling van Gerlings. Je zult daar meneer Rencke vinden, die je wel van alles op de hoogte zal brengen. Er is op ’t oogenblik weinig te doen, daar gisteren, na de betaling, veel volk is weggegaan.”
Brisson was weldra op weg, en Korman wenschte zich geluk met de aanwinst, daar hij van dien jongen man veel goeds gehoord had.
Ook Rencke was blij dat hij zoo spoedig werd afgelost, en nog meer toen Korman hem mededeelde dat zijn tractement met vijftig gulden ’s maand verhoogd werd, waardoor hij nu driehonderd vijftig gulden kreeg. Hem werd echter opgedragen van nu aan het werk op de andere afdeeling te surveilleeren.
„Dit is een zeer geringe vermeerdering van werk,” zeide Korman; „en het voordeel er van is dat je een gelijke positie hebt als van Everdingen. Ik had er bij de aanstelling van Gerlings niet zoo gauw aan gedacht; maar nu ging het gemakkelijk.”
Voor de onderneming maakte de tractementsverhooging van Rencke geen verschil, daar Brisson vijftig gulden minder kreeg dan Gerlings, te weten tweehonderd gulden.
EINDE VAN HET EERSTE DEEL.