← Table of contents
Het Geheimzinnige Eiland

XX.

Reading edition

Onoplosbaar geheim.—Beterschap van Harbert.—Nog onbezochte streken.—Toebereidselen voor het vertrek.—Eerste dag.—De nacht.—Tweede dag.—Voetstappen in het bosch.—Aankomst op kaap Hagedis.

Gideon Spilett nam het doosje en opende het. Het bevatte twee honderd grein van een wit poeder, dat hij aan de lippen bracht. De scherp bittere smaak van deze zelfstandigheid liet hem geen oogenblik in twijfel. Het was de kostbare quinine, het geneesmiddel der koorts bij uitnemendheid.

Men moest zonder dralen dit poeder aan Harbert ingeven. Men kon later bespreken hoe het er gekomen kon zijn.

“Koffie!” vroeg Gideon Spilett.

Nab bediende hem zoo snel mogelijk; de reporter wierp ongeveer 10 gram van de quinine in de koffie, die hij vervolgens aan Harbert liet drinken.

Het was nog niet te laat, want de derde aanval van koorts had zich nog niet herhaald!

En tot geruststelling kan gezegd worden, dat deze derde aanval zich niet voordeed.

Allen hadden weder hoop gekregen. De geheimzinnige macht had zich weder geopenbaard, en op een oogenblik waarop men aan haar wanhoopte!

Na verloop van eenige uren sliep Harbert rustiger in. De kolonisten konden toen over dit voorval spreken. De tusschenkomst van den onbekende was nu duidelijker dan ooit. Maar hoe had hij in den nacht tot binnen het Rotshuis kunnen dringen? Dit was onverklaarbaar, en de wijze waarop de “Genius van het eiland” te werk ging, was even wonderbaarlijk als de Genius zelf.

Om de drie uur werd Harbert de quinine ingegeven.

Reeds den volgenden dag bemerkte men verbetering in den toestand. Hij was wel is waar nog niet genezen en de koorts zou zich nog wel herhalen, maar het ontbrak hem niet aan hulp. Het geneesmiddel was immers bij de hand en waarschijnlijk hij, die het gegeven had, niet ver verwijderd! In éen woord, ieders hart was weder met hoop vervuld!

Deze hoop werd niet teleurgesteld. Tien dagen later begon Harbert te herstellen. Pencroff was buiten zich zelf van vreugde en wist niet op welke wijze zijn dankbaarheid te toonen aan Gideon Spilett, dien hij van nu af dokter Spilett noemde.

Nu moest men echter den waren geneesheer ontdekken.

“Wij zullen hem wel vinden,” zeide de zeeman.

Sulphas quinine. Blz. 151.
Sulphas quinine. Blz. 151.

Sulphas quinine. Blz. 151.

En deze man kon rekenen op een omhelzing, zooals Pencroff alleen in staat was die te geven.

De maand December verliep en met deze het jaar 1867, waarin de kolonisten van het eiland Lincoln zoo zwaar beproefd werden.

Gedurende al dien tijd waren de boeven niet weder in den omtrek van het Rotshuis verschenen. Van Ayrton hoorde men niets, en hoopten ook de ingenieur en Harbert hem terug te vinden, hun metgezellen twijfelden niet of de ongelukkige was omgekomen. Men kon echter niet in die onzekerheid blijven, en zoodra Harbert voldoende hersteld zou zijn, wilde men een verkenning ondernemen, waarvan de uitslag van het hoogste gewicht moest zijn.

De maand Januari werd besteed om de bergvlakte weder in orde te brengen; Cyrus Smith wilde echter nog wachten met het hernieuwen van den molen, den stal en de andere gebouwen, daar een tweede bezoek van de roovers op de vlakte niet onmogelijk was.

Harbert was in de laatste helft der maand in zoover hersteld, dat hij op de bergvlakte mocht wandelen. Eenige zeebaden, die hij met Pencroff en Nab had genomen, hadden niet weinig tot zijn herstel bijgebracht. Cyrus Smith bepaalde den dag van hun vertrek op 15 Februari.

Er werden reeds de noodige maatregelen voor deze reis genomen, want de kolonisten waren vast besloten het Rotshuis niet meer te betreden, voordat hun doel bereikt was: zij wilden vooreerst de boeven verjagen en Ayrton vinden, indien hij nog leefde; in de tweede plaats hem ontdekken, die zoo blijkbaar een beslissenden invloed op het lot der kolonisten uitoefende.

Bij het aanbreken van den dag van 15 Februari begaven zich allen, behalve Pencroff, die zou sluiten, buiten het Rotshuis.

Er was overeengekomen, dat niemand in de woning zou achterblijven. Jup en Top maakten alzoo deel uit van de expeditie. De ladders van het Rotshuis, die vroeger gebruikt waren, werden naar de Schoorsteenen gebracht en diep onder het zand begraven, zoodat men ze bij de terugkomst kon gebruiken, want de hijschmachine was geheel afgenomen en elke inval in het Rotshuis dus schier onmogelijk.

Daarna liet Pencroff zich door middel van een touw op den grond zakken.

Het was prachtig weer.

“Het zal een warm dagje worden!” zeide de reporter vroolijk.

“Kom, kom! dokter Spilett!” antwoordde Pencroff, “wij loopen in de schaduw en zullen zelfs de zon niet te zien krijgen!”

“Voorwaarts!” zeide de ingenieur.

Op de kust, bij de Schoorsteenen, wachtte het wagentje met de onagga’s bespannen, waarin zich levensmiddelen, verschillende werktuigen, wapenen en munitie bevonden. Nab had voor een draagbare keuken gezorgd en de reporter voor alles wat noodig was om in korten tijd een kamp op te slaan.

Gideon Spilett had er op aangedrongen, dat Harbert, ten minste gedurende de eerste uren van den tocht zou rijden, en de jongeling moest zich wel aan het voorschrift van zijn geneesheer onderwerpen.

Nab ging naast de onagga’s. Cyrus Smith, de reporter en de zeeman stapten vooruit. Top sprong van den een naar den ander. Harbert had Jup een plaats naast hem aangeboden, die deze zonder aarzelen aannam. De ingenieur herhaalde zijn bevel en de stoet zette zich in beweging.

Nadat men den linkeroever van de Mercy een mijl gevolgd had, begaven zij zich in het dichte bosch van het Verre Westen.

In het bosch zagen zij weder die viervoetige en gevleugelde dieren, die zij ook op hun eersten tocht ontmoet hadden en Cyrus Smith merkte op:

“Ik geloof, dat zoowel de viervoetige als gevleugelde dieren vreesachtiger zijn dan vroeger. Die bosschen zijn kort geleden door de boeven doorkruist en wij zullen er zeker hun spoor vinden.”

Men zag inderdaad op verscheiden plaatsen sporen van een aantal menschen: hier was een tak van een boom afgebroken, misschien met het doel om den weg te herkennen; daar lag asch van een uitgedoofd vuur, en de indruk van voeten in een vochtig gedeelte van den grond. Maar niets duidde aan, dat ergens een langdurig kamp was opgeslagen.

De ingenieur had zijn metgezellen verboden om te jagen. De geweerschoten zouden de aandacht der boeven getrokken hebben, die misschien in het bosch ronddoolden. Bovendien als men op wild jacht maakte, zou men allicht afdwalen en het was streng verboden zich van den gemeenschappelijken stoet te verwijderen.

Toen men ongeveer zes mijlen van het Rotshuis verwijderd was, werd het bosch dichter en het voortgaan moeilijker. Men moest boomen vellen om zich een weg te banen. Cyrus Smith zond echter vooraf Top en Jup in dat dikke kreupelhout, en kwamen zij terug zonder dat zij iets te kennen gaven, dan had men ook niets te vreezen, noch van de boeven, noch van wilde dieren.

Dien avond kampeerden de kolonisten op ongeveer negen mijlen van het Rotshuis, aan den oever van een kleinen zijtak van de Mercy.

Men gebruikte een flink maal, want de kolonisten waren uitgehongerd en daarop werden de noodige maatregelen genomen, opdat de nacht rustig zou voorbijgaan. Wanneer de ingenieur slechts te doen had gehad met wilde dieren, jaguars of anderen, dan zou hij rondom zijn kamp vuren hebben aangelegd, hetgeen voldoende verdediging geweest ware; maar de boeven zouden er eerder door aangetrokken dan teruggehouden worden, en daarom was het beter dat men in de diepste duisternis bleef.

Twee kolonisten zouden samen waken en om de twee uur hun makkers wekken. Daar Harbert, ondanks zijn verzet, uitgesloten werd, hadden Pencroff en Gideon Spilett en de ingenieur met Nab beurtelings de wacht.

De nacht ging voorbij zonder dat er iets voorviel en de tocht door het bosch werd voortgezet.

Dien dag kon men slechts zes mijlen afleggen daar men zich letterlijk met de bijl een weg moest banen.

Hier en daar vond men nog sporen van de boeven. Bij een vuur dat kort geleden scheen uitgebluscht, zagen de kolonisten voetstappen die zij aandachtig opnamen. Door van alle de lengte en breedte te meten vond men gemakkelijk de indrukken van vijf menschen terug. De vijf boeven hadden daar waarschijnlijk gekampeerd, maar—en dit werd nauwkeurig onderzocht—men kon den zesden voetstap niet vinden, die in dat geval van Ayrton moest geweest zijn.

“Ayrton was niet bij hen!” zeide Harbert.

“Neen,” antwoordde Pencroff, “en dat hij niet bij hen was, is omdat die schurken hem reeds gedood hebben! Maar hebben die ellendelingen dan geen hol, dat men ze als tijgers kan vervolgen!”

“Neen,” zeide de reporter. “Het is zeer waarschijnlijk, dat zij rondzwerven en het is hun belang om zoo lang rond te dwalen tot op het oogenblik dat zij meester van het eiland zijn.”

“Meester van het eiland!” riep de zeeman uit. “Meester van het eiland!....” herhaalde hij, en zijn stem was gesmoord alsof zijn keel met een ijzeren vuist werd toegeknepen. Toen zeide hij kalmer:

“Weet gij, mijnheer Cyrus, welken kogel ik in mijn geweer heb?”

“Neen, Pencroff.”

“De kogel, die de borst van Harbert doorboord heeft, en ik verzeker u, dat deze zijn doel niet zal missen!”

Maar deze rechtvaardige wraak kon het leven niet aan Ayrton teruggeven en door het onderzoek der voetstappen moest men wel tot de overtuiging komen, dat er geen hoop meer bestond hem ooit terug te zien.

Dien avond werd het kamp op veertien mijlen van het Rotshuis opgeslagen en Cyrus Smith meende dat men niet meer dan vijf mijlen van kaap Hagedis kon verwijderd zijn.

Den volgenden dag bereikte men dan ook het schiereiland; het bosch was in zijn geheele lengte doorsneden, maar men had geen spoor gevonden van de schuilplaats der boeven, noch van de plek waar de geheimzinnige onbekende verblijf hield.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings