HET GESPREK.
Reading edition
In onze samenleving speelt het gesprek, de manier van spreken, een groote rol en converseeren is nog een aparte gave, die voor 't grootste gedeelte aangeboren is, doch ook aangekweekt en geoefend kan worden. Over het algemeen wordt er bij kinderen te weinig op gelet, hoe zij spreken en juist in den schooltijd, wanneer zij vaak leelijke woorden en slechte uitdrukkingen overnemen, wennen zij zich voor hun heele verder leven een minder mooie spreekwijze aan. Thuis moet er acht op geslagen worden, of het kind van minder beschaafde kameraden niet met een leelijken, platten tongval of onbeschaafd dialect leert praten en thuis moet hem ingeprent worden, steeds beleefd en met twee woorden „Ja, Mijnheer,” „Neen, Mevrouw” te antwoorden.
Hoe weinig menschen kunnen kort en aardig een voorval beschrijven, den inhoud van een boek of comediestuk duidelijk en boeiend weergeven of iets, wat zij zelf beleefd hebben, aanschouwelijk voorstellen! Meestal ligt dit hieraan, dat de meesten over een betrekkelijk kleine woordenkeus beschikken en dus voortdurend dezelfde woorden en uitdrukkingen moeten gebruiken, wat den toehoorder spoedig verveelt. Ook werkt het eentonig wanneer iedere zin met „En toen” begint, wat een dikwijls voorkomende gewoonte is.
Hoe mooi klinkt onze Hollandsche taal van de lippen van een begaafden redenaar of predikant en hoe verbaasd zijn wij dan over den rijkdom onzer taal, waarvan men in het dagelijksch leven zoo bitter weinig merkt!
Men moet vermijden, steeds hetzelfde woord, b. v. leuk, éénig, dol, enz. te gebruiken; voor kleine kinderen staat het aardig, het hoort nu eenmaal bij schoolmeisjes en is dan wel geoorloofd, maar volwassen personen moeten het zich afwennen. Men kan er zich heel goed aan gewennen om de bij het woord en de gelegenheid passende bijvoegelijke naamwoorden te gebruiken en door het lezen van in mooien stijl geschreven boeken en gedichten neemt men onwillekeurig iets uit dien woordenrijkdom over.
De hoofdzaak is verder, dat wij leeren onze gedachten juist en duidelijk uit te drukken. Vele menschen verontschuldigen zich dan door te zeggen: „ik voel het wel, maar ik kan mij niet uitdrukken”. Ook hierin moet men zich oefenen, om zijne toehoorders en degenen met wie men een gesprek voert te onderhouden. Lieden, wier gedachten vlugger werken dan hun tong, vallen over hunne woorden en laten die door hun haast vaak weg, terwijl anderen naar denkbeelden moeten zoeken, stotteren en hakkelen, of in een zin blijven steken en het overige door een welsprekend handgebaar aanvullen.
In den huiselijken kring en in het dagelijksch leven oefenen wij ons in het gesprek, om later daar buiten bij vrienden en kennissen, in gezelschappen, kortom in de wereld, te kunnen converseeren.
Evenals er menschen bestaan, die geene woorden kunnen vinden om hunne gedachten uit te drukken, zijn er ook nog zulke, die juist wel de woorden, vele mooiklinkende, holle woorden en hoogdravende uitdrukkingen bij de hand hebben, maar wien het aan gedachten ontbreekt en die de menschen probeeren te boeien door hun taal en hen zoo denken te overbluffen, dat zij niet eens het gebrek aan inhoud merken. En nu willen wij nog even een fout vermelden, waaraan vele lieden zich schuldig maken. Dit is het gebruik van vreemde woorden, waarvan men de oorspronkelijke beteekenis in de vreemde taal niet kent. Het wordt helaas maar al te vaak als een teeken van beschaving aangezien, om zooveel mogelijk Fransche woorden gedeeltelijk tot Hollandsch vervormd, te gebruiken, terwijl men die taal niet meester is. Dit is nu juist een groot gevaar en de goede lieden, die zoo rustig en trotsch verkeerde woorden gebruiken, vermoeden niet, welk een mal figuur zij slaan. Werkelijk, deze slechte gewoonte is geen teeken van ontwikkeling, beschaving of deftigheid. Onder de eerste standen onzer maatschappij, onder onzen adel en aristocratie heerscht de gewoonte, zich in mooi, zuiver Hollandsch uit te drukken en woorden uit vreemde talen zooveel mogelijk te vermijden, behalve natuurlijk die woorden, die langzamerhand verbasterd zijn en in onze woordenboeken zijn opgenomen.
Hoe vaak hoort men de menschen de woorden liggen en leggen, kennen en kunnen verwarren!
Liggen beschrijft een toestand van rust! hij ligt, lag, heeft gelegen (in bed).
Leggen is een beweging: ik leg, legde, heb gelegd (een boek op tafel). De kip legt een ei. Zij heeft groenten ingelegd.
Kennen is weten, kennis hebben van. Kent ge deze dame? Ik kende hem vroeger. Ik heb haar nooit gekend.
Kunnen is: in staat zijn tot. Kan uw kindje al praten? Ik kan niet komen. Hij zoude het niet gekund hebben.
Men moet bij het spreken vooral ruwheid vermijden, die zich uit door het gebruik van ruwe woorden, als „lollig” en „beroerd” en verder door vuistslagen op de tafel en te hard spreken. Vloeken is natuurlijk verboden en woorden als „verduiveld, bliksems,” enz. worden maar al te vaak gehoord, al klinken zij alles behalve beschaafd.
En nu komen wij tot het gesprek zelve en wel het eerst op het gesprek in een kleiner gezelschap. Hier is het de plicht der gastvrouw een levendig gesprek op te houden, de zwijgende, verlegen jongelieden er in te trekken en toch zelve niet te veel te spreken. Zijn er alleen dames, dan worden er wel onderwerpen van gesprek gevonden en helaas wordt er dan ook dikwijls veel kwaad gesproken, iets, waaraan beschaafde heeren zich niet zoo schuldig maken. Converseeren is de kunst te spreken, zonder eigenlijk iets belangrijks te zeggen. Daarom moet men nooit persoonlijk worden of in een algemeen gesprek intieme onderwerpen aanroeren. Natuurlijk hangt het geheel van het gezelschap af, waarin men zich bevindt.
Met ontwikkelde lieden, die men vroeger reeds ontmoette, onderhoudt men zich over politiek, boeken, comediestukken, muziek en wat dies meer zij.
Ieder is verplicht aan het algemeene gesprek deel te nemen en zoo nu en dan bescheiden zijne meening te zeggen. Iemand die niet gevat of geestig is en niet op iedere vraag een antwoord klaar heeft, zal zich in een kring van geestige, levendige menschen verlegen voelen en de rol van waardeerend toehoorder moeten spelen. Doet men dit dan met een vriendelijk gezicht en lacht men om de aardigheden der anderen, dan maakt men een beteren indruk dan wanneer men probeert mee te doen door geestigheden of grappen te vertellen. Hiermede moet men toch altijd heel voorzichtig zijn, want ge kunt er iemand door beleedigen of mede vervelen of hen die de grap niet begrijpen, er boos mede maken.—
Niets is op den duur hinderlijker bij het gesprek dan lieden, die voortdurend om alles grinneken en lachen en daardoor vaak hunne domheid toonen en zij, die nooit lachen en strak voor zich kijken, als het geheele overige gezelschap schatert. Het is dan, alsof hij de grappen der anderen beneden zich acht en de menschen ietwat minacht.
Gewoonlijk duurt een algemeen gesprek slechts kort en gaat over in gesprekken tusschen twee of drie personen.
Bij een diner is het rangschikken der plaatsen een der onaangenaamste plichten van gastheer en gastvrouw. Immers, zij moeten overleggen, welke gasten elkaar kennen en het goed samen kunnen vinden; zij moeten een verlegen jong meisje naast een vroolijk jongmensch en een schuchter jongeling naast een levenslustige dame plaatsen, opdat zij elkaar tot een gesprek zullen brengen. Hierbij moeten beide partijen zich inspannen om een zoodanig antwoord te geven dat men op het zelfde onderwerp kan voortgaan of op een verwant onderwerp overspringen. Niets is vreeselijker voor hem, die het gesprek leidt, dan antwoorden als: „Och”—„O ja”—„Neen” enz., die dan meteen het begonnen onderwerp afbreken.
Wanneer een jongmensch met een getrouwde vrouw spreekt of voor 't eerst aan haar wordt voorgesteld, moet zij altijd het gesprek openen. Evenzoo wachten jonge meisjes, die zich aan oudere dames laten voorstellen, totdat dezen het woord tot hen richten.
Kent het jonge meisje de oudere dames evenwel, dan is het hare plicht haar op bals en avondpartijen, op recepties en weldadigheidsfeesten, even te gaan aanspreken.
Over het voeren van een gesprek met een bekende is natuurlijk niets te zeggen. Men kent elkaar en zal dus meestal onderwerpen kunnen vinden. Met geheel vreemden is het lastiger en willen wij u de volgende wenken geven. Ten eerste moet men de gelegenheid niet laten voorbij gaan om aan het daareven gezegde een nieuwe vraag of opmerking vast te knoopen. Verder moet men vermijden over zich zelve, zijn eigen belangen, werken en leven te spreken, doch moet integendeel steeds een onderwerp aanroeren, waarin de ander belang stelt en waarover hij dus allicht onderhoudend spreken zal. Zijt gij dan aan een u bekend onderwerp bezig, vermijdt het dan echter den ander tot zwijgend toehooren te dwingen, maar geef hem gelegenheid, zijne meening te zeggen en luister geduldig naar hem. Toehooren speelt ook een voorname rol en er zijn vele menschen, die het niet kunnen, die met het een of ander voorwerp beginnen te spelen, of hunne oogen laten ronddwalen of den spreker eenvoudig in de rede vallen, wat altijd onbeleefd is. Men zij altijd hoogst voorzichtig en prate nooit zijn mond voorbij. Het is gevaarlijk in het bijzijn van vreemden over gemeenschappelijke kennissen te spreken en een onvriendelijke opmerking over hen te maken. Zelfs vrienden kan men niet altijd vertrouwen op het punt van zwijgen en er wordt door oververtellen zooveel kwaad gedaan. Men moet dus liever over algemeene onderwerpen spreken en met tact en fijn gevoel te werk gaan.
Wanneer wij onze kinderen leeren met twee woorden te spreken, zal hen dit later steeds te pas komen. Een jongmensch noemt tegenover een dame haren achternaam er bij; zoo zal hij eene getrouwde vrouw begroeten met Dag Mevrouw N., hoe maakt ge het? en tot een jong meisje gewend: „Goeden avond, juffrouw Z.” In het verdere gesprek kan men dan wel met „Mevrouw” alleen volstaan, maar nooit „juffrouw” alleen, dat is niet zeer beschaafd. Een jonge dame van adel spreekt men alleen als „freule”, zonder haar naam, aan.
En nu nog een enkel woordje over het elkaar bij den naam noemen.
Jonge meisjes doen dit vrij spoedig, doch als zij elkaar slechts oppervlakkig kennen, en een van haar trouwt, dan wordt zij voor de anderen „Mevrouw.”
Door de ouders van kennissen en vriendinnen kunnen jonge meisjes zich natuurlijk bij den naam laten noemen, doch met broers en vrienden moet zij voorzichtig zijn, daar het op de jongelieden zelf geen prettigen indruk maakt, wanneer een jonge dame door iedereen bij haar voornaam wordt genoemd en „jij” tegen alle heeren-kennissen zegt. Dit is slechts toegestaan, wanneer men veel bij de ouders van het jonge mensch aan huis komt of hem zelf dikwijls in gezelschap, op het sportterrein of de ijsbaan ontmoet. Het is steeds aan de dame voor te stellen, elkaar bij den naam te noemen; van heeren mag dit voorstel nooit uitgaan.
Eene getrouwde vrouw kan een jong meisje gerust bij den naam noemen, terwijl dit toch „Mevrouw” zegt; de jonge vrouw vraagt het meisje, haar bij haar naam te noemen. Den man eener getrouwde vriendin blijft gij „Mijnheer” noemen; komt gij echter veel bij hen aan huis, dan zal uwe vriendin u verzoeken, hem bij den naam te noemen, in dit geval wacht gij, totdat zij het voortstelt.
Tegenover vreemden spreekt men van oudere of getrouwde dames en vriendinnen, die men zelve bij den naam noemt, als van „Mevrouw S.,” of „Juffrouw B.,” niet alleen met den voornaam.
Heeren mogen achter den rug eener dame die zij goed kennen en bij den naam noemen, niet spreken van „Marie R.” of „Anna S.”, dat klinkt onbeschaafd en tegenover vreemden familiaar en onbescheiden; zij hebben het over „Juffrouw R.” en „Mevrouw S.”
Hiermede hebben wij ongeveer alle onderdeelen van „het gesprek” behandeld en hopen, dat deze wenken menigeen het spreken zullen veraangenamen.