← Table of contents
Het zwevende schaakbord

HOOFDSTUK XX

Reading edition

Een week daarna reed Amadijs, de jeugdige schildknaap, die eigenlijk Alliene, de jonkvrouw, was, alleen, dwars door de foreesten, die scheidden de landen van Koning Assentijn, van Koning Wonder, van Koning Artur. Hij was op weg naar Camelot, waarheen Gawein hem gezonden had, om eindelijk te melden den dood van Mordret en Didoneel.

Zijn stille ijverzucht, als hij Gawein en Ysabele te zamen zag, leed te veel dan dat hij niet met klem van woorden Gaweins bezwaren overwonnen had om te gaan, en alleen de gevaarvolle foreesten door te tijgen. Trouwens, hij was niet vervaard; Alliene, de jonkvrouw, was niet vervaard. Armoede en rampspoed hadden haar in den vervallen burcht haar vaders geleerd geen vrees te voeden voor mogelijk ongeval; de wapenrusting haars broeders drukte haar niet te zwaar de tengere schouders; het zware zwaard vermocht zij zelfs te hanteeren. Draken scholen er niet meer in de spelonken der wouden; Alliene, die heette Amadijs, was dus op weg getogen met Gaweins boodschap: dat Mordret en Didoneel twee stille feloenen waren geweest maar nu verslagen en met genade van orisone ende vigelië begraven en dat het Scaec voor het oogenblik onvindbaar was....

Zekerlijk, het Scaec had zich niet meer vertoond en waarheen de queste te richten als het zich niet meer vertoonde...? Gawein toefde dus te Endi, verzoend met zijn schoonvader en vol minne voor Ysabele, die met hem las, in het breede boograam samen gezeten, zijne eigene jeeste: die van vroeger, toen hij het eerste Zwevende Scaec had gezocht—of die met hem jaagde, valk op vuist.... En Amadijs nu, weemoedig, reed de eindelooze foreesten door, onvervaard, maar zonder hope en blijdschap des levens, omdat de dingen der liefde zoo treuriglijk waren, omdat de een den ander liefde gaf en niet altijd liefde weêrom ontving.... Zoo liefde Amadijs Gawein en zoo liefde Gawein Ysabele, die toch een ander liefde met liefde als de princes zelve Amadijs had bekend...! En de schaduwen vielen weemoediglijk uit de dicht gebladerde boomen: er was nauwelijks gezeef van zonneschijn en tinteling van zonnerondten rondom den jongen ruiter, op den mossigen grond, over den met onkruid bewoekerden weg....

En de vogelen zwegen stil, om de wolken, die laag dreven, boven de boomenkruinen....

Een slang schuifelde soms....

Sloop tusschen rotsblokken, ritselend geheimvol, onder de dorrende bladeren, die verschrompelden en rotten van vocht, tusschen de dof roode zwammen....

Tot zware stemmen in de verte verduidelijkten, en het ros de zenuwige ooren spitste en Amadijs uitluisterde naar wie naderde met ontmoeting kwade of goede, die hem het gemoed zoû ontroeren.

Waar de weg wendde en de rotsen zoomden het ruige ravijn en de zonneschijn feller viel in het woud uit de opene lucht, den afgrond over en de schaduw dieper den schemer indrong, reed een drom van ridders aan....

Een drom, neen....

Amadijs telde er zeven slechts....

Maar hunne woorden waren geweldig, hunne breede rossen versperden den smallen weg, hunne rustingen rammelden van ijzeren en stalen rateling en zij schenen meer in aantal dan zij waren....

Amadijs, wel onderricht van wat ramp kan worden en tegenspoed, seinde zich achter zijn schild maar reed onvervaard door.

En genaderd de ridders, groette hij hen hoofsch met zijn speer en met Gods eere, die hij hun toe riep. De voorste, een reus, riep terug den groet en voegde er aan toe:

—Waarheen richt gij u, jeugdige knape, aan deze grenzen veler koninkrijken, wen ik u vragen darf? Zoo alleenlijk en jong van jaren te dolen door deze foreesten, dunkt mij moed boven uwe jaren?

—Ik zeg dank, heer ridder, zeide Amadijs; voor uwe hoofsche vrage, die ik geerne beäntwoord: ik richt mij tot Camelot, tot des grooten Konings Arturs hove, om hem kond te doen van drie zijner ridderen.

—Bij den goeden dage! bulderde de reus verwonderd.

En naast hem stotterde zijn makker:

—Bbbb...ij dd...en goeddd...en ddd...age!

Terwijl een derde achter hen schaterde van luiden lach:

—Bij den goeden dage!

En de vier anderen uitriepen:

—Bij Sint Michiel!

—Bij Sint Jan!

—Dit is met rechte jongstige fortuin! hernam, bulderend blijde, de reus. Want weet, wellieve knape, dat wij zijn zeven ridderen van Tafel-Ronde en dat wij zoeken Mordret en Didoneel, die zijn van Camelot gegaan en zij kwamen niet meer weêrom, zoodat onze heer Koning ons heette hen te zoeken; zij zijn hem harde dierbaar en hij vreest voor hunne levens.... Ik ben die gone, die is Bohort; mijn gezelle, hier naast mij, heet Ywein....

—Ywein! herhaalde de stotteraar en stotterde niet, omdat hij op een w niet stotterde.

—Acglovael, bij mijne trouwe, ben ik! lachte de schateraar en sloeg joviaal uit zijn hand naar den knaap.

En de anderen galmden hunne sonore namen van Keltischen klank en die daverden geluidvol langs het ravijn en het woud door:

—Hestor en Meleagant!

—Galehot ik!

—En ik Sagremort, weet dat wel!

Toen lichtte Amadijs de ventalië van zijn helm omhoog.

En zeide zacht en bescheiden:

—Mijn hooge heer en en valiante baroenen! God van Hemelrijk deed mij genadiglijk uw zevenen op mijn eenzamen weg ontmoeten. Ik ben Amadijs, schildknape des heeren Gawein....

—Gawein!! bulderden zij allen en Bohort, haastig, ging door:

—Vertel mij, welzoete knape, van onzen Gawein. Want wij ontberen hem ook sedert dagen en Lancelot en Gwinebant zijn ten tweeden male uitgetogen om hem te zoeken.

—Hij toeft bij zijn schoonvader, den Koning Assentijn, verzekerde Amadijs. Maar hoort mij verder aan, o ridderen: geheimenis is niet meer van noode; neen, ik ben geen knape maar eene rampzalige jonkvrouwe: ik ben Alliene en Gawein beschermde mij toen Mordret en Didoneel mij ontschaakten uit den burcht mijns vaders!

Uitroepen van verrassingen en van verontwaardiging ontsnapten Koning Arturs ridders. Zij stegen in ijle af, bonden de paarden aan de boomen vast en zetten zich aan den rand van het ravijn rondom Amadijs, die hun vertelde van al dat gebeurd was. Dat Mordret en Didoneel twee feloenen zouden zijn geweest, was hun bijna ondenkbaar, maar nu herinnerden zij zich toch:

—Nooit ende nie hebben zij eene damosele bevrijd van andere feloenige ridderen, merkte kleine, dappere Meleagant op.

En zij beäamden het alle de andere zes: nooit hadden Mordret en Didoneel in alle die jaren belaagde damoselen bevrijd. Daarom wilden zij ook wel geloof hechten aan de woorden van deze, als Gaweins schildknecht, vermomde jonkvrouw en toen zij eindelijk weêr op zouden zitten, zeide Bohort:

—Jonkvrouwe Alliene, of Amadijs, als gij u heet, zes onzer zullen zekerlijk tijgen naar Amoreuse-Garde, den boozen burcht, waarvan gij spreekt en waar belaagde, damoselen gevangen worden gehouden door keytivige ridderen, gezellen van Didoneel en Mordret en die zes zullen de jonkvrouwen wel verlossen, weet dat wel, maar één onzer zal u begeleiden tot Camelot, opdat gij den Koning Artur konde doet. Zeg mij, wien kiest gij onder ons?

—Ik en weet niet, heer Bohort, zeide Amadijs.

—Zoo ik mij melden darf, zeide Galehot; zoude ik geerne dezen lieven schildknecht den mijne noemen wen Gawein hem niet heeft van noode en met hem terug keeren tot Camelot. Ziet, lieve gezellen—o Sagremort, trek zoo niet de wenkbrauwen op!—gij gaat allen die belaagde damoselen bevrijden uit Amoreuse-Garde maar willen zij wel bevrijd worden?

Acglovael schaterde om Galehots twijfeling, maar Sagremort zeide.

—Hij heeft recht, Galehot; willen die damoselen bevrijd of niet bevrijd worden: dat is de vrage?

—Riddd...erplicht, stotterde Ywein; is bbbe...laagde ddd...amoselen te bbb...evrijden!

—Of zij bevrijd willen worden of niet, meende Hestor op modeste wijze, nu hij zijne meening ook kenbaar maakte en het was of hij zich verontschuldigde,

—Zoo zult gij, gezel Galehot, zeide Bohort; met Amadijs weder keeren tot Camelot, waar onze heere alleenlijk beidt met de koniginne en met Keye en angstiglijk uit spiedt naar tijdingen. En wij zessen, makkeren, wij gaan die damoselen bevrijden!

—Wij gaan eindelijk weder damoselen bevrijden! riep Meleagant, juichende blij.

—Wij gaan ddd...amoselen bevrijden, stotterde Ywein; of zij willen worden bevrijd of niet!

—Het is wèl een klein Aventuur te noemen, meende Hestor, die nooit van grootspraak hield.

Maar Sagremort zeide:

—Ik en weet eigenlijk niet of het een Aventuur is te noemen, maar het zoude wel kunnen gaan worden een Aventure... ja, ja, dàt wel!

—En daarom zitten wij zessen op! schaterde Acglovael en zette, ratelend van lach en van wapenene, zijn gemalieden voet in den breeden beugel.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings