IX.
Reading edition
Herinnering aan het vaderland.—Kansen der toekomst.—Plan tot een verkenning.—Vertrek op 16 April.—Het schiereiland.—Hagedis in zee gezien.—Het basalt op de westkust.—Slecht weer.—De nacht valt.—Een nieuw voorval.
Reeds twee jaar! En in die twee jaar hadden de kolonisten geen omgang gehad met hun gelijken! Zij wisten niets van hetgeen er in de beschaafde wereld plaats had gegrepen, en leefden geheel verlaten op dit eiland alsof zij zich op een der onbekende planeten bevonden.
Gedurende die twee jaar was er op het eiland geen schip in het gezicht geweest; geen zeil hadden zij kunnen ontdekken. Het was duidelijk dat het eiland Lincoln niet in den koers lag die gewoonlijk gevolgd werd, en zelfs dat het geheel onbekend was—hetgeen de kaarten bovendien ook bewezen—want ofschoon het geen haven bezat, zou zijn water de schepen hebben aangetrokken, die hun voorraad daarvan wilden vernieuwen. Maar de zee, die het omringde, was altijd, zoo ver men zien kon, geheel verlaten en de kolonisten hadden slechts op zich zelven te rekenen, zoo zij naar hun vaderland mochten willen terugkeeren. Toch bleef hun nog een kans over, en die werd juist in de eerste week van April besproken, toen zij met elkander in het Rotshuis gezeten waren.
“Wij hebben bepaald maar één middel,” zeide Gideon Spilett, “een enkel slechts waardoor wij het eiland Lincoln kunnen verlaten, en dat bestaat hierin: zulk een groot schip te bouwen, dat het gedurende eenige honderden mijlen zee kan houwen. Mij dunkt, wanneer men een sloep gemaakt heeft, dat men dan ook een schip klaar zal krijgen.”
“En dat wij wel naar Pomotou kunnen gaan,” voegde Harbert er bij, “nu wij eenmaal op het eiland Tabor geweest zijn.”
“Ik zeg geen neen,” antwoordde Pencroff, die altijd een beslissende stem had in de zaken die zijn vak betroffen, “ik zeg geen neen, hoewel het volstrekt niet hetzelfde is om naar een dichtbijzijnde of verafgelegen plaats over te steken! Zoo onze sloep, toen wij naar Tabor voeren, door de een of andere windvlaag bedreigd ware geworden, dan wisten wij, dat de haven aan beide zijden niet ver verwijderd was; maar om twaalf honderd mijlen af te leggen, dat is geen kleinigheid, en het naaste land is toch op zulk een afstand!”
“Maar wanneer het nu eens een dringende noodzakelijkheid was, Pencroff, zoudt ge het dan nog niet wagen?” vroeg de reporter.
“Ik zal alles ondernemen wat ge maar wilt, mijnheer Spilett,” antwoordde de matroos, “en ge weet wel, dat ik nu juist de man niet ben, die ergens tegen opziet!”
“Bedenk ook wel, dat wij op een zeeman méer kunnen rekenen,” merkte Nab op.
“Wie dan?” vroeg Pencroff.
“Ayrton.”
“Dat is waar,” antwoordde Harbert.
“Zoo hij er in toestemt om hier te komen,” zeide Pencroff.
“Ei, ei,” antwoordde de correspondent, “gelooft ge dan, dat wanneer het jacht van lord Glenarvan op het eiland Tabor was gekomen, Ayrton geweigerd zou hebben mede te gaan?”
“Gij vergeet, vrienden,” merkte Cyrus Smith op, “dat Ayrton gedurende de laatste jaren van zijn verblijf op het eiland krankzinnig was. Maar dat is nu de vraag niet. Het komt er op aan, of we ook kunnen rekenen op de terugkomst van het Schotsche vaartuig. Daar lord Glenarvan aan Ayrton beloofd heeft, hem van het eiland Tabor te komen halen, wanneer hij meent dat zijn misdaden genoeg vergeten zijn, geloof ik wel, dat hij terug zal keeren.”
“Ja,” zeide de reporter, “en ik voeg er bij, dat hij weldra terug zal wezen, want het is reeds twaalf jaar geleden dat hij Ayrton hier achtergelaten heeft.”
“Ja, ik ben het ook met u eens,” zeide Pencroff, “dat hij zal terugkeeren en wel spoedig ook. Maar waar zal hij ankeren? Op het eiland Tabor, en niet op Lincoln.”
“Dat is zooveel te zekerder, daar het eiland Lincoln niet eens op de kaart vermeld is,” zeide Harbert.
“Daarom, vrienden, moeten wij de noodige maatregelen nemen,” was de meening van den ingenieur, “dat ons verblijf en dat van Ayrton op het eiland Lincoln geweten wordt op het eiland Tabor.”
“Zeker,” antwoordde de reporter, “en niets is gemakkelijker dan om in de hut, die kapitein Grant en Ayrton bewoond hebben, een bericht te plaatsen, waar de ligging van ons eiland op aangegeven is, een bericht dat lord Glenarvan of een zijner mannen terstond vinden moeten.”
“Het is zelfs jammer,” merkte de matroos op, “dat wij niet reeds bij ons eerste bezoek, op het eiland Tabor, die voorzorg genomen hebben.”
“En waarom zouden wij dat gedaan hebben?” vroeg Harbert. “Wij kenden toen de geschiedenis van Ayrton niet; wij wisten niet dat men hem ooit weer zou komen afhalen, en al hadden wij dat alles geweten, het jaargetijde was toch reeds te ver gevorderd om toen nog naar Tabor terug te kunnen keeren.”
“Ja,” antwoordde Cyrus Smith, “het was reeds te laat, en wij moeten dien tocht tot het voorjaar uitstellen.”
“Maar zoo het Schotsche jacht eens in dien tusschentijd kwam?” vroeg Pencroff.
“Dat is niet waarschijnlijk,” antwoordde de ingenieur, “want lord Glenarvan zal juist den winter niet uitkiezen om zich op die uitgestrekte zeeën te wagen. Of hij is reeds op het eiland Tabor geweest in den tijd dat Ayrton zich bij ons bevindt, dat is te zeggen, in die vijf maanden en hij is weer vertrokken; of hij komt eerst later en dan is het in de eerste helft van October tijds genoeg het eiland Tabor te bezoeken en daar ons bericht te plaatsen.”
“Ik moet toch bekennen,” zeide Nab, “dat het jammer zou wezen als de Duncan eenige maanden geleden zich in deze zeeën bevonden had.”
“Ik hoop dat het niet gebeurd is,” antwoordde Cyrus Smith.
“Ik geloof,” sprak Gideon Spilett, “dat wij in elk geval zullen weten wat ons te doen staat wanneer wij weder op het eiland Tabor zijn teruggekeerd, want zoo de Schotten het bezocht hebben, moeten zij noodzakelijk eenig spoor hebben achtergelaten.”
“Dat is zeer waarschijnlijk,” antwoordde de ingenieur. “Dus vrienden, nu wij die kans nog over hebben om naar ons vaderland terug te keeren, is het best die geduldig af te wachten, en zoo zij ons ook mocht ontsnapt zijn, dan zullen we verder zien wat ons te doen staat.”
“In elk geval,” zeide Pencroff nog, “wanneer wij op de een of andere wijs het eiland Lincoln verlaten, zal het niet wezen, omdat wij het hier slecht hebben!”
“Neen, Pencroff,” gaf de ingenieur ten antwoord, “dan zal het wezen omdat we verre zijn van alles wat de mensch liefheeft, zijn bloedverwanten, vrienden en geboorteland!”
Nu zij eenmaal hiertoe besloten hadden, was er ook geen sprake meer van om een schip te bouwen dat zich op de golven zou durven wagen, en zij hielden zich thans slechts bezig met hun gewone werk daar zij nu een derden winter in het Rotshuis zouden doorbrengen. In elk geval kwamen zij overeen dat de sloep gebruikt zou worden om nog, voor het slechte weer inviel, een tocht om het eiland te doen. De kust was hun nog niet geheel bekend en de kolonisten konden zich nog maar een onvolledig denkbeeld vormen van de west- tot de noordkust; van den mond der Valrivier tot aan de kapen Mandibule, even als van de enge baai, die zich daar tusschen uitstrekte als de bek van een haai.
Dit plan werd door Pencroff het eerst geopperd, en Cyrus Smith was er zeer mede ingenomen, want hij wilde met eigen oogen dat geheele gedeelte van zijn bezitting aanschouwen.
Den 16den April zou de reis ondernomen worden met de Bonadventure, die geheel tot zulk een tocht werd uitgerust.
Ook hadden zij Ayrton met hun plan bekend gemaakt en hem voorgesteld met hen mede te gaan, maar deze wilde liever op het eiland blijven; zij besloten dus, dat hij, gedurende hun afwezigheid, met Jup het Rotshuis zou bewonen.
Tegen den nacht hadden zij het Voorgebergte bereikt. De passagiers, uitgezonderd Pencroff, sliepen dien nacht, misschien minder goed aan boord van de Bonadventure dan in hun slaapkamers in het Rotshuis, maar toch genoten zij eenigen tijd rust.
Zij bereikten tegen den middag de zuidkust van het eiland. Cyrus Smith en zijn vrienden stonden verbaasd over de geheel verschillende natuur, welke deze kust hun te aanschouwen gaf. In plaats van de weelderige streek, waarin zij zich gevestigd hadden, bevonden zij zich hier te midden der meest woeste natuur, van alle zijden omringd door rotsen, die de grilligste vormen vertoonden. Sprakeloos stonden zij bij het gezicht dier ontzagwekkende steenmassa, maar zoo allen zwegen, ontzag Top zich toch niet, om zijn luid geblaf te doen hooren, dat de duizenden echo’s van den basaltmuur weerkaatsten. De ingenieur merkte zelfs op dat zijn geblaf anders klonk dan gewoonlijk en veel geleek op het geluid dat hij bij de opening van den put hooren liet.
“Laten wij hier aan wal gaan,” zeide hij.
Misschien was er in den omtrek een grot die zij moesten onderzoeken. Maar Cyrus Smith zag niets, geen grot, geen enkel hol dat tot schuilplaats van een of ander wezen zou kunnen dienen, want de voet der rotsen werd hier door het water bespoeld. Spoedig zweeg ook Top en zij staken weder van wal.
Toen de avond inviel had de Bonadventure een kleinen inham der kust bereikt, waar zij het raadzaam achtten den nacht door te brengen.
Den anderen ochtend konden zij gemakkelijk de kust bereiken en gingen Gideon Spilett en Harbert eenige uren op jacht. Zij keerden met een goeden voorraad gevogelte terug. Top had zijn best gedaan en geen enkel stuk wild was hem ontsnapt, dank zij zijn vlugheid en ijver.
Ten acht ure ’s morgens stevende de Bonadventure naar de kapen Mandibule; zij hadden den wind achter en een frissche bries versnelde haar gang.
“Het zou mij niet verwonderen,” zeide Pencroff, “zoo er een storm uit het westen kwam opzetten. Gisteren is de zon zeer rood ondergegaan en wanneer de zeemeeuwen zoo vliegen, voorspellen zij weinig goeds.”
“Welnu,” zeide Cyrus Smith toen, “laten wij alle zeilen bijzetten en een schuilplaats zoeken in de Haaiengolf. Ik denk dat de Bonadventure daar wel veilig zal wezen.”
“Heel goed,” antwoordde Pencroff, “bovendien is de noordkust ook slechts door kale duinen gevormd die niets bijzonders opleveren.”
“Het zal mij ook niet spijten, om niet alleen den nacht, maar ook den volgenden dag in die baai door te brengen, want die is wel de moeite waard nauwkeuriger te worden onderzocht,” voegde de ingenieur er bij.
“Ik geloof dat wij er wel toe genoodzaakt zullen zijn, of we willen of niet,” antwoordde Pencroff, “want reeds heeft de horizon een dreigend aanzien in het westen. Zie eens hoe de wolken zich daar samenpakken!”
“In elk geval hebben we nu een goeden wind om kaap Mandibule te bereiken,” merkte de reporter op.
“Een zeer goede wind,” antwoordde de matroos, “maar toch om de golf binnen te loopen moeten wij laveeren, en ik wil in die onbekende streken goed uitzien.”
“Ja, want er moeten daar veel klippen zijn, te oordeelen naar de zuidkust bij de Haaiengolf.”
“Pencroff,” zeide toen de ingenieur, “wij verlaten ons op u.”
“Hoe laat is het?” vroeg Pencroff.
“Tien uur,” antwoordde Gideon Spilett.
“Hoe ver zijn wij van de kaap verwijderd, mijnheer Cyrus?”
“Ongeveer vijf mijlen.”
“Binnen twee uur zullen wij de kaap bereikt hebben. Ongelukkig hebben wij wind en stroom tegen en zullen wij moeite hebben te landen.”
“Te meer,” zeide Harbert, “omdat wij nieuwe maan hebben.”
“Was er maar een vuurbaak op deze kust; dit zou voor ons zeevaarders van grooten dienst zijn.”
“En ditmaal is er ook geen ingenieur die een vuur op de rots aanlegt.”

De ingenieur beschouwde het aandachtig. Blz. 87.
“Dat is waar ook, Cyrus,” riep Spilett uit, “daar hebben we u nog nooit voor bedankt, want zonder het vuur zouden we niet gemakkelijk de kust bereikt hebben.”
“Een vuur?” vroeg Cyrus Smith, zeer verwonderd over die woorden van den reporter.
“Wel ja,” hernam Pencroff, “zonder die voorzorg, die gij in den nacht van 19 op 20 October genomen hebt, om op het Rotshuis een vuur te maken, zouden wij dit niet hebben gezien.”
“Ja, ja.... dat was een goede inval, dien ik toen gehad heb,” sprak de ingenieur.
“Ditmaal zou er niemand zijn om ons dien kleinen dienst te bewijzen, of het moest Ayrton zijn.”
“Neen, niemand,” herhaalde Cyrus Smith.
Eenige oogenblikken daarna toen hij zich op de plecht van het vaartuig met den reporter alleen bevond, fluisterde hij hem in het oor:
“Als er één ding hier op aarde zeker is, Spilett, dan is het dit, dat ik nooit in den nacht van 19 op 20 October een vuur heb aangelegd, noch bij het Rotshuis, noch in eenig ander gedeelte van het eiland.”