HOOFDSTUK XIX
Reading edition
Overal klonken stemmen. Het Scaec! Het Scaec! Overal stormden de burchtbewoners de poorten uit, de trappen af. Aan een boograam, beneden, verscheen Koning Assentijn.
De waakhonden en schoothondjes liepen uit en blaften. De paarden hinnikten in de stallen. En zwermden overal de mannen en vrouwen in het vergier en over de wallen en langs de elf grachten. En joegen zij naar het Zwevende Scaec.
Gawein was de wenteltrap afgestormd, latende Ysabele en Amadijs.
—Het Scaec! wees Ysabele naar het glinstervierkant beneden, dat zich verloor als een vluchtende vogel tusschen de looveren van het geboomt.
—Het Scaec... herhaalde, bleek, Amadijs.
Ysabele naderde den schildknaap.
—Zoete en schoone knape, zei de princes. Zijt gij krank? Gij en volgt niet uw heer en alle kleur besterft op uwe kaken! Darf ik u bijstaan, lieve Amadijs?
—Lace, mijn hooge jonkver! zei Amadijs en sloot de oogen. Ja, ik gevoel mij krank tot mijnen toren en zal mijn heere Gawein niet volgen kunnen in zijne queste!
—Zoo blijf hier en laat mij u plegen, zeide Ysabele bezorgd en zij omvatte Amadijs in hare armen....
Ten zelfden tijd ontstelde zij....
Zij voelde Amadijs' borst onder het knapebuis zwellende kloppen. Zij zag Amadijs nu aan in zijne oogen, die zich openden....
En liet hem los.
—Voelt gij u bet, Amadijs, wellieve... knape? vroeg de princes.
Amadijs was gezonken zittende in het kanteel. Met groote oogen starende, zag hij naar beneden, waar de menigte, zoekende, woelde om den burcht.
—Ik voel mij bet, hooge jonkver, zei Amadijs. Ik zal mijn heere volgen gaan.
Hij wilde opstaan.
Maar Ysabele, zacht glimlachende, hield hem tegen.
—Blijf... herhaalde Ysabele. En zeg mij.... Ik ben die gone, die nieuwsgierig is.... Vertel mij van Camelot. Zijn daar vele schoone edelvrouwen? Rondom de ridderen van Tafel-Ronde?
—Ik en weet niet, zoete jonkver, zeide Amadijs.
—Waart gij nie tot Camelot?
—Ik en was nie te Camelot....
—Zaagt gij nie Guenever, die is vol van deugden, die "fonteyne aller schoonheden"?
—Ik en zag haar nie, zoete jonkver.... Ik ben eens armen ridders eenige zoon, verwantloos, en mijn vader stierf, en heer Gawein erbarmde—God van Hemelrijk zij hem genadig—zich mijner.
—Zaagt gij, zeg mij, Gwinebant nimmer?
—Ik en zag hem nimmer, jonkver.... Ik en zag alleenlijk Mordret... en ik zag Didoneel. Maar zoete jonkver, dat u God moge eeren, nu zeg mij ook door uwe genade: is de Koning, uw hooge vader, mijn heer niet meer booze te moede?
—Ik denk niet, Amadijs.
—Zult gij weder, o mijn zoete princesse, wen uw vader mijn heere booze is, hem voorspraak en toeverlaat wezen, Sinte Marië gelijk?
—Vergelijk mij niet, o Amadijs, met de heilige Moeder van God, die voor ons geboren wierd, maar wees gewes: ik zal immer mijn oom Gawein toeverlaat en voorspraak wezen.
—Hebt gij hem lief, princes?
De schildknaap verried zich geheel. Ysabele lachte heel zacht hem toe en zij zeide:
—Ik heb Gawein lief, o Amadijs, met mijne bewondering. Omdat ik van hem las en van zijne hoofsche en van zijne ridderlijke daden.... Ik heb een ander lief, o Amadijs, met mijn harte en mijn ziele en met alle mijne zoete droomen. Ik heb een ander lief, die is ver, maar dicht bij mij elke nacht....
—Ik heb, murmelde Amadijs; één lief, die is dicht bij mij elke nacht maar blijft zoo verre als een zwaard maar scheiden kan....
—Wat zegt gij, Amadijs?
—Niets ik, zoete jonkver. Ik zeide van een lied en een lays, die de vinders zingen en dat is van treurige minne.
—Zing het, gij.
—Ik en kan niet zingen, hooge jonkver. Mijn harte is te smartevol om te zingen. Ik ben jong, maar ik leed reeds veel. En ik heb lief en ik lijd te veel.... Want Minne is vaak treurig als Vrouwe Venus' wil. Dan mint een wie hem niet en mint en dan mint eene wie haar niet en mint....
—En dan mint eene wie ver is, zoo verre en weet niet wie die verre wel mint misschien....
—En de vinders, zeide Amadijs; maken er van een lays en een lied en niet meer, neen, niet meer....
—Niet meer, lace, dan een lied en een lays, herhaalde weemoedig Ysabele.
Beneden was het vergier leêg en verlaten.
—Kom, zeide zacht Ysabele. Dalen wij omneêr en wij zullen hooren of het Scaec is gevonden....
En zij nam Amadijs' hand en voelde zijn vrouwehand. Maar zij zeide niets. Hij volgde haar de sombere, de diepe, de wentelende trappen af....
En zij waren beiden vol van liefde voor anderen, door Vrouwe Venus' wille.
En zij hadden beiden wel kunnen weenen, van het eeuwige verlangen, dat Vrouwe Venus drupt als zoete gif in zielen van menschen, waarover zij altijd godin bleef, hoe het ook wisselde van heerschappij der goden over de menschen...
Geen Zwevende Scaec werd dien dag gevonden in den burcht van Assentijn, noch in de vergieren, noch in de foreesten, waar de jagers een jacht er op maakten en toen daarna de Koning Assentijn Gawein, uit hoofschheid, zijn gast en schoonzoon, noodde niet dadelijk te vertrekken, maar uit te rusten van geleden vermoeienis, nam Gawein dankbaar aan en scheen het Zwevende Scaec te vergeten, zoo als hij, durende een maand, gedaan had bij Morgueine, in de Vallei der Ontrouwe Ridderen. Maar toen was Gawein gevangen in het net der tooveriën van wellust ende zondig riveel, met honderd-negen-en-veertig anderen; nu was hij, alleen, gevangen in den zoeten toover der puurste liefde. En de dagen gingen voorbij; er was des morgens de jacht, niet meer op Scaecspel maar op ever en hert, bij het schallen der jagerhoornen, Ysabele op witten palafroet, omringd van de baroenen en edelvrouwen te paard; er was tornooi der ridders in den burchthof, terwijl de edelvrouwen om Assentijn en Ysabele zich schaarden aan het grootste burchtraam; er waren des avonds zoete Liefdehoven, waarin bij den gloor der kaarsen de vragen werden gesteld wat ridder voor vrouwe zoû doen, wat vrouwe voor ridder doen zoû in menigertiere gevalle, volgens de zoete wetten der courtoisië. Er was werptafelspel en dobbelsteenspel en zang en reciet van vinder en begeleiding van veêler en Koning Assentijn scheen niet zoo somber meer in rouwe om de verledene dingen, die hij wilde vergeten.
En Gawein volgde waar zij ging Ysabele.
Ter zijde haar op Gringolet bij de jacht, terwijl hij haar hielp heur valk, dien zij gekapt op het gehandschoende vuisteken hief, te juister tijd te ontkappen....
Opdat de vogel pijlsnel vloog op zijn prooi van haas of fazant....
Of door de verlichte burchtzalen, des avonds, bij het vroolijk en hoofsch festijn, volgde Gawein Ysabele....
En de fluistering ging tusschen de omringende ridders en edelvrouwen van mond tot mond met het nieuwsgierig geschuinoog naar Gawein en Ysabele....
Tot Gawein vraagde aan Ysabele, in de blauwe nacht van maneschijn, die tusschen de zwarte kruinen van het donkere foreest, tusschen de zwarte kanteelen van den donkeren burcht neêr zeefde met zilveren vallen van licht, boven in den hemel de glanzende wemeling der starren:
—Ysabele, mijne zoete Ysabele, koninginne van mijner harte rijk, zeg mij: hebt gij mij lief? Want ik heb u zoo lief als ik niet en wist, dat liefde lief konde zijn, als ik nie eene vrouwe heb lief gehad van dat ik als knape vrouwen en jonkvrouwen te lieven begon en zoo gij mij niet en lieve hebt, is mij te leven geen waarde meer, al zoude ik Koning wezen over alle deze koninkrijken der oude Koningen, die in Brittannië heerschen: Assentijn van Endi en Mirakel van Wonderland en Clarioen van Noordhumberland en Artur, mijn Heere van Logres.... Maar als gij mij lief hebt, o Ysabele, dan zoude ik willen, konde ik zoo als hoofsch en trouw ridder doen, deze geheele wereld voor u verwinnen tot Rome toe en Parijs en den geheel en hemel daarbij.
Toen ontroerde zeer Ysabele.
Zij wist, dat zij alleen Gwinebant lief had, dien zij eens op het tornooi had gezien en wien zij hare mouwe gegeven had en dien zij nacht aan nacht droomde, droomde in de zoete tooverdroomen en omhelzingen. Maar zij kon het Gawein niet zeggen, omdat zij hem niet ongelukkig wilde maken. Want hij was voor haar de held, van wien zij gelezen had, van wien zij wist de heldendaden en de roemruchtigheden en die, ontrouwe aan vele liefde, steeds trouw was gebleven aan zijn groot geloof: geloof aan het Wonder en aan de Werkelijkheid van het Aventuur.... En zij zelve, zij wilde gelooven aan het Wonder en het Aventuur, wat om haar henen ook glimlachten de baroenen haars vaders en hunne edelvrouwen. En zij was, met Gwinebants liefde in heur harte, vol zorg Gawein, den wigant, geen rouwe te doen en zij zeide, toen Gawein nog eens vroeg:
—Ysabele, mijne zoete Ysabele, hebt gij mij lief?
—Ik heb u harde lief, mijn oom Gawein en wen ik Koning Clarioen van Noordhumberland trouwe, zal ik u mijn ridder wel kiezen, zoo als Guenever Lancelot koos....
Toen aarzelde wel Gawein.
Maar sloeg zijne armen heen om Ysabele en kuste haar lang. En zij kuste hem weder en dacht:
—Het is om hem geen toren te geven en smartelijke rouwe....