← Table of contents
Het Stoomhuis

IX. Allahabad.

Reading edition

De afstand tusschen Bénares en Allahabad bedraagt ongeveer honderddertig kilometers. De weg loopt bijna gestadig langs den rechteroever van den Ganges, tusschen den spoorweg en den stroom. Storr had zich steenkolen in briquetten verschaft en hij had er den tender mede beladen. De olifant was dus voor verscheidene dagen van voedsel verzekerd. Zorgvuldig schoongemaakt,—ik had haast gezegd geroskamd,—opgepoetst alsof hij zoo pas uit de werkplaats kwam, wachtte hij ongeduldig op het oogenblik van vertrek. Hij trappelde wel niet, maar eenige trillingen zijner raderen bewezen de spankracht van den stoom, die zijne ijzeren longen vulde.

Onze trein vertrok dus ’s morgens vroeg, den 24n, met een snelheid van 3 à vier mijlen per uur.

De nacht was zonder bijzondere voorvallen verloopen en wij hadden den Bengali niet teruggezien.

Wij moeten hier eens vooral vermelden, dat het programma van iederen dag, bevattende de uren van het opstaan en het naar bed gaan, het ontbijt, de lunch, diners, de siesta, met militaire nauwkeurigheid werd in acht genomen. Het leven in het Stoomhuis verliep even geregeld als in den bungalow van Calcutta. Het landschap wisselde onophoudelijk af, zonder dat onze woning zich scheen te verplaatsen. Wij waren geheel gewoon geraakt aan dit nieuwe leven, evenals een passagier aan het leven aan boord van een transatlantische stoomboot,—op de eentonigheid na, want wij hadden niet altijd den zelfden horizont voor ons.

Ten elf ure, dien dag, deed zich in de vlakte een zonderling praalgraf voor, van Mongoolsche bouwkunde, dat opgericht is ter eere van twee heilige personages van den Islam, Kassim-Soliman, vader en zoon. Een half uur later zagen wij de belangrijke vesting van Chunar, welker schilderachtige bolwerken een onneembare rots bekronen, die zich honderdvijftig voet loodrecht boven den Ganges verheft.

Er was geen sprake van halt te houden om deze vesting te bezoeken, een der belangrijkste van de vallei van den Ganges, zoodanig gelegen, dat men in geval van een aanval kruit en kogel kan besparen. Inderdaad zou de aanvalskolonne, die het wagen dorst de muren te bereiken, door een stortbui van rotssteenen, met opzet daartoe gereed gehouden, verpletterd worden.

Aan den voet breidt zich de stad uit, die haar naam draagt en welker lieve woningen zich tusschen het groen verschuilen.

Te Bénares hebben wij gezien, dat er verscheidene bevoorrechte plaatsen bestaan, die door de Hindoes beschouwd worden als de heiligste der wereld. Als men goed telde, zou men er op het gansche schiereiland honderden van die soort vinden. Ook de vesting Chunar bezit een dezer wonderdadige plekken. Daar vertoont men u een marmeren plaat, waarop de een of andere god geregeld zijn dagelijksche siesta komt nemen. Weliswaar is die god onzichtbaar en hebben wij dan ook niet getracht hem te zien.

Des avonds hield de IJzeren Reus bij Mirzapore halt om er den nacht door te brengen. Niet alleen bezit de stad een aantal tempels, maar zij heeft ook fabrieken en een haven ter inscheping van het katoen, dat aldaar veel gebouwd wordt. Eens zal het een rijke handelsstad worden.

Den volgenden dag, 25 Mei, tegen twee uren ’s namiddags doorwaadden wij de kleine rivier de Tonsa, die op dat tijdstip geen voet water had. Ten vijf ure, waren wij het punt voorbij, waar zich de groote tak van Bombay met dien naar Calcutta verbindt. Nagenoeg op de plek waar de Jumna in den Ganges valt, bewonderden wij den ijzeren viaduct, die haar zestien pijlers, zestig voet hoog, in de wateren van dien trotschen stroom dompelt. Aan de een kilometer lange schipbrug aangekomen, die den rechter- met den linkeroever van den stroom verbindt, gingen wij deze zonder veel moeite over en sloegen wij ’s avonds ons kamp op aan het einde van een der voorsteden van Allahabad.

De 26e zou gewijd worden aan het bezoeken dezer belangrijke stad, het middelpunt waar al de spoorwegen van het groote Indische vasteland samenloopen. Zij heeft eene heerlijke ligging, te midden der rijkste landouwen, tusschen de twee armen van de Jumna en den Ganges.

De natuur heeft voorzeker alles gedaan ons Allahabad tot hoofdstad te maken van Engelsch-Indië, het middelpunt der regeering, de residentie van den onderkoning. Het is daarom niet onmogelijk dat, als de cyclonen Calcutta, de tegenwoordige hoofdstad, eenige slechte streken spelen, zij het eenmaal worde. Het is zeker, dat eenige goede geesten deze mogelijkheid reeds ingezien en voorzien hebben. In het groote lichaam, Indië genoemd, wordt de plaats van het hart door Allahabad ingenomen, evenals Parijs het hart van Frankrijk is. Londen bevindt zich wel niet in het middelpunt van het Vereenigd Koninkrijk, doch heeft ook Londen op de groote Engelsche steden, Liverpool, Manchester, Birmingham niet denzelfden voorrang als Parijs op al de andere steden van Frankrijk.

»Lees,” zeide hij. Blz. 114.
»Lees,” zeide hij. Blz. 114.

»Lees,” zeide hij. Blz. 114.

»En gaan we nu van dit punt af,” vroeg ik Banks, »rechtstreeks naar het noorden?”

»Ja,” antwoordde Banks, »of althans bijna rechtstreeks. Allahabad is in het westen de grens van dit eerste gedeelte van onzen tocht.”

»Nu!” riep kapitein Hod uit, »de groote steden, goed, maar de groote vlakten, de groote jungles, beter! Als we zoo voortgaan met langs de spoorwegen te reizen, zullen we eindigen met er op te reizen en zou onze IJzeren Reus tot een eenvoudige locomotief gedegradeerd worden! Welk een achteruitgang!”

»Stel je gerust, Hod,” antwoordde de ingenieur, »dat zal niet gebeuren. We zullen ons weldra in je geliefkoosde streken wagen.”

»Dus, Banks, gaan we rechtuit naar de Indisch-Chineesche grens, zonder Lucknow door te gaan?”

»Ik zou er voor zijn deze stad te vermijden, en vooral Cawnpore, zoo vol noodlottige herinneringen voor kolonel Munro.”

»Je hebt gelijk,” hernam ik, »en we kunnen er ons nooit ver genoeg van verwijderd houden!”

»Zeg eens, Banks,” vroeg kapitein Hod, »heb je tijdens je bezoek van Bénares, niets bijzonders van Nana Sahib vernomen?”

»Niets,” antwoordde de ingenieur. »Waarschijnlijk zal de gouverneur van Bombay nogmaals op een dwaalspoor gebracht en Nana nooit weder in het presidentschap van Bombay verschenen zijn.”

»Werkelijk, zeer waarschijnlijk,” antwoordde de kapitein, »want anders zou de oude opstandeling zeker al van zich hebben doen spreken?”

»Hoe het zij,” zeide Banks, »gaarne zou ik zoo spoedig mogelijk die vallei van den Ganges, die van Allahabad af tot Cawnpore toe, tijdens den opstand der Sipayers, het tooneel van zooveel onheilen geweest is, willen verlaten. Maar laten we vooral zorgen, dat de naam van die stad, even als die van Nana Sahib, nooit meer in tegenwoordigheid van den kolonel worde uitgesproken!”

Den volgenden dag wilde Banks mij wederom vergezellen tijdens de weinige uren, die ik nog aan een bezoek van Allahabad zou wijden. Misschien zouden er drie dagen noodig geweest zijn om de drie steden, waaruit Allahabad eigenlijk bestaat, goed te zien. En toch biedt zij over het geheel niet zooveel bijzonderheden aan als Bénares, alhoewel ook zij onder de heilige steden telt.

Van de Hindoesche stad valt niets te zeggen. Het is een ophooping van lage huizen, gescheiden door nauwe straten, beschaduwd hier en daar door prachtige tamarindeboomen.

Ook van de Engelsche stad en de kantonnementen zullen we niets zeggen. Goed beplante, fraaie lanen, rijke woningen, groote pleinen, al de elementen eener stad, eenmaal bestemd om een groote hoofdstad te worden.

Het geheel is gelegen in een uitgestrekte vlakte, begrensd ten noorden en ten zuiden door de Jumna (Djoemna) en den Ganges. Men noemt het de »vlakte der Aalmoezen,” omdat de Hindoesche vorsten zich ten allen tijde derwaarts begaven om weldaden te bewijzen en aalmoezen uit te reiken, terwijl de overlevering beweert, »dat het verdienstelijker is één stuk geld op deze plaats te geven, dan honderdduizend stuks elders.”

De God der christenen geeft slechts honderdvoudig. Dat is voorzeker honderdmaal minder, doch Hij boezemt mij meer vertrouwen in.

Een woord slechts van de citadel van Allahabad, die der moeite waard is om te bezoeken. Zij is gebouwd ten westen van de groote vlakte der Aalmoezen en hare hooge muren van rooden zandsteen beheerschen de beide stroomen. Binnen de wallen van de vesting bevindt zich een paleis, vroeger de geliefkoosde residentie van den sultan Akbar, later tot arsenaal ingericht. In een der hoeken is een zeer fraaie zuil of lât van Féroze-Schachs, een prachtige, cylindervormige monolith, zesendertig voet hoog, een leeuw dragende, terwijl niet ver vandaar een kleine tempel wordt aangetroffen, dien de Hindoes, wien men den toegang tot het fort weigert, niet bezoeken kunnen, ofschoon het een der heiligste punten der vesting is, die de aandacht der toeristen trekken.

Banks deelde mij mede, dat het fort van Allahabad ook zijn legende had, die aan de bijbelsche legende herinnert betreffende den wederopbouw van den tempel van Salomon te Jeruzalem.

Toen de sultan de citadel van Allahabad wilde bouwen, schijnt het dat de steenen zich zeer wederspannig toonden. Nauwlijks was een muur opgebouwd, of hij stortte weder in. Men raadpleegde het orakel en dit antwoordde als altijd, dat er een gewillig slachtoffer noodig was om de betoovering te bezweren. Een Hindoe bood zich aan, werd geofferd en het fort kon nu voltooid worden. Deze Hindoe noemde zich Brog en daarom wordt nog heden ten dage de stad aangeduid onder den dubbelen naam van Brog-Allahabad.

Banks geleidde mij vervolgens naar de tuinen van Khousrou, die beroemd zijn en hunne beroemdheid werkelijk verdienen. Daar, in de schaduw der schoonste tamarinden van de wereld, verheffen zich verscheidene Mohamedaansche praalgraven. Een van deze is de laatste woning van den sultan, wiens naam deze tempels dragen. Op een der muren in wit marmer is de palm eener énorme hand ingedrukt. Men toonde haar ons met een bereidwilligheid, die wij misten bij de heilige indrukselen van Gaya.

Weliswaar was het niet het spoor van den voet eens gods, maar het teeken van de hand eens eenvoudigen stervelings, naneef van Mahomet.

Tijdens den opstand van 1857, werd er niet minder bloed vergoten te Allahabad dan in de andere steden van de vallei van den Ganges. De strijd der opstandelingen op het exercitieveld van Bénares geleverd, lokte de omwenteling uit van de inlandsche troepen, en, in het bijzonder, den opstand van het 6e regiment van het leger van Bengalen. Al dadelijk werden acht vaandrigs vermoord, doch dank zij de krachtige houding van eenige Europeesche artilleristen, die tot het corps der invaliden van Chounar behoorden, eindigden de Sipayers met de wapenen neer te leggen.

In de kantonnementen ging het erger toe. De inlanders stonden op, de gevangenissen werden geopend, de dokken geplunderd, de Europeesche woningen in brand gestoken. Middelerwijl kwam kolonel Neil, na de orde te Bénares hersteld te hebben, met zijn regiment en honderd fusiliers van het regiment van Madras aan. Hij heroverde de schipbrug op de opstandelingen, nam den 18n Juni de voorsteden in, joeg de leden eener voorloopige regeering, door een muzelman ingesteld, uiteen en werd opnieuw het hoofd der provincie.

Gedurende dit uitstapje naar Allahabad letten Banks en ik zorgvuldig op of we ook gevolgd werden zooals dit te Bénares het geval was geweest. Doch ditmaal zagen wij niets verdachts.

»Om ’t even,” zei de ingenieur, »we kunnen niet te voorzichtig zijn! ’k Was gaarne incognito gebleven, want de naam van kolonel Munro is maar al te zeer bekend bij de inboorlingen dezer provincie!”

Wij waren te zes uur terug voor het diner. Sir Edward Munro, die gedurende een paar uren het kampement had verlaten, was terug en wachtte ons. Wat kapitein Hod aangaat, die eenigen zijner kameraden in de kantonnementen in garnizoen was op gaan zoeken, hij kwam bijna tegelijk met ons terug.

Ik merkte toen op en deed Banks opmerken, dat kolonel Munro er niet zoo zeer meer bedroefd, dan wel meer bezorgd dan gewoonlijk uitzag. Ik meende in zijne blikken een zeker vuur op te merken, dat de tranen er sedert lang moesten hebben uitgedoofd!

»Je hebt gelijk,” antwoordde Banks mij, »er is iets! wat zou er voorgevallen zijn?”

»Als je ’t Mac Neil eens vroegt?” zei ik.

»Ja, Mac Neil zal er misschien meer van weten.”

Dit zeggende verliet de ingenieur het salon en opende de deur van het kamertje van den sergeant.

De sergeant was er niet.

»Waar is Mac Neil?” vroeg Banks aan Goûmi, die ons aan tafel zou bedienen.

»Hij heeft het kampement verlaten,” antwoordde Goûmi.

»Sedert wanneer?”

»Sedert ongeveer een uur en op bevel van kolonel Munro.”

»Je weet niet waarheen hij gegaan is?”

Het monument van Cawnpore. Blz. 126.
Het monument van Cawnpore. Blz. 126.

Het monument van Cawnpore. Blz. 126.

»Neen, mijnheer Banks, en ’k weet ook niet waarom hij gegaan is.”

»Er is toch sedert ons vertrek niets bijzonders voorgevallen?”

»Niets.”

Banks kwam terug, deelde mij de afwezigheid van den sergeant mede waarvan niemand de reden wist, en herhaalde:

»’k Weet niet wat er is, maar zeer zeker is er iets! We dienen wat geduld te hebben.”

Men zette zich aan tafel. Gewoonlijk nam kolonel Munro onder den maaltijd deel aan het gesprek. Hij hoorde gaarne wat we op onze uitstapjes gezien en ondervonden hadden. Ik vermeed steeds snaren aan te roeren, die hem zelfs van verre den opstand der Sipayers konden herinneren. Ik geloof dat hij het opmerkte, maar, zou hij mij dank weten voor mijne discretie? Daarbij kwam dat het soms vrij moeielijk was, als er gesproken werd over steden als Bénares of Allahabad, die het tooneel van oproerige bewegingen geweest waren.

Heden en onder het diner mocht ik dus terecht vreezen, verplicht te zijn om over Allahabad te spreken. IJdele vrees. Kolonel Munro ondervroeg noch Banks, noch mij, hoe we onzen dag besteed hadden. Hij bleef zwijgen, tijdens den geheelen duur van onzen maaltijd. Zijne afgetrokkenheid scheen zelfs van uur tot uur toe te nemen. Hij keek dikwijls naar den weg, die naar de kantonnementen voerde en ik geloof zelfs, dat hij verscheidene malen op het punt was van tafel op te staan om beter in deze richting te kunnen zien. Sir Edward Munro wachtte blijkbaar met ongeduld op de terugkomst van den sergeant Mac Neil.

Het diner ging dus vrij vervelend voorbij. Kapitein Hod keek Banks aan, om hem stilzwijgend te vragen wat er toch aan scheelde, maar Banks wist het evenmin als hij.

Toen het diner was afgeloopen, stapte kolonel Munro, in plaats van zijn gewoon middagdutje te doen, de trede van de veranda af, deed eenige schreden op den weg, sloeg er een laatste maal een langen blik op en zeide, zich naar ons omkeerende:

»Banks, Hod en gij ook Maucler, zoudt gij me willen vergezellen tot de eerste huizen van de kantonnementen?”

Wij verlieten onmiddellijk de tafel en volgden den kolonel, die langzaam zonder een woord te spreken, voortstapte.

Na een honderd schreden afgelegd te hebben, bleef sir Edward Munro staan voor een paal, die aan den rechterkant van den weg was opgericht en waaraan een aankondiging was aangeplakt.

»Lees,” zeide hij.

Het was de afkondiging, nu reeds meer dan twee maanden oud, die een prijs stelde op het hoofd van den nabob Nana Sahib en zijne tegenwoordigheid in het presidentschap van Bombay bekend maakte.

Banks en Hod maakten onwillekeurig een gebaar van teleurstelling. Tot nog toe was het hun gelukt zoowel te Calcutta als onder de reis, te beletten dat deze afkondiging onder de oogen van den kolonel kwam. Een noodlottig toeval had hunne voorzorgen verijdeld!

»Banks,” zeide sir Edward Munro, de hand van den ingenieur grijpende, »je kende deze afkondiging?”

Banks antwoordde niet.

»Je wist, nu al voor twee maanden,” hernam de kolonel, »dat de tegenwoordigheid van Nana Sahib in het presidentschap van Bombay was aangegeven en je hebt er me niets van gezegd!”

Banks bleef zwijgen, niet wetende wat te antwoorden.

»Welnu, ja, kolonel,” riep kapitein Hod uit, »ja, we wisten het, maar waarom zouden we ’t u gezegd hebben? Wie bewijst dat het feit, door deze afkondiging aangeduid, waar is en waartoe herinneringen bij u opgewekt, die u zoo smartelijk aandoen?”

»Banks,” riep Kolonel Munro uit, wiens gelaat plotseling een geheel andere uitdrukking aannam, »heb je dan vergeten, dat het mij, mij meer dan iemand anders, toekomt, dien man te rechten! Weet, dat, zoo ik er in toegestemd heb Calcutta te verlaten, deze reis mij naar het noorden van Indië moest terugvoeren, dat ik geen enkelen dag aan den dood van Nana Sahib geloofd heb, dat ik nooit mijn plicht als handhaver van het recht vergeten heb! Met u vertrekkende, heb ik slechts één denkbeeld, één hoop gehad! ’k Heb, om me mijn doel te doen bereiken, gerekend op de toevalligheden der reis en op de hulp van God! ’k Heb gelijk gehad! God heeft me voor deze aankondiging geleid! In het noorden moeten we Nana Sahib niet meer zoeken, maar in het zuiden! Welnu! ’k Zal naar het zuiden gaan!”

Onze voorgevoelens hadden ons dus niet bedrogen! Het was maar al te waar! Meer dan ooit werd kolonel Munro beheerscht door een geheime gedachte of liever een idée fixe. Hij had zich nu geheel aan ons blootgegeven.

»Munro,” antwoordde Banks, »’k heb je wel nergens over gesproken, maar ’k dacht ook volstrekt niet dat Nana Sahib zich in het presidentschap van Bombay zou ophouden. Het blijkt maar al te zeer, dat de overheid nogmaals bedrogen is. Inderdaad, de afkondiging is den 6n Maart gedateerd en sedert dat tijdstip heeft niets de tijding van de verschijning des nabobs bevestigd.”

Kolonel Munro gaf niet dadelijk antwoord op de opmerking van den ingenieur. Hij wierp nog een laatsten blik op den weg en zeide toen:

»Mijne vrienden, ’k zal trachten te vernemen wat er van de zaak is. Mac Neil is met een brief voor den gouverneur naar Allahabad vertrokken. In een oogenblik zal ik weten of Nana Sahib zich werkelijk in een van de provincies van het westen heeft laten zien, of hij er nog of reeds verdwenen is.”

»En zoo hij er gezien is, zoo het feit niet te betwijfelen valt, Munro, wat denk je dan te doen?” vroeg Banks, die de hand van den kolonel greep.

»’k Zal vertrekken!” antwoordde sir Edward Munro. »’k Zal overal gaan waar het in den naam van de opperste gerechtigheid, mijn plicht is te gaan!”

»Is dat vast beslist, Munro?”

»Ja, Banks, vast. Gij, mijne vrienden, zult uw reis zonder mij voortzetten.... Heden avond nog ga ik met den trein van Bombay.”

»Goed, maar je zult niet alleen gaan!” antwoordde de ingenieur, zich tot ons wendende. »We vergezellen je, Munro!”

»Ja, ja, kolonel!” riep kapitein Hod uit. »We laten u niet zonder ons vertrekken! In plaats van op wilde beesten te jagen, zullen we op schurken jagen!”

»Kolonel Munro,” liet ik er op volgen, »u zult me toestaan me bij den kapitein en uwe vrienden te voegen!”

»Ja, Maucler,” antwoordde Banks, »en van avond nog, zullen we allen Allahabad verlaten hebben....”

»Onnoodig!” sprak een ernstige stem.

We keerden ons om. Sergeant Mac Neil stond voor ons, met een dagblad in de hand.

»Lees, kolonel,” zeide hij. »Dit heeft de gouverneur me verzocht u te laten lezen.”

En sir Edward Munro las het volgende:

»De gouverneur van het presidentschap van Bombay brengt ter kennisse van het publiek, dat de afkondiging van den 6n Maart ll., ter zake van den nabob Dandou-Pant, voortaan als nutteloos moet beschouwd worden. Gisteren is Nana Sahib aangetast in de bergpassen van Sauptourra, alwaar hij met zijn troep de wijk genomen had en is in het gevecht gedood. Er valt niet te twijfelen aan zijn identiteit. Hij is herkend door de inwoners van Cawnpore en Lucknow. Er ontbrak hem een vinger aan de linkerhand en men weet, dat Nana Sahib een zijner vingers had afgesneden op het oogenblik dat hij door een valsche begrafenis aan zijn dood wilde doen gelooven. Het koninkrijk van Indië heeft dus niets meer te vreezen van den wreeden nabob, die het zooveel bloed gekost heeft.”

Kolonel Munro had deze regels op doffen toon voorgelezen en legde het dagblad uit de hand.

Wij zwegen. De dood van Nana Sahib, ontwijfelbaar zeker dezen keer, verloste ons van alle vrees voor de toekomst.

Na eenige minuten van stilte, streek kolonel Munro de hand over zijne oogen als om vreeselijke herinneringen weg te wisschen. Vervolgens vroeg hij:

»Wanneer moeten we Allahabad verlaten?”

»Morgen, met het krieken van den dag,” antwoordde de ingenieur.

Hij viel op zijne knieën. Blz. 126.
Hij viel op zijne knieën. Blz. 126.

Hij viel op zijne knieën. Blz. 126.

»Banks,” hernam kolonel Munro, »kunnen we ons niet eenige uren te Cawnpore ophouden?”

»Wil je?....”

»Ja, Banks, gaarne.... ’k zou voor een laatste maal Cawnpore nog eens willen terugzien!”

»Welnu, we zijn er binnen twee dagen!” antwoordde de ingenieur eenvoudig.

»En dan?” hernam kolonel Munro.

»Dan?....” antwoordde Banks, »zullen we onzen tocht naar het noorden van Indië voortzetten!”

»Ja!.... naar het noorden! naar het noorden!....” zei de kolonel op een toon, die me tot in de ziel trof.

Inderdaad was het niet onwaarschijnlijk, dat sir Edward Munro nog eenigen twijfel koesterde omtrent den uitslag dezer laatste worsteling tusschen Nana Sahib en de agenten der Engelsche overheid. Had hij gelijk tegenover hetgeen overtuigend bewezen scheen?

De toekomst zal het ons leeren.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings