XV.
Reading edition
De bewering van den ingenieur.—De grootsche onderstellingen van Pencroff.—Een batterij in de hoogte.—De vier kogels.—De overlevende boeven.—Ayrton aarzelt.—Edele gedachten van Cyrus Smith.—Pencroff heeft berouw.
Alles verklaarde zich thans door de uitbarsting van dezen onderzeeschen torpedo, waarvan Cyrus Smith in den burgeroorlog de kracht had leeren kennen.
Ja, alles was opgehelderd.... behalve hoe dit helsche werktuig in het kanaal was gekomen.
“Vrienden,” zeide de ingenieur toen, “wij behoeven niet meer aan de tegenwoordigheid van een of ander geheimzinnig wezen te twijfelen, aan een schipbreukeling zooals wij misschien, geheel verlaten op dit eiland, en ik herhaal dit nogmaals, opdat Ayrton van de zonderlinge gebeurtenissen, die sedert de laatste twee jaren plaats hebben gegrepen, op de hoogte zal wezen. Wie is de onbekende weldoener wiens tusschenkomst zoo heilzaam voor ons was, en die verscheidene malen een reddende engel voor ons geweest is? ik kan het mij onmogelijk voorstellen. Maar hij heeft ons wezenlijk diensten bewezen, en wel zulke, waarover enkel een man die een wonderbaarlijke macht bezit, beschikken kan. Ayrton is evenals wij veel aan hem verschuldigd, want indien hij de man is, die mij redde, nadat ik in de golven was geworpen, is hij het waarschijnlijk ook, die den brief geschreven heeft en ons op de hoogte heeft gebracht van den treurigen toestand van onzen makker. Ik voeg er nog bij dat hij ons dan ook in het bezit van die rijke kist heeft gesteld en het vuur aangestoken heeft; dat hij de oorzaak is van het hageltje dat wij in het lichaam van het konijn gevonden hebben; dat hij den torpedo in het kanaal heeft gebracht; kortom, dat al deze onverklaarbare feiten, waarvan wij ons geen rekenschap kunnen geven, aan dat geheimzinnige wezen moeten worden toegeschreven. Maar, hoe het ook zij, schipbreukeling of balling, wij zouden ondankbaar wezen, zoo wij meenden dat we hem geen dank schuldig waren. Wij hebben een rekening met hem te vereffenen, en ik koester de hoop dat wij eenmaal in staat zullen zijn hem zijn diensten te vergelden.”
“Maar, indien hij dit alles gedaan heeft, dan bezit deze man een macht, die hem over de elementen doet heerschen,” zeide Gideon Spilett. De opmerking van den reporter was juist en allen gevoelden het.
“Wanneer wij den persoon vinden,” vervolgde Cyrus Smith, “is het geheim ook opgelost. De vraag is dus: moeten wij de onbekendheid van dit edelmoedige wezen eerbiedigen, of moeten wij alles in het werk stellen om hem te vinden? Wat is uw oordeel hierover?”
“Mijn meening is,” antwoordde Pencroff, “dat wie hij ook zij, hij een edel mensch is, die op mijne achting rekenen kan.”
“Goed,” hernam Cyrus Smith, “maar dat is geen antwoord, Pencroff.”
“Meester,” zeide Nab toen, “ik geloof dat wij zoo hard kunnen zoeken als we willen, maar dien heer toch niet vinden zullen, zoolang hij het nog geen tijd daartoe acht.”
“Dat is zoo dom niet, Nab, wat ge daar zegt,” gaf Pencroff ten antwoord.
“Ik ben van dezelfde meening als Nab,” zeide Gideon Spilett, “maar toch zie ik geen reden, waarom wij het niet zouden beproeven. Of wij dit geheimzinnige wezen vinden of niet, wij hebben dan toch onzen plicht jegens hem vervuld.”
“En gij, Harbert,” vroeg Cyrus Smith, “wat is uw meening! Spreek, mijn jongen.”
“Mijnheer Smith, ik geloof dat wij alles moeten aanwenden om den weldoener weder te vinden, die eerst u gered heeft en ons daarna.”
Op zijn beurt sprak Ayrton:
“Misschien is hij alleen? Misschien lijdt hij? Misschien heeft ook hij zijn leven te veranderen? Ik ben hem, zooals gij gezegd hebt, veel verschuldigd. Hij is het, niemand anders kan het geweest zijn, die op het eiland Tabor gekomen is, die den ongelukkige gevonden heeft, dien gij gekend hebt, die u heeft doen weten dat er een rampzalige gered moest worden!.... Aan hem heb ik het dus te danken, dat ik weder mensch geworden ben. Neen, dat zal ik nooit vergeten!”
“Dit staat dus vast,” zeide Cyrus Smith toen. “Wij zullen zoo spoedig mogelijk onze onderzoekingen hervatten. Geen stukje van het eiland zullen wij vergeten. Tot in het binnenste gedeelte zullen we doordringen, en dat onze vriend het ons vergeve ter wille van onze bedoeling!”
Gedurende eenige dagen hadden de kolonisten de handen vol met het inhalen van den oogst. Vóor zij hun plan ten uitvoer brachten, wilden ze alles in orde hebben. Ook de tijd, waarop zij de groenten van het eiland Tabor moesten binnenbrengen, was aangebroken. Maar er was nog een belangrijk overblijfsel van de brik, dat eveneens geborgen moest worden: de vier kanonnen. Door middel van katrollen brachten zij die in het Rotshuis, waar zij tusschen de vensters geplaatst werden. Het huis der kolonisten werd nu een klein Gibraltar en elk schip dat het wagen mocht, het eiland aan te tasten, zou voortaan aan het vuur eener geduchte batterij zijn blootgesteld.
Toen alles gereed was, zeide Pencroff—het was de 8ste November—tot Cyrus Smith:
“Mijnheer, nu onze sterkte gereed is, moesten wij toch de kracht van onze stukken eens beproeven.”
“Gelooft ge dat dit van eenig nut is?” vroeg de ingenieur.
“Het is niet alleen nuttig, maar noodig! Want, hoe zouden wij anders weten hoe ver ons geschut draagt.”
“Laat ons het dan beproeven,” zeide Cyrus Smith.
Het sprak van zelf dat de vier kanonnen in den besten toestand waren. Zoodra zij ze uit het water hadden gehaald, was de eerste zorg van den matroos geweest ze nauwkeurig na te zien. Hoeveel uren had hij niet besteed aan het schoonmaken en poetsen van deze vuurmonden! Thans blonken deze stukken geschut dan ook of ze aan boord waren van een fregat der Vereenigde Staten.

Dit was inderdaad het geval. Blz. 115.
In tegenwoordigheid van het geheele personeel der kolonie, Jup en Top daaronder begrepen, werden de vier kanonnen achtereenvolgens beproefd. Men gebruikte daarbij schietkatoen, waarvan de kracht viermaal grooter is dan van het buskruit, terwijl de stukken geladen werden met puntkogels. Pencroff loste het eerste schot; de kogel in de richting der zee geschoten, snorde over het eilandje en viel op een afstand, dien men niet met juistheid berekenen kon. Het tweede schot was gericht op de uiterste rots van het Wrakpunt; een uitstekende steen, drie mijlen van het Rotshuis werd er door tot puin geslagen. Het was Harbert, die het stuk gericht had. De derde kogel werd afgeschoten op de duinen der Uniebaai en sprong door den weerslag in zee: de afstand was vier mijlen. Voor het vierde schot had Cyrus Smith de lading wat sterker genomen om te zien, hoe groot de draagkracht in een uiterst geval zou kunnen wezen. Allen weken op zijde, daar er kans was dat het stuk sprong. Een lange lont werd aan het zundgat bevestigd, een geweldige slag volgde, maar het kanon had weerstand geboden, en toen de kolonisten naar het venster ijlden, zagen zij hoe de kogel de rotsen had getroffen van kaap Mandibule, op vijf mijlen afstands van het Rotshuis en in de Haaiengolf verdween.
“Welnu, mijnheer Cyrus,” riep Pencroff uit, wiens hoezee’s in kracht met de schoten wedijverden, “wat zegt gij nu van onze batterij? Laten nu alle zeeschuimers uit de Stille zee zich voor het Rotshuis vertoonen; zonder onze toestemming zullen zij niet kunnen ontschepen.”
“Het zou toch altijd het beste zijn, Pencroff,” antwoordde de ingenieur, “dat wij nooit in zulk een geval komen.”
“Hé,” zeide Pencroff, “wat zullen wij met de zes schelmen doen, die nog op het eiland rondzwerven? Zullen wij ze maar stil onze bosschen, velden en weiden laten doorkruisen? Het zijn ware jaguars, die zeeroovers! en ik geloof dat wij ons niet behoeven te bedenken om ze als zoodanig te behandelen. Wat dunkt gij er van Ayrton?” voegde Pencroff er bij, terwijl hij zich tot zijn makker wendde.
Ayrton gaf eerst geen antwoord, en Cyrus Smith speet het dat Pencroff dezen zoo plotseling die vraag had gedaan. Hij was zelfs getroffen toen Ayrton op zachtmoedigen toon antwoordde:
“Ik heb ook eenmaal tot die jaguars behoort, mijnheer Pencroff, en ik heb dus geen recht daarover te oordeelen.”
Langzaam verwijderde hij zich.
Pencroff had het begrepen.
“Domoor, die ik ben!” riep hij uit. “Arme Ayrton! hij heeft toch evenveel recht als wij om hier te spreken!”
“Ja,” zeide Gideon Spilett, “maar zijn bescheidenheid doet hem eer aan, en wij moeten deze herinnering aan zijn vroeger leven eerbiedigen.”
“Gij hebt gelijk,” antwoordde de matroos, “en ik zal voortaan oppassen. Maar laten wij tot onze vraag terugkeeren? Het schijnt mij toe, dat die boeven niet de minste aanspraak hebben op ons medelijden en dat wij ze zoo spoedig mogelijk van het eiland moeten verwijderen.”
“Is dat uw meening, Pencroff?” vroeg de ingenieur.
“Geheel en al.”
“En zijt ge niet van plan, voor wij ze zonder eenig mededoogen vervolgen, te wachten tot ze ons opnieuw aanvallen?”
“Hetgeen zij ons gedaan hebben, is dus niet voldoende?” vroeg Pencroff, die niets van deze aarzeling begreep.
“Zij kunnen tot andere gevoelens komen,” zeide Cyrus Smith, “zij kunnen berouw gevoelen....”
“Zij berouw gevoelen!” riep de matroos uit, terwijl hij zijn schouders optrok.
“Pencroff, denk aan Ayrton!” zeide Harbert toen en vatte de hand van den matroos. “Hij is ook een eerlijk man geworden.”
Pencroff zag zijn makkers beurtelings aan. Hij had nooit gedacht dat zijn voorstel eenigen tegenstand zou ondervinden. Zijn ruw gemoed kon niet aannemen dat men eenige inschikkelijkheid betoonde tegenover de schelmen, die op het eiland waren, met de medeplichtigen van Bob Harvey, de moordenaars van de Speedy, en hij beschouwde ze als wilde dieren, die zonder aarzelen gedood moesten worden.
“Nu nog mooier, ik heb ze allen tegen mij. Wilt gij nog edelmoedig zijn en tegenover die schelmen met zachtheid te werk gaan? Ik hoop dat wij er later geen berouw van hebben!”
“Pencroff,” zeide toen de ingenieur, “gij hebt dikwijls veel waarde gehecht aan mijn raadgevingen. Wilt ge thans ook naar mij luisteren?”
“Ik zal doen, zooals u goeddunkt, mijnheer Smith,” antwoordde de matroos, die nog in het geheel niet overtuigd was.
“Welnu, laten wij dan wachten en niet eer aanvallen vóor wij zelven aangevallen worden.”
Zij besloten zich op deze wijs tegenover de zeeschuimers te gedragen, hoewel Pencroff er weinig goeds van voorspelde. Zij zouden niet aanvallen maar wel op hun hoede blijven. Het eiland was groot en vruchtbaar. En zoo er nog eenig gevoel van eerlijkheid in het diepst hunner ziel was overgebleven, zouden die ellendelingen zich misschien nog beteren kunnen. Was het hun belang niet om in de omstandigheden, waarin zij thans verkeerden, een ander leven te beginnen.
De kolonisten zouden nu echter niet geheel en al vrij in hun doen en laten zijn. Tot nog toe hadden zij slechts te waken tegen de wilde dieren en thans zwierven er zes boeven, misschien van de ergste soort, op hun eiland. Dat was ongetwijfeld van ernstiger aard, en minder dappere mannen zouden gelooven dat alle veiligheid verloren was.
Het doet er niet toe! Voor het oogenblik hadden zij tegen Pencroff gelijk. Zouden zij in de toekomst ook gelijk hebben? Dit zal blijken.