HOOFDSTUK IX
Reading edition
Gedurende een maand reeds had Koning Artur, hadden de ridders te Camelot niets vernomen van Gawein, die ter queste getogen was en hoewel een maand niet bizonder lang is om een Zwevend Schaakbord te vangen, begon Koning Artur, begonnen de ridders ongerust te worden en fluisterden de laatsten onder elkaâr wat er toch met Gawein had kunnen gebeuren...? Tevens was het vreemd, dat Didoneel en Mordret des avonds dikwijls afwezig waren, voor welke afwezigheid zij niet bizonder aanneembare redenen konden opgeven, terwijl daarbij nog kwam, dat Merlijn gedurende een maand zich niet op Camelot had laten zien. Het waren alle dingen, die een onaangename stemming opriepen te Camelot, waarvan alleen, naar het scheen, Lancelot en Guenever zich weinig schenen aan te trekken. Tot eindelijk Merlijn, op een goeden dag, heel vroeg tegen priemtijd, op zijn fenix aan kwam vliegen en, afgestegen, met vragen door de ridders werd bestormd. Wist hij niet waar Gawein was en waar was hij zelve zoo lang geweest?
—Waar ik zoo lange geweest ben? antwoordde Merlijn. Maar mijn dappere wiganten, ik ben niet als gij lieden, die hier tot Camelot reeds sedert tien jaren respijt neemt van uwe heldendaden en rustiglijk afwacht tot Aventure zich meldt! Ik ben, het is waar, een tooveraar, maar ik ben tevens een chemicus, en een fyzicus, een mechanicus, een naturalist, een man van occulte sciencië en ik heb veel te werken, ik heb werkelijk veel te werken! Denkt gij, dat ik maar iederen dag hier tot Camelot kan komen klapaaien en maar niets doen en zitten te bepeizen van Wondere ofte van geen Wondere? Ik heb dezer dagen doorgrond of ik niet de sprakebloemen, die de gesprekken tusschen Morgueine en mij opvangen en terug kaatsen, draadloos kan inrichten.
—Draadloos? schaterde Acglovael het uit.
Merlijn zag den te pas of te onpas schaterenden ridder aan en haalde zijne schouders op.
—Ja, draadloos, zeide hij, droog. Nu hebben wij er metalen draden voor noodig, die spannen mijn gnomen mij onder de aarde, weet gij, Acglovael. Draadloos zoude veel simpeler zijn. Maar omdat Morgueine deze maand nimmer in haar slot aan zee was, nam mij het werk veel tijds en nu eerst ben ik er achteren gekomen waar zij zich divertiert en dat is in de Valleie der Ontrouwe Ridderen en daar drijft zij jolijt met honderd-vijftig Ontrouwen....
—Honderd-vijftig? weifelde Sagremort.
—Honddd...erd-vijftig? stotterde Ywein verbaasd.
—Min noch meere, verzekerde Merlijn. En de honderd-vijftigste is... Gawein.
—Gawein?? riepen Hestor en Meleagant.
Galehot glimlachte omdat hij al lang geraden had, waar Gawein zoo lange toefde. En toen Lancelot en Gwinebant aan kwamen wandelen, beider arm om malkanders schouderen, lichtte Galehot hen in:
—Gawein divertiert zich met Morgueine in de Valleie der Ontrouwe Ridderen....
En Merlijn vertelde van den dood van Gringolette, het goede ros, en hoe Morgueine hem eindelijk door een sprakebloeme had gemeld, dat Gawein haar honderd-vijftigste Ontrouwe was.
—Als de Koning dàt hoort...! zeide Lancelot ontsteld.
—Alleen een ridder, trouw aan zijne minne, kan Gawein verlossen! zeide Gwinebant.
—Zoo ga gij, Gwinebant, zeide Merlijn. Gij dròomt zelfs niet van andere jonkver dan van Ysabele, Assentijns kleindochter.
—Gwinebant lieft niet lange genoeg! Hij en is niet genoeg beproefd! riepen Meleagant en Hestor.
—Twijfelt gij aan mijne trouwe? riep Gwinebant, de klare stem klaterend van verontwaardiging.
—Wie van u is dan trouw? vroeg Merlijn, die het wel wist.
Zij waren het op één na van allen geen. En zij glimlachten tegen malkanderen en schokten de schouders en zij wisten van malkanderen, dat als zij ééne jonkver hadden bemind, zij er ook eene andere hadden bemind. Gwinebant, die was nog een knape... al telde hij maar drie, vier jaren minder dan zij.
—Lancelot, antwoordde toen Hestor en hij antwoordde zeer modestelijk, alsof hij aan zich zelven niet dacht.
—Ja. Llll...Lancelot! beäamde Ywein.
—Lancelot! riepen de anderen.
Lancelot stond, als wilde hij zich verontschuldigen, de oogen neêr, het gebaar vaag weêrgevend zijn onmacht ontrouw te zijn. Toen zeide hij vast en sloeg de oogen op:
—Ik ben trouw!
—Gij zijt trouw, Lancelot! riepen zij allen. Bij Sint Michiel!
—Zoo zal het aan u zijn... begon Merlijn.
—Aan u! vielen zij allen in.
—Het zal aan mij zijn, beäamde Lancelot. Ik zal den Koning vragen verlof Gawein te verlossen...
—Neen, dat niet vragen! riepen zij allen. De Koning weet niet....
—Dat Gawein....
—Toeft in de Valleie der Ontrouwe Ridderen! riepen Sagremort, Acglovael en de anderen.
—Waar zijn toch Mordret en Didoneel? dacht Galehot.
—Ik zal, hernam Lancelot; den Koning verlof vragen Gawein... te zoeken!
—Te zoeken, ja justement!
—Ik zal u helpen, Lancelot! riep Merlijn. Werkelijk, mijn zuster Morgueine drijft ergerlijk spel in hare Valleie....
—Honddd...erd-vijftig! verontwaardigde zich Ywein.
Een zware bel slingerde zijn metalen roep. Het was het teeken, dat Koning Artur afdaalde ter Ronde Zale en zijn troonzetel in zoû nemen aan de Tafel Ronde. En reeds verscheen hij, geleid door Guenever, en drie pagiën beurden zijn mottigen mantel. En de ridderen, een voor een, naderden hun leenheer en vorst en bogen voor hem de knie....
Met dezen noen togen Lancelot en Gwinebant, na verlof van den Koning te hebben gekregen, er te paard op uit om Gawein te zoeken. Merlijn had het betreurd hen niet dadelijk te kunnen helpen, omdat hij juist zijn tooverwagen ter beschikking van Morgueine had gesteld: anders hadden de beide ridders er een toer meê kunnen maken tot aan de Valleie van de Ontrouwe Ridders.... Maar toch, ze hadden geen van beiden met de enghiene kunnen omgaan—zeide Merlijn—en den wagen kunnen sturen en Merlijn zelve had het dien dag te druk met de draadlooze theorië te vervolmaken. Zoo dat zij met hun beiden te paard gingen, de vlakte over in zonneschijn en om den wonderberg heen, want die ontsloot zich niet voor de ridders. Zoo dat zij langs de rivier reden; breed was de rivier als een zee; soms draafden zij, soms stapten zij.... Gwinebant keek telkens op, of hij het Scaec niet en zag, maar er was geen Scaec te zien; trouwens, het zoû ook niet altijd de lucht doorzweven en misschien nu reeds rustig wachten ter plaatse waar Merlijn het heen zoû zenden, opdat Gawein het vinden zoû na Aventure, groot en klein. En plotseling zagen de ridders, ter zij van den weg, een graf van steenen gestapeld en zij ontroerden hevig, want zij herkenden helm en zwaard en schild en speer van hun makker Gawein en zij begrepen, dat hij ongewapend Morgueine in de Vallei was gevolgd. Zij waagden echter zwaard noch helm noch speer noch schild van Gawein mede te nemen en weg van het graf, dat zij begrepen te zijn van Gringolette, die bezweken was van het zwemmen. En zij maakten zich beiden het teeken des Kruizes en passeerden het graf, front makende op hunne paarden omdat Gringolette bijna menschelijk verstand had gehad en zekerlijk nu hare ziel weidde in de hemelsche weiden, die voor de poort zich strekken, waar Sint Peter waakt, met de Sleutelen, en waar alle goede paarden, in den strijd verslagen of anderzins omgekomen, naleven een lief leven van vrede, en klaver en haver.... En zij reden steeds verder en het werd reeds avond en zij ontmoetten den herder, die terug keerde met zijne kudde en hij groette hen beleefdelijk—hij was zoo gewend ridders te treffen te paard of feeën in tooverwagens, zeide hij—en hij vertelde hen ook van Gringolette's dood: dat was nu al meer dan een maand geleden! Sedert had hij dien edelen baroen niet meer terug gezien.... Maar het graf, daar van konden de edele baroenen zeker zijn, zoû door niemand worden geschonden: daar waren de ridderlijke wapenen en het schild en de helm en de handschoenen borg voor, zeide de herder. Van de Valleie wist hij niets, maar hij meende, de baroenen moesten maar altijd recht-uit rijden, den Burcht van Koning Mirakel voorbij en dan links: daar waren weder andere wonderlanden: o, er waren er hier zoo vele, aan deze zijde van de rivier. Zoo dat, met het vallen van den avond, de ridders nog immer reden, nu stapvoets en dan weêr in draf, tot zij begrepen verdwaald te zijn door dien linkschen weg. Hunne paarden waren wel moede en Gwinebant zeide, ongeduldig:
—Waarom zendt Merlijn ons ook niet een teeken, dat wij in de nacht niet en verdwalen...!
—Hij is bezig met de draadlooze theorië, verontschuldigde mild Lancelot; maar mij ware het ook bekwaam zoo wij hier een burcht zagen, om gastvrijheid te vragen....
—Zoo wij terug gingen tot Koning Mirakel...? aarzelde Gwinebant.
—Wij gaan nimmermeer terug, Gwinebant, wen wij eene queste doen, zeide streng Lancelot.
En Gwinebant bloosde als een maagd en hij zeide, nederig:
—Gij hebt wel recht, Lancelot; zoo vergeve mij Sinte Marië, onze Lieve Vrouwe aller Genade.... Wij gaan nimmermeer terug.
En zij stapten voort in de nacht, die gezonken was. Het land aan de kant van den weg strekte zich eindeloos en verlaten uit onder den schijn van de starren, die weefden een zilveren mist. Aan den anderen kant van de rivier waren de kimmen niet te zien en het water was zoo breed als een zee....
—O zie! zeide Gwinebant en hij seinde zich vol vromen huiver.
—Ik zie! Ik zie! zeide Lancelot en ook hij bekruiste zich.
De beide ridderen hielden de paarden in. Zij zagen ademloos toe. Over de zee-breede rivier vlogen tal van zwarte vogelen. Het waren geen raven, het waren geen kraaien; het schenen meer zwarte duiven. En zij vlogen in zwierende kringen en dan, plotseling, als in wanhoop, dompelden zij in de even zilveren wateren onder. En vlogen weêr op, maar zoo blank als versche sneeuw en zij verloren zich in de nacht....
—Het zijn de zielen van Vagevure, zeide Lancelot, en seinde zich weêr.
—Die zich louteren in de loutere wateren, zeide Gwinebant en bekruiste zich als Lancelot had gedaan.
—Wij zijn op de heilige Landouwen gedoold, zeide Lancelot en hij schouwde om zich rond. Dit is niet Logres meer.
—En zelfs niet meer Wonderland van ouden Mirakele!
—En noch tooverland van Morgueine en van Merlijn....
—Zullen zij gered worden voor Paradijs, o Lancelot? vroeg Gwinebant huiverig. Merlijn en Morgueine?
—Ja, zij, zeide Lancelot. Zij en zijn niet booze.
—Neen, niet booze....
—Zij zijn alleenlijk te welwetend van de dingen boven en onder de aarde.
—Alleenlijk te welwetend... herhaalde Gwinebant.
—Maar aan het einde zullen zij worden gered.... Bidden wij voor hen, Gwinebant.
De ridders stegen af. Zij bonden de paarden aan hunne in het gras gestoken zwaarden. Zij knielden naast malkanderen aan den rand van het zee-breede water en begonnen hunne orisone te zeggen.
Vóór hunne blikken, daar ginds, in de wijde, zilveren nacht, vlogen de zwarte vogelen aan, doken onder, en stegen sneeuwblank, druipelend van de droppen, op, tusschen de sterren....
En Lancelot en Gwinebant baden voor Morgueine en voor Merlijn, dat zij aan het Einde zouden worden gered.
—Zoo zullen zij, bad Lancelot; als zwarte vogelen aan vliegen komen, o God van Hemelrijk, over uwe loutere wateren....
—Zoo zullen zij, bad Gwinebant; als witte vogelen uit vliegen komen, o God van Hemelrijk, uit uwe loutere wateren....
—Amen, baden zij beiden en seinden zich.
En zij stegen weêr op en reden voort, terwijl zij uit de lucht de witte duiven, heel zacht, meenden te hooren zingen:
—Kyrië Eleïson! Kyrië Eleïson!
Maar zij waren te vroom, de beide ridders, om op te zien. En zij reden voort, steeds voort, niet wetende waarheen en vertrouwende, dat zij wel door bewaarengelen zouden worden begeleid, zoo niet dadelijk aan het einddoel der queste, dan toch tot Aventure....
—Zoo als in het Leven, zeide Lancelot wijsgeerig.
—In het Leven? vroeg Gwinebant, als een knaap.
—Waar het Aventuur is het Goede en het Kwade, als in de queste, zeide Lancelot.
—Is dat waar? vroeg Gwinebant.
En hij voegde er aan toe:
—Lancelot, gij waart immer trouw aan uwe zoete minne, mijn moeie Guenever?
—Ik ben een groot zondaar, zeide Lancelot; maar in mijne zonde was ik altijd trouw.
—Ik zal ook altijd trouw blijven, zei Gwinebant; maar gij waart alreede trouw lange, lange, verledene jaren.
—Ik ben een groot zondaar, zeide Lancelot; maar ik kan niet anders, zoo helpe mij God. Mijn trouwe is mijne groote zonde.
—Wij zullen Gawein zekerlijk vinden, zei Gwinebant. Want wij zijn beiden trouwe....
—Maar zondig ik alleen, zei Lancelot en seinde Zich drie malen.
Toen bekruisde zich drie malen Gwinebant, hoewel hij noch zich, noch Lancelot zeer zondig vond.