HOOFDSTUK XXI
Reading edition
Intusschen doolden Lancelot en Gwinebant door andere foreesten rond, waar zij meenden Gawein te zullen vinden.
—Zoo wij slechts Merlijn hadden mogen zien, die leste tijden: hij hadde ons gezegd waar Gawein allicht ware te treffen.
—Wij en zagen Merlijn niet sedert dagen en maanden, zei Gwinebant.
—Hij is zekerlijk nog bezig met de draadlooze theorië, peinsde Lancelot.
Gwinebant antwoordde niet; hij wist, voor zich, dat Merlijn, al bleef onzichtbaar de toovenaar, hem iedere nacht, o zaligheid, deed droomen van schoone Ysabele, in zoete vië en amoreuselijk samenzijn en hij vroeg zich af, de schoone knaap, of Merlijn die droomen ook zocht te doen weven volgens draadlooze theorië...? Maar hij vroeg niets aan Lancelot en genoot liever zwijgend de herinnering van den laatsten droom: Ysabele's armen om zijn blonde hoofd, Ysabele's mond op zijn mond. En het kuiltje in zijn kin groef zich schalker.... De schemering zonk reeds grauwer door de dichte twijgen.
En laag in de boomen gloorde de weg zinkende zon.
Geene ontmoetingen hadden de ridders. En Lancelot meende reeds, dat deze dag des dolens er een verloren zoude zijn en dat zij herberg moesten zoeken. Want de dolende ridders op queste waren wel steeds gesteld op een bedde des nachts in burcht of kasteel, liefst een wonderbed, waarin hunne wonden den volgenden dag waren genezen. Gewond waren niet Lancelot en Gwinebant, maar zij hadden honger, hoe verliefd zij beiden ook waren en trouw. Zij spiedden dus beiden een weinig baloorig uit of geen torens tusschen de boomen uit staken, maar het scheen wel, dat eindeloos het foreest zich strekte....
Tot zij plotseling hoorden kreunen en kermen.
—Het Aventuur! zeide Lancelot en hief den vinger aandachtig op.
—Het Aventuur! herhaalde Gwinebant.
Het gekerm, het gekreun naderde aan. Het was niet van vrouwestem.... En met een wending van den weg werd zichtbaar een kar, getrokken door een armzalig paard en dat een dwerg geleidde. Het paard waren ooren en staart af gesneden en in de kar lag een half naakte ridder, gebonden handen en voeten en hij was het, die kermde en kreunde...
—De Kar! riep Gwinebant, hevig ontsteld.
—De Kar! riep ook Lancelot in grootste ontroering. De Kar der Schande! Gij, dwerg, zeg mij wien voert gij rond door de foreesten op deze schandekar?
De dwerg grinnikte; hij was idioot; maar de ridder op de kar kermde hooger.
—Heeren ridderen, wie gij ook zijt, ontfermt u mijner! Ik ben Lionel en ridder van Koning Clarioen van Noordhumberland, en hij beval mij naakt te werpen op de schandekar, opdat mij deze zinnelooze dwerg zoude voeren, alle straten door, alle wegen over, voorbij de burchten, dat uit de vensteren de bewoneren mij belachen zouden en onteeren! Heeren ridderen, de Koning Clarioen, hij beschuldigde mij van hem naar het leven te staan om mij meester van zijn troon te maken! Maar hij beschuldigt alle zijne ridderen van hem naar het leven te staan om zich meester van zijn troon te maken! Edele ridderen, dat is omdat hij geen oir en bezit, geen zoon of erfgenamen en hij zijne bruid Ysabele nog niet darf huwen.
—Ysabele! riep Gwinebant, heftig ontroerd. Welke Ysabele, ridder, zeg mij?
—Ysabele, die schoone, die is de kleindochter van den Koning Assentijn en princesse van Endi!
Gwinebant en Lancelot waren afgesprongen.
—Zweer mij, gij zijt onschuldig! drong Lancelot.
—Ik zweer, heer! riep de ridder. Ik Lionel, ik ben de zesde ridder uit Noordhumberland, die onschuldig wordt rond gevoerd op deze schandelijke tooverkar! O verlost mij, verlost mij, heeren!
—U verlossen... van de Schandekarre! riep Lancelot in hevigste ontsteltenis.
—Van de Schandekarre... u verlossen! riep radeloos Gwinebant.
En de beide ridders wierpen de armen op en riepen tot Sint Michiel.
Want de Kar te ontmoeten was groot ongeluk.
Want de Schandekar met het armzalige paard en den dwerg, die het leidde, was een tooverkar, een marteltuig en wie er in werd geworpen, werd er van zelve geboeid aan handen en voeten, en wie er in lag, geboeid, kon er alleen uit worden bevrijd door wie voor den geboeide, vrijwillig, de Kar besteeg. De Kar te ontmoeten was een ramp voor den dolenden ridder want het was ridderplicht den gemartelde te verlossen en in zijne plaats de Schandekar te bestijgen, maar de dolende ridder versloeg liever honderd reuzen en honderd draken daarbij.
Toen zeide Lancelot:
—Ik zal de Kar bestijgen....
—Neen!! riep Gwinebant uit, Lancelot omhelzende. Mijn zoete vriend, dat nie! Gij, de eerste aan den Hove, gij, die zit aan 's Konings rechterhand, gij, die onze koninginne lief hebt, gij, mijn gezel, dien ik minne: dat nie! Ik, ik ben de jongste, ik ben Gwinebant, die Ysabele minne; ik, ik zal de Schandekarre bestijgen!
En hij zette den voet op de kar.
Het was heel donker geworden....
Er was als een woedend gevecht op de Kar.
Het lichtte....
En de donder rolde....
Toen Lancelot de handen strekte, tastte hij en herkende niet Gwinebant maar Lionel. En hoorde hij Gwinebant, geboeid, liggende op de Schandekar, zich van pijn en smarte wringen en kermen en kreunen.
—Gwinebant! riep Lancelot smartelijk. Ik zal u bevrijden op mijne beurte...!
—Na twaalf uren! grinnikte de dwerg.
—Lionel! riep Lancelot. Sla mijn mantel om en bestijg mijns vriend paard! Dwerg, gij zot, zijt gij der burchten wel wijs?
De dwerg grinnikte bevestigend.
—Zoo voer de kar! riep Lancelot. Voer de kar, deze geheele nacht van smarte, rond, tot wij des daags langs de burchten rijden, waar vrouwen en ridderen mijn zoeten gezel uit de vensteren zullen belachen en onteeren!
—Gwinebant, riep Lionel naar den jongeling op de Kar: hij lag er half naakt in zijn door tooverij ontgespte rustingstukken, maar Lancelot bedekte hem met een mantel. God zal u loonen! God zal u loonen, o mijn bevrijder!
En pijnlijk en nog na kermende van de geledene pijnen, besteeg hij Gwinebants paard....
De dwerg rukte, op het lamoen van de Kar gezeten, de teugels; het mizerabele paard trok aan....
Stortregen viel neêr....
—Ik ben zot maar van de burchten wijs! grinnikte de dwerg.
Wat was de vië schoon en goed, meende Gawein; wat was te ademen reeds zaligheid, want was te beminnen niet het Paradijs voor wie meent, dat hij bemind wordt! In den volzomer straalde de blauwe lucht wolkenloos boven den burcht, die breed, een stad gelijk, met zijne talrijke torens, zijne verweerde massa's stapelde tusschen de bosschen in den steeds nevelenden wadem, stijgende uit de ziedende tooverrivier. En met Ysabele dwaalde Gawein over de wallen en langs de grachten, de twaalf poorten nu in vredestijd open, zoodat zij de eene poort in, de andere poort uit, dwaalden en doolden, terwijl in den hof voor den burcht de oude Koning behagelijk zat onder de linde in den gezeefden zonneschijn te knikkebollen....
En zijne ridders bal speelden en de edelvrouwen zich vermeiden, zoo wel met de pagiën als met hare schoothondjes.
Maar Gawein ging steeds Ysabele ter zijde, als haar ridder, die ook in het aanstaande tornooi te harer hulde strijden zoû. En geen ridder was zoo hoofsch als Gawein: al wist hij niet te zeggen de dingen als de woordenrijke vinders doen, hij wist te doen de dingen der courtoisië, die een ridder doet voor de vrouwe zijner keuze. Hij liep een middag Ysabele's valk na, die was weg gevlogen.... Tot hij den vogel eindelijk vond, moede des vluchtens, in het struweel. Hij redde eens Ysabele's hondje, dat in een der grachten gevallen was en sprong in het water het reeds verdrinkende keffertje met levensgevaar te grijpen: het was hem bijna ondoenlijk de gracht weêr uit te komen. Toen las Ysabele in de jeeste van Lancelot—ook reeds door de clerken geboekt—dat Lancelot, na drie wintermaanden gekerkerd te zijn geweest door een vijandelijken koning—de traliën had verwrongen om eindelijk in Mei, in den kerkerhof, een prachtige roze te plukken, die hem denken deed aan zijn liefde, koninginne Guenever.... En Ysabele vroeg haar oom en ridder of hij ook, te harer hulde, zes kerkertraliën wilde verwringen, om een roze te plukken.... Zoo dat Gawein zich in een kerker op deed sluiten....
Er bloeide juist een rozenstruik voor het gevang en alle ridders en edelvrouwen en pagiën, rondom Ysabele, kwamen zien hoe Gawein de traliën wrong en wrong om, eindelijk, bevrijd, de roos te plukken, die hij legde aan Ysabele's voetje. En zij kuste hem dankbaar en alle ridders en edelvrouwen prezen Gawein als den hoofschte, maar hij verontschuldigde zich en zeide, hij had niet meer dan Lancelot gedaan. Toen gaf Ysabele aan Gawein haar gouden kam en rondom de tanden had zij drie harer goudblonde haren gewonden omdat zij gelezen had in de jeeste, dat Guenever eens aan Lancelot ook haar kam geschonken had met enkele heurer haren er in....