← Table of contents
Gouden Daden

Een stout stukje.

Reading edition

Vijf dagen na de oorlogsverklaring van Frankrijk aan Duitschland, in het jaar 1870, waren nog maar weinig Duitsche troepen aan den linker Rijnoever bijeengekomen, en verkeerde men in het onzekere over de macht, die de Franschen op dat punt hadden samengetrokken. ’t Was voor de Duitschers van het grootste belang te weten, of de streek van den Rijn naar de Vogezen nog vrij van vijanden, en tevens of de vijand misschien reeds in aantocht was. Evenzoo was het dringend noodzakelijk zich te vergewissen, of de Franschen, die daar wellicht mochten zijn, bestonden uit voetvolk, ruiterij of artillerie, en hoe groot hun macht ongeveer was. Eindelijk nog wilde men weten, hoe sterk de macht was, waarover de Fransche generaal Mac-Mahon in den Elzas het bevel voerde.

Een dapper officier van den Wurtemburgschen generalen staf, Ferdinand Adolf August Heinrich Graaf von Zeppelin, bood zich aan, een verkenningstocht door het vijandelijk land te ondernemen, welk aanbod werd aangenomen. Men voegde hem de luitenants von Gayling, von Wechmar, Winstoe en von Billiez toe, benevens nog zeven ordonnans-dragonders, allen dappere mannen, die voor geen gevaar terugdeinsden en bereid waren, hun leven voor het heil van het vaderland op te offeren.

In den vroegen morgen van den 24en Juli werden de paarden bestegen en begaf de patrouille zich op weg, om den gevaarvollen tocht te ondernemen. Spoedig bereikten zij de grens bij Lauterburg, en met de grootste koelbloedigheid reden zij deze Fransche stad binnen. In galop renden zij de straten van dit kleine stadje door, nagegaapt door de verraste bevolking, die zich juist kerkwaarts begaf en niet wist, of zij hunne oogen gelooven konden.

Wat? Waagde dat troepje Duitsche soldaten het, door de stad te trekken? Zie, zij keken de Franschen uitdagend aan, en hadden de blanke sabel in de vuist!

De burgers stonden verstomd van schrik, en eer zij zich daarvan hersteld hadden en alarm konden maken, waren de dappere Duitschers de stad reeds door eene andere poort uitgereden en lachten smakelijk om de verbazing der Lauterburgers.

Even voorbij de stad gelukte het hun, een paar telegraafpalen omver te werpen en de draden stuk te snijden. Dat deden zij om den Franschen de gelegenheid tot telegrafeeren te ontnemen, en tevens om er hun eigen veiligheid door te bevorderen.

Zij verlieten den grooten weg door een zijweg in te slaan, en vervolgden met de grootste behoedzaamheid hun tocht. In galop gingen zij verder, tot zij ’s middags het dorp Neuweiler bereikten. Daar lichtten zij brutaal de brievenbus, en namen een brievenbesteller, dien zij tegenkwamen, zijne brieven en kranten af. De paarden werden echter vermoeid, want het was een warme dag, en zij hadden nu al vele uren geloopen. Toen zij ’s middags om vijf uur het dorp Trimbach bereikten, konden de dieren bijna niet verder, waarom Zeppelin besloot, hier eenigen tijd te rusten. Zij lieten de paarden grazen en drinken, en namen intusschen den omtrek zorgvuldig op. Aan een brandspuithuisje ontdekte Zeppelin een proclamatie van Keizer Napoleon, en hij maakte zich juist gereed deze af te scheuren, toen twee mannen in uniform naderden. ’t Waren een gendarme en een lansier, beiden te paard. De eerste had zijn sabel getrokken en de lansier hield ook zijn wapen voor den aanval gereed.

De Duitschers snelden hun bevelhebber te hulp, maar reeds was Zeppelin met het tweetal in een gevecht gewikkeld. De lansier stak zijn lans in Zeppelin’s paard, zoodat het doodelijk gewond ter aarde stortte, maar al spoedig ontving hij van Zeppelin een sabelhouw over het hoofd, die hem dwong overhaast de vlucht te nemen. De gendarme werd genoodzaakt zich over te geven. De Duitschers vonden gewichtige papieren bij hem, die zij in beslag namen. Daarna gaven zij hem zijne vrijheid terug, omdat zij geen kans zagen, hem bij zich te houden.

Zij besloten nu zoo spoedig mogelijk deze plaats te verlaten, en daar het paard van Zeppelin den tocht niet kon voortzetten, besteeg deze het ros van den gendarme. ’t Was lang zoo’n vlugge looper niet als het gewonde paard, maar Zeppelin had geen keus. Het paard van den lansier was ook buit gemaakt, en werd door een van de dragonders bij den teugel medegenomen.

Zij hadden nog niet lang gereden, toen zij in de verte een twintig Fransche ruiters zagen naderen. Schielijk trokken zij zich achter eenig geboomte terug, in de hoop, dat de vijanden hen niet gezien hadden. Maar voorzichtigheidshalve maakten zij zich toch tot den strijd gereed, vast besloten zich niet dan in den uitersten nood over te geven. Tot hun genoegen bleek het hun echter weldra, dat de Franschen hen inderdaad niet hadden opgemerkt, en zoodra zij uit het gezicht verdwenen waren, werd de tocht met spoed voortgezet. Deze voerde niet altoos over gebaande wegen, en soms hadden de ruiters met groote hindernissen te kampen. ’t Gevolg daarvan was, dat het logge paard van Zeppelin bij het springen over eene sloot viel en niet meer verder kon. De graaf besteeg toen het buitgemaakte paard van den lansier, dat niet een van de beste was. Waar zij daartoe in de gelegenheid waren, vernielden zij de telegraafpalen en -draden, en namen alles in beslag, wat van hun gading was. Zoo reden zij voort tot de avond viel. Uitermate vermoeid bereikten zij het Woud van Schönenburg, en Zeppelin besloot, daar te overnachten.

Voor den luitenant von Gayling was de tijd van rusten echter nog niet aangebroken, want Zeppelin droeg hem op, zoo spoedig mogelijk naar het hoofdkwartier terug te keeren en de buitgemaakte papieren aan den generaal te overhandigen. Hij maakte inderhaast een verslag van zijn tocht op, en voegde dat bij de overige bescheiden, die hij aan de zorg van den jongen, maar dapperen luitenant toevertrouwde.

Deze besteeg zijn paard en keerde met twee dragonders naar Karlsruhe terug. Eerst ging alles geruimen tijd goed en ontmoette hij geen enkelen vijand, maar dicht bij Lauterburg kwam hij in eene plaats, die door de Franschen bezet was. De onversaagde ruiter weifelde geen oogenblik. Hij gaf zijn paard de sporen, galoppeerde dwars door de vijanden heen, wien hij een vriendelijk “Bonjour Messieurs!” toeriep, bukte zich diep over den nek van zijn paard om de kogels te ontwijken, die hem over het hoofd vlogen, en was weldra in veiligheid. Om vijf uur ’s morgens kwam hij bij de zijnen terug.

Graaf Zeppelin en zijne onverschrokken tochtgenooten brachten den nacht in het woud vrij onrustig door en bestegen alweer vroegtijdig hunne paarden, om verder in het vijandelijk land door te dringen. Dat hun tocht steeds gevaarlijker werd, behoeft geen betoog. Toen hij ergens een boer op het land aan het werk zag, nam hij hem gevangen en dwong hem, de patrouille naar het naaste dorp te brengen en hem voor den burgemeester te geleiden. Wie beschrijft den schrik van dezen man, toen de Duitschers met de geladen revolver in de hand voor hem verschenen en van hem inlichtingen eischten omtrent de stelling der Fransche troepen. Graaf Zeppelin noteerde alles, wat de Maire hem mededeelde. ’t Waren gegevens, die voor het Duitsche leger van groot belang waren.

Zij vervolgden hun rit in zuidelijke richting, over Wörth, welke plaats zij onbezet vonden. De paarden, die nog vermoeid waren van den vorigen dag, schoten slechts langzaam op en Zeppelin begreep, dat het noodig was, hun eenige rust te geven en hen te voederen en te drenken. Dat gebeurde te Schirlenhof, een plaats slechts uit zeven huizen bestaande. Na de paarden in de schuur van een kleine herberg te hebben ondergebracht, werd aan een der dragonders opgedragen de wacht te houden, en traden de overigen de gelagkamer binnen. De graaf droeg zijn mannen op, ingeval zij overvallen werden, zich niet om elkander te bekommeren, maar ieder voor zich op eigen redding bedacht te zijn. Waarschijnlijk zou het dan toch wel aan minstens een hunner gelukken, in Karlsruhe terug te keeren, en kon hij de resultaten van hun tocht aan den generaal overbrengen.

Intusschen was een gendarme in vollen galop bij Generaal Bernis, die zich met zijn regiment in Niederbronn bevond, komen aanrijden met de tijding, dat een patrouille Duitschers een verkenningstocht deed in den omtrek, de telegraafpalen op verschillende plaatsen omverwierp, de draden daarvan doorknipte, en op de brutaalste wijze alle mogelijke inlichtingen inwon omtrent de ligging en de sterkte der Fransche troepen. Generaal Bernis gaf dadelijk bevel, dat eenige ruiters moesten opzitten, om de patrouille op te sporen en onschadelijk te maken. Onmiddellijk stegen zij te paard en zochten den omtrek af, maar van de Duitschers vonden zij geen spoor. Na lang zoeken echter hoorden zij van een paar boeren, dat de patrouille zich te Schirlenhof bevond, en in galop begaf men zich daarheen.

De dragonder, die op schildwacht stond, zag hen komen en waarschuwde zijne krijgsmakkers. De Franschen sprongen van hunne paarden, die zij aan een hek vastbonden, en wilden de herberg binnendringen. Maar de Duitschers ontvingen hen lang niet malsch. Revolverschoten knalden hen tegen, en een van hen, de kwartiermeester Pagnier, viel zwaar getroffen ter aarde. Luitenant Winstoe wist de schuur te bereiken, waar hij te paard wilde stijgen om weg te vluchten. Maar een schot weerklonk en ook hij stortte ter aarde. De Duitsche patrouille was niet tegen de overmacht bestand en werd gedwongen zich over te geven. De luitenants von Wechmar en von Billiez, benevens de vijf overgebleven dragonders werden tot na het sluiten van den wapenstilstand in 1871 in krijgsgevangenschap gehouden. En de twee gewonden, die naar Fröschweiler werden getransporteerd, bliezen na enkele uren den laatsten adem uit. Dat gebeurde ’s middags om vier uur. Zij waren de eerste slachtoffers van den Fransch-Duitschen oorlog. Men begroef hen te Niederbronn en richtte later te Schirlenhof een gedenkteeken voor hen op.

Alleen den Graaf von Zeppelin was het gelukt te ontkomen. Door eene achterdeur had hij de herberg verlaten, een oude vrouw, die op een paard van een der Fransche dragonders paste, de teugels uit de hand gerukt en in vliegenden galop de vlucht genomen. Ver achter zich hoorde hij de hoefslagen der paarden van zijne vervolgers. Eindelijk, na een woesten rit, bereikte hij een klein woud, dat hem wellicht redding kon brengen. Maar zijne vervolgers omsingelden het, zoodat hij nergens een uitweg kon vinden. Hij bond zijn paard vast in een dichtbegroeid struikgewas, en beklom toen een hoogen boom, in welks dicht bladerdak hij zoo goed als onzichtbaar was. Dat gebeurde ’s middags om twaalf uur, en hij bleef in zijne schuilplaats tot vijf uur. Toen pas durfde hij het wagen zijn boom te verlaten en wederom te paard te stijgen. De vijanden bleken vertrokken te zijn.

Spoedig kwam hij een boer tegen, die een paar koeien voortdreef. Von Zeppelin smeekte hem om een weinig melk, met het gevolg, dat de boer de koeien molk en hem de melk aanbood. Zijn uiterlijk moest wel in staat zijn het medelijden op te wekken, want de dochter van den boer bood hem uit eigen beweging twee peren aan, die hij graag van haar aannam. Het goede meisje had tranen van medelijden in hare oogen.

Von Zeppelin reed verder, tot hij op een afdeeling Fransche soldaten stuitte, die post gevat had op de straat tusschen Reichshofen en Wörth met last, den gevluchten Duitschen officier zoo mogelijk gevangen te nemen. In vliegenden galop reed de wakkere Duitscher door de Franschen heen, maar werd onmiddellijk door hen achtervolgd. Toch gelukte het hun niet, hem in hunne macht te krijgen. Zeppelin werd bij zijne vlucht niet weinig geholpen door de invallende duisternis, die hem in staat stelde, zijne vervolgers meermalen te verschalken. Bovendien brak er een hevig onweer los, dat zijne vijanden noopte, de vervolging op te geven.

Eindelijk, ’s avonds om elf uur, kwam de door vermoeienis uitgeputte officier aan eene eenzame boerenhoeve, waar alleen de vrouw thuis was.

Hij klopte aan en verzocht dringend binnengelaten te worden en in de hofstede te mogen overnachten. De eenvoudige vrouw, die met de bijzondere kenmerken der verschillende militaire uniformen niet op de hoogte was, meende een Fransch officier voor zich te hebben. Zij gaf gaarne verlof het paard in de schuur te brengen, noodigde hem bij zich aan tafel, gaf hem brood en melk, en wees hem eindelijk in een kamer een bed, waar hij slapen kon. Von Zeppelin hielp haar natuurlijk niet uit den droom en maakte van hare vriendelijkheid gaarne gebruik.

Toen na een poos de boer thuis kwam en zijne vrouw hem vertelde van den gast, dien zij hadden, begaf hij zich naar den stal, om naar het paard te zien. En tot zijn genoegen bemerkte hij, dat paard en zadeltuig tot het Fransche leger behoorden, waardoor hij geheel gerustgesteld werd.

Wie beschrijft zijn schrik, toen hij den volgenden morgen een Duitsch officier de woonkamer zag binnentreden.

“Gerechte Hemel, vrouw!” riep hij uit, “dat is een Pruis!”

Het gelukte Von Zeppelin echter, hem tot kalmte te stemmen en ongedeerd de boerenhofstede te verlaten. De nacht had hem en zijn paard nieuwe krachten geschonken, en in ijlenden galop werd de tocht naar de grenzen voortgezet. Zonder noemenswaardige ontmoetingen kwam hij ’s morgens om vijf uur bij de Beiersche voorposten aan.

Het stoute stuk was volbracht, en het leger kon met de inlichtingen, die Zeppelin verschafte, zijn voordeel doen.

De naam van den held ging van mond tot mond en kreeg door geheel Duitschland een groote vermaardheid.

Maar het uur, waarop Zeppelin de roem en de trots van zijn vaderland zou worden, brak eerst veel later aan, toen hij, oud en grijs geworden, met zijn bestuurbaar luchtschip gansch Duitschland over vloog, en den Keizer in Berlijn een bezoek bracht.

Daarover later.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings