← Table of contents
Het Geheimzinnige Eiland

XIV.

Reading edition

De kolonisten op de kust.—Ayrton en Pencroff redden de overblijfselen.—Gesprek onder het ontbijt.—De redeneering van Pencroff.—Bezoek aan den romp van de brik.—De kruitkamer ongedeerd.—Nieuwe rijkdom.—De laatste overblijfselen.

“Zij zijn in de lucht gesprongen!”

“Ja, het is alsof Ayrton de lont in het kruit had geworpen!” antwoordde Pencroff, terwijl hij, gevolgd door Nab en Harbert, naar de opening snelde.

“Maar wat is er gebeurd?” vroeg Gideon Spilett, nog ten hoogste verbaasd over deze onverwachte ontknooping.

“Ditmaal zullen wij het weten!....” antwoordde de ingenieur opgewonden.

“Wat zullen wij weten?”

“Later! later! Kom Spilett.”

“Het voornaamste is thans dat de zeeroovers uitgeroeid worden!”

Cyrus Smith voerde met deze woorden den reporter en Ayrton mede naar het strand, waar Pencroff, Nab en Harbert reeds stonden.

De brik onweerstaanbaar opgeheven door een waterzuil. Blz. 112.
De brik onweerstaanbaar opgeheven door een waterzuil. Blz. 112.

De brik onweerstaanbaar opgeheven door een waterzuil. Blz. 112.

Men zag niets meer van de brik, zelfs geen mast. Eenige overblijfselen kwamen langzamerhand bovendrijven, maar geen planken van het dek noch andere voorwerpen waaruit het schip was samengesteld. Dit was oorzaak, dat zij die plotselinge verdwijning van de Speedy moeilijk konden verklaren. Maar toch zag men spoedig daarop de twee masten met de zeilen boven komen. Zij haastten zich om deze schatten in hun bezit te krijgen. Ayrton en Pencroff sprongen in de prauw om de kostbare voorwerpen aan wal te brengen.

Op het oogenblik dat zij van wal zouden steken, riep Gideon Spilett hen terug met de woorden:

“En de zes boeven die op den rechteroever der Mercy geland zijn?”

Zij hadden waarlijk de zes mannen vergeten, wier sloep tegen de klippen was verbrijzeld.

Niets was er in die richting van de vluchtelingen te bespeuren. Het was zeer waarschijnlijk dat zij, toen de brik uiteen was geslagen, naar het binnengedeelte van het eiland waren gevlucht.

“Later zullen wij ons met hen bezighouden,” zeide Cyrus Smith toen. “Zij kunnen nog gevaarlijk wezen, daar ze gewapend zijn, maar wij zijn zes tegen zes, de kansen staan dus gelijk. Alzoo spoed gemaakt!”

Pencroff en Ayrton slaagden er in om door middel van touwen alles wat dreef op het strand vóor het Rotshuis te halen; daarna brachten zij de kooien met vogels, kisten en vaten in de Schoorsteenen. Ook vonden zij nog eenige lijken, Ayrton herkende dat van Bob Harvey terstond en zeide op fluisterenden toon tot zijn makker:

“Zoo ben ik geweest, Pencroff.”

“Maar gij zijt het niet meer, beste Ayrton!” antwoordde de matroos.

Toen alles zoo goed mogelijk geborgen was, besloten zij bij de Schoorsteenen hun ontbijt te gebruiken. Natuurlijk was het gebeurde steeds het onderwerp van hun gesprek.

“Het is toch een wonder,” herhaalde Pencroff, “dat die schurken juist op het geschiktste oogenblik in de lucht gesprongen zijn! Want het Rotshuis werd voor ons onhoudbaar!”

“Maar kunt ge u begrijpen,” vroeg de reporter, “hoe het gebeurd is, en waardoor het springen van de brik teweeg is gebracht?”

“Wel niets is natuurlijker, mijnheer,” antwoordde Pencroff. “Een zeerooversschip is geen oorlogsschip! Zeeschuimers zijn geen matrozen! Zeker was de deur der kruitkamer geopend; daar zij onophoudelijk vuurden is, door de een of andere onvoorzichtigheid of onhandigheid, de kast gesprongen.”

Er waren echter verschijnselen die met de onderstelling van Pencroff volkomen in strijd waren, en langen tijd hielden de kolonisten zich bezig met gissingen naar de oorzaak van het onheil, dat voor hen zulk een groot geluk was.

Tegen half twee besloten de kolonisten om met hun prauw naar de plaats te gaan, waar de brik gesprongen was. Het was jammer dat de beide sloepen niet behouden waren gebleven; maar de eene was, zooals men weet, bij de monding der Mercy stukgeslagen en geheel ongeschikt; de andere was tegelijk met de brik verdwenen.

De kolonisten bezagen nu den romp van de Speedy, en naarmate de zee afnam konden zij ontdekken, zoo niet de oorzaak van dit ongeval, dan toch de uitwerking.

“Duizend duivels!” riep Pencroff, “dat schip zal moeilijk te kalefaten zijn!”

“Het is zelfs onmogelijk,” meende Ayrton.

“In elk geval,” merkte Gideon Spilett op, “heeft het springen, zoo er een uitbarsting geweest is, een zeer zonderlinge uitwerking gehad. De romp van het schip is van binnen uit elkander gesprongen, in plaats van het dek! Die groote openingen schijnen eer te weeg gebracht te zijn door het stooten tegen een klip dan wel door het springen van de kruitkamer!”

“Er zijn geen klippen in het kanaal!” hernam de matroos. “Ik neem alles aan wat ge wilt, behalve het stooten op een klip.”

“Laten wij tot in het binnenste van de brik trachten door te dringen,” zeide de ingenieur. “Misschien zullen wij dan iets meer van die verwoesting te weten komen.”

Dit was het beste wat hun te doen stond; zij besloten verder alle schatten, die aan boord waren, bij elkander te voegen en alles wat hun mogelijk was te redden.

Het was een waar fortuin. Wat zij vonden, was voor hen inderdaad een schat; een schip toch is een kleine wereld op zich zelf, en het magazijn der kolonisten zou met een rijken voorraad van nuttige voorwerpen vermeerderd worden.

Cyrus Smith en zijn makkers begaven zich met de bijl in de hand op het dek. Allerlei kisten vonden zij er, en daar ze slechts korten tijd onder water hadden gestaan zou de inhoud nog wel niet beschadigd wezen; zij slaagden er dan ook in alles in de prauw in veiligheid te brengen.

Met vreugde ontdekten de kolonisten, dat de lading van de brik van alles bevatte: een volledige voorraad van werktuigen en kleederen was er voorhanden. Het was zeer waarschijnlijk, dat zij daar van alles zouden vinden en dit zou den kolonisten van het eiland Lincoln zeer goed te stade komen.

Eindelijk konden zij ook het achtergedeelte van de brik bereiken. Hier moesten zij volgens Ayrton de kruitkamer vinden. Cyrus Smith, die van meening was dat het springen niet hierdoor teweeg was gebracht, achtte het zeer wel mogelijk, dat nog eenige vaten gespaard waren gebleven, daar het kruit gewoonlijk in metalen omhulsels wordt geborgen en dus weinig van het water zou geleden hebben.

Dit was inderdaad het geval. Zij vonden te midden van een menigte projectielen een twintigtal vaten, die van binnen met koper bekleed waren. Pencroff overtuigde zich met eigen oogen, dat het uiteenbarsten van de Speedy niet aan het springen van de kruitkamer was toe te schrijven. Dat gedeelte van het vaartuig had juist het minst geleden.

“Het is mogelijk!” antwoordde de koppige zeeman, “maar tegen een rots, neen, er zijn geen rotsen in het kanaal!”

“Wat is er dan gebeurd?” vroeg Harbert.

“Ik weet het niet,” antwoordde Pencroff, “mijnheer Cyrus weet het niet en niemand weet er iets van en zal er ooit iets van te weten komen.”

Het was vijf uur en de zee kwam weder opzetten. Zij moesten zich dus haasten om de weinige overblijfselen van het schip nog in veiligheid te brengen. Het was een vermoeiende dag voor hen geweest; toch kwamen zij overeen, dat, na het eten, de kisten nog onderzocht zouden worden.

Voor het grootste gedeelte bevatten zij gemaakte kleederen, die, zooals men denken kan, hun goed te pas kwamen. Zij konden nu een groote kolonie van kleederen voorzien, van linnen dat tot alles gebruikt kon worden en van de noodige schoenen.

“Nu zijn wij te rijk!” riep Pencroff uit. “Maar, wat zullen wij er mede doen?”

Het ontbrak hun niet aan plaats in het magazijn van het Rotshuis; maar het was dien dag zeer slecht weer, zoodat zij niet alles naar binnen konden brengen. Toch moesten zij niet vergeten, dat er nog zes boeven van de Speedy op het eiland waren en zij wel op hun hoede mochten wezen. De brug over de Mercy en andere hekken waren opgeheschen of gesloten, maar die roovers waren de mannen niet om vervaard te zijn voor een riviertje of een beek, en wanneer zij tot het uiterste gedreven werden, waren zij zeer te vreezen.

De nacht ging evenwel voorbij zonder dat de roovers een aanval waagden. Jup en Top hielden wacht aan de trap van het Rotshuis en zouden wel spoedig gewaarschuwd hebben.

De drie volgende dagen, 19, 20 en 21 October, werden besteed aan het in orde brengen van alles wat eenige waarde had. Zij doorzochten nogmaals de brik en vonden nog verschillende voorwerpen. Het eenige wat zij niet ontdekken konden, waren de scheepspapieren. Blijkbaar hadden de boeven deze vernietigd, evenals al datgene wat den oorspronkelijken eigenaar van het vaartuig kon doen kennen. Uit den bouw van het schip maakten Pencroff en Ayrton echter op, dat het een Engelsch schip moest zijn geweest.

Acht dagen na het ongeval of liever na die gelukkige, maar onbegrijpelijke gebeurtenis, waaraan de kolonisten hun behoud te danken hadden, zagen zij niets meer van het schip, zelfs bij laag water. De overblijfselen waren verspreid geraakt en het Rotshuis was goed voorzien van al het mogelijke. En toch zou het geheim dier oorzaak van verwoesting nooit opgelost zijn, zoo Nab den 30sten October niet op het strand was gaan zwerven en daar een stuk van een ijzeren cylinder had gevonden, dat de sporen van een uitbarsting droeg.

“Zoo ben ik geweest, Pencroff.” Blz. 114.
“Zoo ben ik geweest, Pencroff.” Blz. 114.

“Zoo ben ik geweest, Pencroff.” Blz. 114.

Nab bracht dit stukje metaal aan zijn meester, die juist met zijn vrienden in de Schoorsteenen werkte. Cyrus Smith beschouwde het aandachtig; daarop wendde hij zich tot Pencroff.

“Gij houdt nog vol, mijn vriend, dat de Speedy niet tengevolge van een schok in de lucht is gesprongen?”

“Ja, mijnheer Cyrus,” antwoordde de matroos. “Gij weet even goed als ik dat er geen rotsen in het kanaal zijn!”

“Maar zoo hij tegen dat stuk ijzer is gestooten,” vroeg de ingenieur, terwijl hij hem den gebroken cylinder toonde.

“Wat! dat stuk pijp?” riep Pencroff op ongeloovigen toon uit.

“Vrienden,” hernam Cyrus Smith, “gij herinnert u dat vóor het schip zonk, de brik eerst als door een hoos in de hoogte werd geworpen?”

“Ja, mijnheer Cyrus,” gaf Harbert ten antwoord.

“Welnu, wilt ge weten wie haar in de hoogte wierp? Deze,” zeide de ingenieur, terwijl hij op den cylinder wees.

“Die,” herhaalde Pencroff.

“Ja, die cylinder is alles wat er van de torpedo is overgebleven.”

“Een torpedo!” riepen zijn vrienden.

“En wie heeft dien er ingebracht?” vroeg Pencroff, die zich nog niet gewonnen wilde geven.

“Alles wat ik u zeggen kan, is dat ik het niet gedaan heb!” antwoordde Cyrus Smith, “maar hij was er, en gij kunt zelf over de ontzaglijke kracht oordeelen.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings