XIX.
Reading edition
Harbert in het Rotshuis.—Nab verhaalt wat er heeft plaats gehad.—Bezoek van Cyrus Smith aan de vlakte.—Verwoesting.—De kolonisten weerloos tegen de ziekte.—De schors van den wilg.—Een doodelijke koorts.—Top blaft weder.
Noch aan de boeven, noch aan het gevaar dat het Rotshuis dreigde, noch aan de verwoesting van de bergvlakte, werd meer gedacht. De toestand van Harbert eischte op dat oogenblik ieders aandacht. Zou het vervoeren noodlottig voor hem geweest zijn en zijn wonden zich weder geopend hebben? De reporter kon het nog niet zeggen, maar hij en zijn lotgenooten waren wanhopend.
Harbert werd zoo voorzichtig mogelijk binnen het Rotshuis gebracht. Door de goede zorgen kwam hij weldra weder bij. Hij glimlachte even, toen hij zag, dat hij weer in zijn eigen kamer lag, maar was zoo verzwakt, dat hij nauwelijks een woord kon uiten.
Gideon Spilett onderzocht zijn wonden. Zij waren niet weder opengegaan, zooals hij gevreesd had, daar zij nog niet voldoende geheeld waren. Vanwaar dan die instorting? Waardoor was Harbert verergerd?
De reporter en Pencroff bleven bij het bed, terwijl de knaap koortsachtig insliep.
Cyrus Smith vertelde intusschen aan Nab, wat er in de kraal was voorgevallen en Nab verhaalde zijn meester wederkeerig hetgeen op de bergvlakte gebeurd was.
Eerst den vorigen nacht hadden de boeven zich aan den zoom van het bosch vertoond. Nab, die bij het gevogelte waakte, had niet geaarzeld op een van die zeeroovers, die de beek wilde oversteken, vuur te geven; maar in dien stikdonkeren nacht, had hij niet geweten of de ellendeling getroffen was. Het was in ieder geval niet voldoende geweest om de bende af te weren en Nab had nog maar juist den tijd gehad om naar het Rotshuis terug te keeren, waar hij zich ten minste in veiligheid bevond.
Maar wat te doen? Hoe de verwoesting te beletten, waarmede de boeven de bergvlakte bedreigden? Had Nab een middel om zijn meester te waarschuwen? En in welken toestand bevonden zich de bewoners van de kraal op dat oogenblik?
De ingenieur was op 11 November vertrokken en nu was het den 29sten. Negentien dagen lang had Nab dus geen ander bericht gehad, dan dat hetwelk hem door Top gebracht was. Ayrton verdwenen, Harbert ernstig gewond, de ingenieur, de reporter en de zeeman, als het ware in de kraal gevangen!
Nab was radeloos en wist niet wat te doen, toen hij eindelijk op de gedachte kwam Jup te gebruiken, en deze een bericht toe te vertrouwen.
Jup begreep het woord “kraal” en kende den weg. Het was nog geen dag. De vlugge aap zou wel onopgemerkt door het bosch komen en de boeven zouden in ieder geval meenen dat hij daar in thuis hoorde.
Nab aarzelde niet. Hij schreef het briefje en bond het aan den hals van Jup, bracht den aap buiten het Rotshuis en herhaalde een paar maal de woorden:
“Jup! Jup! kraal! kraal!”
Het dier begreep het, liet zich langs het koord afglijden en verdween binnen weinige oogenblikken in de duisternis, zonder dat het de aandacht der boeven getrokken had.
“Gij hebt goed gehandeld, Nab,” zeide Cyrus Smith, “maar gij hadt misschien nog beter gedaan met ons niet te waarschuwen.”
Cyrus Smith dacht bij deze woorden aan Harbert, wiens toestand zeer verergerd scheen door het vervoeren.
Nab vertelde vervolgens, dat de boeven zich niet weer vertoond hadden. Daar zij het aantal bewoners van het eiland niet kenden, dachten zij misschien dat het Rotshuis door een aanzienlijken troep verdedigd werd. De bergvlakte lag echter buiten de geweerschoten van het Rotshuis en daarop konden zij zich derhalve wagen. Daar richtten zij de vreeselijke verwoesting aan, die Pencroff schier tot wanhoop had gebracht en verlieten de bergvlakte slechts een half uur vóor de komst der kolonisten, welke zij nog in de kraal gevangen waanden.
Nab had zijn schuilplaats verlaten. Hij was naar de bergvlakte gegaan, op gevaar af door een kogel getroffen te worden, om te trachten den brand te blusschen; hij had, maar tevergeefs, tegen de vlammen gestreden, tot op het oogenblik, dat zijn metgezellen zich aan den zoom van het bosch vertoonden.
De tegenwoordigheid der boeven was een bestendige bedreiging voor de kolonisten van het eiland Lincoln, die tot nog toe zoo gelukkig geleefd hadden, maar nog op grooter rampen bedacht moesten zijn!
Gideon Spilett bleef in het Rotshuis bij Harbert en Pencroff, terwijl Cyrus Smith, vergezeld van Nab, zelf wilde gaan zien welken omvang de verwoesting had.
De beide mannen volgden de Mercy, maar zagen niets dat hun verdacht voorkwam.
Mogelijk wisten de boeven, dat de kolonisten weder in het Rotshuis waren, daar zij hen wellicht hadden zien aankomen van de kraal; of wel, zij waren na de verwoesting van de bergvlakte in het bosch gevlucht en hadden niets van de terugkomst bemerkt.
In het eerste geval zouden de roovers naar de kraal gaan, die nu onverdedigd was en die zulk een kostbare prooi voor hen bevatte.
In het tweede geval zouden zij waarschijnlijk naar hun kampplaats terugkeeren en een goede gelegenheid afwachten om nogmaals den aanval te wagen.

Harbert werd zoo voorzichtig mogelijk binnen het Rotshuis gebracht. Blz. 147.
Het beste ware hen te voorkomen; maar elke onderneming om het eiland van die schurken te bevrijden, hing geheel af van den toestand van Harbert. Cyrus Smith had inderdaad al zijn krachten wel noodig, en niemand mocht op dit oogenblik het Rotshuis verlaten.
De ingenieur en Nab kwamen op de bergvlakte. De velden waren platgetrapt en de oogst was verwoest. Gelukkig bezat men zaad genoeg om deze schade te herstellen.
De molen, de stal en andere gebouwen waren allen door de vlammen verteerd. Enkele dieren, die gevlucht waren, dwaalden nog over de bergvlakte. De vogels, die gedurende den brand naar het meer de wijk hadden genomen, keerden reeds weder naar hun woning terug. Alles zou daar opnieuw gebouwd moeten worden.
Cyrus Smith zag bleeker dan gewoonlijk; inwendig ziedde zijn toorn, die hij met moeite bedwong, maar hij sprak geen woord. Hij wierp een laatsten blik op zijn verwoeste velden, op de rookwolken, die nog uit de bouwvallen opstegen en keerde toen naar het Rotshuis terug.
De volgende dagen waren treuriger dan de kolonisten nog op het eiland beleefd hadden. De toestand van Harbert werd slimmer, hij begon reeds te ijlen en men had geen andere geneesmiddelen dan verfrisschende dranken. De koorts was nog niet hevig, maar zij keerde weldra op bepaalde tijden terug.
Den 6den December zeide Gideon Spilett tot Cyrus Smith:
“Men moet haar tegengaan, wij moeten iets hebben dat de koorts doet afnemen, maar wij bezitten geen kina.”
“Neen,” hernam Gideon Spilett, “maar aan den oever van het meer staan wilgen, en de bast van den wilgeboom kan somtijds de kina vervangen.”
“Laten wij dit onmiddellijk beproeven!” antwoordde de ingenieur.
Cyrus Smith ging zelf de schors halen; hij stampte haar vervolgens fijn en nog denzelfden avond gaf men Harbert het poeder in.
Dien nacht en den volgenden dag bleef de koorts weg. Pencroff kreeg weder eenige hoop. Gideon Spilett echter zeide niets.
Er vertoonden zich andere verschijnselen, die de reporter ten hoogste verontrustten. Het verstand van Harbert werd meer en meer beneveld en hij begon erger te ijlen.
Gideon Spilett riep den ingenieur ter zijde.
“Het is een zenuwkoorts!”
“Een zenuwkoorts!” riep Cyrus Smith uit. “Gij vergist u, Spilett. Een zenuwkoorts komt niet plotseling op....”
“Ik vergis mij niet,” antwoordde de reporter. “Harbert heeft de kiem er van reeds in het bosch gekregen. Hij heeft toen den eersten aanval er van gehad. Komt er een tweede en voorkomen wij een derde niet.... dan is hij verloren!....”
“Maar de schors van den wilgeboom.”
“Die is niet krachtig genoeg,” antwoordde de reporter, “en voorkomt men hem niet, dan is een derde aanval van die koorts altijd doodelijk!”
Pencroff had dit gesprek gelukkig niet gehoord. Hij zou krankzinnig zijn geworden.
Men begrijpt in welke onrust de ingenieur en de reporter den 7den December en den volgenden nacht doorbrachten.
Midden op den dag herhaalde zich de aanval. De crisis was vreeselijk. Harbert voelde dat hij verloren was! Hij strekte zijn armen uit naar Cyrus Smith, naar Spilett, naar Pencroff!.... Hij wilde niet sterven!.... Het was een hartverscheurend schouwspel! Men moest Pencroff verwijderen.
Deze aanval duurde vijf uur. Harbert zou blijkbaar een derden niet kunnen doorstaan. Hij ijlde den ganschen nacht.... verviel dan weder in een toestand van verdooving, zoodat Gideon Spilett verscheiden malen dacht dat hij bezweken was; hij zeide tot Cyrus Smith:
“Als wij hem vóor morgen niet een krachtiger tegenmiddel geven, dan is Harbert dood!”
De nacht brak aan,—waarschijnlijk de laatste nacht van dat moedige, verstandige, goede kind, van wien allen evenveel hielden! Het eenige geneesmiddel tegen die vreeselijke koorts, het eenige kruid, waardoor men haar tegen kon gaan, was op het eiland Lincoln niet te vinden. Den nacht van 8 op 9 December bracht hij ijlende door. Zijn brein was geheel beneveld, zijn hersens waren aangetast, hij kon reeds niemand meer herkennen.
Zou hij in het leven blijven tot den volgenden dag, tot dien derden aanval, die hem in ieder geval zou dooden? het was niet waarschijnlijk. Zijn krachten waren uitgeput, en wanneer hij zonder koorts was, lag hij, als het ware, bewusteloos.
Tegen drie uur in den morgen uitte Harbert een schellen kreet. Hij scheen aan een vreeselijk zenuwtoeval ten prooi. Nab, die bij hem waakte, snelde verschrikt naar de aangrenzende kamer, om zijn metgezellen te wekken.
Op dat oogenblik blafte Top op zonderlinge wijze....
Allen gingen onmiddellijk naar binnen en hielden den stervenden knaap vast, die uit zijn bed wilde springen. Gideon Spilett vatte zijn arm en voelde dat zijn pols zich langzamerhand herstelde....
Het was vijf uur in den morgen. De eerste stralen der opkomende zon drongen door de vensters van het Rotshuis. Het zou een prachtige dag worden.... de laatste levensdag van den armen Harbert!....
Er viel een zonnestraal op de tafel naast het bed.
Pencroff uitte een kreet en wees op iets dat op die tafel stond....
Het was een langwerpig doosje, op welks deksel stond:
Sulphas quinine.