XVII. Ons sanitarium.
Reading edition
Zou de grootsche uitdrukking, »de onmeetbaren in de schepping,” waarvan de mineraloog Haüy zich bediend heeft om de Amerikaansche Andes aan te duiden, niet met meer recht van toepassing zijn op de ontzagverwekkende Himalayaketen, die de mensch nog niet bij machte is met mathematische juistheid te bepalen?
Een dergelijk gevoel bezielt mij op het gezicht van die onvergelijkelijke streek, alwaar kolonel Munro, kapitein Hod, Banks en ik eenige weken zouden doorbrengen.
»Niet alleen,” deelt de ingenieur ons mede, »zijn deze bergen onmeetbaar, maar hunne toppen moeten als ontoegankelijk beschouwd worden, omdat het menschelijk lichaam op zulke hoogten, waar de lucht niet dicht genoeg meer is om aan de behoeften der ademhaling te voldoen, de gewone functies niet meer kan volbrengen!”

De eerste trappen zijn met dichte bosschen bezet. Blz. 202.
Een bolwerk van primitieve rotsen, van graniet, gneis, micaschilfer, tweeduizend vijfhonderd kilometers lang, dat zich van den twee en zeventigsten tot den vijf en negentigsten meridiaan uitstrekt over twee presidentschappen, Agra en Calcutta en over twee koninkrijken, Bouthan en Népaul;—een keten, waarvan de gemiddelde hoogte, een derde hooger dan de top van den Mont-Blanc, in drie onderscheiden luchtstreken kan afgedeeld worden, de eerste, vijfduizend voeten hoog, meer gematigd dan de lager gelegen vlakte, des winters een korenoogst gevende, des zomers een rijstoogst; de tweede van vijf tot negen duizend voet, waar de sneeuw bij den terugkeer der lente smelt; de derde, van negen duizend tot vijf en twintig duizend voet, met dikke ijsmassa’s bezet, die zelfs in het heete seizoen de zonnestralen trotseeren,—dwars door die grootsche verhevenheid, de hoogste der aarde, verleenen elf bergpassen, waarvan eenige den berg op een hoogte van twintig duizend voet doorboren, den toegang van Indië naar Thibet, doch niet dan ten koste van buitengewone moeielijkheden, want die bergpassen worden onophoudelijk bedreigd door sneeuwvallen, door bergstroomen vernield en uitgehold, overweldigd door het ijs;—boven die kruin, nu eens in groote koepels afgerond, dan weder vlak als de Tafelberg van de Kaap de Goede Hoop, zeven à acht spitse bergtoppen, waarvan eenige vulkanisch, de bronnen van de Cogra, de Djoemna en den Ganges beheerschende, de Doukia en de Kinchinjunga, zich tot een hoogte van meer dan zeven duizend meters, de Dhiodounga tot acht duizend, de Dawaghaliri tot acht duizend vijf honderd, de Tchamoulari tot acht duizend zeven honderd, de berg Everest, zich tot negen duizend meters verheffende en van welks top de blik een omtrek zou omvatten gelijk aan dien van geheel Frankrijk;—een opeenhooping van bergen eindelijk, die door de Alpen op de Alpen, de Pyreneeën op de Andes op de schaal van de hoogten der aarde niet zou overtroffen worden; zoodanig is die kolossale verhevenheid, waarvan de voet der stoutmoedigste bergbeklimmers misschien nooit de hoogste toppen zal betreden en die bekend is onder den naam van het Himalayagebergte!
De eerste trappen naar die reusachtige zuilengangen zijn met dichte en uitgestrekte bosschen bedekt. Men vindt er nog verschillende vertegenwoordigers van de rijke familie der palmboomen, die in een hoogere luchtstreek plaats maken voor uitgestrekte wouden van eikenboomen, cipressen en pijnboomen, voor weelderige bosschen van bamboes en grasachtige planten.
Banks, die ons deze bijzonderheden mededeelt, vertelt ons ook, dat, terwijl de onderste sneeuwlijn langs de Hindoesche helling der bergketen tot vier duizend meters daalt, zij zich aan de Thibetsche helling tot zes duizend meters verheft. De reden hiervan is, dat de dampen, door de zuidenwinden aangevoerd, door den énormen slagboom worden opgehouden. Daardoor hebben zich dan ook aan de andere zijde dorpen kunnen vestigen tot een hoogte van vijftien duizend voet, te midden van gerstevelden en prachtige weilanden. Volgens het getuigenis der bergbewoners zouden in één nacht die weilanden met een grastapijt bedekt zijn.
In de middelste, de gematigde luchtstreek wordt het rijk der vogelen vertegenwoordigd door pauwen, patrijzen, fazanten, trapganzen en kwartels. Het wemelt er van geiten en schapen. In de hoogste luchtstreek ontmoet men slechts het wilde zwijn, de gems, de wilde kat, terwijl de arend alleen boven de zeldzame gewassen zweeft, die slechts tot de nederige planten der Noordpoolflora behooren.
Doch dat was het niet wat kapitein Hod aanlokte. Waarom zou die Nimrod in de streken der Himalaya gekomen zijn, als hij niets anders te doen had gehad dan wild voor de keuken te schieten? Zeer gelukkig voor hem was er ook geen gebrek aan groote roofdieren, waardig door zijn Enfield-buks en zijne ontplofbare kogels geveld te worden.
Inderdaad strekt zich aan den voet van de eerste helling der keten een onderste streek uit, die de Hindoes den gordel van Tarryani noemen. Het is een uitgestrekte, afhellende vlakte, zeven à acht kilometers groot, vochtig, warm, met een somberen plantengroei, bedekt met dichte bosschen, waarin de wilde dieren gaarne een schuilplaats zoeken. Dit Eden van den jager, die de sterke gemoedsbewegingen van den kampstrijd lief heeft, was slechts vijftien honderd meters onder ons kamp gelegen. Het was dus gemakkelijk naar dit afgesloten terrein af te dalen, dat zich zelf bewaarde.
Het was dus waarschijnlijk, dat kapitein Hod de onderste hellingen der Himalaya liever zou bezoeken dan de bovenste streken. Daar toch zijn zelfs na den humoristischen reiziger Victor Jacquemont, nog vele belangrijke geografische ontdekkingen te maken.
»Die énorme bergketen is dus nog maar zeer onvolkomen bekend?” vroeg ik aan Banks.
»Zeer onvolkomen,” antwoordde de ingenieur. »Het Himalaya-gebergte is als een soort van kleine planeet, die zich aan onzen aardbol heeft vastgehecht en die hare geheimen bewaart.”
»Maar men heeft het toch doorkruist,” antwoordde ik, »men heeft het toch zooveel mogelijk doorzocht!”
»O! voorzeker heeft het niet aan reizigers in de Himalaya ontbroken!” antwoordde Banks. »De gebroeders Gérard de Webb, de officieren Kirpatrick en Fraser, Hogdson, Herbert, Lloyd, Hooker, Cuningham, Strabing, Skinner, Johnson, Moorcroft, Thomson, Griffith, Vigne, Hügel, de zendelingen Huk en Gabet, en later de gebroeders Schlagintweit, de kolonel Wangh, de luitenant Reuillier en Montgomery, hebben na een belangrijken arbeid op groote schaal de orografische gesteldheid der bergketen doen kennen. Toch, mijne vrienden, blijft er veel over, dat nog nader moet uitgemaakt worden. De juiste hoogte der voornaamste toppen heeft aanleiding gegeven tot ontelbare verbeteringen. Zoo was vroeger de Dwalaghiri de koning der geheele keten, daarna heeft deze, na nieuwe metingen, plaats moeten maken voor den Kintchindjïnga, die op zijn beurt nu onttroond is door den berg Everest. Tot nog toe wint deze laatste het van al zijne mededingers. Evenwel zou volgens het zeggen der Chineezen, de Kouin-Lun,—op welken, weliswaar, de juiste methode der Europeesche meetkundigen nog niet zijn toegepast,—den berg Everest iets overtreffen en zou het dus niet in de Himalaya zijn, dat men het hoogste punt van onzen aardbol zou moeten zoeken. Doch werkelijk kunnen deze metingen niet eerder als mathematisch beschouwd worden dan wanneer men ze ook barometrisch en met al de voorzorgen zal verkregen hebben, die deze rechtstreeksche bepaling medebrengt. En hoe ze te verkrijgen, zonder een barometer te brengen naar het hoogste punt dezer bijna ontoegankelijke bergtoppen? En, tot nog toe is dit niet kunnen verricht worden.”
»Dat zal geschieden,” antwoordde kapitein Hod, »zooals eenmaal de reizen naar de zuid- en de noordpool zullen gedaan worden!”
»Waarschijnlijk!”
»De reis naar de grootste diepten van den Oceaan!”
»Ongetwijfeld!”
»De reis naar het middelpunt der aarde!”
»Bravo, Hod!”
»Zooals alles eenmaal geschieden zal!” voegde ik er bij.
»Zelfs een reis op de planeten van het zonnestelsel!” antwoordde kapitein Hod, die nergens meer voor stond.
»Neen, kapitein,” antwoordde ik. »De mensch, als eenvoudige aardbewoner, zal er de grenzen nooit van kunnen overschrijden! Doch, gebonden aan haar korst, kan hij er al de geheimen van doorgronden!”
»Hij kan en moet zulks!” hernam Banks. »Alles wat binnen de grens der mogelijkheid ligt, moet en zal volbracht worden. Dan, als er niets meer voor den mensch overblijft te weten van den bol, dien hij bewoont.....”
»Zal hij verdwijnen met dien bol, die geene geheimen meer voor hem heeft,” antwoordde kapitein Hod.
»Volstrekt niet!” hernam Banks. »Als meester zal hij er dan genot van hebben en er nog beter partij van trekken. Maar, vriend Hod, daar we ons in de streek der Himalaya bevinden, zal ik je in de gelegenheid stellen onder anderen een zonderlinge ontdekking te doen, waarin je voorzeker belang zult stellen.”
»Wat meen je, Banks?”
»De zendeling Huc spreekt in het verhaal zijner reizen van een wonderlijken boom, dien men in Thibet »den boom met de tienduizend spreuken” noemt. Volgens de Hindoesche legende, zou Tong Kabac, de hervormer van den Boeddhistischen godsdienst, een duizend jaren nadat hetzelfde avontuur aan Philemon, Baucis, Daphné, die vreemde plantenwezens in de mythologische flora, overkomen was, in een boom veranderd zijn. Het haar van Tong Kabac zou het gebladerte van dien heiligen boom geworden zijn en op die bladeren verzekert de zendeling met eigen oogen Thibétaansche letters, duidelijk door hunne ribben gevormd, gezien te hebben.”

De plek is met zorg gekozen. Blz. 207.
»Een boom met bedrukte bladeren!” riep ik uit.
»En waarop men spreuken van de reinste zedekunde leest,” antwoordde de ingenieur.
»Dat is de moeite waard om te onderzoek,” zei ik lachende.
»Onderzoek het dan, mijne vrienden,” antwoordde Banks. »Als er van die boomen in het zuidelijke gedeelte van Thibet bestaan, moeten er ook in de noordelijke streken, aan de zuidelijke helling der Himalaya gevonden worden. Zoek dus, op uw tochten, zoek dien..... hoe zal ik zeggen?.... dien spreukenschrijver....”
»Waarachtig niet!” antwoordde kapitein Hod. »’k Ben hier gekomen om te jagen en niet om bergen te beklimmen!”
»Wel, vriend Hod!” hernam Banks. »Zoo’n stoutmoedige bergbeklimmer als gij, zal toch hier of daar wel eens een opstijging wagen?”
»Nooit,” riep de kapitein uit.
»En waarom niet?”
»’k Heb het beklimmen van bergen opgegeven!”
»En sedert wanneer?.....”
»Sedert den dag toen het mij, na twintigmaal het leven er bij gewaagd te hebben,” antwoordde kapitein Hod, »eindelijk mocht gelukken den top van den Vrigel, in het koninkrijk Bouthan te bereiken. Men had me verzekerd, dat de top van dezen berg nooit door den voet van eenig menschelijk wezen was betreden geworden! Mijn eigenliefde kwam er dus bij in het spel! Nu, eindelijk, na duizend gevaren bereik ik den top en wat zie ik? deze woorden in een rots gegrift: »Durand, tandmeester, 14, straat Caumartin te Parijs!” Sedert dien tijd bestijg ik geen bergen meer!”
Die goede kapitein! We mogen niet onvermeld laten, dat, toen hij ons deze treurige omstandigheid vermeldde, hij zulk een dwaas gezicht trok, dat het onmogelijk was niet hartelijk te lachen!
Meermalen heb ik van de »sanitariums” van het schiereiland gesproken. Deze stations in de bergen worden in den zomer druk bezocht door de renteniers, de ambtenaren en de kooplieden van Indië, die de brandende hitte der vlakte ontvlieden.
Bovenaan staat Simla, gelegen op den een en dertigsten breedtegraad en ten westen van den vijf en zeventigsten meridiaan. Het is een klein hoekje van Zwitserland met zijn bergstroomen, zijn beken, zijn châlets, bekoorlijk gelegen in de schaduw van ceders en pijnboomen, op twee duizend meters boven het vlak der zee.
Na Simla komt Dorjiling met zijn witte huizen, aan den voet van den Kinchinjinga, twee duizend drie honderd meters hoog, op vijf honderd kilometers ten noorden van Calcutta, op den zes en tachtigsten lengtegraad en den zeven en twintigsten breedtegraad,—een verrukkelijke plek in het schoonste land der wereld.
Op verschillende punten van de Himalayaketen bevinden zich nog andere sanitariums.
En nu bij die frissche en gezonde stations, die het brandende klimaat van Indië onmisbaar maakt, moet ons Stoomhuis gevoegd worden. Maar dit hoort ons toe. Het biedt al de geriefelijkheid aan der weelderigste woningen van het schiereiland. Er wacht ons in een gelukkige luchtstreek, met al het genot van het moderne leven, een kalmte, die men te vergeefs te Simla of te Dorjiling zou zoeken, waar de Anglo-Indiërs in menigte voorkomen.
De plek is met zorg gekozen. De weg, die langs het onderste gedeelte van den berg loopt, verdeelt zich op deze hoogte in tweeën ter verbinding met eenige in het oosten en westen verspreide gehuchten. Het dichtstbij gelegen dezer dorpen bevindt zich op vijf mijlen van het Stoomhuis. Het wordt bewoond door een gastvrij ras van bergbewoners, fokkers van geiten en schapen, bebouwers van rijke velden koren en gerst.
Dank zij de medewerking van ons personeel onder de leiding van Banks, heeft het slechts eenige uren gekost om een kamp in orde te brengen, waarin we gedurende zes of zeven weken moeten verblijven.
Het bergvlak, waarop ons kamp gevestigd is, is zacht golvend en heeft een lengte van ongeveer een mijl en een breedte van een halve mijl. Het groene tapijt, dat het bedekt, bestaat uit een kort, dicht, plucheachtig gras, hier en daar met viooltjes bestrooid. Dichte boschjes van boomvormige rhododendrons, zoo groot als kleine eikenboomen, natuurlijke korfjes met camelias, vormen er een honderdtal bekoorlijke boeketten. De natuur heeft geen werklieden van Ispahan of Smyrna noodig gehad om dit prachtig plantaardig tapijt samen te stellen. Eenige duizenden zaadkorreltjes, op dien vruchtbaren bodem door den zuidenwind medegevoerd, een weinig water, een weinig zon, zijn voldoende geweest om dit zachte en onverslijtbaar weefsel te fabriceeren.
Verder prijkt het plateau met een dozijn prachtige boomgroepen. Het is alsof zij zich losgemaakt hebben van het onmetelijke bosch, dat de berghelling bedekt en tot een hoogte van zes honderd meters tegen de naburige bergen opklimt. Ceders, eikenboomen, pendanus met lange bladeren, beuken, ahornboomen vermengen zich met pisangboomen, bamboes, magnolias, St. Jan’s broodboomen en Japansche vijgeboomen. Sommigen dezer reuzen spreiden hunne hoogste takken tot meer dan honderd voet boven den grond uit. Zij schijnen op deze plek gebracht te zijn met het doel een boschwoning te overschaduwen. Het Stoomhuis, op het juiste tijdstip gekomen, heeft het landschap voltooid. De koepelsgewijze daken zijner twee pagoden paren zich gelukkig met al dat verschillende loof, met al die stijve of buigzame takken, die nu eens kleine en teere bladeren als vlindervleugels, dan weder breede en lange als Australische pagaaien dragen. De rijtuigentrein schuilt weg onder een dicht bosch van groen en bloemen. Niets verraadt het beweegbare huis en men zou zeggen, dat het een vaste woning was, volkomen ingericht om niet van haar plaats te gaan.
Achter, rechts van de schilderij, loopt een bergstroom, welks zilveren band men tot een hoogte van verscheidene duizenden voeten langs de helling van de bergsteilte kan volgen en die zich in een natuurlijk bekken stort, dat door een groep heerlijke boomen overschaduwd wordt.
Uit dit bekken vloeit het water als een beek weg, loopt door het grasveld en eindigt in een ruischenden waterval, die in een afgrond valt, welks diepte niet met den blik kan gepeild worden.
Met ziet dat het Stoomhuis, wat de ligging betreft, het nuttige met het aangename vereenigde.
Begeeft men zich naar den voorsten rand der bergvlakte, dan ziet men, dat zij zich boven een aantal minder belangrijke bergruggen uitstrekt, die in reusachtige trappen naar de vlakte afdalen. De helling is zoo zacht, dat men haar in haar geheel met den blik kan omvatten.
Rechts is het eerste huis van het Stoomhuis schuins geplaatst, zoodanig dat het gezicht van den zuidelijken horizont gespaard is, zoowel voor het balkon der veranda als voor de zijramen van het salon, de eetzaal en de kleine vertrekken links. Groote cederboomen breiden hunne takken er boven uit en teekenen zich in zwarte lijnen scherp af tegen den verren achtergrond der groote keten, die door de eeuwige sneeuw bekleed wordt.
Links is het tweede huis aangeleund tegen de zijde van een énorme rots van graniet, door de stralen der zon verguld. Deze rots herinnert zoowel door haar zonderlingen vorm als door haar warme kleur aan de reusachtige »plumpudding” van steen, die Russell-Killough in zijn reis door Zuid-Indië vermeldt. Van die woning, toegewezen aan den sergeant Mac Neil en zijne metgezellen van het personeel, ziet men slechts de zijde. Zij bevindt zich twintig passen van het voornaamste huis af, als een aanhangsel eener belangrijker pagode. Aan het uiteinde van een der daken, die haar bedekken, ziet men een klein blauwachtig rookkolommetje uit het keuken-laboratorium van »monsieur” Parazard ten hemel stijgen. Meer links bevindt zich een groep boomen op de westelijke borstwering, als een voorpost van het bosch, en vormt deze het zijplan van het landschap.

»Fox, geen vergissingen, dezen keer!” Blz. 212.
Op den achtergrond, tusschen de twee woningen, vertoont zich een reusachtige mastodont. Het is onze IJzeren Reus, die onder een prieel van groote pendanus als in een koetshuis geborgen is. Met zijn opgerichte tromp, zou men zeggen, dat hij er de bovenste takken van af eet. Maar hij blijft stationnair en rust uit, ofschoon hij volstrekt geen behoefte aan rast heeft. Thans de onwankelbare bewaker van het Stoomhuis, verdedigt hij als een énorm autediluviaansch dier er den toegang van. In tegenwoordigheid van de reusachtige bergketen, die zich tot een hoogte van zes duizend meters boven het bergvlak verheft, schijnt onze kunstmatige reus, waarmede de hand van Banks de Hindoesche fauna verrijkt heeft, niets buitengewoons meer te hebben, hoe kolossaal onze olifant ook zij, met andere woorden, hij past volkomen in de schilderij van het landschap.
Ja zelfs had kapitein Hod recht, toen hij niet zonder eenigen spijt de aanmerking maakte: »Een vlieg op den gevel van een hoofdkerk!”
En hij heeft volkomen gelijk. Achter ons toch bevindt zich een blok van graniet, waarin men gemakkelijk duizend olifanten, zoo groot als de onze, zou kunnen uithouwen en dit blok is slechts een van de honderd treden van den trap, die naar den top van de bergketen leidt en waarboven de Dwalaghiri zich met zijn scherpe spits verheft.
Somwijlen daalt de hemel van dit tooneel voor het oog van den waarnemer. Niet alleen verdwijnen de hooge toppen, maar ook de lager gelegen bergrug van de keten verdwijnt een oogenblik onder de dikke dampen, die zich van de middelste streek der Himalaya verheffen en het geheele bovenste gedeelte in nevelen hullen. Het landschap verkleint zich en dan is het alsof door een lichteffect de woningen, de boomen, de naburige bergruggen en de IJzeren Reus zelf hunne werkelijke grootte hernemen.
Ook gebeurt het dat de nog lager hangende wolken door zekere vochtige winden voortgedreven, zich onder het bergvlak ontrollen. Het oog ziet dan slechts een golvende zee van wolken aan welker oppervlakte de zon verwonderlijke lichtspelingen toovert. Dan is, zoowel in de hoogte als in de laagte, de horizont verdwenen en schijnt het alsof wij naar de een of andere streek van het luchtruim zijn overgebracht, buiten de grenzen der aarde.
Doch de wind loopt naar het noorden en, zich met geweld een weg tusschen de openingen der keten banende, jaagt hij al die nevelen uiteen, de zee van dampen verdicht zich bijna oogenblikkelijk, de vlakte komt aan den zuidelijken horizont weder te voorschijn, de grootsche gevaarten van het Himalayagebergte teekenen zich opnieuw scherp af tegen den thans helderen hemel, de schilderij doet zich wederom in al haar oorspronkelijke grootschheid voor en de blik, die nu door niets meer beperkt wordt, kan langs een horizont van zestig mijlen al de bijzonderheden onderscheiden van een onvergelijkelijk schoon panorama.