← Table of contents
Het Stoomhuis

V. De IJzeren Reus.

Reading edition

Wie beschrijft de verbazing der mannen, vrouwen en kinderen, van Hindoes zoowel als van Engelschen, op den grooten weg van Calcutta naar Chandernagor, toen zij in den vroegen morgen van den 6n Mei uit een der laatste voorsteden van de hoofdstad van Indië, tusschen twee dichte rijen nieuwsgierigen een vreemde equipage zagen te voorschijn komen,—indien men althans dien naam kan geven aan den zonderlingen toestel, die zich langs den oever der Hoogly voortbewoog.

Aan het hoofd en als de eenige beweegkracht van den trein, stapte een reusachtige olifant, van twintig voet hoog, dertig lang en breed naar evenredigheid, bedaard en geheimzinnig voort. Zijn snuit was half omgebogen, als een énorme hoorn van overvloed, met het uiteinde in de lucht. Zijne vergulde slagtanden staken buiten zijn ontzaglijk kakebeen uit, gelijk aan twee dreigende zeisen. Over zijn donkergroen lichaam, zonderling gevlekt, was een in ruime plooien afhangend kleed van schitterende kleuren geslagen, afgezet met goud- en zilverdraadwerk, omgeven door groote eikels van gedraaide franje. Zijn rug torste een soort van prachtig versierd torentje, bekroond met een op de Indische wijze rond koepeldak en welks wanden voorzien waren van groote lensvormige glazen, veel gelijkende op de patrijspoorten eener scheepskajuit.

Wat nu die olifant voorttrok, was een trein van twee énorme wagens, of liever twee werkelijke huizen, een soort van rollende bungalows, elk op vier raderen met sierlijk gebeeldhouwde naven, speken en velgen. Deze wielen, waarvan men slechts het onderste segment zag, bewogen zich in kasten, die half door het onderstel dezer énorme bewegingstoestellen verborgen waren. Een van scharnieren voorzien smal brugje, dat zich naar de beweging der wielen schikte, verbond het eerste voertuig met het tweede.

Hoe kon nu een enkele olifant, hoe sterk ook, schijnbaar zonder de minste moeite, deze twee zware gevaarten trekken? Hij deed het evenwel, het wonderdier! Zijne dikke pooten lichtten zich op en daalden automatisch neder met een echt mechanische regelmaat en hij ging onmiddellijk van den stap in den draf over, zonder dat noch de stem, noch de hand van een »mahout” zich deed hooren of zien.

Daarna tien, twintig. Blz. 51.
Daarna tien, twintig. Blz. 51.

Daarna tien, twintig. Blz. 51.

Dat was voorzeker iets waarover de nieuwsgierigen zich moesten verwonderen, indien zij zich althans op eenigen afstand hielden, want, als zij dichter bij den kolos kwamen, ontdekten zij het geheim en week hunne verbazing voor bewondering.

En inderdaad werd het oor onmiddellijk getroffen door een soort van op de maat afgepast geloei, dat zeer veel overeenkomst had met het eigenaardig geschreeuw van die reuzen der Indische fauna. Daarenboven ontsnapte er in kleine tusschenpoozen uit de naar den hemel gerichte tromp een schitterende rookwolk.

En toch was het zeer zeker een olifant! Zijn met vouwen en rimpels bedekte, zwartachtig groene huid hield ongetwijfeld een dier machtige beenderengestellen verborgen, waarmede de natuur de dikhuidigen begiftigd heeft! Zijne oogen schitterden met een levendigen glans! Zijn leden waren met beweging begaafd!

Doch, zoo de een of andere nieuwsgierige het gewaagd had de hand op het ontzaglijke dier te leggen, was alles helder voor hem geworden. Het was slechts een bewonderenswaardige oogbedrieger, een verrassende navolging, met al de uiterlijke kenteekenen van het leven, zelfs van dichtbij.

Werkelijk was die olifant van plaatijzer en hield inwendig een weglocomotief verborgen, en wat den trein, het »Stoomhuis” betreft, om de benaming te gebruiken, die hem toekomt, het was de door den ingenieur beloofde rollende woning.

De eerste wagen of liever het eerste huis, diende tot woning voor kolonel Munro, kapitein Hod, Banks en mij.

Het tweede huisvestte sergeant Mac Neil en de lieden, die het personeel van den tocht uitmaakten.

Banks had zijne belofte gehouden, kolonel Munro de zijne en ziedaar hoe men in den morgen van den 6n Mei, in die buitengewone equipage vertrokken was om de noordelijke streken van het Indische schiereiland te bezoeken.

Doch waartoe zulk een kunstmatige olifant? Waarom die fantasie, in strijd met den praktischen geest der Engelschen? Tot nog toe was het nooit bij iemand opgekomen om aan een locomotief, bestemd om, hetzij op de groote straatwegen of op de rails der spoorbanen, te circuleeren, de gedaante van een viervoetig dier te geven!

Het valt niet te ontkennen, dat we, voor ’t eerst de wonderlijke machine ziende, ten hoogste verbaasd stonden te kijken. Er kwam geen einde aan de vragen, die onzen vriend Banks ten opzichte der machine gedaan werden. Volgens zijne plannen toch en onder zijne leiding was deze weglocomotief vervaardigd. Wie had hem de zonderlinge gedachte ingeblazen haar tusschen de ijzeren wanden van een mechanischen olifant te verbergen?

»Mijne vrienden,” vergenoegde Banks zich zeer ernstig te antwoorden, »kent ge den rajah van Bouthan?”

»Ik ken hem,” antwoordde kapitein Hod, »of liever, ik kende hem, want hij is nu sedert drie maanden overleden.”

»Bravo! Banks, bravo!” riep kapitein Hod uit. »Een ingenieur, die daarenboven kunstenaar is, een dichter in ijzer en staal, dat mag een witte raaf genoemd worden!”

»Toen nu de rajah dood was,” antwoordde Banks, »en zijn equipage teruggekocht, had ik den moed niet mijn olifant te vernietigen en den locomotief zijn gewonen vorm terug te geven!”

»En je hebt volmaakt goed gehandeld!” hernam de kapitein. »Onze olifant is prachtig! En wat zullen we een effect met dat reusachtige dier maken, als het ons over de vlakten en door de jungles van Hindostan voert! Een dergelijk denkbeeld kon alleen bij een rajah opkomen! Welnu, wij zullen dat idée in praktijk brengen, niet waar, kolonel?”

Kolonel Munro had bijna geglimlacht. Dat stond gelijk met een volslagen goedkeuring van de woorden des kapiteins. De reis werd dus vastgesteld en dat was de reden, waarom een ijzeren olifant, eenig in zijn soort, een kunstmatige Leviathan er toe gebracht werd de rollende woning te trekken van vier Engelschen, inplaats van in groote staatsie een der rijkste rajahs van het Indische schiereiland rond te leiden.

En hoe is nu deze weglocomotief ingericht, waaraan Banks vernuftig al de verbeteringen der moderne wetenschap had aangebracht?

Tusschen de vier wielen strekt zich het geheele mechanisme, cilinders, stangen, stoomschuiven, voedingspomp, excentrieken, in het lichaam van den stoomketel geborgen, uit. Deze pijpketel heeft zestig vierkante meters verwarmend oppervlak. Hij is geheel bevat in het voorste gedeelte van het lichaam des olifants, welks achterste gedeelte den tender verbergt, bestemd om het water en de brandstof mede te voeren. De stoomketel en de tender, beiden op hetzelfde gestel geplaatst, zijn alleen van elkander gescheiden door een tusschenruimte voor den stoker. De machinist houdt zijn verblijf in den toren, bestand tegen de kogels, welke toren boven het lichaam van het dier uitkomt en waarin, in geval van een ernstigen aanval, al onze manschappen zich zullen kunnen verschuilen. Onder de oogen van den machinist bevinden zich de veiligheidskleppen en de manometer, die de spanning van den stoom aangeven; binnen zijn bereik de regulator en de gangkruk die hem dienen, de een om den aanvoer van stoom, de andere om de beweging der stoomschuiven te regelen en bijgevolg den gang naar voren of achteren van den toestel te bepalen. Uit dit torentje kan hij door dikke lensvormige glazen den weg waarnemen, dien zij gaan, terwijl een pedaal, die met de voorwielen in verband staat, deze verstelt en het gevaarte de scherpste bochten en krommingen doet maken.

Zoodanig was dus die trein. Blz. 59.
Zoodanig was dus die trein. Blz. 59.

Zoodanig was dus die trein. Blz. 59.

Veeren van het beste staal, aan de assen bevestigd, torsen den ketel en den tender, om de schokken door de ongelijkheden van den grond teweeggebracht, te temperen. Wat de wielen betreft, van beproefde sterkte, zij zijn aan den omtrek van tanden voorzien, die in den grond ingrijpen, hetgeen het slijten of doorslaan belet.

Zooals Banks ons mededeelde, is de nominale kracht der machine tachtig paarden, die men evenwel tot honderd vijftig effectieve kracht kan opvoeren, zonder vrees voor ontploffing. Deze machine, samengesteld volgens de beginselen van het »stelsel Field,” is met dubbelen cilinder en veranderlijke uitzetting. Een hermetisch gesloten omhulsel beveiligt het geheele mechanisme voor het stof der wegen, dat het anders spoedig zou bederven. De voortreffelijkheid dezer machine bestaat vooral hierin, dat zij weinig verbruikt en veel voortbrengt. Inderdaad is het gemiddelde verbruik, in verhouding tot de verkregen trekkracht, even voordeelig, hetzij men kool of hout stoke, want de rooster van den vuurhaard is zoo ingericht, dat alle soorten van brandstof kunnen gebruikt worden. Wat de normale snelheid van dezen weglocomotief betreft, deze wordt door den ingenieur geschat op vijf en twintig kilometers per uur, maar op een gunstig terrein, zal hij het tot veertig brengen. De wielen kunnen, zooals wij zeiden, niet gemakkelijk doorslaan, niet alleen door het ingrijpen hunner vellingen in den grond, doch ook omdat de ophanging van den toestel op veeren van uitstekende hoedanigheid, volkomen is en het gewicht, dat door de schokken telkens ongelijk zou worden, daardoor overal gelijkelijk verdeeld blijft. Daarenboven kunnen deze wielen gemakkelijk vastgezet worden door een remtoestel met samengeperste lucht, die het voertuig òf langzamerhand, òf bijna plotseling doet stilstaan.

Wat het vermogen der machine aangaat om tegen hellingen op te gaan, dit is werkelijk merkwaardig. Banks heeft inderdaad de schoonste resultaten verkregen door rekening te houden met het gewicht en het voortdrijvend vermogen, op elken zuiger van zijn locomotief. Ook kan hij gemakkelijk hellingen bestijgen van tien à twaalf centimeters per meter,—’t geen aanzienlijk is.

Overigens zijn de wegen, door de Engelschen in Indië aangelegd en die een net uitmaken van verscheidene duizenden mijlen, wezenlijk prachtig. Zij leenen zich uitstekend voor deze soort van vervoer. Om van geen anderen weg te spreken dan van den »Great Trunk Road”, die het geheele schiereiland doorsnijdt, deze strekt zich onafgebroken twaalf honderd mijlen, of bij de twee duizend kilometers ver uit.

En nu, laat ons een en ander vertellen van het Stoomhuis, dat de kunstmatige olifant voorttrok.

Banks toch had van de erfgenamen van den nabob, voor rekening van kolonel Munro niet alleen den weglocomotief gekocht, maar ook den trein, dien hij voorttrok. Wien zal het verwonderen, dat de rajah van Bouthan hem geheel naar eigen vinding en in Hindoeschen trant had laten vervaardigen? Ik noemde hem reeds een rollenden bungalow; hij verdient dien naam ten volle en inderdaad mogen de twee wagens, waaruit de trein bestaat, een wonder van de bouwkunst des lands genoemd worden.

Men stelle zich twee soorten van pagoden zonder minarets voor, met hare dubbele, dikbuikige, ronde koepeldaken, hare uitstekende vensters, door vierkante, platte, gebeeldhouwde zuilen gedragen, haar versiering in veelkleurig lofwerk van kostbare houtsoorten, hare bevallig geteekende, sierlijk gebogen omtrekken, de rijk aangebrachte veranda’s, waarin zij van voren en achteren uitloopen. Men zou gezegd hebben, dat het twee aan den heiligen heuvel van Sonnaghur ontleende pagoden waren, die, met elkander verbonden, door dien ijzeren olifant op sleeptouw genomen, de groote wegen van Indië gingen bewandelen!

En, opdat er toch niets aan dit wonderbaarlijke voertuig zou ontbreken, moet nog vermeld worden, dat het drijven kon. Het benedengedeelte toch van het lichaam des olifants, de buik in een woord, die de machine bevat, zoowel als het onderstel der twee rollende huizen, vormden vaartuigen van licht plaatijzer. Deed er zich nu een stroom op zijn weg voor, dan trad de olifant er in, de trein volgde hem en de pooten van het dier, door de drijfstangen als schoepen in beweging gebracht, sleepte het geheele stoomhuis over de rivieren en stroomen voort. Een onschatbaar voordeel voorzeker in het uitgestrekte land van Indië, door zooveel stroomen doorsneden, waarover de bruggen nog moeten gelegd worden.

Zoodanig was dus die trein, eenig in zijn soort en zoodanig had de zonderlinge rajah van Bouthan hem gewild. Maar, mocht Banks al aan de fantasie van den rajah hebben toegegeven, die aan de beweegkracht den vorm van een olifant en aan de rijtuigen de gedaante van pagoden gaf, het inwendige had hij gemeend naar den Engelschen smaak te moeten inrichten en daarbij in het oog gehouden, dat het een reis van langen duur zou zijn. En hierin was hij volkomen geslaagd.

Het Stoomhuis bestond, zooals ik gezegd heb, uit twee wagens, die inwendig niet minder dan zes meters breed waren. Zij overschreden bijgevolg de assen der wielen, die slechts vijf meters breed waren. Op zeer lange en buitengewoon buigzame veeren rustende, hadden zij evenmin van schokken te lijden als de wagens op een goed aangelegden spoorweg.

De eerste wagen had een lengte van vijftien meters. Van voren overschaduwde een sierlijke veranda, op lichte zuilen rustende, een ruim balkon, dat gemakkelijk een tiental personen kon bevatten. Twee vensters en een deur kwamen op het salon uit, daarenboven verlicht door twee zijvensters. Dit salon, gemeubeld met een tafel en een bibliotheek, in zijn geheele breedte voorzien van zachte divans, was smaakvol versierd en met rijke stoffen behangen. Een dik Smyrna’s tapijt bedekte den vloer. »Tatti’s,” een soort van lichtschermen van met bloemen versierd rietgras, voor de vensters gehangen en onophoudelijk met welriekend water besproeid, onderhielden een aangename frischheid, zoowel in het salon als in de kleinere vertrekken. Aan de zoldering hing een »punka,” die, terwijl de trein op weg was, automatisch bewogen of gedurende de halten door een dienaar heen en weder gezwaaid werd. Moest men niet met alle mogelijke middelen het onaangename bestrijden eener temperatuur, die gedurende zekere maanden van het jaar, in de schaduw boven vijf en veertig graden C. rijst?

Achter in de zaal verleende een tweede deur, van kostbaar hout, tegenover de deur der veranda, toegang tot de eetzaal, die haar licht niet alleen ontving van de zijvensters, maar ook van een plafond van mat glas. Rondom de in het midden geplaatste tafel, konden acht gasten plaats nemen. Wij waren slechts met ons vieren en zouden het dus ruim genoeg hebben. Buffetten en kredenstafeltjes, beladen met al de weelde van zilverwerk, glazen en porceleinen voorwerpen, door het Engelsche comfort vereischt, meubelden deze eetzaal. Het spreekt van zelf, dat al de licht breekbare voorwerpen, half in bijzonder daartoe vervaardigde inkervingen gevat, evenals dit aan boord van schepen geschiedt, voor de schokken bewaard bleven, zelfs op de slechtste wegen, ingeval onze trein ooit genoodzaakt werd zich op dezen te wagen.

De deur, achter in de eetzaal, kwam uit op een gang, die uitliep op een achterbalkon, mede bedekt door een veranda. Langs dezen gang bevonden zich vier kamers, zijdelings verlicht, een bed, een toilet, een kleerkast, een divan bevattende en ingericht als de kajuiten van de rijkste transatlantische paketbooten. De eerste kamer links werd bewoond door kolonel Munro, de tweede rechts, door den ingenieur Banks. Dan volgde rechts, op de kamer van den ingenieur, die van kapitein Hod en de mijne links op die van kolonel Munro.

De Hoogly te Calcutta. Blz. 64.
De Hoogly te Calcutta. Blz. 64.

De Hoogly te Calcutta. Blz. 64.

De tweede wagen, twaalf meters lang, bezat evenals de eerste, een balkon met veranda, dat uitkwam op een groote keuken, aan iedere zijde geflankeerd door twee provisiekamers, en natuurlijk voorzien van de noodige keukengereedschappen. Deze keuken stond in verbinding met een gang, die zich in het midden tot een vierkant vertrek verwijdde en voor het personeel der expeditie een tweede eetzaal vormde, verlicht door een vallicht in de zoldering. Aan de vier hoeken bevonden zich vier kleine vertrekken, bewoond door sergeant Mac Neil, den machinist, den stoker en den ordonnans van kolonel Munro; vervolgens waren er van achteren nog twee andere vertrekjes, het eene bestemd voor den kok, het andere voor den oppasser van kapitein Hod; eindelijk nog andere vertrekken, die dienden tot berging van wapenen, tot ijskelder, bagagekamer, enz., en allen uitkwamen op het verandabalkon van achteren.

Men ziet dat Banks de twee rollende woningen van het Stoomhuis doelmatig en gemakkelijk had ingericht. Zij konden ’s winters verwarmd worden door een toestel, waarvan de verwarmde lucht, door de machine verschaft, door de kamers circuleerde, behalve twee kleine schoorsteenen, die in het salon en de eetzaal geplaatst waren. Wij waren dus in staat het barre jaargetijde te trotseeren, zelfs aan den voet van de bergen van Thibet.

De belangrijke vraag der levensmiddelen was natuurlijk niet verzuimd en we namen zooveel fijne verduurzaamde spijzen van allerlei aard mede, dat het geheele personeel der expeditie er een jaar lang genoeg aan zou gehad hebben. Het overvloedigst waren wij voorzien van vleesch in blikken bussen van de beste merken, vooral gekookt en gestoofd ossenvleesch, en van kippenpasteiën, waarvan het gebruik in Indië zoo algemeen verspreid is.

Ook aan melk zou het ons niet ontbreken voor het ontbijt in den vroegen morgen, dat het eigenlijke ontbijt voorafgaat, ook niet aan bouillon voor de »tiffin,” (het tweede ontbijt) die het diner des avonds voorafgaat, dank zij de nieuwe toebereidingen, die het mogelijk maken, dat men ze geconcentreerd op reis medeneemt.

Na de melk tot deegachtige consistentie uitgedampt te hebben, wordt zij in hermetisch dichte bussen gesloten van vier honderd vijftig gram inhoud, die drie kan vloeistof kunnen opleveren door de bijvoeging van het vijfvoudig gewicht aan water. In dezen toestand komt zij in samenstelling overeen met normale melk van goede hoedanigheid. Hetzelfde resultaat wordt verkregen met den bouillon, die, na op dezelfde wijze geconserveerd en tot tabletjes gevormd te zijn, opgelost uitmuntende soepen geeft.

Wat het ijs aangaat, zoo nuttig in die heete luchtstreek, het was ons gemakkelijk het in weinige oogenblikken te maken, door middel van den toestel van Carré, die de verlaging der temperatuur door de verdamping van vloeibaar ammoniakgas bewerkt. Een der kleinere vertrekken van achteren was zelfs tot ijskelder ingericht en hetzij door de verdamping van den ammoniak, hetzij door de vervluchtiging van den methylether, kon de opbrengst onzer jachten onbepaald geconserveerd worden, dank zij de toepassing der methode van een Franschman, mijn landgenoot Ch. Tellier. Men zal moeten toestemmen, dat dit een kostbare hulpbron was, die in alle omstandigheden levensmiddelen van de beste hoedanigheid ter onzer beschikking stelde.

Wat de dranken betreft, ook hiervan was de kelder goed voorzien. Fransche wijnen, verschillende soorten van bier, brandewijn, arak, hadden allen afzonderlijke plaatsen en waren in voldoende hoeveelheid voorhanden voor de eerste behoeften.

Wij moeten overigens opmerken, dat onze reisweg ons niet belangrijk van de bewoonde provinciën van het schiereiland zou verwijderen. Men stelle zich ook vooral Indië niet als een woestijn voor. Mits men de ropijen niet spaart, kan men er zich niet alleen het noodige, maar meer dan dat verschaffen. Het zou kunnen zijn dat, als wij in de noordelijke streken, aan den voet van het Himalaya-gebergte overwinteren, we aan onze eigen hulpmiddelen zullen overgeleverd zijn. Doch ook in dat geval zouden we aan al de behoeften van een comfortable levenswijze kunnen voldoen. De praktische geest van onzen vriend Banks had alles voorzien, en men kon zich voor de zorg ons onder weg te proviandeeren, gerust op hem verlaten.

Ziehier nu het plan dezer reis,—een plan, dat in beginsel werd vastgesteld, uitgenomen de weinige wijzigingen, die onvoorziene omstandigheden er in konden brengen:

Te vertrekken van Calcutta langs de vallei van den Ganges naar Allahabad; door het koninkrijk Oude in de richting van het noorden verder te gaan, teneinde de eerste berghellingen van Thibet te bereiken, gedurende eenige maanden nu eens hier, dan weder daar te kampeeren, het daarbij kapitein Hod gemakkelijk makende zijne jachten te organiseeren, om vervolgens weder naar Bombay af te zakken.

Dat was bijna negen honderd mijlen af te leggen. Doch ons huis en zijn geheele personeel reisden met ons. Wie zou er iets tegen hebben om onder dergelijke omstandigheden meermalen de reis om de wereld te maken?

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings