Note 1 — V. De IJzeren Reus.
Reading edition
»Welnu, voor hij stierf,” antwoordde de ingenieur, »was de rajah van Bouthan niet alleen in leven, maar hij leefde heel anders dan een ander. Hij was zeer op pracht gesteld, onder welken vorm ook. Hij weigerde zich niets, niets namelijk van ’t geen hem in zijn hoofd opkwam. Hij bedacht het onmogelijke en indien zijn beurs niet onuitputtelijk geweest ware, had zij werkelijk kans gehad uitgeput te worden in de verwezenlijking zijner weelderige fantasie. Hij was rijk als de nabobs van vroegere tijden. Zoo hij ooit door eenige zorg gekweld werd, dan was het door de zorg hoe zijne schatten iets minder alledaags te verteren dan zijne millioenen rijke medebroeders. Nu kwam er eens een gedachte bij hem op, die zich zoodanig van hem meester maakte, dat hij er niet meer van kon slapen, een gedachte waarop Salomo trotsch zou geweest zijn, en die hij zeker verwezenlijkt zou hebben, als hij den stoom gekend had: de gedachte namelijk om op eene tot nog toe geheel nieuwe wijze te reizen, met een equipage zooals nooit iemand er een had kunnen droomen. Hij kende mij, liet mij aan zijn hof komen en teekende mij zelf het plan van zijn voertuig. En als ge nu denkt, mijne vrienden, dat ik in lachen uitbarstte bij het voorstel van den rajah, dan bedriegt ge u! Ik begreep volkomen dat dit grootsche idée slechts in de hersenen van een Hindoeschen souverein had kunnen opkomen, en ’k had van dat oogenblik af slechts ééne begeerte, het zoodra mogelijk uit te voeren op eene wijze, die mijn dichterlijken cliënt en mij zelven het best kon bevredigen. Een ingenieur is niet alle dag in de gelegenheid zijne krachten aan fantastische voorstellingen te beproeven en de fauna der Apocalypsis of de schepping der Duizend en een Nacht met een dier van eigen vinding te verrijken. En toch, de fantasie van den rajah was uitvoerbaar. Ge weet wat men in werktuigkunde al doet, wat men al kan doen en wat men eenmaal zal doen. Ik zette mij dus aan den arbeid en in dit omhulsel van plaatijzer, dat een olifant voorstelt, gelukte het mij den stoomketel, met het mechanisme en den tender van een weglocomotief met zijn geheele toebehooren in te sluiten. De gelede tromp, die naar goedvinden kan opgeheven en neergedrukt worden, diende mij tot schoorsteen; door middel van een excentriek1 kon ik de beenen van mijn dier aan de wielen van mijn toestel spannen; ik richtte de oogen in als de lensglazen van een vuurtoren, teneinde op die wijze twee stralen electrisch licht te verspreiden en daarmede was de kunstmatige olifant voltooid. Ik had meer dan eene moeielijkheid moeten overwinnen, die niet dadelijk was opgelost. Het gevaarte kostte mij vrij wat slapelooze nachten, zoodat mijn rajah, die hoogst ongeduldig was en den meesten tijd van zijn leven in mijn werkplaats doorbracht, kwam te sterven, voordat mijn olifant zijne wandeling op de groote wegen van Indië kon beginnen. De ongelukkige had den tijd niet gehad de proef van zijn rollend huis te nemen. Maar zijn erfgenamen, minder fantastisch dan hij, beschouwden den toestel met schrik en bijgeloof, als het werk van een krankzinnige. Zij haastten zich dus er zich tegen een lagen prijs van te ontdoen en daarom kocht ik alles voor rekening van den kolonel. Ge weet nu, mijne vrienden, hoe en waarom wij alleen op de wereld, ik sta er voor in, kunnen beschikken over een stoomolifant van tachtig paardenkracht, of liever van tachtig olifanten van drie honderd kilogrammeters!”