HOOFDSTUK XVIII
Reading edition
De veêler vedelde zacht zijne veêl, begeleidende de stem van den vinder, die zong hoog en heldhaftiglijk uit van een ridder van Tafel-Ronde. De vinder, uit zijn tasch, had zijn handschrift genomen; het was hem zoo kostbaar, zeide hij, als een zwaard aan den ridder, als een koninkrijk aan den Koning en het was een klein boeksken van perkament, dat hij fijn had beschreven met zijn goudhel klinkende rijmen. En terwijl vedelde de veêler zijn veêl, hief de vinder het boeksken omhoog en kuste het en zeide; het was zijn gedicht en zijn kunst en hij behoefde het nauw in te zien want hij kende het wel bij harte en uit hoofd. En hij hoopte, God zoû hem vergeven de mesdade, die hij aan zijne redenen deed, en de wijsheid verleenen, groot, om zonder meswende van Gawein te zingen. En hij zong van Gawein en hij wist, dat hij zong vóór Gawein, maar hij zweeg bescheidenlijk van het bloedbad, en Gawein was er hem dankbaar voor. En zijn stem gloeide, terwijl hij zong van Gawein. Hij zong eentonig zuiver zijn lang reciet, hoe Gawein, Koning Arturs neve, wien in den noen wiesen de krachten, niet enkel de krachtigste, maar ook de hoofschte was en de allerdapperste, de allerdapperste!
—Lancelot is óók de allerdapperste, fluisterde Gawein verlegen zijn schoonvader in. En harde hoofsch daarbij.
De allerdapperste, zong de vinder voort, en die een moederserpent versloeg met vier felle, jonge drakinen!!
—Ik heb in de grot, niet lange geleden, de geraamten nog wel aanschouwd, fluisterde Gawein en bloosde en hij ontroerde hevig, toen de vinder van Gringolette zong. Lace, zijn goede wrene was dood en begraven bij de rivier, maar Ysabele... zij was herleefd! Nu hoorde hij nauwelijks meer naar des vinders jeeste, die hem bezong. Nu zag hij met kloppend hart neêr op de bloeiende roze, op de zoo blanke lelië, die bloeide aan Koning Assentijns voet. Nu voelde hij Vrouwe Venus hem heftig doorvaren; nu wist hij, dat hij beminde als hij nooit bemind had, zelfs niet zijn gestorvene vrouw. Ysabele, Ysabele, de oude naam weêrtrilde met een nieuwen klank bij het trilleren der vedelsnaren door Gaweins ontroerde gemoed: Ysabele, Ysabele, zoo jubelde het boven alle die hoofden uit in de verwulfde burchtzale. Ysabele, Ysabele, zoo zouden de engelen zingen in Paradijs om wie hen verlaten had en neêr was gedaald op aard tusschen zegen en regen van rozen en leliën, lelië en roze zijzelve!
Maar toen de vinder gezongen had en met den veêler in de keukens was afgedaald om tusschen alle de serianten kostelijk te worden onthaald en toen allen zich ter ruste trokken terug en ook Gawein en Amadijs waren binnen hunne kamer, toen leunde Gawein aan het boograam en zag naar buiten in de stille, starrige nacht. En hij herdacht, dat de dingen en Aventuren zich herhaalden, maar zich toch niet herhaalden. Destijds was hij hier dwars door een bloedbad binnen gedrongen, maar had hij die nacht zijne Ysabele gekust, Ysabele, die hij uit zijne droomen reeds kende; Ysabele, die hij daarna geschaakt had! Ysabele, die toch zijn zoete vrouw was geworden! Nu was hij hier met eere ontvangen, maar hij kuste niet Ysabele. Hare kamenieren hadden haar weg geleid in haar eigen vertrek en haar ontkleed en ter ruste gelegd en haar princessekroontje, als het behoorde, gezet op de treê van het bedde en haar hondje sliep zeker in het midden der kemenade.
En Gawein staarde naar buiten.
Het scheen hem toe, dat zijn geluk en zijn weemoed om zijn late liefde zich mengden.... Zoo, als buiten zich mengden de aardegeuren en de verre starreglanzen met het zachte bruischelen der bladeren van het omringende foreest.... En met het vreemde ruischelen van die zacht zilveren wolkjes...
Maar die geen wolkjes waren, geen nevel en geen mist en geen windeveêren....
Maar wel zilverige wieken als van waterjofferen en van libellen: sylfewieken...
Ook Ysabele's kemenade was vol van dien zelfden vreemden zilverschemer en schijn, dien Gawein, naar buiten starende, zag wemelen uit den hemel....
En Ysabele, op haar kuische bed, wendde zich zachtekens om, met een gebaar als omhelsde zij een, die naast haar lag op de leêge plaats....
En zij droomde van Gwinebant....
En Gwinebant, ver weg, droomde van Ysabele...
Maar Gawein stond en staarde vol weemoed en vol geluk.
Het was hem of zijn leven begon.
Het was hem of heel zijn leven zich met wonder en heldendaad en tooverië had voorbereid tot alleen dit zoete, onvoldane verlangen.
Het was hem of er niets was geweest dan dit.
Of dit het alleenlijke, eenige Aventuur hem was...
En eindelijk wendde hij zich van het boograam. Trad de trede omneêr en toe op het bedde.
Daar lag Amadijs, roerloos, de oogen geloken, achterover het hoofd op het ronde oorkussen.
En hij deed of hij sliep.
En Gaweins zwaard lag naast den schildknaap, uit zorg reeds neêr gelegd, want het was goed voor ridder en knape te slapen met hun zwaard.
Gawein legde zich naast het zwaard, dat lag tusschen hem en Amadijs. Gawein sliep niet, hij lag en staarde in de schaduwen van het baldakijn boven zich. Hij glimlachte met open oogen. Vrouweschimmen van wie hij bemind had, vervloeiden voor zijn droomende oogen open en telkens tusschen haar ijle genevel glansde het hemelsche vizioen van Ysabele op. Amadijs' hand lag niet op zijn eigen zwaard, dat ter andere zijde hem lag, maar over Gaweins eigen zwaard.
Den volgenden dag zochten allen in den burcht naar het Zwevende Scaec, dat, als Gawein en Amadijs verklaarden, boven den breeden burcht zich had laten zinken naar omlaag. De baroenen en edelvrouwen, de pagiën en lijfstaffieren, allen zochten, gingen trappen op, trappen af, bestegen de tallooze torens, daalden in de tallooze duwieren af en ook Gawein en Ysabele zochten. En Gawein toonde Ysabele het duwiere, waar hij, meer dan tien jaren her, met hare moeie, Ysabele als zij geheeten, met Koning Assentijns schoone dochter—zóó vergramd was de Koning geweest, toen hij Destijds van hun kussen gehoord had!—in ketens was neêr geworpen. En Ysabele, de zoete, ontzette, maar Gawein vertelde haar, dat de geest van een ridder, dien hij eenmaal gered had, hen beiden uit den kerker bevrijd had.... En al het vreemde en ongewone spookte om hen beiden heen, in het nauwelijks door de vlammende toortijtsen der hen vergezellende knapen opgelichte schemerduister: de atmosfeer van het Destijds, terwijl zij zochten naar het Scaec en het niet vonden. De herinnering aan den geest van een ridder... een Zwevend Scaec, dat zij zochten, hier in dezen burcht, dien Gawein eenmaal had ingenomen, hij alleen strijdende en verslaande vierwerf twintig man aan elk der twaalf poorten....
—Gij versloegt tachtig malen twaalf mannen, mijn oom? verwonderde Ysabele, terwijl zij buiten het duistere duwiere traden; over de trappen stegen en daalden eindeloos de burchtgenooten, zoekende. Gij versloegt zoo vele mannen, gij, alleen? Ja, ik weet, ik las er van in de jeeste, de zelfde, die de vinder ons gisteren zong!
—Het gaf mij toren, zoete Ysabele, zeide Gawein, verlegen voor de maagd, om het bloedbad, dat hij eenmaal hier had aangericht; zoo vele dappere mannen te moeten verslaan, maar het was, weet gij, om uwe moeie Ysabele te winnen, voor Koning Amoraen.... Maar die stierf van verlangen, voor ik haar bracht....
—Is het véél mannen, mijn oom, vroeg Ysabele; voor éénen ridder om te verslaan: vierwerf twintig man aan twaalver poorten elk?
—Het is nog al veel, Ysabele, zeide Gawein en bloosde. Maar het is niet zoo veel of Lancelot zoû het fayt-van-wapenen ook hebben kunnen bestaan.
—En Sagremort?
—Sagremort ook, bij Sint Michiel! verzekerde krachtig Gawein. En ook Bohort, Hestor of Acglovael, wees des gewes, mijne zoete nicht!
—Maar... Galehot? vroeg Ysabele vol belang.
—Zekerlijk zoude Galehot het hebben volbracht! hield Gawein vol. En Ywein eveneens, zonder sparen!
—En ook... Gwinebant, mijn oom?
—Gwinebant is de jongste, die mede aan zit aan Tafel-Ronde en hij is met Lancelot mij komen verlossen—uit de Valleie van Ontrouwe Ridderen.... Hij is een dierbare jongeling mij, Ysabele, en harde valiant en ik twijfel niet, of hij, als wij allen, had het volbracht, het fayt-van-wapenen....
Ysabele glimlachte, heimelijk verheugd en zij stegen de trap op, die wentelde, steeds zoekende naar het Scaec.
—Ik en zie het niet, oom.
—Ik en zie het evenmin, Ysabele.... Amadijs, ziet gij het Scaec?
Gawein wendde zich om naar den schildknaap, die volgde eenige treden lager.
—Ik en zie het niet, mijn heer, antwoordde Amadijs zoo treurig en zacht, dat het Ysabele trof.
—Wij en zien het niet, zeiden de baroenen en de edelvrouwen, die mede opgingen, afdaalden.
Gawein en Ysabele waren op een der torenterrassen gekomen. De zomerlucht veropenbaarde boven hunne hoofden onmetelijk en zware blanke wolkmassa's stapelden er, drijvende uit en in elkaâr.
—Dus Gwinebant, herhaalde Ysabele en hare stem klonk nu zoo vreemd, zoo zacht en treurig, als Amadijs' stem had geklonken; Gwinebant is wèl krachtig en harde valiant...? Vierwerf twintig man aan elke onzer twaalf poorten... zoude hij als gij, mijn oom... kunnen verslaan... om een jonkvrouw te winnen...? Het is zoo veel bloed... te veel bloed...! Maar het zoude zijn om te winnen een jonkver... eene jonkver, die hij minde, en trouwe was zijne minne, niet waar, mijn oom?
—Zaagt gij ooit Gwinebant, Ysabele?
—Ik zag hem eene male.... Tijdens het tornooi, lesten jare.... Ik gaf hem mijne mouwe, die hij vast hechtede aan zijn helm.... Sedert, sedert zag ik hem niet meer....
—Nooit meer, Ysabele? Nooit meer?
—Ik en zag hem nooit meer, mijn oom, zeide Ysabele en glimlachte nu zacht en zij sprak niet van hare droomen. Maar zeg mij, mijn oom, zoo hij met Lancelot waardig was u te verlossen uit de Valleie der Ontrouwe Ridderen, aan wie is hij dan zoo trouwe als Lancelot is aan koninginne Guenever??
—Gwinebant zeide het mij nimmer, Ysabele, antwoordde Gawein, turende van de wolken naar de boomen. En plotseling riep hij luid uit, zoodat zijn stem overal om den burcht weêrklonk:
—Het Scaec! Daar ginder! Het Zwevende Scaec! Tusschen de boomstammen van het vergier!!
En hij wees....