← Table of contents
Het Stoomhuis

XI. De verandering van moesson.

Reading edition

Ten elf ure waren wij in het kamp terug en hadden wij natuurlijk grooten haast Cawnpore te verlaten, maar eenige herstellingen aan de voedingspomp der machine lieten niet toe dat wij voor den volgenden morgen vertrokken.

Er bleef mij dus nog een halve dag over. Ik meende hem niet beter te kunnen besteden dan met het bezoeken van Lucknow. Het plan van Banks was niet door deze stad te gaan, alwaar kolonel Munro zich wederom op een der voornaamste tooneelen van den oorlog bevonden zou hebben. Hij had gelijk. Ook dat waren al te pijnlijke herinneringen voor hem.

Na dus te twaalf uur het Stoomhuis verlaten te hebben, bereisde ik het kleine eindje spoorweg, dat Cawnpore met Lucknow verbindt. De afstand bedraagt geen twintig mijlen en ik kwam binnen twee uren in de belangrijke hoofdstad van het Koninkrijk Oude aan, waarvan ik slechts een oppervlakkig overzicht wilde nemen, niets meer dan wat men een indruk noemt.

Ik moest overigens de waarheid erkennen van hetgeen ik had hooren zeggen van de monumenten te Lucknow, gebouwd onder de regeering der muzelmansche keizers in de XVIIe eeuw.

Het was een Franschman, een inwoner van Lyon, Martin genaamd, een eenvoudig soldaat uit het leger van Lally-Tollendal, die, in 1730, de gunsteling van den koning geworden, de schepper, de bestuurder, men zou kunnen zeggen de bouwmeester werd van die alom geroemde wonderen van het Koninkrijk Oude. De officiëele residentie der vorsten, de Kaiserbâgh, een vreemde verzameling van alle bouwstijlen, die in de verbeelding van een korporaal konden opkomen, is slechts een zeer oppervlakkig werk. Niets inwendig, alles uitwendig, maar dat uitwendige is tegelijk Hindoesch, Chineesch, Moorsch en.... Europeesch. Het is hetzelfde geval met een ander, kleiner paleis, Farid Bâkch, dat ook het werk van Martin is. Wat de Imâmbara betreft, gebouwd midden in de vesting door Kaïfiâtoulla, den eerste bouwkundige van Indië in de XVIIe eeuw, dat is werkelijk een prachtig monument en brengt een grootsche uitwerking teweeg, met de duizend klokjes, die de tusschenwanden overdekken.

Ik kon Lucknow niet verlaten zonder het paleis Konstantijn te bezoeken, dat ook het persoonlijk gewrocht is van den Franschen korporaal en den naam draagt van paleis de la Martinière. Ik wilde ook nog den naburigen tuin zien, den Secunder Bâgh, waar de Sipayers, die, alvorens de stad te verlaten, het graf van den nederigen soldaat geschonden hadden, bij honderden vermoord werden.

De rustplaats was aan den zoom van een bosch. Blz. 136.
De rustplaats was aan den zoom van een bosch. Blz. 136.

De rustplaats was aan den zoom van een bosch. Blz. 136.

Wij moeten hier nog bijvoegen, dat de naam van Martin niet de eenige Fransche naam is, die te Lucknow in eere wordt gehouden. Een oude onderofficier van de Afrikaansche jagers, Duprat genaamd, onderscheidde zich zoodanig door zijne dapperheid tijdens het tijdperk van den opstand, dat de opstandelingen hem aanboden zich aan hun hoofd te plaatsen. Duprat was te edel om dit aanbod aan te nemen, niettegenstaande de rijkdommen, die hem werden toegezegd, niettegenstaande de bedreigingen, die hem naar ’t hoofd werden geslingerd. Hij bleef den Engelschen getrouw. Maar, bijzonder blootgesteld aan de schoten der Sipayers, die geen verrader van hem hadden kunnen maken, werd hij gedood in een ontmoeting. »Ongeloovige hond,” hadden de opstandelingen gezegd, »we zullen je toch hebben, al wilde je niet!” Zij hadden hem, dood.

Beide deze Fransche soldaten werden bloedig gewroken. De Sipayers, die het graf van den een geschonden en het graf voor den ander gegraven hadden, werden zonder mededoogen vermoord.

Eindelijk, na de prachtige parken bewonderd te hebben, die deze groote stad van vijfhonderd duizend inwoners als een krans van groen en bloemen omgeven, na op den rug van een olifant de voornaamste straten en haar heerlijken boulevard van Hazrat Gaudj doorloopen te hebben, kwam ik dienzelfden avond met den trein te Cawnpore terug.

Den volgenden dag, 31 Mei, begaven wij ons in den vroegen morgen op weg.

»Eindelijk,” riep kapitein Hod uit, »is het dan toch uit met al die steden, die me mooi beginnen te vervelen!”

»Ja, ’t is gedaan, Hod,” antwoordde Banks, »en nu gaan we rechtstreeks op weg naar het noorden, om bijna in rechte lijn den voet van het Himalaya-gebergte te bereiken.”

»Bravo!” hernam de kapitein. »Wat ik bij uitnemendheid Indië noem, dat zijn niet de provinciën met steden bezaaid of met Hindoes bevolkt, dat is het land waar mijne vrienden de olifanten, de leeuwen, de tijgers, de panters, de luipaarden, de beren, de buffels, de slangen in vrijheid leven! Daar is het eenige werkelijk bewoonbare gedeelte van het schiereiland! Als je dat ziet, Maucler, zullen de wonderen van de vallei van den Ganges je niet berouwen!”

»’k Zal in uw gezelschap nergens berouw over hebben, mijn waarde kapitein,” antwoordde ik.

»En toch,” zeide Banks, »zijn er in het noordwesten nog andere zeer belangrijke steden, Delhi, Agra, Lahore.”

»Wel, vriend Banks,” riep Hod uit, »wie heeft ooit iets bijzonders gehoord van die ellendige gehuchten!”

»Ellendige gehuchten!” antwoordde Banks, »wel neen, Hod, je meent prachtige steden! Stel je gerust, waarde vriend,” voegde de ingenieur er bij, zich tot mij wendende, »we zullen trachten je dat alles te laten zien, zonder de veldtochtsplannen van den kapitein in de war te brengen.”

»Nu, daar heb ik vrede mee, Banks,” antwoordde Hod, »maar vandaag begint onze reis pas!”

Toen riep hij met luide stem:

»Fox?”

De oppasser verscheen.

»Present! kapitein,” zei hij.

»Fox, zorg dat de geweren, de karabijnen en de revolvers in orde zijn!”

»Alles in orde.”

»Heb je alles goed nagekeken?”

»Alles.”

»Maak de patronen gereed.”

»Ze zijn gereed.”

»Alles goed klaar dus?”

»Alles klaar.”

»’t Zal niet lang duren of de acht en dertigste zal op je lijst prijken, Fox!”

»De achtendertigste!” riep de oppasser uit, wiens gelaat plotseling verhelderde. »’k Zal hem een springkogeltje gereed maken, waarover hij zich niet zal te beklagen hebben!”

»Ga je gang, Fox, ga je gang!”

Fox groette op soldatenwijs, maakte rechtsomkeert en sloot zich in zijn arsenaal op.

Zie hier nu het plan van dit tweede gedeelte onzer reis,—een plan, waarin geen verandering zal komen, of er moeten zich onverwachts gebeurtenissen opdoen, die onmogelijk te voorzien waren.

Vijf en zeventig kilometers ver ongeveer zal de reis in de richting van het noordwesten langs den Ganges worden voortgezet, doch van dit punt af aan gaat het recht naar het noorden tusschen een der takken van den grooten stroom en een anderen belangrijken tak van de Goutmi. Op deze wijze wordt een zeker aantal stroomen vermeden, die zich links en rechts verspreiden, terwijl de reis verder door Biswah schuins naar de eerste bergen van Nepaul gaat, door het westelijk gedeelte van het koninkrijk Oude en Rokilkhanne.

Deze weg was met de grootste zorg door den ingenieur gekozen en daardoor werden allerlei moeielijkheden vermeden. Mocht de steenkool in het noorden van Hindostan moeielijker te vinden zijn, aan hout zou het nimmer ontbreken en wat onzen IJzeren Reus betreft, de goed onderhouden wegen door de prachtige wouden van het Indische schiereiland, zouden voor hem geen beletsel zijn om te gaan in welken tred hij verkoos.

Wij waren nog ongeveer tachtig kilometers van de kleine stad Biswah verwijderd. Men kwam overeen dien afstand met zeer gematigde snelheid af te leggen—in zes dagen. Men kon dan halt houden, als de streek ons beviel, terwijl de jagers dan tijd zouden hebben hunne heldendaden te verrichten. Kapitein Hod en de oppasser Fox, aan wie Goûmi zich gaarne aansloot, zouden dan gemakkelijk het veld kunnen ontdekken, terwijl de IJzeren Reus gelijken tred met hen zou houden. Het was mij niet verboden hen op hun drijfjacht te vergezellen, ofschoon ik een slechts weinig bedreven jager was, en ik voegde mij dan ook enkele malen bij hen.

Ik moet niet onvermeld laten, dat kolonel Munro sedert het oogenblik dat onze reis een nieuw tijdperk was ingetreden, zich wat minder afgezonderd hield. Hij scheen buiten de meer volkrijke buurten, te midden van de Ganges-vallei, die we pas doorreisd hadden, gezelliger te worden. Onder die veranderde omstandigheden, scheen hij de kalmte terug te erlangen van het bestaan, dat hij te Calcutta leidde. En toch, kon hij vergeten, dat zijn rollend huis zich begaf naar het noorden van Indië, waar een onweerstaanbaar noodlot hem heen trok? Hoe het zij, onder de maaltijden, alsmede in den tijd, die gewoonlijk aan de siesta gewijd wordt, was hij veel levendiger en dikwijls zelfs werd in de uren van de halt, en in de schoone nachten, die het warme seizoen ons nog schonk, het gesprek tot diep in den nacht voortgezet. Wat Mac Neil aangaat, sedert het bezoek aan de put van Cawnpore, scheen hij mij nog somberder toe dan gewoonlijk. Had misschien het gezicht van Bibi-Ghar een haat bij hem verlevendigd, dien hij nog altijd hoopte te koelen?

»Neen, mijnheer, neen,” zeide hij mij op zekeren dag, »’k houd het voor onmogelijk, dat ze ’t niet aan ons zouden hebben overgelaten Nana Sahib te dooden.”

De eerste dag ging voorbij zonder voorvallen die der moeite waard zijn vermeld te worden. Noch kapitein Hod, noch Fox waren in de gelegenheid eenig dier te schieten. Het was verdrietig en zonderling genoeg om de vraag te wettigen of de verschijning van den IJzeren Reus de vreeselijke roofdieren dezer streken niet op een afstand hield. Werkelijk ging men eenige jungles voorbij, die toch de gewone schuilplaatsen der tijgers en andere wilde dieren van het kattengeslacht zijn en geen een vertoonde zich. Evenwel hadden de jagers zich een paar mijlen ter zijde van onzen trein begeven en moesten het zich getroosten Black en Phann mede te nemen om op klein wild te jagen, waarvan »Monsieur Parazard” zijn dagelijkschen voorraad eischte. Hij verstond geen rede daaromtrent, onze zwarte chef, en toen de oppasser hem over tijgers, luipaarden en andere weinig eetbare dieren sprak, trok hij minachtend de schouders op, zeggende:

»Is dat eetbare waar!”

Dienzelfden avond kampeerden wij onder het lommer van een groep énorme vijgeboomen. De nacht was even rustig als de dag stil geweest was. De stilte werd zelfs niet verstoord door het gehuil der wilde beesten. Onze olifant rustte evenwel. Zijn gebriesch liet zich niet meer hooren. De kampvuren waren uitgedoofd en om den kapitein te voldoen, liet Banks zelfs den electrischen stroom niet werken, die de oogen van den IJzeren Reus in twee machtige vuurbakens veranderde. Maar niets!

Dit was eveneens tijdens de dagen van den 1n en 2n Juni het geval. Het was om wanhopig te worden.

Storr en Kâlouth hielden zich bezig met het opdoen van brandstof. Blz. 138.
Storr en Kâlouth hielden zich bezig met het opdoen van brandstof. Blz. 138.

Storr en Kâlouth hielden zich bezig met het opdoen van brandstof. Blz. 138.

»Ze hebben mijn koninkrijk Oude veranderd!” herhaalde kapitein Hod. »Ze hebben ’t in ’t midden van Europa overgebracht. Er zijn hier evenmin tijgers als in de laaglanden van Schotland!”

»Mogelijk, mijn waarde Hod,” antwoordde kolonel Munro, »hebben ze hier pas drijf jacht gehouden en zijn de dieren in massa verhuisd. Maar wanhoop niet en wacht totdat we aan den voet van de bergen van Népaul zijn. Daar zult ge naar hartelust aan uw instinct van jager kunnen voldoen.”

»We willen het hopen, kolonel,” antwoordde Hod het hoofd schuddende, »want anders zouden we onze kogels tot hagel moeten omgieten!”

De dag van den 3n Juni was een der heetste, die we nog gehad hadden. Zoo de weg niet door groote boomen beschaduwd was geworden, geloof ik dat we letterlijk in onze rollende woning gekookt zouden zijn. De thermometer steeg tot zeven-en-veertig graden in de schaduw en er was zelfs geen tochtje wind. Het was dus mogelijk, dat de roofdieren bij een dergelijke temperatuur, in dien gloeienden dampkring hunne holen niet durfden te verlaten, zelfs des nachts.

Den volgende morgen, den 3n Juni, vertoonde zich de horizont bij het opgaan der zon, voor de eerste maal vrij mistig in het westen. We hadden toen het prachtige schouwspel van een dier verschijnselen van luchtspiegeling, die men in zekere gedeelten van Indië »seekote,” of luchtkasteelen en in andere »dessasur” of »zinsbegoocheling” noemt.

Het was geene gewaande watervlakte met hare zonderlinge uitwerkselen van straalbreking, die zich aan onze blikken voordeed, het was een lage heuvelrij, bebouwd met de meest fantastische kasteelen van de wereld, iets in den trant van de hoogten langs den Rijn, met hare oude roofsloten. In een oogwenk gevoelden we ons overgebracht, niet alleen in het Romaansche gedeelte van het oude Europa, maar een tijdvak van vijf of zes honderd jaren terug, in het hart der middeleeuwen.

Dit natuurverschijnsel gaf ons met verrassende duidelijkheid, het gevoel eener volkomen werkelijkheid. De IJzeren Reus met den geheelen toestel der moderne machinerie, onderweg naar een stad der elfde eeuw, kwam mij dan ook veel vreemder voor dan toen hij met een rookpluim versierd, het land van Vishnoe en Brahma bewandelde.

»’k Zeg u dank, vrouw natuur!” riep kapitein Hod uit. »Na zooveel minarets en koepels, na zooveel moskeeën en pagoden, laat ge ons een oude stad uit het leenroerig tijdvak bewonderen, met de Romaansche of Gothische wonderen, die zich zoo prachtig aan onze oogen voordoen!”

»Wat is onze vriend Hod dezen morgen dichterlijk!” antwoordde Banks. »Zou hij bij zijn ontbijt misschien een ballade geslikt hebben?”

»Lach maar, Banks, steek den gek maar met me!” hernam kapitein Hod, »maar verzuim niet te kijken! Zie de voorwerpen op den voorgrond grooter worden! Zie de struiken, boomen, de heuvels, bergen worden, de.....”

»De gewone katten tijgers worden, als er katten waren, niet waar, Hod?”

»Nu, dat zou nog zoo kwaad niet zijn, Banks! Maar, zie, daar storten mijn kasteelen aan den Rijn in, daar zakt de stad ineen en we komen tot de werkelijkheid terug, een eenvoudig landschap van het koninkrijk Oude, dat zelfs de wilde dieren niet meer willen bewonen!”

Nauwelijks verscheen de zon boven den oostelijken horizont, of zij veranderde oogenblikkelijk het spel der straalbreking. De burchten zakten met de heuvels ineen, die zich in vlakten veranderden.

»Welnu, de luchtspiegeling is verdwenen,” zei Banks, »en met haar de dichterlijke geestdrift van kapitein Hod, maar weet je nu wel, mijne vrienden, wat dit natuurverschijnsel voorspelt?”

»Wel, ingenieur?” riep de kapitein uit.

»Een spoedig ophanden zijnde weersverandering,” antwoordde Banks. »Overigens zijn we in de eerste dagen van Juni, waarin wijzigingen van het klimaat voorkomen. De verandering van moesson zal ons spoedig in het seizoen der periodieke regens brengen.”

»Waarde Banks,” zei ik, »me dunkt we behoeven niet bang voor den regen te zijn, niet waar, al waren het aanhoudende plasregens, toch schijnen ze mij verkieslijker, dan die warmte.....”

»Nu, je zult je zin hebben, waarde vriend,” antwoordde Banks. »’k Geloof dat de regen niet ver meer af is en dat we weldra de eerste wolken uit het zuidwesten zullen zien opdagen!”

Banks bedroog zich niet. Tegen den avond begonnen er dampen aan den westelijken horizont op te komen, hetgeen beteekende dat de moesson, zooals dat meestal gebeurt, zich des nachts zou instellen. Het was de Indische oceaan, die ons over het schiereiland zijne dampen met electriciteit beladen, overzond, dampen met stormen bezwangerd, die weldra over onze hoofden zouden losbarsten.

Ook hadden zich dien dag eenige andere verschijnselen voorgedaan, waarin een Anglo-Indiër zich niet had kunnen vergissen. Wolken zeer fijn stof hadden onder den marsch van den trein over den weg gedwarreld. De beweging der wielen, die weliswaar niet zeer snel was, zou toch stof hebben kunnen doen opwaaien, maar niet zoo woest en wild. Men zou gezegd hebben, dat het een wolk van die vlokjes was, die door electrische machines in beweging worden gebracht. De bodem kon dus vergeleken worden met een onmetelijken ontvanger, waarin de electriciteit zich sedert vele dagen zou hebben opgehoopt. Bovendien was dit stof met een gelen weerschijn gekleurd, van een allerzonderlingste uitwerking, terwijl in elk stofdeeltje een klein lichtend middelpunt schitterde. Er waren oogenblikken geweest, waarin ons geheele voertuig zich te midden der vlammen scheen voort te bewegen,—vlammen zonder warmte, doch die, noch door hun kleur, noch door hun beweeglijkheid aan die van het St. Elmusvuur herinnerden.

Storr vertelde ons, dat hij somtijds op die wijze treinen op hunne rails had zien loopen te midden eener dubbele haag lichtend stof en Banks bevestigde dit zeggen van den machinist. Een kwartier lang had ik dit zonderlinge natuurverschijnsel zeer nauwkeurig kunnen waarnemen door de kleine vensters van het torentje, waardoor ik den weg over een lengte van vijf of zes kilometers kon gadeslaan. Deze weg, zonder boomen, was stofferig en wit verbrand door de verticale stralen der zon. Op dit oogenblik scheen het mij toe, dat de warmte van den dampkring die van den vuurhaard der machine overtrof. Het was waarlijk niet om uit te houden en toen ik onder het heen en weer zwaaien der punka een frisscher lucht kwam inademen, was ik half gestikt.

’s Avonds, tegen zeven uur, hield het Stoomhuis halt. De rustplaats, door Banks uitgekozen, was aan den zoom van een bosch met prachtige vijgeboomen, dat zich tot in het oneindige naar het noorden scheen uit te strekken. Een vrij fraaie weg doorkruiste dit bosch en beloofde ons voor den volgenden dag een aangenamer en gemakkelijker tocht onder een ruim en hoog koepeldak van groen.

De vijgeboomen, die reuzen der Hindoesche flora, zijn te beschouwen als de grootvaders, men zou kunnen zeggen als de huisvaders der plantenfamilie, omringd door hunne kinderen en kleinkinderen. Dezen, uit een zelfden wortel ontspringende, klimmen recht om den hoofdstam, waarmede zij volstrekt geen gemeenschap hebben, in de hoogte en gaan zich in de verheven vaderlijke takken verliezen. Het is wezenlijk alsof ze onder dit dichte gebladerte zijn uitgebroeid, als de kiekens onder de vleugelen hunner moeder. Daarvandaan het zonderlinge gezicht, dat deze meerdere eeuwen oude bosschen opleveren. De oude boomen gelijken op alleenstaande pilaren, het onmetelijke gewelf onderschragende, waarvan de fijne ribben op jonge vijgeboomen rusten, die op hun beurt pilaren zullen worden.

Dien avond werd het kamp met nog meer zorg ingericht dan gewoonlijk. Mocht toch de volgende dag even heet zijn als deze geweest was, dan stelde Banks zich voor de halt te verlengen, en zoo het noodig was, ’s nachts te reizen.

Kolonel Munro trouwens vond het heerlijk om eenige uren in dat schoone, schaduwrijke en kalme bosch door te brengen. Allen waren zijne meening toegedaan, dezen omdat zij werkelijk rust noodig hadden, anderen omdat zij eindelijk toch eens een dier wenschten te ontmoeten, dat een geweerschot van een Anderson of van een Gérard waardig was. Men raadt wie deze laatsten waren.

»Fox, Goûmi, ’t is pas zeven uren!” riep kapitein Hod. »Een toertje in het bosch, voordat het nog geheel donker is!—Ben je van de partij, Maucler?”

Onder het sombere bladerendak der vijgeboomen. Blz. 142.
Onder het sombere bladerendak der vijgeboomen. Blz. 142.

Onder het sombere bladerendak der vijgeboomen. Blz. 142.

»Mijn waarde Hod,” zei Banks, alvorens ik had kunnen antwoorden, »je moest je waarlijk niet van het kamp verwijderen. De lucht voorspelt niet veel goeds. Als de storm losbarst, zal je moeielijk het kamp kunnen bereiken. Morgen, als we ons kamp blijven betrekken, kan je gaan....”

»Morgen, is het licht,” antwoordde Hod, »en juist nu is het oogenblik gunstig!”

»Dat weet ik, Hod, maar ’k ben bang voor den nacht. Wil je daarom toch vertrekken, ga dan niet ver. Over een uur is het al pikdonker en je zoudt misschien moeielijk het kamp kunnen weervinden.”

»Wees gerust, Banks. ’t Is pas zeven uren, en ’k vraag mijn kolonel slechts een permissie tot tien uren.”

»Ga je gang, mijn waarde Hod,” antwoordde Sir Edward Munro, »maar denk aan ’t geen Banks je gezegd heeft.”

»Ja, kolonel.”

Kapitein Hod, Fox en Goûmi, met uitmuntende jachtkarabijnen gewapend, verlieten het kamp en verdwenen onder de hooge vijgeboomen, die aan de rechterzijde van den weg stonden.

Ik was zoo vermoeid van de warmte en de vermoeienissen van den dag, dat ik liever thuis bleef.

Evenwel werd het vuur, op bevel van Banks, in plaats van geheel te worden uitgedoofd, slechts naar achteren van den vuurhaard geschoven, zoodat de stoom een paar atmosfeeren drukking bleef behouden. De ingenieur wilde zich voor elke mogelijkheid gereed houden.

Storr en Kâlouth hielden zich in dien tusschentijd bezig met het opdoen van brandstof en water. Een klein beekje, aan den linkerkant van den weg, verschafte hun het noodige water, en de naburige boomen het hout, dat zij benoodigd hadden om den tender te voorzien. Gedurende dien tijd hield »monsieur” Parazard zich met zijne gewone bezigheden onledig en onder het afnemen van de overblijfselen van den maaltijd, bepeinsde hij het menu voor het diner van den volgenden dag.

Het was nog vrij licht en kolonel Munro, Banks, sergeant Mac Neil en ik, gingen aan den oever van de beek ons middagslaapje houden. Deze heldere waterstroom verfrischte den dampkring, die werkelijk, zelfs op dit uur, verstikkend was. De zon was nog niet ondergegaan. Haar licht verfde de massa dampen, die men door de groote openingen tusschen het gebladerte zich allengs aan het zenith zag ophoopen, donker blauw. Het waren zware, dikke wolken, die niet door wind schenen bewogen te worden en hun beweegkracht in zichzelven schenen te bezitten.

We zaten of lagen tot omstreeks acht uren te praten. Van tijd tot tijd stond Banks op om een ruimer gezicht van den horizont te nemen, door te gaan tot aan den zoom van het bosch, dat de vlakte, op minder dan een kwart mijl van het kamp, doorsneed. Toen hij terugkwam, schudde hij niet zeer gerustgesteld het hoofd.

De laatste maal vergezelden wij hem. Reeds viel de duisternis onder de vijgeboomen. Toen wij aan den zoom gekomen waren, zag ik, dat in het westen tot daar, waar zich een rij onduidelijk omschreven heuvels vertoonde die reeds met de wolken ineensmolten, zich een onmetelijke vlakte uitstrekte.

Het voorkomen van de lucht was vreeselijk in haar kalmte. Geen tochtje wind bewoog de hooge bladeren der boomen. Het was niet de rust van de ingeslapen natuur, die de dichters zoo vaak bezongen hebben, het was integendeel een zware en ziekelijke slaap. Het was alsof de atmosfeer in een toestand van spanning verkeerde en ik kon het luchtruim nergens beter bij vergelijken dan bij een stoomketel, als de te sterk saamgeperste stoom op het punt staat los te barsten.

De ontploffing was nabij.

De stormachtige wolken dreven inderdaad zeer hoog, zooals dit gewoonlijk plaatsheeft boven vlakten, en hadden breede, kromlijnige, scherp omschreven omtrekken. Zij schenen zelfs zich uit te zetten, in aantal te verminderen en in grootte toe te nemen, steeds evenwel dezelfde basis behoudende. Blijkbaar zouden ze spoedig allen tot een zelfde massa zijn opgelost, die de dichtheid der eenige wolk zou doen toenemen. Reeds smolten de kleine bijwolkjes, aan een soort van aantrekkingskracht gehoorzamende, tegen elkander aanbotsende en zich van elkander afstootende, in een verwarde massa in een.

Tegen half negen uur verscheurde een zig-zagsgewijze uitschietende, bliksemstraal, in zeer scherpe hoeken, de donkere massa op een lengte van twee duizend vijf honderd à drie duizend meters.

Vijf en zestig seconden later barstte een donderslag los en liet een lang gerekt, dof gerommel hooren, eigenaardig aan deze soort van bliksemflitsen, dat ongeveer vijftien seconden aanhield.

»Een en twintig kilometers,” zei Banks, na zijn horloge geraadpleegd te hebben. »Dat is bijna de grootste afstand, waarop de donder zich kan doen hooren. Maar als eenmaal het onweer losgebroken is, komt het spoedig en we moeten het niet afwachten. Laten we naar binnen gaan, vrienden.”

»En kapitein Hod?” zei sergeant Mac Neil.

»De donder gebiedt hem terug te komen,” antwoordde Banks. »’k Hoop dat hij zal gehoorzamen.”

Vijf minuten later waren we in het kamp terug, en namen plaats onder de veranda van het salon.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings