VII. De bedevaartgangers van den Phalgou.
Reading edition
Béhar vormde in vroegere eeuwen het rijk van Magadha. Het was een soort van heilig grondgebied ten tijde der Bouddhisten en nog heden is het bedekt met tempels en kloosters. Doch sedert lang hebben de brahmanen de priesters van Bouddha opgevolgd. Zij hebben zich meester gemaakt van de »viharas,” zij exploiteeren ze, zij leven van de opbrengst van den eeredienst; van alle kanten stroomen de geloovigen naar hen toe; zij concurreeren met de heilige wateren van den Ganges, met de pelgrimstochten van Bénares, met de plechtigheden van Jaggernaut, in een woord, men kan gerust zeggen, dat het land hun toebehoort.
Het is een rijk land met zijn onmetelijke smaragd-groene rijstvelden en zijn uitgestrekte vlakten met maankop, met zijn talrijke gehuchten, verloren in het groen, beschaduwd door palmboomen, mangoboomen, dadels, taras, waarover de natuur een niet te ontwarren net van lianen geworpen heeft. De wegen, door het Stoomhuis bereden, vormen zoovele dichte, overdekte lanen, waarvan de vochtige bodem de frischheid onderhoudt. Wij gaan vooruit met de kaart voor ons, zonder ooit te vreezen te verdwalen. Het gebriesch van onzen olifant vermengt zich met de oorverdoovende concerten van het gevogelte en het wanluidende geschreeuw der talrijke apensoorten. Zijn rook verliest zich in het dichte gebladerte dier feniksen der velden, de bananen, waarvan de gouden vruchten nedervallen als sterren te midden van lichte wolkjes. Bij zijn passage vliegen troepen teere rijstvogeltjes op, wier wit gevederte zich vermengt met de witte stoomspiralen. Hier en daar teekenen zich groepen vijgeboomen, boschjes pampelmoezen, bedden met »dalhs,” een soort van boomvormige erwten, gedragen door een steel van een el hoog, scherp tegen den wolkeloozen hemel af en vormen den voorgrond van het onvergelijkelijk schoone landschap.
Maar welk een hitte! Nauwlijks dringt een weinig vochtige lucht door de lichtschermen van rietgras onzer vensters. De heete winden, bezwangerd met de warmtestof der uitgestrekte pleinen van het westen, strijken met hun vurigen adem over de velden. Het is tijd, dat de moesson van Juni den toestand van den dampkring komt veranderen. Niemand zou die gloeiende zonnestralen kunnen verdragen, zonder met een doodelijke stikking bedreigd te worden.
Het landschap is dan ook verlaten. Zelfs de »raïots,” hoe gehard ook tegen deze brandende zon, zouden zich niet met den veldarbeid kunnen bezighouden. Alleen de schaduwrijke weg is begaanbaar en dan nog alleen in onzen rollenden bungalow. De stoker Kâlouth moet wel, ’k zal niet zeggen van platina zijn, want platina zou smelten, maar van zuiver koolstof, om de brandende hitte van het vuur te kunnen weerstaan. Maar de brave Hindoe biedt krachtig weerstand. Hij heeft het zich bij zijn leven op de locomotieven der spoortreinen van Centraal-Indië, tot een tweede natuur gemaakt, zulk een temperatuur te verdragen!
De thermometer, aan den wand der eetzaal, staat den 19n Mei op honderd zes graden Fahrenheit (41,11° C.) Dien avond, hebben we onze hygiénische wandeling om na de verstikkende hitte van een tropischen dag een weinig lauwe en zuivere lucht in te ademen, niet kunnen maken. Dezen keer was de dampkring werkelijk verschroeiend.
»Mijnheer Maucler,” richtte zich de sergeant Mac Neil tot mij, »dat doet me denken aan de laatste dagen van Maart, toen sir Hugh Rose, met een batterij van slechts 2 stukken, bres trachtte te schieten in de omheining van Lucknow. Er waren zestien dagen verloopen, sedert we de Betwa waren overgestoken en sedert zestien dagen waren de paarden geen enkele maal onttoomd geweest. We streden tusschen énorme muren van graniet, dat zooveel beteekende als tusschen de steenen wanden van een hoogoven. »Chitsis” met emmers water, doorliepen onze rangen en terwijl we onze geweren afschoten, goten ze water op onze hoofden, daar we anders neergevallen zouden zijn. ’k Zal ’t nooit vergeten. Ik kon niet meer, mijn hoofd zou bersten en ’k was op het punt neer te slaan.... Kolonel Munro ziet het en den emmer uit de handen van een chitsi rukkende, stort hij hem over mij uit.... ’t was de laatste, dien de dragers zich hadden kunnen verschaffen!.... Ziet u, dat zal ik niet licht vergeten! Neen! een druppel bloed voor een druppel water! Al had ik al het mijne voor mijn kolonel gestort, zou ik nog zijn schuldenaar zijn!”
»Sergeant,” vroeg ik, »vindt ge niet dat de kolonel sedert ons vertrek er bezorgder uitziet dan gewoonlijk? Hij schijnt elken dag....”
»Ja, mijnheer,” antwoordde Mac Neil, die me vrij driftig in de rede viel, »maar dat is zeer natuurlijk! De kolonel komt elken dag dichter bij Lucknow, bij Cawnpore, waar Nana Sahib zijn vrouw.... O! ik kan er niet van spreken of het bloed stijgt me naar ’t hoofd! Misschien zou ’t beter geweest zijn onze reis anders te nemen en de provincies niet door te trekken, die door den opstand verwoest zijn! ’t Is nog te kort geleden, dat die vreeselijke gebeurtenissen plaats hadden en ze zijn nog te versch in ’t geheugen!”
»Waarom zouden we onzen weg dan niet veranderen!” zei ik daarop. »Als ge wilt, Mac Neil, zal ik er met Banks, met kapitein Hod over spreken....”
»’t Is te laat,” antwoordde de sergeant. »’k Heb alle reden, trouwens, om te gelooven, dat de kolonel misschien een laatste maal, het tooneel van dien vreeselijken oorlog wil weerzien, dat hij de plek wil bezoeken waar lady Munro den dood en welken dood, gevonden heeft!”
»Als ge dat denkt, Mac Neil,” antwoordde ik, »is het beter kolonel Munro te laten begaan en niets aan onze plannen te veranderen. ’t Is dikwijls een troost en een verzachting voor onze smart, hen die we liefhebben op hun graf te gaan beweenen....”
»Op het graf, ja!” riep Mac Neil uit. »Maar is dat dan een graf, die put van Cawnpore, waar zoovele slachtoffers op en onder elkander zijn neergesmeten! Is dat een graftombe, die te midden van bloemen, in de schaduw van statig geboomte, met een enkelen naam, den naam van hem, die niet meer is, en dien we zoo innig lief hadden, de herinnering levendig houdt! O mijnheer! ik vrees maar al te zeer, dat de smart van mijn kolonel onherstelbaar is! Maar, nogmaals, het is nu te laat om hem een anderen weg te doen inslaan. Wie weet of hij dan niet weigeren zou ons te volgen! Kom! laten we de zaken haar loop hebben en dat God ons geleide!”
Blijkbaar wist Mac Neil, toen hij zoo sprak, waaraan zich te houden ten opzichte van de plannen van Sir Edward Munro. Doch, zeide hij mij wel alles en was het slechts het plan Cawnpore weder te zien, dat den kolonel had doen besluiten Calcutta te verlaten? Wat er van zij, het was nu alsof een zeilsteen hem naar de plek trok waar de ontknooping van dit noodlottige treurspel had plaats gehad!.... Men moest hem zijn gang laten gaan!
Ik kwam toen op het denkbeeld den sergeant te vragen of hij voor zich alle idée van wraak had opgegeven, in een woord, of hij meende dat Nana Sahib werkelijk dood was.
»Neen,” antwoordde Mac Neil mij onbewimpeld. »Ofschoon ik geen enkel bewijs voor mijne meening heb, geloof ik niet en kan ik niet gelooven, dat Nana Sahib gestorven is zonder gestraft te zijn voor zooveel misdaden! Neen! En toch, ik weet niets en heb ook niets vernomen!... Het is alsof een instinct mij drijft!.... O! mijnheer! zich tot doel een wettige wraak te stellen, zou iets zijn in het leven! Geve de hemel dat mijne voorgevoelens mij niet bedriegen en dat eenmaal....”
De sergeant eindigde niet.... Een gebaar gaf te kennen, wat zijn mond niet had willen zeggen. De dienaar was het eens met den meester!

Zij keken, op een rij geschaard .... Blz. 87.
Toen ik Banks en kapitein Hod den inhoud van dit gesprek mededeelde, waren beiden het er over eens, dat het reisplan niet mocht en kon veranderd worden. Trouwens was er nooit sprake van geweest de reis over Cawnpore te nemen en na eenmaal den Ganges te Bénares overgestoken te zijn, zouden we ons rechtstreeks naar het noorden richten door het oostelijk gedeelte van de koninkrijken Oude en Rohilkhande. Wat ook Mac Neil mocht denken, het was niet zeker dat Sir Edward Munro Lucknow of Cawnpore wilde terug zien, plaatsen, die hem zoovele vreeselijke herinneringen in het geheugen zouden terug roepen; maar, als hij het wilde, zoude men hem op dit punt niet tegenwerken.
Wat Nana Sahib betreft, hij was zoo bekend, dat, indien de afkondiging, die zijne wederverschijning in het presidentschap van Bombay, waarheid sprak, wij er op nieuw iets van hadden moeten vernemen. Maar, bij ons vertrek van Calcutta was er reeds geen sprake meer van den nabob en de onderweg verkregen inlichtingen gaven aanleiding tot het vermoeden, dat de overheid op een dwaalspoor gebracht was.
In alle geval, indien er mogelijk iets van aan ware, indien kolonel Munro een geheim plan had, dan mocht het werkelijk verwonderlijk schijnen dat Banks, zijn intiemste vriend, niet in zijn vertrouwen deelde, eerder dan de sergeant Mac Neil. Doch dit kwam zeker daarvandaan, zooals Banks zeide, dat hij alles gedaan had om den kolonel terug te houden zich in gevaarlijke en nuttelooze nasporingen te begeven, terwijl de sergeant hem er zeker toe aanzette!
Den 19n Mei, tegen twaalf uren hadden wij het gehucht Chittra achter den rug. Het Stoomhuis bevond zich nu honderdvijftig kilometers van zijn punt van uitgang verwijderd.
Den volgenden dag, 20 Mei, kwam de IJzeren Reus, bij het vallen van den nacht, na een buitengewoon heeten dag, in de omstreken van Gaya aan. Aan den oever eener heilige rivier, de Phalgou, zeer bekend bij de bedevaartgangers, werd halt gehouden. De twee huizen hielden stand op een fraaie plek, aan den steilen oever, beschaduwd door schoone boomen, op twee mijlen ongeveer van de stad af.
Ons voornemen was zesendertig uren op deze plaats te vertoeven, namelijk twee nachten en een dag, want de plek bood veel bezienswaardigs aan, zooals ik reeds vroeger gezegd heb.
Den volgenden dag begaven Banks, kapitein Hod en ik te vier uur ’s morgens, teneinde de middaghitte te vermijden, na afscheid van kolonel Munro genomen te hebben, zich naar Gaya.
Men verzekert dat jaarlijks honderdvijftig duizend geloovigen naar dit middelpunt der Brahmaansche vestigingen stroomden. En inderdaad waren bij de toegangen tot de stad de wegen bezaaid met een ontelbaren stoet mannen, vrouwen, grijsaards en kinderen. Al die menschen gingen bij wijze eener processie door het veld, na de duizend vermoeienissen van een langen pelgrimstocht getrotseerd te hebben ter vervulling hunner godsdienstige plichten.
Banks had reeds vroeger dit grondgebied van Béhar bezocht tijdens hij opmetingen deed voor een spoorweg, die nog niet tot uitvoering gekomen was. Hij kende dus het land en we konden geen beteren gids hebben. Hij had overigens kapitein Hod verplicht al zijn jachttuig in het kamp te laten en men had dus niet te vreezen, dat onze Nimrod ons onderweg verlaten zou.
Even voor in de stad aan te komen, waaraan men met recht den naam van heilige stad kan geven, deed Banks ons stil houden voor een heiligen boom, waaromheen pelgrims van allerlei leeftijd en van beide seksen in aanbidding waren neergezonken.
Deze boom was een »pipala,” met een énormen stam; maar, hoewel de meeste takken reeds van ouderdom waren afgevallen, kon hij toch niet meer dan twee of driehonderd jaren levens tellen. Dit zou ook twee jaren later bevestigd worden door Louis Rousselet, op zijn belangwekkende reis door het Indië der Rajahs.
De boom Boddhi, was de godsdienstige naam van dezen laatsten vertegenwoordiger van het geslacht van pipala’s, die gedurende een lange reeks van eeuwen deze plek beschaduwden en waarvan de eerste vijf honderd jaar voor de christelijke jaartelling gepoot werd. Waarschijnlijk was het voor de geknielde dweepers aan zijn voet, de boom zelf, door Bouddha op deze plaats gewijd. Hij verheft zich nu op een bouwvallig terras, zeer nabij een steenen tempel, welks oorsprong blijkbaar zeer oud is.
De tegenwoordigheid van drie Europeanen, te midden dier duizenden Hindoes, werd met geen goede oogen aangezien. Men sprak echter niet tot ons, doch we konden niet bij het terras komen, noch doordringen tot de bouwvallen van den tempel. Overigens werden wij zoo dicht door de bedevaartgangers omringd, dat het moeielijk geweest zou zijn zich een weg tusschen hen door te banen.
»Zoo daar een Brahmaan geweest was,” zei Banks, »zouden we meer pleizier van ons bezoek gehad hebben en het gebouw misschien tot in zijn diepste schuilhoeken hebben kunnen bezoeken.”
»Wat!” antwoordde ik, »zou een priester minder streng geweest zijn dan zijn eigen geloovigen?”
»Mijn waarde Maucler,” antwoordde Banks, »er is geen gestrengheid bestand tegen het aanbod van eenige ropyen en de brahmanen moeten immers toch ook leven!”
»’k Zie er de noodzakelijkheid niet van in,” antwoordde kapitein Hod, die het zwak had voor de Hindoes, hunne zeden, vooroordeelen, gewoonten en de voorwerpen hunner vereering, de verdraagzaamheid te gevoelen, die zijne landgenooten hun met alle recht verleenen.
Voor het oogenblik was Indië voor hem slechts een uitgestrekt jachtgebied en gaf hij onbetwistbaar boven de bevolking van de steden en het land de voorkeur aan de woeste roofdieren der jungles.
Na een behoorlijk poosje aan den voet van den heiligen boom vertoefd te hebben, geleidde Banks ons op den weg in de richting van Gaya. Naargelang wij de heilige stad naderden, nam de toevloed der pelgrims steeds toe. Weldra deed zich door een open plek in het groen Gaya aan ons voor op den top van de rots, die zij met hare schilderachtige bouwwerken bekroont.
Wat vooral de aandacht der toeristen op deze plaats wekt, is de tempel van Vishnoe in eigen persoon achtergelaten, toen hij zich verwaardigde op de aarde neder te dalen om met den demon Maya te worstelen. Nu kon de worsteling tusschen een god en een duivel niet lang twijfelachtig zijn. De duivel delfde het onderspit en een steenen blok, zichtbaar in de omheining zelve van Vishnoe-Pad, getuigt door de diepe indrukselen van de voeten zijns tegenstanders, dat de duivel het hard genoeg te verantwoorden had.
Toch hadden wij geen reden spijt te gevoelen over onzen tocht naar de heilige stad, noch over dien naar Vishnoe-Pad. Het zou onmogelijk zijn den verwarden hoop tempels, de reeks pleinen, de ophooping van viharas, die we moesten omgaan of doorkruisen om tot hem te komen, te beschrijven. Theseus zelf met den draad van Ariadne in de hand, zou verdwaald zijn in dien doolhof! Wij daalden dus van de rots van Gaya weder naar omlaag.
Kapitein Hod was woedend en had den Brahmaan, die ons den toegang tot Vishnoe-Pad weigerde, wel te lijf gewild.
»Ben je niet wijs, Hod?” zei Banks tot hem, hem terughoudende. »Weet je niet dat de Hindoes hunne priesters de brahmanen niet alleen beschouwen als wezens van aanzienlijken bloede, maar ook als wezens van een hoogeren oorsprong?”

Het geruisch kwam noch van het water, noch uit de lucht. Blz. 88.
Toen wij bij dat gedeelte der Phalgou-rivier aangekomen waren, dat de rots van Gaya bespoelt, breidde zich de verbazende ophooping van bedevaartgangers voor onze blikken uit. Daar verdrongen zich in een verward mengelmoes door elkander, mannen en vrouwen, grijsaards en kinderen, stad- en landbewoners, rijke Bengaalsche burgers en arme mannen van het volk, van de minste soort, Vaïchyas, kooplieden en boeren, Kchatryas, fiere krijgslieden, Sudras, armzalige handwerkslieden van verschillende secten, parias, die buiten de wet gesteld zijn en wier oogen de voorwerpen bezoedelen, die ze beschouwen,—in een woord alle klassen of alle kasten van Indië, de krachtige Radsjpoet den zwakkelijken Bengali op zijde dringende, de lieden van Pendjab tegenover de mohamedanen van Scinde. Dezen zijn in palankijns gekomen, genen in rijtuigen, getrokken door groote bultossen. Dezen liggen uitgestrekt bij hunne kameelen, genen hebben den weg te voet afgelegd en nog altijd stroomt het toe van alle gedeelten van het schiereiland. Hier en daar worden tenten opgeslagen, hier en daar ziet men uitgespannen karren, hier en daar hutten van takken, die tot voorloopige woning van al die menschen dienen.
»Welk een gedrang!” zei kapitein Hod.
»Het water van den Phalgou zal van avond niet lekker zijn!” deed Banks opmerken.
»En waarom niet?” vroeg ik.
»Omdat dat water heilig is en die heele verdachte troep er zich in gaat baden, zooals de Gangisten in de wateren van den Ganges.”
»Zijn we dan hier benedenwaarts van den stroom?” riep Hod uit, de hand naar ons kamp uitstrekkende.
»Neen, kapitein, wees gerust,” antwoordde de ingenieur, »we zijn stroomopwaarts.”
»Opperbest, Banks, want we moeten onzen IJzeren Reus zijn dorst aan deze onzuivere bron niet laten lesschen!”
Intusschen vervolgden wij onzen weg te midden van die duizenden Hindoes, in een betrekkelijk kleine ruimte opgehoopt.
Het oor werd getroffen door een wanluidenden klank van kettingen en schelletjes. Het waren bedelaars, die de openbare liefdadigheid inriepen.
Het wemelde namelijk van allerlei soorten van dat landloopers gilde, over het geheele Indische schiereiland verspreid. De meesten vertoonden valsche wonden en gebreken, als de Clopin-Trouillefous der middeleeuwen. Doch, mogen de bedelaars van bedrijf meestal voorgewende gebrekkigen zijn, met de dweepers is dit niet het geval. En inderdaad zou het moeielijk geweest zijn voorbeelden te vinden van inniger overtuiging.
Er bevonden zich daar fakirs, goussaïns, bijna naakt, met asch bedekt; hier een met een stijven arm door hem voortdurend uitgestrekt gehouden te hebben, daar een ander de hand doorboord met de nagels zijner eigen vingers.
Anderen hadden zich tot voorwaarde gesteld den geheelen door hen afgelegden weg met hun lichaam te meten. Zich op den grond uitstrekkende, zich weder oprichtende, zich opnieuw uitstrekkende, hadden zij op deze wijze honderden mijlen afgelegd, alsof zij tot meetketting van een landmeter gediend hadden.
Hier waren geloovigen, bedwelmd door het gebruik van »bâng,”—een drank van opium met een infusie van hennip gemengd,—met boomtakken verbonden door in hunne schouders geslagen ijzeren haken. Op deze wijze opgehangen zwaaiden zij zoolang heen en weder, tot eindelijk hun vleesch begon mede te geven en zij in de wateren van den Phalgou vielen.
Daar waren nog anderen, die ter eere van Çiva, de beenen doorboord, met doorstoken tong, en pijlen, die hen eveneens het lichaam doorboorden, het bloed, dat uit hunne wonden vloeide, door slangen lieten oplikken.
Dit geheele schouwspel moest voor een Europeaan iets terugstootends hebben en daarom haastte ik mij ook het te ontvlieden toen Banks mij tegenhield en zeide:
»Het biduur!”
Op dit oogenblik verscheen een Brahmaan te midden der menigte. Hij hield de rechterhand opgeheven en richtte haar naar de zon, die tot nog toe door de rots van Gaya verborgen was gehouden.
De eerste straal der dagvorstin was het teeken. De genoegzaam naakte menigte trad in het heilige water. Vooreerst waren het eenvoudige indompelingen, zooals in de eerste tijden van den doop; doch weldra ging dit over in werkelijke onderdompelingen, waarvan het godsdienstig karakter moeielijk te vatten was. Ik weet niet of de ingewijden, bij het reciteeren der »slocas” of verzen, die de priesters hun tegen een vastgestelden prijs vóórzeiden, er meer aan dachten hun lichaam dan wel hun ziel te wasschen. Zeker is het dat, na water in het holle van de hand geschept te hebben, na er de vier hoofdstreken mede besproeid te hebben, zij er zich eenige druppels van in het gelaat wierpen, evenals baders die zich in de eerste golven van een zeebadstrand verlustigen. Ik moet er overigens nog bijvoegen, dat zij niet vergaten zich althans één haar uit te trekken voor elke zonde, die zij bedreven hadden. Hoevelen waren er onder hen, die verdiend hadden kaal uit de wateren van den Phalgou te treden!
En zulk een beweging maakten die geloovigen, nu eens plotseling onderduikende, dan het water pijlsnel doorklievende, dat de verschrikte krokodillen naar den tegenovergestelden oever vluchtten. Van daar keken zij met hunne groene oogen, op een rij geschaard, naar die luidruchtige menigte, de lucht met het geklapper hunner geduchte kakebeenen doende weergalmen. De pelgrims stoorden er zich trouwens niet meer aan, dan of het onschadelijke hagedissen waren.
Het was tijd deze zonderlinge vromen zich in staat te laten stellen in den Kaïlas te komen, die het paradijs van Brahma is. Wij begaven ons dus langs het strand van den Phalgou naar het kamp terug.
Het ontbijt vereenigde ons allen aan tafel en het overige van dien dag, die buitengewoon warm geweest was, ging zonder bijzondere toevallen voorbij. Kapitein Hod doorkruiste tegen den avond de omringende vlakte en bracht eenig klein wild mede. In dien tijd hernieuwden Storr, Kâlouth en Goûmi den voorraad water en brandstof want het plan bestond om den volgenden morgen met het krieken van den dag te vertrekken.
Ten negen ure ’s avonds hadden wij allen onze kamers bereikt. Een zeer kalme, maar vrij donkere nacht was in aantocht. Dikke wolken hielden de sterren verborgen, en maakten den dampkring zwaar. Het was nog even warm, zelfs met het ondergaan der zon.
De temperatuur was zoo drukkend, dat ik eenige moeite had om in te slapen. Door mijn opengelaten venster drong een heete lucht naar binnen, die mij zeer ongeschikt toescheen voor de geregelde werking der longen.
Het was middernacht en ik had nog geen oogenblik rust genoten; toch had ik het stellige plan gemaakt drie of vier uren voor ons vertrek te slapen, maar ik was ook zoo dwaas den slaap te willen dwingen en juist daarom ontvlood hij mij. De wil kan er niets aan doen, integendeel.
Het zal omstreeks één uur van den morgen geweest zijn, toen ik een dof geruisch meende te hooren, dat zich langs de oevers van den Phalgou verspreidde.
Eerst kwam de gedachte bij mij op dat, onder den invloed van een zeer met electriciteit verzadigden dampkring, een stormwind in het westen begon op te steken. Ook deze wind zou zeker wel brandend zijn, maar hij zou misschien toch de luchtlagen verplaatsen en misschien eenige koelte verspreiden.
Ik bedroog mij. De takken der boomen, die het kamp beschutten, bleven volkomen onbeweeglijk.
Ik stak het hoofd buiten mijn venster en luisterde. Het verre geruisch deed zich opnieuw hooren, maar ik zag niets. Het watervlak van den Phalgou was volkomen duister, zonder een van die trillende lichtpuntjes, die de minste beweging aan de oppervlakte gewoonlijk doet ontstaan. Het geruisch kwam noch van het water noch uit de lucht.
Intusschen merkte ik niets verdachts op. Ik ging dus weder naar bed en door vermoeienis overmand, viel ik in een lichte sluimering. In zekere tusschenpoozen kwamen nog eenige windvlaagjes met dat onverklaarbaar geruisch tot mij, maar eindelijk sliep ik voor goed in.

De dweepers vlogen op. Blz. 92.
Twee uren later, op het oogenblik dat de eerste lichtflikkering van den aanbrekenden dageraad zich een weg baande door de duisternis, werd ik eensklaps wakker.
Men riep den ingenieur.
»Mijnheer Banks?”
»Wat is er?”
»Kom eens hier.”
Ik had de stem van Banks en die van den machinist herkend, die zooeven den gang was binnengetreden.
Ik stond dadelijk op en ging mijn kamer uit. Banks en Storr waren reeds onder de voorste veranda. Kolonel Munro was er mij voorgegaan en weldra voegde ook kapitein Hod zich bij ons.
»Wat gebeurt er?” vroeg de ingenieur.
»Zie eens, mijnheer,” antwoordde Storr.
Bij het eerste licht van den aanbrekenden dag kon ik de oevers van den Phalgou en een gedeelte van den weg, die zich verscheidene mijlen voor ons uitstrekte, onderscheiden. Hoe groot was onze verbazing, toen wij verscheidene honderden Hindoes bij groepen aan den kant van den weg zagen liggen.
»Dat zijn onze bedevaartgangers van gisteren,” zei kapitein Hod.
»Wat doen ze daar?” vroeg ik.
»Ze wachten zeker tot de zon opkomt,” antwoordde de kapitein, »om zich in de gewijde wateren te storten!”
»Neen,” antwoordde Banks. »Kunnen ze hunne reiniging niet te Gaya zelve volbrengen? De reden waarom ze hier gekomen zijn, is om....”
»Omdat onze IJzeren Reus zijn gewone uitwerking heeft gedaan!” riep kapitein Hod uit. »Ze zullen teweten gekomen zijn, dat een reusachtige olifant, een kolos, zooals zij er nooit een gezien hebben, in de nabuurschap was, en ze komen hem nu bewonderen!”
»Als het maar bij bewonderen blijft!” antwoordde de ingenieur, het hoofd schuddende.
»Wat vrees je dan toch, Banks?” vroeg kolonel Munro.
»Wel, ’k vrees, dat die dweepers ons den weg zullen versperren!”
»Wees in alle geval voorzichtig! Met zulke vromen kan men niet te veel voorzorgen nemen.”
»Inderdaad,” antwoordde Banks.
Daarna riep hij den stoker en vroeg dezen of alles gereed was.
»Ja, mijnheer.”
»Welnu, steek aan.”
»Ja, steek aan, Kâlouth!” riep kapitein Hod. »En stook op, Kâlouth, laat onzen olifant zijn rook en stoom in het gelaat van al die pelgrims spuwen!”
Het was toen drie en een half uur ’s morgens. Hoogstens over een half uur, kon de machine de noodige drukking hebben. De vuren werden dadelijk aangestoken, het hout knapte in den vuurhaard en weldra ontsnapte een zwarte rook uit den reusachtigen snuit van den olifant, waarvan het uiteinde zich in de takken der hooge boomen verloor.
Op dit oogenblik kwamen eenige groepen Hindoes naderbij. Er had een algemeene beweging in de menigte plaats. Men verdrong zich om onzen trein. In de eerste rangen dezer pelgrims, lichtte men de armen in de hoogte, men strekte ze naar den olifant uit, men bukte zich, men knielde neder, men kroop tot in het stof. Het was duidelijk aanbidding tot haar hoogste punt gevoerd.
Wij zagen van onder de veranda dat schouwspel aan, kolonel Munro, kapitein Hod en ik, niet zonder bezorgdheid waarop deze dweeperij zou uitloopen. Mac Neil had zich bij ons vervoegd en zag in stilte toe. Wat Banks aangaat, hij was met Storr in den toren, dien het enorme dier droeg, gaan staan en van waar hij het naar goedvinden kon besturen.
Te vier uur bromde de stoomketel reeds. Dit helderklinkend gesnor moest door de Hindoes gehouden worden voor het vertoornde gebrom van een bovennatuurlijken olifant. Op dit oogenblik wees de manometer een drukking aan van vijf atmosferen, en Storr liet den stoom door de veiligheidskleppen ontsnappen, alsof hij door de huid van het reusachtige dikhuidige dier uitzweette.
»We zijn gereed, Munro!” riep Banks.
»Vooruit, Banks,” antwoordde de kolonel, »maar voorzichtig en laten we niemand verpletteren!”
Het was toen bijna dag. De weg langs den oever van den Phalgou was geheel bedekt met geloovigen, weinig geneigd, naar het scheen, om plaats te maken. In die omstandigheid was het geen gemakkelijke zaak voorwaarts te gaan en niemand te verpletteren.
Banks liet twee- of driemalen fluiten, hetgeen door de bedevaartgangers met een uitzinnig gehuil beantwoord werd.
»Op zij! Op zij!” riep de ingenieur, den machinist bevelende den regulateur een weinig te openen.
Het geloei van den stoom, die zich in de cilinders stortte, deed zich hooren. De machine stelde zich langzaam in beweging. Een machtige kolom van witten rook werd met kracht uit den snuit gestooten.
De menigte was in een oogenblik uiteengeweken. De regulateur werd toen half geopend. Het gebriesch van den IJzeren Reus nam toe en onze trein begon zich tusschen de dichte rangen der Hindoes te bewegen, die geen plaats schenen te willen maken.
»Banks, pas op!” riep ik eensklaps uit.
Toen ik mij voorover buiten de veranda boog, had ik gezien dat er zich een twaalftal van die dweepers op den weg geworpen hadden, met den vasten wil zich onder de raderen van het zware gevaarte te laten verpletteren.
»Geeft acht! geeft acht! Terug,” riep kolonel Munro, die hen beduidde zich op te richten.
»Die onnozelen!” riep op zijn beurt kapitein Hod. »Zij houden ons voertuig voor de kar van Jaggernaut! Zij willen zich onder de pooten van den heiligen olifant laten verpletteren!”
Op een teeken van Banks, sloot de machinist den stoom af. De bedevaartgangers, dwars over den weg uitgestrekt, schenen besloten niet op te staan. Om hen heen gilde de dweepende menigte het uit en moedigde ze met gebaren aan.
De machine stond stil. Banks was ten einde raad en wist wezenlijk niet wat te doen.
Plotseling komt er een idée bij hem op.
»We zullen eens zien!” zeide hij.
Hij opende oogenblikkelijk de stoomkraan en krachtige stoomstralen sisten langs den grond, terwijl de lucht van een scherp gefluit weerklonk.
»Hoera! hoera! hoera!” riep kapitein Hod uit.
»Geesel ze, vriend Banks, geesel ze!”
Dit middel baatte. De dweepers, door de stoomstralen getroffen, vlogen op onder een oorverdoovend geschreeuw. Zij konden zich wel laten verpletteren, maar zich te laten verbranden, dat nooit!
De menigte week terug en de weg was open. Nu werd de regulateur geheel geopend en sloegen de wielen diep in den grond.
»Vooruit! vooruit!” riep kapitein Hod uit, die in de handen klapte en hartelijk lachte.
En nu ijlde de IJzeren Reus, het midden van den weg houdende, snel voort en was weldra uit het oog der verbaasde menigte verdwenen, als een fantastisch dier in een wolk van stoom.