← Table of contents
Het zwevende schaakbord

HOOFDSTUK XVII

Reading edition

Ysabele was haar grootvader genaderd en had hare witte handekens gelegd over des ouden Konings Assentijns rood fluweelen schouders en Gawein dacht om dit gebaar aan Koning Artur en aan Guenever, maar het meeste dacht hij aan zijne eigene, lace, gestorven vrouw en het scheen hem toe, dat zij herboren ginds voor hem stond, maar schooner nog, jeugdiger dan hij haar ooit gezien had. Hij werd zich bewust, Gawein, niet trouw aan hare nagedachtenisse te zijn, maar omdat Gawein nooit trouw was geweest en meende, dat niet iedere ridder zóó trouw kon zijn als Lancelot was aan zijne amië, koninginne Guenever, voelde Gawein zich niet zondiger dan God hem had willen scheppen. Van Gwinebants liefde en trouw—al had Gwinebant hem mede met Lancelot bevrijd uit de Vallei der Ontrouwe Ridders—wist Gawein niets, al had hij sedert wel eens gedacht: wie is toch Gwinebants liefde en aan wie zoû hij zoo trouw zijn, dat hij waardig is naast Lancelot te gaan....

Zoo waren Gaweins gedachten, terwijl hij als aanbiddende, handen gevouwen, de jonge Ysabele aanstaarde en Amadijs, achter hem, het hart klopte van ijverzucht om Gaweins hem verradend gebaar. Maar de oude Koning Assentijn, opstralend zijn rimpelgelaat als een winterlandouw in lentezon, zei, nemende in de zijne Ysabele's handeke:

—Zoet dochterlijn van mijn zaligen zoon, wij danken u voor zoo lieven zorg en vrome gepeize maar deze gasten namen ons den vespertijd en deden ons vergeten, dat avondmale ons wacht. Weet gij, wie deze ridder is, mijne roze? Hij is des Konings Arturs ridder van Tafel-Ronde, hij is Gawein; hij is die gone, die tien jaren her dezen mijnen koninklijken burcht belegerde, alleen hij, strijdende tegen vierwerf twintig man aan mijner twaalf poorten elk; hij is die gone, die ze alleen versloeg, zelfs zonder den schilknaap dien ik nu achter hem zie, en door het bloed waadde... weet gij, mijne roze, tot wie? Tot uwe moeie, tot mijne schoone dochter, die heette Ysabele als gij heet, en hij, die wigant, hij voerde haar weg, hij schaakte haar, hij bracht haar verre naar Camelot en, lace, zij stierf, van den kinde in haren schoot en van den vloek haars vaders; zij stierf! En nu, mijne roze, verschijnt mij die heere schoonzoon, of niets en ware geschied, en ik vrage u, gij, mijne zoete lieve: zeg mij en raad mij: wat moèt ik met dezen moordenaar van mijn kind en van mijne mannen?

—Bij mijne trouwe in Paradijs! juichte zacht Ysabele en hare stem klonk lieflijker, meende Gawein, dan Guenevers stem, dan zijner eigene Ysabele stemme geklonken had, dan de gulden vogelkens zongen op den wonderboom in Guenevers vergier. Dus zijt gij, o edele ridder en groote wigant, mijn eigen oom, Gawein? Der Aventuren Vader zijt gij? Mijner zalige moeie gemaal? Zijt gij de onvergelijklijke, de allerhoofschte, de allerdapperste, de ridder aller ridderen aller onzer oude Koningen? Wees wellekom dan, mijn oom-lief! Ik ken u, al ben ik bijna niet meer dan een kind en al zag ik u ook nimmer! Want ik las van uwe wondere fayten-van-wapenen, die de clerken sinds tien jaren reeds hebben op geschreven in klankvol vallende rijmen en, o wonder Toeval, juist heeft een vinder, die kwam met zijn veêler en vroeg verlof de jeeste voor te zingen van u, o mijn oom, en van uwe heldendaden! En juist wilde ik verlof vragen mijn heere Koning en grootvader den vinder met zijn veêler te doen zingen en spelen in de groote burchtzale, voor alle de burchtgenooten, zingen en spelen van u, o groote wigant vol heerlijke prise, van u, o mijn oom-lief, dien ik nu zekerlijk kussen mag met love en blij riveel!

En Ysabele, de handekens uitgespreid, trad nader, terwijl Gawein haar naderen zag als een wonder. In den gelen gloor van de luchters der knapen was zij immer als uitglanzende in een stralenkrans, zoo wit en goudblond als een engel, hemelsche schijning in de sombere, gewulfde zaal en Gawein, betooverd, wachtte af. Hij wist nu, dat Ysabele hem dicht was genaderd; hij knipte de oogen; hij voelde hare koele handekens aan zijn kloppend voorhoofd; hij voelde haar kus op zijn rechter- en linkerwang; hij wist niet te zeggen, noch te doen; hij hoorde alleen weêrklinken haar stemmeke van gouden klanken:

—Wat gij doen moet met mijn heer oom, met uw heer schoonzoon, mijn heer Koning en grootvader? Gij moet hem eeren als een ridder en gast van hoogste prise, gij moet hem lief hebben als een zoon en maag, dien in jaren gij niet en zaagt, gij moet hem nooden met ons aan den male, gij moet hem daarna mede doen zitten op hoogste eereplaats in de burchtzale om door vinder met veêler hem toe te doen zingen zijn eigene jeeste, zijn eigenen roman van heldendaden! O mijn zoete heere, o mijn lieve grootvader, en gij moet terug nemen alle veete en vloek en vergeten al van vijandschap en zoo vele kwadertiere dingen, of ik en trouwe niet Koning Clarioen van Noordhumberland; wees des gewes, mijn booze Koning!

En Ysabele, met de armen om ouden Assentijns mottigen kraaghals van hermelijn, lachte hem in de oogen, dat de Koning schudde het hoofd, ontevreden op zich, omdat hij zóó zwak was voor zijner kleindochter omvleiïngen.

—Dat zij dan! zeide hij, opstaande, de rimpels nog diep gefronst. De jaren zijn gewenteld, de straf is voltrokken: mijn arme kind, heb ik, wil ik eerlijk zeggen, nie ende nooit gevloekt hoewel ik zeide, dat ik het deed; zij heeft er, Gawein, de vrucht van haren schoot bij in geboet, zeg ik; gijzelve, Gawein, gij zijt een dapper wigant, hoewel gij een roofridder zijt van damoselen en van scaecspelen.... Bij mijne trouwe, ik bedenk mij, o roze: weet gij ook iets van een zwevende scaec—niet het eerste, van tien jaren her, dat uw heere oom met zijne bruid mede naar Camelot voerde—maar van een ànder, ook toover-enghien, dat zoû gezweefd zijn binnen onze muren, een vogel gelijk in zijn kooi?

Ysabele beval den burcht te doorzoeken.

En overal zochten de dienaren en kamenieren.

Maar zij vonden geen schaakspel.

—Morgen, mijn oom, zeide Ysabele; met den nieuwen dag, wen zonneschijn in de duisterste hoeken schijnt, zullen wij zoeken naar dat tweede, Zwevende Scaec....

—O mijne tweede, leliëzoete Ysabele! zeide Gawein vervoerd, terwijl Amadijs, achter hem, luisterde jaloerschelijk. Kendet gij mij? Laast gij van mij? Liefdet gij een luttel den held?

—Ik kende u, ik las van u, ik liefde u al zoo zeer, mijn held en oom! zeide Ysabele. En ik dacht: mocht eenmaal de ridder, die mij zal dienen, wen ik koninginne van Noordhumberland ben, dienen als Lancelot Logres' koninginne doet, mijn oom gelijken: Gawein!

Maar de edelknapen met de lange stallichten geleidden Gawein en Amadijs naar de kemenade, hun toe bedacht.

Wees gewes, o lezer, dat er een wonderbed stond, waarin ridders van hunne wonden genazen, want zulke wonderbedden stonden nu bijna in iederen koninklijken burcht, maar zij waren niet altijd zoo vervallen als dat allereerste—van ouden Koning Wondere—en niet altijd zoo modern hygiënisch als het bedde, dat Merlijn voor Camelot had gemaakt en voor de Ridders van Tafel-Ronde: het wonderbed van Koning Assentijn was maar van gemiddeld comfort. En de statie-kleederen lagen gereed en in de zale werden reeds de tafelen op schragen gelegd en er werd op toebereid tam en venizoen en klaar gezet clareit en pigmentwijn en hypocras en malvezij en de knapen rijden reeds de bekkens van rooden goud en de dwalen om de vingers te wasschen en te drogen daarna en de seneschalk zette met zijne dienaren de stopen op de dresseren en het was alles zoo als het overal was, in iederen koningsburcht, op dit uur van den laten avond, als de dolende ridderen binnen waren en de blijde bellen van het avondmaal sprenkelden de helle klanken langs gaanderijen en langs gangen....

En na het versterkende maal deed Assentijn eere zijn gasten.

Gawein zat naast den Koning op zijn breeden troon en zeer verwonderde hij zich als hij dacht aan Destijds, toen alles zoo anders geweest was....

En Ysabele—o zij heette als Gaweins verstorvene vrouw en zij geleek zoo zeer op haar!—zat op kussens van scharlaken aan grootvaders voet....

En Amadijs zat neêr aan den voet van Gawein....

En de burchtgenooten, baroenen en edelvrouwen en lijfstaffieren en pagiën overvulden de zale en zaten of stonden achter of bogen zich uit de binnenbogen der hoogere gaanderijen.

En licht van kaarsen gloorde zacht overal....

Toen traden de vinder op met zijn veêler en de knapen haastten zich met sneller de laatste tafelen weg van de schragen te nemen en zij namen de schragen zelve weg.

En de veêler, terwijl de vinder boog, vedelde zacht op zijne veêl....

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings