← Table of contents
Het Geheimzinnige Eiland

XXI.

Reading edition

Onderzoek van het slangen-schiereiland.—Kamp aan den mond der waterval-rivier.—Zes honderd schreden van de kraal.—Verkenning door Gideon Spilett en Pencroff.—Hun terugkomst.—Allen vooruit.—Een open deur.—Een verlicht venster.—Bij het maanlicht.

Den 18den Februari bracht men weder door met vergeefs te zoeken naar een spoor van de indringers.

Pencroff liet zich door middel van een touw zakken. Blz. 154.
Pencroff liet zich door middel van een touw zakken. Blz. 154.

Pencroff liet zich door middel van een touw zakken. Blz. 154.

“Het verwondert mij niet,” zeide Cyrus Smith tot zijn lotgenooten. “Zij hebben bij hun ontschepen aan Wrakpunt ongeveer denzelfden weg gevolgd, dien wij nu gehouden hebben. Dit verklaart ook de voetstappen, welke wij in het bosch hebben bespeurd. Maar op de kust gekomen begrepen zij weldra, dat er geen goede schuilplaats te vinden was, toen zijn zij noordelijk gegaan en hebben de kraal ontdekt....”

“Waar zij nu misschien zijn teruggekeerd....” zeide Pencroff.

“Ik geloof het niet,” antwoordde de ingenieur, “want zij kunnen toch licht begrijpen, dat wij ons onderzoek ook derwaarts zullen uitstrekken. De kraal is voor hen slechts een magazijn en geen vaste verblijfplaats.”

“Ik ben het met Cyrus eens,” zeide de reporter, “en de boeven zullen te midden van de rotsen bij den Franklinberg een schuilplaats gezocht hebben.”

“Dan regelrecht naar de kraal, mijnheer Cyrus!” riep Pencroff. “Wij moeten er een eind aan maken en wij hebben tot nog toe slechts tijd laten verloren gaan!”

“Neen, vriend,” antwoordde de ingenieur. “Gij vergeet dat wij er belang bij hadden te weten of er niet ergens een woning in het bosch van het Verre Westen verborgen was. Onze verkenning leidde tot een dubbel doel, Pencroff. Moesten wij van den eenen kant de misdaad straffen, van de andere zijde moesten wij onze dankbaarheid betoonen!”

“Dat is goed gesproken, mijnheer Cyrus,” antwoordde de zeeman. “Ik geloof echter, dat wij dien heer niet zullen vinden tenzij hij dit zelf verlangen mocht!”

Pencroff uitte slechts de gedachte, die allen daaromtrent hadden. Waarschijnlijk zou de woning van den onbekende even geheimzinnig zijn als hij zelf was.

Den 19den Februari volgden de kolonisten de rivier langs den linkeroever en bevonden zij zich op zes mijlen van den berg Franklin.

Het plan van den ingenieur was om de vallei waardoor de rivier liep nauwkeurig te onderzoeken en voorzichtig den omtrek van de kraal te bereiken; was de kraal bewoond, dan zou men haar overrompelen, bevond er zich niemand in, dan zou men er het hoofdkwartier van maken, vanwaar alle verkenningen zouden uitgaan.

Tegen vijf uur in den avond hield de stoet op ongeveer zes honderd pas van de kraal stil.

Men moest dus de kraal verkennen, om te weten of zij bewoond was. Ging men er op klaarlichten dag heen, dan zou men zich blootstellen aan een schot, zooals Harbert ontvangen had. Men zou dus wachten tot de nacht inviel.

Gideon Spilett wilde onmiddellijk op verkenning uitgaan en Pencroff zou hem gaarne vergezeld hebben.

“Neen, vrienden,” zeide de ingenieur. “Wacht tot van nacht. Ik wil niet, dat een van u zich op klaarlichten dag blootstelt.”

“Maar, mijnheer Cyrus....” begon de zeeman, die weinig genegen was om te gehoorzamen.

“Ik verzoek het u, Pencroff,” zeide de ingenieur.

“In vredes naam dan!” antwoordde de zeeman, die aan zijn toorn lucht gaf door zijn ganschen voorraad zeemansvloeken over de boeven uit te storten.

Tegen acht uur in den avond was het donker genoeg om de verkenning te beginnen. Gideon Spilett verklaarde zich bereid om met Pencroff te vertrekken. Cyrus Smith keurde het goed. Top en Jup zouden bij den ingenieur, Harbert en Nab blijven, want zij zouden hun meesters wellicht hebben verraden, door ter ongelegener tijd, te blaffen of te schreeuwen.

“Waag u niet onvoorzichtig,” beval Cyrus Smith den zeeman en den reporter aan. “Gij behoeft de kraal niet te vermeesteren, gij moet slechts ontdekken of zij bewoond is, ja dan neen.”

“Wij beloven het,” zeide Pencroff.

Beiden vertrokken.

Langzaam schreden de reporter en Pencroff voort; zij hielden stil bij elk geluid dat hun verdacht voorkwam en bleven op eenigen afstand van elkander, waardoor zij beter tegen kogels waren beveiligd. Elk oogenblik verwachtten zij een schot te zullen hooren.

Vijf minuten later hadden zij den zoom van het bosch bereikt.

Zij stonden stil. Op dertig passen bevond zich de deur van de kraal, die gesloten scheen. Tusschen die deur en den zoom van het bosch lag de gevaarlijke streek, want een kogel, van achter de omheining der kraal geschoten, moest ieder treffen, die zich in deze open vlakte van het bosch waagde.

De nacht was nog niet geheel ingevallen en in de schemering kon men alles nog vrij duidelijk onderscheiden.

Gideon Spilett en Pencroff waren de mannen niet om licht terug te deinzen, maar zij wisten dat een onvoorzichtigheid van hun kant, waarvan zij de eerste slachtoffers zouden zijn, ook hun metgezellen zou treffen. Wat zou er van Cyrus Smith, Nab en Harbert worden, als zij dood waren?

Toch wilde Pencroff, die weder driftig werd, toen hij zoo dicht bij de kraal kwam, waar hij dacht dat de roovers waren, voorwaarts snellen; de reporter hield hem echter met krachtige hand terug.

“Binnen weinige oogenblikken zal het geheel nacht zijn,” fluisterde hij hem in het oor.

Pencroff bedwong zich met weerzin, maar luisterde toch naar den raad van Gideon Spilett.

Eindelijk was het oogenblik gekomen.

De reporter had de kraal niet uit het oog verloren; zij scheen geheel verlaten. Indien de boeven er waren, zouden zij toch een van hen op wacht gezet hebben, om te voorkomen dat zij overvallen werden.

Gideon Spilett drukte de hand van zijn metgezel en beiden slopen naar de kraal, terwijl zij hun geweren gereed hielden.

Zij kwamen bij de deur zonder dat de duisternis door een lichtstraal verhelderd werd.

Pencroff trachtte haar te openen, daar hij evenals de reporter vermoed had, dat zij gesloten was. De zeeman zag echter dat van buiten de grendels er niet voor waren geschoven.

Daaruit kon men dus opmaken dat de boeven de kraal bewoonden, en dat zij de deur zoo gesloten hadden, dat men haar niet kon open breken.

Gideon Spilett en Pencroff luisterden.

Geen geluid kwam er van binnen. De schapen en geiten, die waarschijnlijk in hun stallen sliepen, stoorden de kalmte van den nacht niet.

Toen de reporter en de zeeman niets hoorden, vroegen zij zich zelven af of zij niet over de omheining zouden klimmen en op die wijze in de kraal dringen. Dit was tegen het bevel van Cyrus Smith.

De poging kon slagen, maar zij kon ook mislukken. Waren de boeven op niets bedacht, waren zij niet met de expeditie tegen hen bekend, in een woord, was er op dit oogenblik een kans om hen te overvallen, mocht men dan die kans verloren laten gaan, door onbedacht over de heining te klimmen?

De reporter achtte het beter te wachten, om de kraal binnen te dringen tot alle kolonisten vereenigd waren. Zeker was het dat men zonder gezien te worden bij de deur kon komen en dat de omheining niet bewaakt scheen. Voor het oogenblik moest men dus slechts trachten spoedig de andere kolonisten weder te bereiken en met hen te beraadslagen.

De ingenieur was weldra van alles op de hoogte gebracht.

“Welnu,” zeide hij na een oogenblik te hebben nagedacht, “ik geloof nu dat de boeven niet in de kraal zijn.”

“Wij zouden het zeker weten,” antwoordde Pencroff, “wanneer wij over de omheining waren geklommen.”

“Naar de kraal, vrienden!” zeide Cyrus Smith.

“Zullen wij den wagen achterlaten?” vroeg Nab.

“Neen,” antwoordde de ingenieur, “daarin zijn onze munitie en de levensmiddelen; zoo noodig zal zij ons tot verschansing dienen.

“Voorwaarts dan!” zeide Gideon Spilett.

Alles was nog even stil. De kolonisten waren gereed vuur te geven. Op bevel van Pencroff bleef Jup achter. Nab hield Top vast opdat hij niet vooruit zou snellen.

Weldra waren zij bij de kraal. Er was geen schot gevallen. De onagga’s hielden met Nab voor de omheining stil. De ingenieur, de reporter, Harbert en Pencroff gingen naar de deur, om te zien of zij van binnen gebarricadeerd was....

Zij stond half open!

“Maar wat hebt gij dan gezegd?” vroeg de ingenieur aan den zeeman en Gideon Spilett.

“Binnen weinige oogenblikken zal het geheel nacht zijn.” Blz. 159.
“Binnen weinige oogenblikken zal het geheel nacht zijn.” Blz. 159.

“Binnen weinige oogenblikken zal het geheel nacht zijn.” Blz. 159.

Beiden waren verstomd.

“Op mijn woord,” zeide Pencroff, “die deur was zoo even gesloten!”

Toen aarzelden de kolonisten. Waren de boeven dan in de kraal toen Pencroff en Spilett hun verkenning deden? Men kon er niet aan twijfelen, omdat de deur, welke toen gesloten was, slechts door hen kon geopend zijn! Waren zij er nog, of was er een van hen uitgegaan?

Deze vragen rezen allen tegelijk bij de kolonisten op, maar hoe ze te beantwoorden.

Op dat oogenblik kwam Harbert terug, die zich een paar schreden in de omheining had gewaagd en vatte verschrikt de hand van Cyrus Smith.

“Wat is er?” vroeg de ingenieur.

“Een licht!”

“In het huis?”

“Ja!”

Alle vijf drongen zij naar voren, en inderdaad zagen zij door het venster een zwak licht.

Cyrus Smith nam spoedig een besluit.

“Het is een goede kans,” zeide hij tot zijn metgezellen, “de boeven zijn in dit huis gesloten en op niets bedacht! Zij zijn ons! Voorwaarts!”

De kolonisten slopen vervolgens binnen de omheining met hun geweren gereed om vuur te geven. De wagen was buiten gelaten onder hoede van Jup en Top, die er voorzichtigheidshalve aan vastgebonden waren.

De kraal was overigens donker en verlaten.

Binnen weinige oogenblikken waren allen bij het huis, voor de deur, die gesloten was.

Cyrus Smith gaf met zijn hand een teeken, dat niemand zich zou bewegen, en hij naderde het venster, dat van binnen zwak verlicht was.

Hij wierp een blik in de kamer.

Op tafel stond een lantaarn te branden. Bij die tafel was het bed dat voor Ayrton gediend had.

Op dat bed lag een man.

Plotseling deinsde Cyrus Smith ter zijde en riep met gesmoorde stem:

“Ayrton!”

Aanstonds werd de deur opengedrongen en allen wierpen zich in het vertrek.

Ayrton scheen te slapen. Zijn uiterlijk bewees dat hij lang en veel geleden had. Hij had diepe wonden aan handen en voeten.

Cyrus Smith boog zich over hem.

“Ayrton!” riep de ingenieur, terwijl hij den arm vatte van hem, dien hij zoo onverwacht terugvond.

Ayrton opende zijn oogen, en zag Cyrus Smith en de anderen aan:

“Zijt gij het!” riep hij uit. “Gij?”

“Ayrton! Ayrton!” herhaalde Cyrus Smith.

“Waar ben ik?”

“In de kraal!”

“Alleen?”

“Maar zij zullen komen!” riep Ayrton. Blz. 163.
“Maar zij zullen komen!” riep Ayrton. Blz. 163.

“Maar zij zullen komen!” riep Ayrton. Blz. 163.

“Ja.”

“Maar zij zullen komen!” riep Ayrton uit. “Verdedig u! Verdedig u!”

En hij zonk uitgeput achterover.

“Spilett,” zeide de ingenieur, “wij kunnen elk oogenblik aangevallen worden. Laat den wagen binnen de kraal komen. Versper de deur en komt allen hier.”

Pencroff, Nab en de reporter brachten de bevelen van den ingenieur zoo snel mogelijk ten uitvoer. Men mocht geen minuut verloren laten gaan. Misschien was de wagen reeds in handen der boeven.

In een oogwenk waren zij bij Jup en Top, die een dof gebrom liet hooren.

De ingenieur verliet Ayrton en ging buiten het huis, gereed om vuur te geven. Harbert volgde hem.

Op dat oogenblik verscheen de maan boven het bosch en verspreidde haar wit licht over de kraal.

Weldra kwam een zwarte massa nader bij. Het was de wagen met de onagga’s en Cyrus Smith hoorde de deur goed sluiten.

Maar Top rukte zich op hetzelfde oogenblik los, snelde naar de kraal en blafte woedend.

“Geeft acht, vrienden, houdt u gereed....” riep Cyrus Smith.

De kolonisten verbeidden het oogenblik om vuur te geven. Top blafte nog steeds, en Jup, welke naar den hond geloopen was, liet een scherp sissend geluid hooren.

De kolonisten volgden hen en kwamen bij den oever van de beek door zware boomen beschaduwd.

En wat zagen zij daar in het volle maanlicht?

Vijf lijken op den grond uitgestrekt!

Het waren die der boeven, die vier maanden geleden op het eiland Lincoln ontscheept waren!

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings