XIII.
Reading edition
De nevel trekt op.—Maatregelen van den ingenieur.—Drie posten.—Ayrton en Pencroff.—De eerste stap.—Twee landingssloepen.—Op het eilandje.—Zes veroordeelden aan land.—De brik licht het anker.—De kogels der Speedy.—Wanhopende toestand.—Onverwachte ontknooping.
De nacht ging verder rustig voorbij. De kolonisten waren op hun hoede en verlieten hun post bij de Schoorsteenen niet. De roovers schenen geen poging tot ontscheping te doen. Nadat zij het laatste schot, hetwelk op Ayrton gericht was, hadden gelost, vernamen zij niet het minste geraas, dat de tegenwoordigheid van het schip in den omtrek van het eiland verraadde. Des noods zou men zelfs kunnen denken dat men het anker gelicht had, omdat men met een te sterke tegenpartij meende te doen te hebben, en dat men zich uit deze streken had verwijderd. Maar dit was toch niet zoo: toen de dageraad aanbrak, konden de kolonisten door den optrekkenden nevel duidelijk een dichte massa onderscheiden. Het was de Speedy.
“Luistert, mijne vrienden,” zeide de ingenieur. “Naar hetgeen mij het best toeschijnt te doen, moeten wij vooral zorgen de roovers in de meening te brengen, dat dit eiland vrij talrijk bevolkt is, en dus natuurlijk in staat weerstand te bieden. Ik stel dus voor om ons in drieën te verdeelen; de eerste groep zal bij de Schoorsteenen de wacht houden, de tweede aan den mond van de Mercy. Wat de derde betreft, ik geloof dat het goed zal wezen, als deze dan op het eilandje post vat, zoodat zij elke poging tot ontscheping verhinderen of ten minste voor het oogenblik tegenhouden kan. Wij hebben twee karabijnen en vier geweren tot onzen dienst. Allen zijn dus gewapend en aan kruit ontbreekt het ons niet. Wij worden door de rotsen beschut, dus hebben wij van hun kogels, zelfs niet van hun kanonnen iets te duchten. Alleen moeten wij zorgen, dat wij niet man tegen man met hen strijden moeten, want de roovers zijn veel talrijker. Dus moeten wij zorgen, dat zij zich niet ontschepen, maar tevens, dat wij ons niet blootgeven; sparen wij dus ons kruit en lood niet. Laat ons schieten, zoo vaak wij kunnen, maar altijd zorgen dat we raken. Elk van ons heeft acht of tien vijanden te dooden!”
Cyrus Smith had hen met de grootste kalmte op de hoogte van hun toestand gesteld, en hij had alles geregeld alsof hij eenigen arbeid bestuurde, in plaats van een veldslag. Allen keurden dan ook zonder tegenspraak, zijn raad goed. Het kwam er slechts op aan, voordat de nevel geheel was opgetrokken, hun posten in te nemen. Nab en Pencroff begaven zich terstond naar het Rotshuis om daar kruit en wapenen te halen. Gideon Spilett en Ayrton, beiden goede schutters namen de juistheids-karabijnen. De vier geweren werden verdeeld tusschen Cyrus Smith, Nab, Pencroff en Harbert.
Cyrus en Harbert bleven bij de Schoorsteenen, en hadden dus ook het toezicht over het strand. Gideon Spilett en Nab moesten bij de Mercy waken.
Ayrton en Pencroff gingen met de prauw naar het eilandje waar zij elk een post in namen.
Ingeval zij een ontscheping niet konden verhinderen, zouden Pencroff en Ayrton terstond met de prauw terugkeeren en dat gedeelte hetwelk het meest bedreigd werd, helpen verdedigen.
Vóór elk zich naar zijn post begaf, drukten de kolonisten elkaar de hand.
Zij konden nog onmogelijk ontdekt worden, daar het geen helder dag was. Maar weldra lag de brik voor hen en konden zij den zwarten wimpel duidelijk onderscheiden.
De Speedy vertoonde zich nu in haar geheel. Cyrus Smith kon door zijn verrekijker zien dat een dertigtal matrozen op het dek heen en weer gingen, en dat twee anderen, op den bezaansmast zittende, met de meeste aandacht het eiland beschouwden.
Eindelijk bespeurden de kolonisten tegen acht uur eenige beweging aan boord van de Speedy. Een bootje werd in zee gelaten met zeven man. Hun doel was ongetwijfeld om een nader onderzoek in te stellen; maar zeker hadden de boeven geen plan te ontschepen, want dan zouden zij talrijker wezen.
Pencroff en Ayrton achter een der rotsen verborgen, zagen de roovers recht op zich aankomen. De boot naderde zeer voorzichtig. Nog slechts twee kabellengten was zij van het eilandje verwijderd.
Plotseling werden er twee schoten gelost. Een licht rookwolkje steeg boven de rotsen van het eiland. De man aan het roer en de man met het dieplood, stortten neder. Twee mannen vielen. Ayrton en Pencroff hadden, tegelijkertijd, er elk een getroffen.
Bijna op hetzelfde oogenblik dreunde een kanonschot, een vurige vlam schoot uit de wanden der brik en een kogel trof slechts de rotsen; de beide schutters bleven ongedeerd.
De boot keerde intusschen niet, zooals zij verwacht hadden, naar het schip terug; de matrozen roeiden uit alle macht de zuidelijke punt van het eilandje om, ten einde buiten het bereik der kogels te komen.
Thans volgden zij de richting naar den mond van de Mercy; zeker wilden zij van die zijde het kanaal binnenloopen, en de kolonisten die op het eilandje wacht hielden in den rug aanvallen, zoodat deze dan tusschen twee vuren kwamen, namelijk van de sloep en van de brik, wat voor hen een hoogst ongunstige toestand zou zijn. Een kwartier verliep er, terwijl de boot de richting volgde. Alles bleef doodstil in de lucht en op de wateren. Pencroff en Ayrton verlieten hun post nog niet, hetzij dat ze zich nog niet aan de belegeraars wilden vertoonen en dus blootgesteld zouden zijn aan de kanonnen van de Speedy; ofwel omdat zij op Nab en Gideon Spilett rekenden, die aan de monding van de Mercy waakten, op Cyrus Smith en Harbert, die in de Schoorsteenen op wacht waren. Twintig minuten na het eerste kanonschot, was de boot op twee kabellengten van de Mercy verwijderd. Daar het water op kwam zetten, voelden de roovers zich hoe langer hoe meer naar den oever getrokken en konden zij met moeite in het midden van het kanaal blijven. Maar toen zij vlak voor de monding waren, werden zij begroet met twee kogels, en twee mannen vielen weder in de boot. Nab en Spilett hadden goed geraakt. Spoedig daarop zond de brik een tweeden kogel, maar deze had weder geen andere uitwerking, dan dat hij eenige rotsblokken verbrijzelde.
Er waren thans slechts drie ongekwetste mannen meer in de boot. Door den stroom meegevoerd, schoot zij het kanaal met de snelheid van een pijl binnen, vloog voorbij Cyrus Smith en Harbert, die hen nog niet genoeg in de nabijheid achtten om een schot te lossen; daarop roeiden de boeven de noordpunt van het eiland om, met de twee riemen, die hun restten, ten einde de brik te bereiken.
Tot nog toe hadden de kolonisten zich niet te beklagen. De kansen stonden slecht voor de tegenpartij. Deze had reeds vier gewonden, misschien wel dooden; zij, daarentegen, waren niet gewond, en geen kogels waren er verloren gegaan. Zoo de roovers op deze wijs voortgingen, en met de boot wilden beproeven aan wal te komen, zouden zij ze een voor een kunnen neerschieten.

Bijna op hetzelfde oogenblik dreunde een kanonschot. Bladz. 108.
Cyrus Smith had dus goed gezien. Een half uur verliep er eer de boot de Speedy was genaderd. Men hoorde een oorverdoovend geschreeuw toen de gewonden aan boord kwamen en twee à drie kanonschoten werden er gelost, maar die niet de minste uitwerking hadden.
Maar thans sprongen een twaalftal matrozen, dronken van woede en misschien ook tengevolge van de buitensporigheden van den vorigen nacht, in de sloep. Een tweede sloep werd uitgezet, waarin anderen plaats namen, en terwijl de een recht op het eilandje afging, trachtte de ander de Mercy binnen te varen, om er de kolonisten uit te drijven.
De toestand werd voor Pencroff en Ayrton onhoudbaar en zij begrepen thans dat ze zich bij hun vrienden moesten voegen. Toch wachtten zij nog totdat de eerste sloep binnen hun bereik was, om twee kogels, die goed gemikt waren, af te schieten, wat opnieuw wanorde bij de bemanning deed ontstaan. Daarop verlieten Pencroff en Ayrton hun post, wierpen zich in de prauw en hadden spoedig de Schoorsteenen bereikt, op het oogenblik dat de tweede boot aan de zuidelijke punt was. Ternauwernood hadden zij Cyrus Smith en Harbert bereikt of het eiland was in de macht der zeeroovers en de matrozen uit de eerste sloep doorkruisten het eilandje in alle richtingen.
Op hetzelfde oogenblik knalden er opnieuw schoten van den post bij de Mercy, waar thans de tweede sloep was genaderd. Twee van de acht matrozen werden doodelijk gewond door de kogels van Gideon Spilett en Nab; en de boot zelf werd tegen de klippen verbrijzeld. Maar de zes overigen hielden hun wapenen boven het hoofd, zorgende dat die niet vochtig werden, en slaagden er eindelijk in aan wal te komen. Toen zij bemerkten te dicht onder het vuur te zijn, vluchtten zij in allerijl naar het Wrakpunt, buiten het bereik der kogels.
Hun toestand was dus deze: op het eilandje twaalf bandieten, waarvan verscheidene gewond waren, maar die toch nog een sloep tot hun beschikking hadden; op het eiland zes roovers, maar deze konden het Rotshuis niet naderen, want zij konden de rivier niet oversteken daar de bruggen weggenomen waren.
“Dat gaat goed!” had Pencroff gezegd, terwijl hij naar de Schoorsteenen ijlde, “wat denkt gij er van, mijnheer Cyrus?”
“Ik denk,” gaf de ingenieur ten antwoord, “dat de strijd een anderen vorm gaat aannemen, want men kan niet veronderstellen dat de boeven in zulk een ongunstigen toestand op deze wijs zullen handelen!”
“Zij zullen het kanaal niet oversteken. De karabijnen van Ayrton en Spilett zijn daar om hun dat te verhinderen. Gij weet wel dat ze verder dan een mijl dragen.”
“Zeker,” antwoordde Harbert, “maar wat vermogen twee karabijnen tegen de kanonnen van de brik?”
“Wel de brik is nog niet in het kanaal!” riep Pencroff.
“Maar wanneer zij er in komt?” vroeg Cyrus Smith.
“Dat is onmogelijk, want zij zou daar verbrijzeld worden!”
“Het is zeer wel mogelijk,” antwoordde Ayrton. “De misdadigers kunnen van het hooge water gebruik maken, om het kanaal binnen te loopen!”
“Duizend duivels!” riep Pencroff, “het schijnt waarlijk dat de schurken het anker lichten!”
“Misschien zullen we wel genoodzaakt zijn om in het Rotshuis de wijk te nemen?” merkte Harbert op.
“Laten wij wachten!” antwoordde Cyrus Smith.
“Maar Nab en mijnheer Spilett?....” zeide Pencroff.
“Zij zullen in tijds bij ons wezen. Houd u gereed, Ayrton. Thans komen uw karabijn en die van Spilett aan de beurt.”
Het was maar al te waar! De Speedy begon haar anker te lichten en scheen het eilandje te willen naderen. De roovers waren slechts met geweren gewapend en konden dus niet het minste kwaad doen aan de kolonisten, of deze verborgen waren in de Schoorsteenen, dan wel bij de monding der Mercy; maar zij, van hun kant, wisten niet dat de kolonisten ook voorzien waren van karabijnen die ver droegen en achtten zich dus in veiligheid. Daarom stelden zij zich dus ook niet verdekt op, toen zij op het eilandje geland waren.
De waan was slechts van korten duur. De karabijnen van Ayrton en Spilett lieten zich spoedig hooren en hadden voor de boeven een noodlottige uitwerking. Twee vielen ter aarde. De overigen vluchtten aan boord van het schip.
“Acht minder!” riep Pencroff uit. “Waarlijk, men zou zeggen dat Spilett en Ayrton elkander waarschuwden als ze vuur wilden geven.”
“Mannen!” antwoordde Ayrton, “de brik komt hierheen.”
Eenige oogenblikken later riep Pencroff uit:
“Daar komen de roovers!”
Thans hadden Spilett en Nab zich bij de overigen gevoegd. Zij hadden niet het minste letsel bekomen; maar allen achtten het nu raadzamer den post bij de Mercy te verlaten.
“Hebt gij eenig plan gemaakt, Cyrus?” vroeg de reporter.
“Wij moeten, terwijl wij nog tijd daartoe hebben, ons in het Rotshuis bergen.”
Zij moesten geen oogenblik verloren laten gaan; want de Speedy was nog slechts op korten afstand en de kogels vlogen in alle richtingen. Zij wierpen zich in den heischtoestel en bereikten den ingang van her Rotshuis, waar Top en Jup den vorigen dag waren opgesloten. Weldra waren zij in de groote zaal. Het was tijd. De kolonisten zagen reeds de Speedy in kruitdamp gehuld door het kanaal stoomen. Zij moesten zich zelfs verschuilen, want het eene schot volgde het andere en de kogels der vier kanonnen troffen in den blinde zoowel den post aan de Mercy als de Schoorsteenen. De rotsen werden verbrijzeld en bij elk schot steeg er een luid gejuich op.
Toch was het te voorzien, dank zij de voorzorgen van Cyrus Smith, dat het Rotshuis vrij zou blijven, toen plotseling een kogel door de deur drong in den voorgang.
“Vervloekt! Wij zijn ontdekt!” riep Pencroff.
Hun toestand was hopeloos, want weldra regende het kogels in het Rotshuis. Hun schuilplaats was ontdekt. Zij konden geen weerstand bieden. Er schoot hun niets over dan zich in het bovenste gedeelte van het Rotshuis te bergen, en hun woning aan de verwoesting prijs te geven, toen plotseling een doffe dreun hun ooren trof, die door een vreeselijken gil gevolgd werd.
Cyrus Smith en zijn makkers snelden naar het venster.... De brik onweerstaanbaar opgeheven door een waterzuil, was in tweeën gespleten en binnen tien minuten was er niets meer van het geheele vaartuig te bespeuren.