V.
Reading edition
De terugkomst.—Onderling overleg.—Cyrus Smith en de onbekende.—De ballonhaven.—Tranen.—De derde oogst.—Een windmolen.—Het eerste meel en het eerste brood.—Opoffering van den ingenieur.—Een treffende ontdekking.
Den volgenden dag—20 October—tegen zeven uur in den morgen liep de Bonadventure, na een reis van vier dagen, den mond van de Mercy binnen.
Cyrus Smith en Nab waren reeds vroeg in den morgen naar de bergvlakte gegaan, daar zij zeer ongerust waren over het ongunstige weer en het lang uitblijven van hunne makkers; eindelijk hadden zij het vaartuig in het gezicht gekregen waarnaar zij zoo lang hadden uitgezien!
“God zij gedankt! Daar zijn zij!” riep Cyrus Smith uit.
Nab sprong, draaide op zijn hielen rond en klapte in zijn handen van plezier onder het roepen van: “O! mijn meester!” deze pantomime was welsprekender dan het mooiste betoog!
De eerste gedachte van den ingenieur, toen hij de personen telde die hij op het dek van de Bonadventure bespeurde, was dat Pencroff den schipbreukeling van het eiland Tabor niet had kunnen vinden of dat deze ongelukkige geweigerd had zijn eiland te verlaten en en zijn gevangenis met een andere te verwisselen.
Pencroff, Gideon Spilett en Harbert stonden inderdaad alleen op het dek van de Bonadventure.
De ingenieur en Nab wachtten aan de kust toen het vaartuig landde en nog voordat de passagiers voet aan wal hadden, zeide Cyrus Smith:
“Wat zijn wij ongerust over uw lang uitblijven geweest, vrienden! Is u een ongeluk overkomen?”
“Neen,” antwoordde Gideon Spilett, “alles is integendeel goed afgeloopen. Wij zullen u alles vertellen.”
“Gij zijt echter niet geslaagd in uwe nasporingen, daar er slechts, evenals bij het uitzeilen, drie man aan boord zijn?”
“Neem mij niet kwalijk, mijnheer Cyrus, wij zijn met ons vieren!” antwoordde de zeeman.
“Gij hebt den schipbreukeling dus gevonden?”
“Ja.”
“En gij hebt hem meegebracht?”
“Ja.”
“Levend?”
“Ja.”
“Waar is hij? Wie is hij?”
“Het is, of liever het was een man!” antwoordde de reporter. “Dit is alles wat wij u kunnen zeggen, Cyrus!”
De ingenieur werd spoedig op de hoogte gebracht van alles wat er gedurende de reis was voorgevallen. Men vertelde hem onder welke omstandigheden de nasporingen hadden plaats gehad, hoe de eenige woning van het eiland sedert lang verlaten was, hoe men eindelijk een schipbreukeling had gevonden, die niet meer tot het menschelijk geslacht scheen te behooren.”
“En ik weet zelfs niet,” voegde Pencroff er bij, “of wij goed gehandeld hebben met hem hierheen te voeren.
“Zeer zeker hebt gij goed gehandeld, Pencroff,” antwoordde de ingenieur levendig.
“Maar deze ongelukkige is van zijn verstand beroofd.”
“Dat is wel mogelijk,” antwoordde Cyrus Smith, “maar nauwelijks eenige maanden geleden was hij een mensch, zooals gij en ik. En wie weet wat er van de laatstoverlevende van ons zal worden, na een lange afzondering op dit eiland? Wee hem! die alleen is, vrienden. Gelooft vrij, dat de eenzaamheid spoedig het verstand uitdooft. Dit blijkt weder uit den ongelukkige, dien gij in zulk een toestand gevonden hebt!”
“Maar, mijnheer Cyrus,” vroeg Harbert, “waarom gelooft gij dat de verdierlijking van dit rampzalige wezen slechts van eenige maanden is?”
“Omdat het bericht, dat wij gevonden hebben, eerst kort geleden geschreven was,” antwoordde de ingenieur, “en dat alleen de schipbreukeling dit stuk heeft kunnen schrijven.”
“Wanneer het ten minste niet opgesteld is door een lotgenoot van dien man, welke na dien tijd gestorven is,” merkte Gideon Spilett op.
“Dat is niet mogelijk, mijn waarde Spilett.”
“Waarom?” vroeg de reporter.
“Omdat het stuk van twee schipbreukelingen gesproken zou hebben,” hernam Cyrus Smith, “en er wordt slechts van éen melding gemaakt.”
Harbert verhaalde in weinige woorden wat er gedurende den tocht was voorgevallen.
De schipbreukeling van het eiland Tabor werd vervolgens uit de hut van de Bonadventure gehaald en toen hij aan wal stond, toonde hij groote neiging om te ontvluchten.
Cyrus Smith naderde hem en legde de hand op zijn schouder, met een gebaar van gezag, terwijl hij hem vriendelijk in de oogen blikte. De ongelukkige werd, onder den indruk dier plotselinge overmacht, langzamerhand kalmer; hij sloeg de oogen neder, boog het hoofd en verzette zich niet meer.
“Arme verlatene!” mompelde de ingenieur.
Er werd besloten, dat de onbekende—want met dezen naam duidden zijn lotgenooten hem voortaan aan—een van de kamers van het Rotshuis krijgen zou, waaruit hij niet kon ontsnappen. Hij liet er zich zonder tegenstand heen brengen en wanneer men hem met groote zorg behandelde, misschien zou men dan eenmaal een kolonist meer mogen tellen op het eiland Lincoln.
Onder een flink ontbijt, dat Nab spoedig gereed had gemaakt,—de reporter, Harbert en Pencroff waren uitgehongerd,—liet Cyrus Smith zich de reis naar het eiland tot in de kleinste bijzonderheden vertellen. Hij was het met zijn vrienden op dat punt eens, dat de onbekende een Engelschman of een Amerikaan moest zijn, want de naam Britannia gaf alle reden dit te vermoeden en onder dien verwaarloosden baard en dat verwarde haar meende de ingenieur overigens het Anglo-Saxische type te herkennen.
“Maar gij hebt ons nog niet verteld, Harbert,” zeide Gideon Spilett, “op welke manier gij dezen wilde ontmoet hebt en wij weten niet anders, dan dat hij u geworgd zou hebben, wanneer wij niet bij tijds waren gekomen om je te verlossen!”
“Dat is zoo,” antwoordde Harbert, “maar ik weet waarlijk zelf niet goed meer hoe alles is toegegaan. Ik was, geloof ik, bezig planten te verzamelen toen ik geluid hoorde als van een sneeuwklomp die uit een zeer hoogen boom viel.... Die ongelukkige, die waarschijnlijk in een boom verscholen zat, had zich op mij geworpen, binnen korter tijd dan ik noodig heb het te vertellen en zonder mijnheer Spilett en Pencroff....”
“Jongenlief!” zeide Cyrus Smith, “gij hebt daar inderdaad een groot gevaar geloopen, maar zonder dat zou dit arme wezen misschien nooit door u gevonden zijn en zouden wij niet een metgezel meer kunnen tellen.”

Cyrus Smith legde de hand op zijn schouder. Bladz. 44.
“Gij hoopt dus, Cyrus, er in te slagen weer een mensch van hem te maken?” vroeg de reporter.
“Ja,” antwoordde de ingenieur.
De geheele lading van de Bonadventure werd aan wal gebracht. De vaatjes kruit en lood waren zeer welkom. Men besloot zelfs een klein kruitmagazijn aan te leggen, hetzij buiten het Rotshuis hetzij in een van de kelders waar geen ontploffing te vreezen was.
Toen alles ontladen was zeide Pencroff:
“Mijnheer Cyrus, ik geloof dat het voorzichtig zou zijn onze Bonadventure op een veilige plaats te brengen.”
“Is zij dan niet goed in den mond van de Mercy?” vroeg Cyrus Smith.
“Neen, mijnheer Cyrus,” antwoordde de zeeman. “Zij wordt bijna onophoudelijk op het zand heen en weer geworpen, en dat schaadt haar te veel. Het is een goed schip, ziet u, dat zich uitmuntend gehouden heeft in den storm, waartegen wij op onze terugkomst hevig te kampen hebben gehad.”
“Zou men haar niet in de rivier kunnen laten liggen?”
“Zeker zou dat kunnen, mijnheer Cyrus, maar die mond levert in het minst geen schuilplaats, en bij oostenwind zou de Bonadventure veel van de golven te lijden hebben.”
“Maar waar wilt gij haar dan brengen, Pencroff?”
“Naar de Ballonhaven,” antwoordde hij. “Die kleine kreek, rondom door rotsen besloten, komt mij voor juist de haven te zijn, die wij noodig hebben.”
“Is zij niet wat te ver af?”
“Kom, niet meer dan drie mijlen van het Rotshuis, en wij hebben een rechten weg om er haar naar toe te voeren!”
“Het is goed, Pencroff, breng uw Bonadventure er heen,” antwoordde de ingenieur, “en toch had ik haar liever meer in onze nabijheid om haar in het oog te houden. Wanneer wij tijd hebben moesten wij er een kleine haven voor trachten te maken.
“Lieve Hemel!” riep Pencroff uit. “Een haven met een baak, een hoofd en een dok! Met u wordt alles gemakkelijk!”
Harbert en de zeeman scheepten zich opnieuw in, het anker van de Bonadventure werd gelicht, de zeilen geheschen en een goede bries bracht hen binnen twee uur in de Ballonhaven.
De schipbreukeling toonde zich in het begin onwillig en soms vreesde men, dat hij door een van de vensters van het Rotshuis naar het strand zou vluchten. Maar hij werd langzamerhand bedaarder en men kon hem meer vrijheid laten.
Men kreeg reeds meer en meer hoop. Hij legde zelfs zijn instinct van vleeschetend dier af en nam ook minder het dierlijk voedsel aan, dat hij op het eiland gebruikte; hij had niet zulk een afkeer meer van gebraden vleesch dan hij aan boord van de Bonadventure getoond had.
Cyrus Smith had gebruik gemaakt van des vreemdelings slaap om hem zijn haren en zijn ordeloozen baard af te snijden, die als manen om zijn hoofd hingen. Hij had hem ook beter gekleed, nadat hij hem de lompen, waarmede hij bedekt was, had afgenomen. Het gevolg van die zorgen was, dat de onbekende er menschelijker uitzag, en het scheen zelfs, dat zijn blik zachter werd. Het was zeker, dat het gelaat van dien man schoon moest zijn geweest toen het nog door verstand verhelderd werd.
Cyrus Smith bracht iederen dag eenige uren in zijn gezelschap door. Hij kwam bij hem werken en deed allerlei dingen om zijn aandacht te trekken. Een vonk, een herinnering kon inderdaad voldoende zijn om deze ziel te doen herleven, om het verstand weder op te wekken!
De ingenieur sprak ook dikwijls zeer luid om ter zelfder tijd door de organen van het gehoor en van het gezicht dat verdoofde verstand te treffen. Nu en dan voegde er een van zijn metgezellen, soms ook allen zich bij hem. Zij spraken dan meestal over de zee en de zeevaart, die in de eerste plaats de aandacht van een zeeman moesten trekken. Soms luisterde de onbekende vaag naar hetgeen er gesproken werd en de kolonisten kwamen weldra tot de overtuiging, dat hij hen gedeeltelijk begreep. Enkele keeren was de uitdrukking van zijn gelaat zeer somber en kon men zien, dat hij innerlijk leed; maar hij sprak niet, hoewel men verscheiden malen meende te bespeuren, dat er woorden over zijn lippen zouden komen.
De kolonisten volgden met ware belangstelling elke vordering van Cyrus Smith op dezen ongelukkige. Ook hielpen zij hem in dit menschlievend werk en allen, behalve misschien de ongeloovige Pencroff, deelden weldra zijn hoop en geloof.
De onbekende was zeer kalm en had voor den ingenieur, onder wiens invloed hij zichtbaar stond, een soort van gehechtheid. Cyrus Smith wilde hem op de proef stellen door hem in een andere omgeving te brengen, bij dien Oceaan, waarop hij vroeger altijd had gestaard en aan den zoom van de bosschen, die hem moesten herinneren aan die, waarin hij zooveel jaren zijn leven had doorgebracht!
“Maar,” zeide Gideon Spilett, “mogen wij hopen dat hij niet ontvluchten zal, zoodra hij vrij is?”
“Dat moeten wij afwachten,” antwoordde de ingenieur.
“Goed!” zeide Pencroff. “Wanneer die snuiter zich vrij gevoelt en die groote ruimte voor zich ziet, dan zal hij zoo hard mogelijk wegloopen!”
“Ik geloof het niet,” antwoordde Cyrus Smith.
“Laten wij het beproeven.”
“Wij zullen het beproeven.”
Dit gesprek werd gehouden op den 30sten October en bij gevolg negen dagen nadat de schipbreukeling van het eiland Tabor in het Rotshuis gevangen was. Het was warm en de zon scheen helder op het eiland.
Cyrus Smith en Pencroff gingen naar de kamer van den onbekende, dien zij naast zijn venster vonden liggen, terwijl hij naar de lucht keek.
“Ga mede, mijn vriend,” zeide de ingenieur tot hem.
De onbekende stond oogenblikkelijk op. Zijn blik richtte zich op Cyrus Smith en hij volgde hem, terwijl de zeeman achter hem liep, die weinig vertrouwen stelde in den uitslag van deze proef.
Weldra was men aan de kust, waar Nab, Harbert en Gideon Spilett wachtten.
De kolonisten verwijderden zich een weinig van den onbekende om hem eenige vrijheid te laten.
Hij deed eenige stappen naar de zee en zijn blik schitterde met buitengewonen glans, maar hij trachtte volstrekt niet te ontsnappen. Hij sloeg de kleine golfjes gade die op het land wegstierven.
“Dit is nog slechts de zee,” merkte Gideon Spilett op, “en het schijnt dat deze hem niet op de gedachte brengt om te vluchten.”
“Ja,” antwoordde Cyrus Smith, “wij moeten hem naar de bergvlakte, bij den zoom van het bosch brengen. Daar zullen wij duidelijker bewijzen krijgen.”
“Hij kan ook niet ontsnappen,” merkte Nab op, “want al de bruggen zijn opgehaald.”
“Nu,” zeide Pencroff, “hij is er wel de man naar, om zich aan een beek, zoo als de Glycerine-rivier is, te storen! In een sprong was hij er over!”
“Wij zullen zien,” antwoordde Cyrus Smith slechts, wiens blik den krankzinnige niet verlaten had.
Deze werd vervolgens naar den mond van de Mercy gebracht en allen bereikten langs den linkeroever van de rivier de bergvlakte.
Op de plek gekomen, waar de eerste prachtige boomen van het bosch groeiden, wier bladeren zachtkens, door den wind bewogen werden, scheen de onbekende den doordringenden geur, waarmede de dampkring vervuld was, met genot in te ademen en een diepe zucht ontsnapte aan zijn borst!
De kolonisten bleven een weinig achter, gereed om hem te vatten, indien hij een beweging maakte om te ontvluchten!
Het arme wezen was inderdaad op het punt om zich in de rivier te werpen, die hem van het bosch scheidde, en hij boog de knieën als stond hij gereed een sprong te nemen. Maar bijna terzelfder tijd bedwong hij zich, zonk ineen en groote tranen biggelden langs zijn wangen.

Den 1sten December was men met den molen gereed. Blz. 55.
“O!” riep Cyrus Smith uit, “gij zijt weder mensch geworden, daar gij tranen hebt gestort!”