← Table of contents
Het Stoomhuis

IV. In de grotten van Ellora.

Reading edition

Het was maar al te waar. De mahratten-prins Dandou-Pant, de aangenomen zoon van Baji-Rao, Peïschwah van Pounah, in een woord Nana-Sahib,—op dit oogenblik misschien de eenige overlevende van de hoofden der omwenteling der Sipayers,—had zijne ongenaakbare schuilhoeken in Nepaul kunnen verlaten. Dapper, stoutmoedig, gewoon allerlei gevaren te trotseeren, bekwaam in de kunst zijn vervolgers het spoor bijster te doen worden, buitengewoon listig, had hij zich tot in de provincie van Dekan gewaagd, onder de nooit sluimerende inblazingen van een haat, dien de vreeselijke weerwraak van den opstand van 1857 slechts vertienvoudigd had.

Ja! het was een doodelijke haat, dien de Nana den bezitters van Indië gezworen had. Hij was de erfgenaam van Baji-Rao en, toen de Peïschwah in 1851 stierf, weigerde de Compagnie hem voortaan het pensioen van acht lakhs ropyen (een millioen gulden) uit te keeren, waarop hij recht had. Dit was een der oorzaken van dien haat, die tot de grootste buitensporigheden zou leiden.

»Geen licht,” zei de Nana. Blz. 44.
»Geen licht,” zei de Nana. Blz. 44.

»Geen licht,” zei de Nana. Blz. 44.

Maar wat hoopte Nana Sahib dan? Sedert acht jaren was de opstand der Sipayers volkomen gedempt. Het Engelsche gouvernement was allengs in de plaats getreden van de achtbare Indische Compagnie en hield het gansche schiereiland onder vrij wat strenger bestuur dan dat van de vereeniging der kooplieden. Er was geen spoor van den opstand meer overgebleven, zelfs niet in de rangen van het inlandsche leger, dat ook geheel gereorganiseerd was. Had de Nana dan kans van slagen in zijne pogingen om onder de lagere klassen van Hindostan een nieuwe beweging aan te stoken? Zijne plannen zullen weldra bekend zijn. Eene zaak wist hij, dat namelijk zijne tegenwoordigheid in de provincie Aurungabad gesignaleerd was geworden, dat de gouverneur-generaal er de onderkoning te Calcutta van verwittigd had en dat er een prijs op zijn hoofd gesteld was. Zeker was het dat hij overijld op de vlucht had moeten gaan en zich op nieuw in zulk een goed verborgen schuilplaats had moeten verbergen, dat hij aan de nasporingen van de agenten der Engelsch-Indische politie kon ontsnappen.

De Nana verloor in den nacht van den 6n op den 7n Maart geen uur. Hij kende het land volkomen en besloot Ellora te bereiken, gelegen op vijf en twintig mijlen van Aurungabad, om zich daar bij een zijner medeplichtigen te voegen.

De nacht was donker. De gewaande fakir richtte zich, na zich overtuigd te hebben dat hij niet vervolgd werd, naar het praalgraf, op eenigen afstand van de stad opgericht ter eere van den mohamedaan Sha-Soufi, een heilige wiens reliquiën den naam hebben genezingen te volbrengen. Maar alles sliep toen in het praalgraf, priesters en bedevaartgangers, en de Nana kon zich bewegen zonder door lastige vragen verontrust te worden.

Evenwel was het niet zoo duister, dat dit granietblok, het onneembare fort van Daoulutabad dragende en zich midden in eene vlakte tot eene hoogte van twee honderd veertig voet verheffende, zijn ontzaglijk schaduwbeeld aan de blikken kon onttrekken. Toen de nabob het zag, herinnerde hij zich dat een der keizers van Dekan, een zijner voorouders, zijn hoofdstad had willen maken van de uitgestrekte stad, die vroeger aan den voet van het fort gebouwd was. En werkelijk zou het een onverwinlijke positie geweest zijn, zeer geschikt om in dit gedeelte van Indië het middelpunt eener oproerige beweging te worden. Doch Nana Sahib wendde het hoofd om en had slechts een blik vol haat over voor die sterkte, nu in de handen zijner vijanden.

Op deze vlakte volgde een meer afwisselend terrein. Het waren de eerste oneffenheden van den bodem, die weldra bergachtig zou worden. De Nana, nog in de volle kracht des levens, vertraagde zijne schreden niet, toen hij reeds vrij steile hellingen moest beklimmen. Hij wilde dien nacht vijf en twintig mijlen maken, dat is den afstand afleggen, die Ellora van Aurungabad scheidt. Eenmaal daar, hoopte hij in veiligheid te kunnen uitrusten. Ook hield hij zich niet op, noch in een karavansera, voor iedereen open, die men op weg ontmoette, noch in een half vervallen bungalow, waar hij in een afgezonderd gedeelte van den berg een paar uur had kunnen slapen.

Bij het opgaan der zon ging de vluchteling om het dorp Ranzah heen, dat het zeer eenvoudige graf bezit van den grootsten Mongoolschen keizer, Aureng-Zeb. Eindelijk had hij de beroemde groep holen bereikt, die hun naam ontleend hebben aan het kleine dorp bij Ellora.

De heuvel, waarin die holen ten getale van een dertigtal gegraven zijn, heeft de gedaante van een halve maan. Vier tempels, vier en twintig bouddhisten-kloosters, eenige minder belangrijke grotten, zijn de monumenten van de groep. De basaltgroeve is rijkelijk door menschenhanden geëxploiteerd. Maar niet om de kunststukken, hier en daar over de onmetelijke oppervlakte van het schiereiland verspreid, hebben de hindostansche bouwkundigen in de eerste eeuwen der christelijke jaartelling er de steenen uitgegraven. Neen! die steenen zijn alleen daarom weggenomen om ledige ruimten in de hoofdmassa te maken en het zijn deze ruimten, die, al naar hunne bestemming, »chaityas” of »viharas” geworden zijn.

De zonderlingste dezer tempels is voorzeker die der Kaïlas. Men stelle zich een blok voor van honderd twintig voet hoog, bij een omtrek van zes honderd voet. Dit blok heeft men stoutweg in den berg zelven uitgesneden en te midden van een plein van drie honderd zestig voet lang en honderd zes en tachtig breed afgezonderd,—een plein, verkregen ten koste van de basaltmassa. Toen nu eenmaal dit blok op deze wijze was vrijgemaakt, hebben de architecten het uitgehouwen, evenals een beeldhouwer een stuk ivoor. Uitwendig hebben zij kolommen uitgesneden, kleine pyramiden gebeeldhouwd, koepels vervaardigd, zooveel van de rots gespaard als noodig was om de bas-reliefs goed te doen uitkomen, meer dan levensgroote olifanten voorstellende, die het geheele gebouw schijnen te dragen; inwendig hebben zij een groote zaal uitgehouwen, omgeven met kapellen en waarvan het gewelf op kolommen rust, die van de geheele massa zijn afgezonderd. Eindelijk hebben zij van dit uit één steen gemaakte kunstwerk een tempel vervaardigd, die in de eigenlijke beteekenis van het woord niet »gebouwd” is geworden, maar een tempel eenig op de wereld en die waardig is mede te dingen met de bewonderenswaardigste gebouwen van Indië en zeer goed de vergelijking kan doorstaan met de onderaardsche begraafplaatsen van het oude Egypte.

Deze tempel, nu bijna verlaten, is als alle aardsche dingen, niet door den tijd gespaard. In sommige gedeelten begint hij reeds te vervallen. Zijne bas-reliefs slijten af als de wanden van de steenen massa, waaruit men ze vervaardigd heeft en toch bestaat dit kunstgewrocht nog slechts duizend jaren. Maar wat in de werken der natuur nog nieuw is, is dikwijls reeds oud en vervallen in den arbeid der menschen. In den zijdelingschen grondmuur links waren eenige diepe scheuren gekomen, en het is door een dezer openingen, die half door het kruis van een der torschende olifanten verborgen waren, dat Nana Sahib weg sloop, zonder dat iemand zijn komst te Ellora had kunnen vermoeden.

De scheur kwam uit in een donkeren gang, die door den grondmuur liep en zich in de diepte tot onder den bodem des tempels uitstrekte. Daar had men een soort van onderaardsche kapel of put, nu droog, uitgegraven, die tot vergaarbak van het regenwater diende.

Zoodra de Nana in den gang was gekomen, deed hij een zeker gefluit hooren, dat door een gelijk gefluit beantwoord werd. Het was geen echo. Weldra werd de duisternis verlicht door een Hindoe, die een kleinen lantaren in de hand droeg.

»Geen licht!” zei de Nana.

»Ben jij het, Dandou-Pant?” antwoordde de Hindoe, die dadelijk zijn lantaren uitdoofde.

»Ik, broeder!”

»Is.....?”

»Eerst iets te eten,” antwoordde de Nana, »dan zullen we praten. Maar noch om te praten, noch om te eten heb ik licht noodig. Neem mijn hand en geleid me.”

De Hindoe greep de hand van den Nana, nam hem mede naar de enge kapel en liet hem zich uitstrekken op een hoop drooge kruiden, dien hij zooeven verlaten had. Het fluiten van den fakir had hem uit zijn laatsten slaap gewekt.

Deze man, gewoon zich in deze donkere schuilplaats te bewegen, had spoedig eenig voedsel gevonden, brood, een soort van pastei, bereid van kippenvleesch, dat veel in Indië gegeten wordt, en een kalbasflesch met een halve pint met die sterke likeur, bekend onder den naam van »arak,” verkregen door de distillatie van het sap van den kokosnoot.

De Nana at en dronk zonder een woord te spreken. Hij bezweek bijna van honger en vermoeienis. Zijn geheele leven concentreerde zich toen in zijne oogen, die in de duisternis vuur schoten als de oogen eens tijgers.

De Hindoe wachtte zonder zich te bewegen totdat de nabob goedvond om te spreken.

Die man was Balao Rao, de eigen broeder van Nana Sahib.

Balao Rao, oudere broeder van Dandou-Pant, doch nauwlijks een jaar, geleek hem lichamelijk sprekend, maar ook geestelijk was het Nana Sahib volkomen. Dezelfde haat jegens de Engelschen, dezelfde sluwheid in zijne plannen, dezelfde wreedheid in de uitvoering, dezelfde ziel in twee lichamen. Gedurende den geheelen opstand hadden de twee broeders elkander niet verlaten. Na de nederlaag had hetzelfde kampement aan de grenzen van Nepaul hun een schuilplaats verleend. En nu, door een zelfde gedachte bezield de worsteling op nieuw te beginnen, waren zij beiden gereed te handelen.

Hij keek rechts en links. Blz. 48.
Hij keek rechts en links. Blz. 48.

Hij keek rechts en links. Blz. 48.

Toen de Nana, door den haastig verslonden maaltijd verkwikt, zijne krachten had terug erlangd, bleef hij eenigen tijd met het hoofd in de handen geleund zitten. Balao Rao, meenende dat hij zich door eenige uren slaap wilde versterken, bewaarde altijd het stilzwijgen.

Doch Dandou-Pant, het hoofd oprichtende, vatte de hand van zijn broeder en zeide met doffe stem:

»’k Ben gesignaleerd in het presidentschap van Bombay! De gouverneur van het presidentschap heeft een prijs op mijn hoofd gesteld! Hij heeft duizend gulden uitgeloofd aan hen, die hem Nana Sahib zal overleveren!”

»Dandou-Pant!” riep Balao Rao uit, »je hoofd is meer waard! Dat zou nauwlijks de prijs van het mijne zijn en na drie maanden zouden ze maar al te gelukkig zijn ze beiden voor tien duizend gulden te hebben!”

»Ja,” antwoordde de Nana, »over drie maanden, den 23n Juni, is het de verjaardag van den veldslag van Plassey waarvan de honderdste verjaardag, in 1857, het eind van de Engelsche heerschappij en de vrijmaking van het zonneras moest zien! Onze profeten hadden het voorzegd! Onze barden hadden het bezongen! Binnen drie maanden, broeder, zullen honderd negen jaren verloopen zijn en nog altijd is de vreemdeling heer en meester over Indië!”

»Dandou-Pant,” antwoordde Balao Rao, »wat in 1857 niet gelukt is, kan en moet tien jaren later gelukken. In 1827, in 1737, in 1847 hebben er oproeren in Indië plaats gehad! Om de tien jaar worden de Hindoes door de omwentelingskoorts aangetast! welnu, dit jaar zullen ze zich genezen door zich in golven Europeesch bloed te baden!”

»Dat Brahma ons geleide,” zeide Nana zacht, »en dan oog om oog, tand om tand! Wee den aanvoerders van het koninklijke leger, die onder de slagen onzer Sipayers niet gevallen zijn! Laurence is dood, Barnard is dood, Hope is dood, Napier is dood, Hodson is dood, Havelock is dood! Maar eenigen hebben het overleefd! Campbell, Rose leven nog, en onder hen hij, dien ik het meest van allen haat, die kolonel Munro, die afstammeling van den beul, hij, die met eigen hand mijn gezellin, de Rani van Jansi gedood heeft! Als hij in mijn handen valt, zal hij zien of ik de gruwelen van den kolonel Neil, de moorden van Sekander Bagh, de slachtingen van het paleis der Begoem, van Bareilli, van Jansi en van Morar, van het eiland Hydaspes en van Delhi vergeet! Hij zal zien of ik vergeten heb, dat wij elkander’s dood gezworen hebben!”

»Heeft hij zijn ontslag niet uit den dienst genomen?” vroeg Balao Rao.

»O! wat dat aangaat!” antwoordde Nana Sahib, »bij de eerste beweging treedt hij weder in dienst! Maar wordt ook deze opstand onderdrukt, dan zal ik hem opsporen tot in zijn bungalow van Calcutta en hem daar dooden!”

»Goed, maar nu?....”

»Nu, het eenmaal begonnen werk moet voortgezet worden. De beweging zal dezen keer nationaal zijn. Als in de steden en buiten op het land de Hindoes opstaan, zullen de Sipayers spoedig gemeene zaak met hen maken. Ik heb het midden en noorden van Dekan doorgetrokken en overal heb ik de gemoederen geneigd tot den opstand gevonden. Er zijn geen steden, noch gehuchten, waar we geen aanvoerders hebben, gereed om dadelijk te handelen. De Brahmanen zullen het volk opwinden. De godsdienst zal ditmaal de volgelingen van Çiva en van Vishnoe medesleepen. Op het vooraf beraamde tijdstip, zullen bij het overeengekomen signaal, millioenen Hindoes opstaan, en de koninklijke armee zal vernietigd worden!”

»En Dandou-Pant?....” vroeg Balao Rao, de hand van zijn broeder grijpende.

»Dandou-Pant,” antwoordde de Nana, »zal niet slechts zijn de op het sterke kasteel Bilhour bekroonde Peïschwah! Hij zal dan zijn de souverein van het heilige land der Indiën!”

Na deze woorden gesproken te hebben, bleef Nana Sahib, de armen gekruist, met den droomenden blik van hen, die niet het verledene of het tegenwoordige, maar de toekomst gadeslaan, in stilte verzonken.

Balao Rao wachtte zich wel hem te storen. Liever liet hij deze ongetemde ziel zich door haar eigen vuur ontvlammen en des noods was hij immers daar om het vuur dat in hem smeulde, aan te blazen. Nana Sahib kon geen medeplichtige hebben, inniger aan zijn persoon verbonden, geen vuriger raadsman om hem zijn doel te doen bereiken. Het is reeds gezegd, het was zijn ander ik.

Na eenige minuten van stilte, richtte de Nana het hoofd op en kwam tot den tegenwoordigen toestand terug.

»Waar zijn onze metgezellen?” vroeg hij.

»In de grotten van Adjuntah, waar ze ons volgens afspraak zouden wachten,” antwoordde Balao Rao.

»En onze paarden?”

»’k Heb ze een eind van hier op den weg van Ellora naar Boregami in bewaring gegeven.”

»Bij Kâlagani immers?”

»Juist, broeder. Ze worden daar goed verzorgd en staan gereed om te vertrekken.”

»Laten we dan vertrekken,” antwoordde de Nana. »We moeten voor het aanbreken van den dag te Adjuntah zijn.”

»En waarheen dan verder?” vroeg Balao Rao. »Heeft deze overhaaste vlucht je plannen niet tegengewerkt?”

»Neen,” antwoordde Nana Sahib. »We zullen de Sautpourrabergen bereiken, waarvan ik al de passen ken en waar ik de nasporingen van de Engelsche politie kan trotseeren. Daar ook zullen we op het grondgebied zijn der Bhîls en der Gounds, die onze zaak getrouw zijn gebleven. Daar zal ik dan het gunstige oogenblik kunnen afwachten, te midden van de bergachtige streek der Vindhyas, waar de gemoederen altijd in gisting verkeeren!

»Op marsch!” antwoordde Balao Rao. »Welnu, ze hebben duizend gulden uitgeloofd aan hem, die je vangt. Maar, ’t is niet voldoende om een prijs op je hoofd te stellen, ’t moet genomen worden ook!”

»Ze krijgen ’t niet,” antwoordde Nana Sahib. »Kom, zonder een oogenblik te verliezen, broeder, kom!”

Balao Rao liep met zekeren tred door den nauwen gang, die naar deze donkere schuilplaats, onder den vloer van den tempel gegraven, geleidde. Aan de opening gekomen, door het kruis van den steenen olifant verborgen, stak hij voorzichtig het hoofd naar buiten, keek rechts en links, verzekerde zich dat de toegangen vrij waren en waagde zich buiten. Uit overmaat van voorzorg, liep hij een twintig schreden ver in de laan, die de richting volgde van de as des tempels, doch niets verdachts opmerkende, liet hij een gefluit hooren, om Nana te waarschuwen dat de weg vrij was.

Eenige oogenblikken later, verlieten de beide broeders de een halve mijl lange, kunstmatige vallei, waarin een menigte galerijen, gewelven, uitdiepingen, op zekere plaatsen tot een groote hoogte trapsgewijze boven elkander zijn uitgehouwen. Zij vermeden het mohamedaansche praalgraf, dat tot bungalow dient voor de bedevaartsgangers of de nieuwsgierigen van allerlei landaard, aangetrokken door de wonderen van Ellora; eindelijk, na het dorp Ranzah te zijn omgegaan, bevonden zij zich op den weg, die Adjuntah met Boregami verbindt.

De afstand van Ellora naar Adjuntah bedroeg vijftig mijlen (80 kilometers ongeveer); doch de Nana was nu niet meer de vluchteling, die te voet en zonder middel van vervoer uit Aurungabad ontsnapte. Zooals Balao Rao gezegd had, wachtten hun drie paarden op den weg op, onder de hoede van den Hindoe Kâlagani, een getrouwen dienaar van Dandou-Pant. Deze paarden waren verborgen geweest in een dicht bosch, een mijl van het dorp af. Het eene was bestemd voor den Nana, het andere voor Balao Rao, het derde voor Kâlagani en even daarna galoppeerden alle drie in de richting van Adjuntah. Niemand trouwens zou er zich over verwonderd hebben een fakir te paard te zien, want inderdaad vragen deze brutale bedelaars dikwijls te paard zittende een aalmoes.

De vallei van Adjuntah. Blz. 50.
De vallei van Adjuntah. Blz. 50.

De vallei van Adjuntah. Blz. 50.

Daarenboven was de weg in dezen voor de bedevaarten minder gunstigen tijd van het jaar, niet druk bezocht. De Nana en zijne beide metgezellen reden dus snel, zonder vrees dat iets hen kon hinderen of ophouden. Zij namen er den tijd van af om hunne dieren te laten uitblazen, en op deze korte halten, putten zij uit den voorraad, dien Kâlagani aan den zadelknop had opgehangen. Zij vermeden zoodoende de meer bezochte gedeelten der provincie, de bungalows en de dorpen, onder anderen het gehucht Roja, een ellendige hoop zwarte huizen, zooals de door den rook zwart geworden sombere woningen van Cornonailles en Pulmary, een klein, verlaten gehucht in een woeste landstreek.

De bodem was gelijk en vlak. In alle richtingen strekten zich heidevelden uit, overal met dichte jungles bezet. Doch in de nabijheid van Adjuntah werd de landstreek meer oneffen.

De prachtige grotten van dien naam, mededingsters der wondervolle grotten van Ellora, en in hun geheel misschien schooner, nemen het lagere gedeelte eener kleine vallei in, een halve mijl ongeveer van de stad af.

Nana Sahib behoefde dus niet door Adjuntah te gaan, waar de afkondiging van den gouverneur reeds aangeplakt moest zijn. Bijgevolg bestond er voor hem geen vrees herkend te worden.

Vijftien uren dus na Ellora verlaten te hebben, drong hij met zijne metgezellen door een nauwen bergpas, die naar de beroemde vallei geleidde, waarvan de zeven en twintig tempels, in de rotsachtige massa zelve uitgehouwen, over duizelingwekkende afgronden hangen.

Het was een prachtige nacht, met een schitterenden sterrenhemel, doch zonder maan. Hooge vijgeboomen en eenige »bars,” die onder de reuzen der Indische flora geteld worden, teekenden zich zwart tegen den met sterren bezaaiden hemel af. Geen windje verstoorde de kalmte van den dampkring, geen blaadje bewoog zich, niet het minste geluid deed zich hooren, of het moest het zacht geruisch zijn van een bergstroom, die eenige honderden schreden verder in een diepe kloof vloeide. Doch dit geruisch nam toe en werd een waar geloei, toen de paarden den waterval van den Satkhound bereikt hadden, die van een hoogte van vijftig vademen valt, gebroken en verscheurd door de scherpe rotsen van kwarts en basalt. Vloeibaar stof dwarrelde in den bergpas rond en zou, zoo de maan in dien schoonen lentenacht den horizont verlicht had, het prachtige schouwspel hebben opgeleverd van de zeven kleuren van den regenboog.

De Nana, Balao Rao en Kâlagani vertoonden zich nu in den bergpas, die op deze plaats een scherpe kromming maakt en een prachtig uitzicht geeft op de vallei, verrijkt door de meesterstukken der boeddhistische bouwkunst. Daar, op de muren dier tempels, rijkelijk met zuilen, rozetten, arabesken, veranda’s versierd, bevolkt met kolossale figuren van fantastisch gevormde dieren, voorzien van in de rotsmassa uitgeholde sombere cellen, eertijds door priesters, de bewaarders dezer heilige verblijfplaatsen bewoond, kan de kunstenaar ook nog eenige fresco’s bewonderen, die eerst gisteren geschilderd schijnen te zijn en die koninklijke plechtigheden, godsdienstige processies, veldslagen voorstellen waarin al de wapenen van dien tijd voorkomen, zooals ze in de eerste tijden van de christelijke jaartelling in het prachtige land van Indië in zwang waren.

Nana Sahib kende al de geheimen dezer onderaardsche verblijven. Meer dan eens hadden zijne metgezellen en hij, door de koninklijke troepen in ’t nauw gebracht, er in de kwade dagen van den opstand een schuilplaats gevonden. De onderaardsche galerijen, die ze met elkander verbonden, de nauwste tunnels in de kwartsachtige rotsmassa uitgegraven, de bochtige gangen, die elkaar in alle richtingen kruisten, de duizend vertakkingen van dien doolhof, die den geduldigste wanhopend zouden gemaakt hebben, alles was hem gemeenzaam. Hij kon er niet verdwalen, zelfs al verlichtte geen fakkel hunne donkerste hoeken.

De Nana ging als iemand, volkomen zeker van zich zelven, recht naar een van de minst belangrijke holen der groep. De opening was verborgen door dicht struikgewas en een hoop groote steenen, afkomstig van een oude instorting, tusschen de struiken van den bodem en de planten, die tusschen de spleten van de rots groeiden.

Een licht tikje op den wand was den nabob voldoende om zijne tegenwoordigheid aan de opening van het hol te kennen te geven.

Dadelijk kwamen twee of drie hoofden van Hindoes tusschen de takken te voorschijn, daarna tien, twintig en weldra vormden die hoofden, door lichamen gevolgd, als slangen tusschen de steenen doorkruipende, een groep van een veertigtal goed gewapende mannen.

»Op marsch!” zeide Nana Sahib.

En zonder eenige verklaring te vragen, zonder te weten waarheen hij hen leidde, volgden hem de getrouwe metgezellen van den nabob, gereed zich op een teeken van hem te laten dooden. Zij waren te voet, maar hunne beenen konden in snelheid wedijveren met die van een paard.

De kleine troep drong door den bergpas, die langs den rand van den afgrond in de richting van het noorden liep en ging om den top van den berg heen. Een uur later had hij den weg van den Kandeisch bereikt, die zich verliest in de bergpassen der Sautpourrabergen.

Met het aanbreken van den dag passeerden zij den tak op Nagpore van den spoorweg van Bombay op Allahabad en even later den weg zelven, die naar het noordoosten loopt.

Op dit oogenblik bruiste de sneltrein van Calcutta voorbij, en liet zijn witten rook in de toppen der trotsche vijgeboomen langs den weg hangen, terwijl de roofdieren der jungles verschrikt op de vlucht joegen.

De nabob hield zijn paard in en riep met luide stem, de hand naar den voortsnellenden trein uitgestrekt:

»Ga en zeg den onderkoning van Indië, dat Nana Sahib nog altijd in leven is en dat hij dezen spoorweg, dat vervloekte gewrocht hunner handen, in het bloed der veroveraars zal verdrinken!”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings