HOOFDSTUK XXIII
Reading edition
Maar blijde waren alle de burchtgenooten, de hoogste en ook de laagste, dat zij Gawein gespaard hadden van die schande op de vreeselijke Kar te worden rond gevoerd langs wegen en straat, om vertoond te worden aan allen, die hem zouden ontmoeten. En de dwerg voerde nu zijn Kar naar den burchthof en daar werd het paard, dat doodmoede was, uit gespannen en weg geleid. De Kar, waarop Gawein lag te kermen en te krimpen, werd onder de breedtakkige linde getrokken en allen om Gawein heen wrongen de handen want verlost kon hij eerst worden na twaalf uren zonder levensgevaar voor hem en zijn bevrijder. En om hem heen zwoeren Lancelot en Koning Assentijns baroenen, dat zij, zoodra de zon zonk, Gawein zouden verlossen, om beurten; zij beloofden het malkanderen met handslag.
Ysabele, met Gwinebant, naderde nu ook de Kar en zij begon te weenen, toen zij Gawein zoo zag krimpen.
—Gawein! riep zij. Mijn lieve ridder! Doet de tooverkar harde pijn? Ik en kàn u zoo onnoodig niet lijden zien!
—Ysabele! zeide Gawein, heel bleek. Het is niet zóó groote pijn! Het is meer prikken van muggen en steken van wespen maar méér en is het leed niet! En ik en zal niet meer kermen en krimpen als gij het niet aan kunt zien en als het uwe zoete oogen doet weenen!
Toen lag Gawein heel stil en sloot de oogen, terwijl ter zijde van de Kar grinnikte de dwerg. En de Koning zette zich bezorgd op zijn zetel en beval der ridders bal te spelen en met het werptafelspel. En hij beval jongen knapen te zingen en vedelaren te vedelen, opdat Gawein minder zoû lijden, zoo rondom hem er muziek klonk en voort ging de gewone vië, die des kasteels was in vredestijd. En steeds lag Gawein heel stil, de oogen gesloten en Ysabele dankte hem, dat hij niet meer kermde en kromp en Gwinebant dankte hem, dat hij hem wel had willen verlossen. Zoo gingen er enkele uren voorbij...
En het scheen bijna, dat Gawein niet meer leed, zoo stil lag hij...
O, de vreeslijke Kar, de Schandekar, die een tooverkar was, o de vreeslijke Kar van Clarioen van Noordhumberland! In alle andere rijken der oude Koningen rondom was zij reeds afgeschaft, die Kar van schande en van marteling en nog deed Clarioen haar door de landen gaan! O, zoo de baroenen haar dorsten vernietigen, die Kar, die alleen leidde één onzinnige dwerg! Maar tooverië en magië waren sterker dan alle baroenen ter wereld en de Kar wàs niet te vernietigen, alleen te onttooveren! O, zoo Merlijn maar te roepen was, maar Gwinebant noch Lancelot wisten, waar hij toefde, zeker steeds bezig met die zoo moeilijke, draadlooze theorië... Zoodat Lancelot zich droef bij den Koning zette en Gwinebant Ysabele verder geleidde langs de grachten en de zonnebloemen: al lag Gawein stille, het bleef toch pijnlijk voor de zoete princesse haar ridder op de Schandekar te zien! Tot plotseling boven van de tinnen galmde koperen torengeschal der torenwachters en de burchtzaten uit zagen: twee ruiters naderden en de drossaet des Konings, met staffieren en met garsoenen, ging hen door de opene poorten te gemoet en verwelkomden hen. Zij reden binnen en Lancelot herkende den eene: die was Galehot en de andere was zeker zijn schildknaap, maar Lancelot kende dien niet, zeide hij Koning Assentijn, die bijziende de oogen knipperde. Galehot en de schildknaap stegen af op het voorplein en Lancelot omhelsde zijn wapenbroeder en riep uit:
—Lace, Galehot, wel ontmoet ik u op een kwaden dag! Want zie, daar ligt Gawein, over de Schandekarre, die hij betrad uit edelmoedigheid om onzen Gwinebant te verlossen en de ure is nog niet daar, dat wij hem verlossen mogen!
Galehot—anders de gracelijk stil glimlachende—sloeg een oprechten jammerkreet uit en de schildknaap een nog schelleren. En terwijl Galehot den Koning begroette, herkenden alle de burchtgenooten den schildknaap. Die was Amadijs. Hij kwam met Galehot terug van Camelot, waar hij Koning Artur kond had gedaan en Koning Artur was blijde geweest, dat hij nu wist van Gawein, maar toen heel booze geworden, dat Gawein niet om het Scaec scheen te achten en toen had hij wi ende wacharme geroepen om Mordret en om Didoneel. En hij had Amadijs, en Galehot mede, bevolen dadelijk op weg te gaan, naar Endi, om Gawein te zeggen, dat hij oogenblikkelijk op queste moest naar het Scaec. Omdat alle zijne Tafel-Ronde-ridders er op uit waren, had Koning Artur, meldde Galehot, twaalf andere zijner hoogste baroenen tot Tafel-Ronde-ridders geslagen en die zaten nu om het jaspis-blad in de Ronde Zale te wachten tot Aventure zich voor zoû doen en dikwijls verstreek het uur van den maaltijd en wachtten zij nog... Toen Assentijn daarvan hoorde, schudde hij bedenkelijk het hoofd en bedacht, hoewel hij er uit hoofschheid tegen zijne gasten niets van repte, dat die Koning Artur van Logres, zoo belust op Aventuur, wel heel oud werd, ouder dan hij, Assentijn was. En dat het slecht voor de mage was zóó lang te wachten en niet te eten.
—Ik moet, bij mijn trouwe, bedenken, zeide Koning Assentijn tot Lancelot en Galehot; waar nu toch gij allen twaalf toeft van oude en eerste Tafel-Ronde. Om mij zie ik armen Gawein; gij, Lancelot; gij, Galehot en ginds dwaalt Gwinebant, de schoone knape, met mijne Ysabele in jeugendlijke sprake langs de zonnebloemen; die vertellen malkander zekerlijk van hunne droomen... Nu, dat zijn vier uwer, waar zijn dan de acht anderen, zeg?
—Didoneel en Mordret lijden pijnen in Vagevure, glimlachte gracielijk Galehot; als Amadijs melden kwam. En de zes anderen zijn Amoreuse-Garde belegeren gaan...
En Galehot vertelde alles en meldde ook Lancelot nu, hoe Mordret en Didoneel verslagen werden toen Gawein Alliene, die was Amadijs, verloste.
—Ja, ik! riep Gawein, met gesloten oogen, van de Kar. Ik, ik versloeg de feloenen, die met ons mede waagden aan te zitten aan Tafel-Ronde!
En hij lag weêr stil. En Lancelot was zeer verbaasd en droeve te moede en Koning Assentijn verwonderde zich in stilte, dat nog wel ridderen van Tafel-Ronde een slechten burcht hadden kunnen stichten in afgelegen foreest, waar zij geschaakte damoselen opsloten!
—Lace! riep Lancelot. Ik zal Gwinebant melden van Didoneel en Mordret.
Maar Assentijn hield hem tegen en zeide:
—Ik zoude dat laten, mijn lieve Lancelot! Gwinebant spansiert er zoo zoete met Ysabele langs die zonnebloemen: dat is de joghet, die zich verhoghet. Laàt ze... Mijne arme kleindochter, dat zoete kind, heb ik beloofd aan Clarioen van Noordhumberland en dat is mij niet wel te moede na al wat ik van dien ouden schalk hoore en zie. Schandekarren zijn niet meer te dulden enghienen, als zij met tooverië gaan en door ridderen moeten worden beklommen.... Zeg nu, mijn lieve Lionel—en de Koning richtte zich tot den Noordhumberlander—maak mij vroed van den hove daar ginder: hoe staat het daar wel bij dien Clarioen?
En Assentijn hoorde Lionel uit, over het verre Noordsche rijk, waarheen zijne kleindochter ter bruidvaart zoû gaan en waar Clarioen iederen ridder, dien hij verdacht van hem naar de kroon te staan, wierp op de Schandekar!
Maar naast de Kar was Amadijs ontzet blijven staan, de edelvrouwen en baroenen rondom.
—Mijn heer! hijgde ten laatste Amadijs. Mijn heere Gawein! Gij, gij, de edelste, de overgelijklijke op de Schandekarre, gij!
De dwerg grinnikte.
—Dat en doet geene pijn, schildknaap! Zie toch, de ridder kermt niet en hij krimpt niet! Het is alleenlijk als van muggen en wesp! En ik weet den weg naar alle burchten maar ik weet ook van knapen en jonkvrouwen! Schildknapen hebben vaak zachte oogen, en weet gij, eene jonkvrouwe kan ook harde wel de Karre bestijgen!
Amadijs bloosde omdat een onzinnige dwerg hem had kunnen doorzien en de baroenen en edelvrouwen rondom, reeds gehoord hebbende van wat Galehot aan Lancelot en den Koning gemeld had, beweerden, dat zij altijd wel gedacht hadden, dat Amadijs een jonkvrouw was. Hoewel deze bewering niet geheel en al waar was en menige edelvrouw, die met Amadijs de zoete melodië had willen drijven, zeer teleur was gesteld in hare begeerten en zoo weinig toeschietelijken schildknaap in de eentonigheid van de kasteelvië zich niet had kunnen verklaren.
Gawein lag steeds stil...
De oogen gesloten, dacht hij aan Ysabele.
En leed hij zwijgend om haar. De baroenen en edelvrouwen bleven rondom, met troostenden roep, terwijl vedelden de vedelaren.
En de hoogstemmige knapen zongen.
En Amadijs vroeg wanhopig den dwerg:
—Wanneer heeft de tooverië uit gevierd? Wanneer kan een ander, knaap of jonkvrouw, mijn heere verlossen? Zeg mij, dwerg; na zonsondergang?
De dwerg grinnikte; de zon stond nog hoog aan het namiddaggeluchte en de zonnebloemen langs de muren en grachten straalden den gouden gloed terug...
Toen grinnikte de dwerg en fluisterde:
—Hoor, mijn zoete knape! Ik en ben niet zoo dul als zij denken! De baroenen dwongen mij den burcht binnen te rijden en de garsoenen spanden het rosside uit. Maar als de Karre niet en beweegt en hier stille staat onder de koningslinde om den ridder van alle lachter te sparen, vermag niets ende niemand hem te bevrijden... En wie op de Karre springt, waarschuw ik u, ligt mede geboeid ter neêr!
—O wi, o wacharme! riep Amadijs. Zal God van Hemelrijk dat dulden!
Ook de baroenen, die mede den dwerg hadden aangehoord, riepen:
—Bij Sint Michiel! Bij Sint Jan! Bij den rijken God van Hemelrijk!
Zij wilden den dwerg te lijf en hem als een worm vertrappen. Maar Lancelot, Galehot stortten toe, zelfs Gwinebant verliet Ysabele, om den dwerg te ontzetten. Ridderlijke daad zoû het niet zijn een dwerg te verdelgen en daarbij, zoo hij verdelgd ware, wie wist van de Karre en hare enghiene, zoo de voerder daar niet en ware? De dwerg, bevrijd uit den boozen drang der baroenen, grinnikte en zette zich spottend, gedrochtelijk, met de spichtige armen over de vergroeide knieën op het lamoen van de kar, terwijl doodstille Gawein leed en lag.
—Ik zal wachten! grinnikte de dwerg. Uw welgevallen zal ik, hooge heeren, wachten! Voor zonsondergang kan zelfs geen schildknape met zachte oogen of een baroen of valiante wigant den ridder uit de Karre verlossen, maar ik moet naar den Koning Clarioen terug: wees des gewes, hoe zot ik ook ben!
Woedend stonden de baroenen rondom de Schandekar en den dwerg. Plotseling betrok de lucht...
De gloed der zonnebloemen, waartegen Ysabele's figuurken blankte, wachtende angstig, dat Gwinebant zoû keeren, doofde...
Een zwarte wolk zonk over den burcht...
—Een tempeest? riepen de burchtgenooten. Een horeest!
Want het weêrlichtte...
Er rommelde donder en in die onweêrsbui naderde een heftig gesnor...